Posts tonen met het label Kringloop. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kringloop. Alle posts tonen

vrijdag 6 februari 2026

Utopie uit de kringloop, Plan Pieter Both


Alvorens kerstboodschappen te gaan doen besloot ik om even binnen te lopen bij mijn lokale kringloop 'De Boem'. Ik volgde mijn vaste route. Eerst inspecteerde ik de vitrines vlakbij de ingang met duurdere spullen, waaronder ook boeken. Daar zag ik ditmaal niet veel bijzonders en dus liep ik al vrij snel door naar de hoek met de boekenafdeling. Ik vond daar niet direct iets van mijn gading en wandelde tot slot langs de wand met 'antiquarische' uitgaven. Inmiddels weet ik waar de kringloopmedewerkers de laatste aanwinsten neerzetten en daartussen stond ditmaal een boek dat direct mijn aandacht trok door zijn mysterieuze rugtitel: "Plan Pieter Both".


De bruine, linnen band vermeldt op het voorplat nogmaals de titel en onderaan de uitgever 'Niemeijer - Groningen'. Vermoedelijk heeft deze op verzoek van de schrijver enkele auteursexemplaren in een linnen band gezet, want toen ik het boek opensloeg zag ik dat de oorspronkelijke kartonnen omslag (in kleur) was meegebonden. Daarna volgt de titelpagina; "Conceptvoorstel voor een rijksplan. Plan Pieter Both. Een wereldexperiment in Staatkundige vernieuwing, Economische ordening en Sociale verbetering" (Groningen, 1948). Op de versozijde staat in handschrift: "Aan mijn broer Frans op den herinneringsdag 11 Juli 1948. PMBoth".


Een uitgave (266 blz.) die - zo bleek al gauw - in de tweedehands boekenwereld onvindbaar is (en dan is voor de kringloopmedewerkers ook niet te bepalen of dit een boek is voor in de vitrine...). Voor maar drie euro en vijftig cent nam ik dit kerstcadeautje graag mee. Thuisgekomen dook ik meteen achter de computer op zoek naar het verhaal achter deze opmerkelijke titel.

De auteur is de in Rotterdam geboren Pieter Mattheus Both (1899-1962) gehuwd met Adriana Maria van der Heul (1898-1998). De ontvanger van mijn aanwinst destijds was Pieter's zestien jaar jongere broer Frans Jacob Both. Die heeft het vermoedelijk nooit gelezen want het boek verkeert, ondanks het verkleurde beroerde naoorlogse papier, in uitstekende staat.


Pieter droeg zijn boek op aan "mijn blanke en bruine Rijksgenoten in Nederland en in Oost en West". Al bladerend en lezend werd mij al gauw duidelijk dat Pieter Both een (zeer gedetailleerde) utopie voor ogen had die nimmer is verwezenlijkt. Zijn plan verdeelde hij in vier boeken. 1. "De Chaos", vraagstukken die opgelost moeten worden. 2. "De Schemering", mogelijkheden, die zich aanbieden. 3. "Zonsopgang", het doel en de grondslagen, en tot slot 4. "De nieuwe samenleving", de Gemeenschap in Nieuw-Nederland.


Voor Both was (Nederlands) Nieuw-Guinea het toekomstige Nieuw-Nederland. Waarom dit eiland? Omdat het vele malen groter is dan Nederland en dun bevolkt ("zodat weinig last zal ontstaan van een opdringende inheemse bevolking; bovendien is deze bevolking zó primitief, dat voor concurrentie niet gevreesd behoeft te worden"). Daarnaast lag het strategisch, was het rijk aan grond-/delfstoffen en was de bodem erg vruchtbaar. Boths ideeën en plannen waren niet allemaal nieuw; ze kwamen in grote lijnen overeen met die van de Nederlandse Kolonisatie Commissie ingesteld door de Vaderlandsche Club, een conservatieve beweging opgericht in 1929 door de journalist H.C. Zentgraaff (1874-1940).

Om de uitvoering van "Plan Pieter Both" te ondersteunen en te verwezenlijken werd door Both een gelijknamige stichting opgericht (op zijn woonadres: Korreweg 81b, Groningen). Dat is best opmerkelijk want hij had zich ook kunnen aansluiten bij de hem welbekende 'Grooter Nederland Actie', waarvan vertegenwoordigers al in 1946 hadden deelgenomen aan de conferentie in Pangkalpinang over de toekomst van Nederlands-Indië en de rol van Nederlands Nieuw-Guinea.
Boths uitgave verscheen op een explosief moment in onze geschiedenis. Indonesië streefde naar onafhankelijkheid. Die zou in 1949 door Nederland worden erkend, maar Nederlands Nieuw-Guinea werd daarvan uitgezonderd. 'De kwestie Nieuw-Guinea' zou in de decennia daarna uitgroeien tot een politiek hoofdpijndossier van formaat. Pas in 1962 werd de knoop definitief doorgehakt toen Nederland, onder druk gezet door de Verenigde Staten, afstand deed van dit gebied.


In Delpher vond ik naar aanleiding van de verschijning van het boek enkele krantenartikelen zoals de bijdrage hierboven (uit het Rotterdams Parool van 30 juni 1948). Heel belangrijk is het artikel in Trouw van 12 december 1950. Daarin lezen we namelijk veel over de totstandkoming en teloorgang van deze uitgave. Ik citeer daaruit de volgende passage.
"Al 15 jaar vecht Pieter Both, een Groningse handelsman voor erkenning en nu uiteraard ook voor het behoud van Nieuw-Guinea. Nooit zag hij het land met eigen ogen, nooit zelfs zag hij het Zuiderkruis in de tropennacht schitteren aan het firmament, en toch heeft dit land van wildernis en Papoea's, van bergmeren en sneeuwtoppen, van malaria en onbekende mogelijkheden hem te pakken. Het was in 1935 dat ik voor het eerst werkelijk belang in dit vergeten rijksdeel ging stellen. Rondom mij zag ik de fatale gevolgen van een massale werkeloosheid en hoewel ik bijna niets van Nieuw-Guinea afwist, voelde ik dat daar misschien een belangrijke oplossing van onze problemen zou kunnen liggen. En Pieter Both sloeg aan het bestuderen. Elk boek, elk artikel, dat hij over dit grotendeels onbekende gebied in handen kreeg werd het zijne. Al zijn vrije tijd offerde hij er aan op. Hij sprak met tientallen personen, mensen uit regeringskringen en uit de arbeidersbeweging. En terwijl hij vorderde met zijn studie, terwijl zijn kennis vermeerderde en hij steeds meer de overtuiging werd toegedaan, dat Nederland al veel te lang zijn taak jegens dit verre land en onbekende volk had verwaarloosd, ontmoette hij overal niets dan welwillende belangstelling of botweg een totaal gebrek aan belangstelling.
Men knikte van ja of men schudde van neen, het kwam op hetzelfde neer. Men was het niet met Pieter Both eens, men vond hem eerlijk gezegd een beetje rare man om zich zo druk te maken om die wildernis. Doch Pieter Both hield vol, hij zette door. Die wildernis was 11 maal zo groot als Nederland en bij elke nieuwe studie zag hij meer mogelijkheden. Zijn gezin leed er onder, zijn gezondheid werd ondermijnd. En thans is hij wel lichamelijk herstellende, doch zijn betrekking als vertegenwoordiger bij een grote maatschappij raakte hij kwijt, zijn geld ging op aan reizen, boeken en correspondentie. Hij zag dit zelf alles het duidelijkst en steeds weer probeerde hij zich los te maken van Nieuw-Guinea, probeerde hij het slechts te zien als een 'hobby', zoals andere mensen postzegels verzamelen of modelvliegtuigen bouwen. 'Toen ik aan het begin van de oorlog voldoende materiaal verzameld had om een boek te schrijven, ontviel mij plotseling de moed. Ik vroeg mij af of ik niet te hoog had gegrepen en of het niet beter was om alles maar te laten zoals het was. Ik had een kamer vol met boeken over Nieuw-Guinea en andere onderwerpen, moest ik er nu zelf nóg een bijschrijven? Die Zondag ging ik naar de kerk en alles wat daar gezegd en gezongen werd ging aan mij voorbij. Mijn hoofd was bij andere dingen. En toen plotseling hoorde ik de mensen rondom mij zingen 'Vat aan het werk! Vat aan!'. Het waren de laatste woorden van het laatste gezang, dat gezongen werd. Ik kreeg een schok en zag hierin een onmiskenbaar teken.
Dit werk was mij opgelegd en mocht ik nu niet meer van mij afschuiven. En ik sloeg aan het schrijven'. Zo ontstond het plan-Pieter Both, een boek van 266 pagina's, dat bij verschijnen in alle kringen veel lof oogstte. Vakmensen prezen het, regeringsautoriteiten zochten contact met Pieter Both en spraken haar waardering uit voor dit boek, dat naast veel idealisme en geloof ook getuigde van een enorme kennis van Nieuw-Guinea. En... van officiële zijde verzocht men de schrijver zich van verdere propaganda te onthouden teneinde de onderhandelingen met Indonesië niet ongunstig te beïnvloeden. Pieter Both bracht dit laatste financiële offer. Ruim 700 exemplaren werden vastgehouden en nimmer verkocht en de gedrukte vellen voor nog eens 3000 exemplaren liggen te wachten op de boekbinder.
Dat was tot nu toe de enige reële daad, die men van 'officiële zijde' stelde. Dat was in 1948".


Nu wordt meteen duidelijk waarom deze - op eigen kosten gepubliceerde - uitgave antiquarisch onvindbaar is. Van de totale oplage (zeer waarschijnlijk 4000 exemplaren) werd nog geen 10 procent verspreid (een kleine driehonderd boeken, á ƒ 4,90 per stuk). De rest, ruim 3700 gebonden en ongebonden exemplaren, verdween uiteindelijk geruisloos in de papiermolen.

Pieter Both overleed op 8 mei 1962, een week nadat Nederlands Nieuw-Guinea aan de Indonesische autoriteiten was overgedragen. Zijn uitgewerkte utopie "Plan Pieter Both" verdween uit de geschiedenis en het collectieve geheugen. Tachtig jaar later is zijn levenswerk alleen nog in enkele (universitaire) bibliotheken op te vragen. Antiquarisch is het een zeldzaam curiosum geworden. Niemand die zijn grafsteen passeert op de Groningse begraafplaats Selwerderhof (06/01/197) zal zich dit alles realiseren.

vrijdag 17 maart 2023

Zuster Belinda: "Tussen haar benen scheen de zon"


In mijn kringloop lag voor € 10,- euro: "Zuster Belinda en het geheime leven van dokter Dushkind", de (succesvolste) roman van tekstschrijver en journalist Peter Andriesse (1941) in samenwerking met (de fictieve) Dr. S.J. Winterman. Een goed bewaard gebleven eerste druk (1971), gedrukt op slecht, zeer houtrijk papier, in geplastificeerde kartonnen band met de iconische cover-illustratie van omslagontwerper Hans C.J.E. Borrebach (1903-1991).
Het boekje (ca. 16,5 breed en 21 cm. hoog) telt 223 bladzijden (58 romeins genummerde hoofdstukken) verdeeld over drie delen: 1. "Als de grote stad lonkt..." (hoofdstuk I t/m XV),
2. "Dr. Dushkind zet door" (hoofdstuk XVI t/m XXXV) en tot slot 3. "Finale als voorspel" (hoofdstuk XXXVI t/m LVIII) dat afsluit met: "Amsterdam, maart-december 1970".
Het bevat (op de achterzijde van de titelpagina) een opdracht: "Voor Thomas Rap, wiens goede raad niet in de wind is geslagen" en een motto: "Ik zie de zon, al schijnt ze niet (Eddie Christiani)". Curieus is de bibliografie (op de achterzijde van bladzijde 223 met (19) geschriften die de auteurs hebben geraadpleegd om zich in 'de materie' te verdiepen...


Oorspronkelijk werd dit verhaal geschreven als feuilleton in "De Nieuwe Linie", een opinieweekblad (dat verscheen tussen 1963 en 1982). De eerste druk in boekvorm, verschenen bij De Bezige Bij, kom je niet meer zo gauw tegen, wel talloze herdrukken die voor bedragen tussen de € 3,50 en € 25,- euro worden aangeboden (zie Boekwinkeltjes).
In 1979 verscheen de 2de druk bij Loeb & van der Velden, uitgevers, gevolgd door de 3de druk in 1985, ditmaal bij Bert Bakker die ook tekende voor de uitgave als Ooievaar Pocket (284) in 1992. In onze eeuw verscheen de eerste herdruk in 2009 bij NRC boeken en vervolgens in 2017 bij uitgeverij Aspekt. Beide uitgaven kenmerken zich door een nieuw ontworpen omslagillustratie. Tot slot verscheen "Zuster Belinda" onlangs (2022) ook als digitaal e-boek bij uitgeverij Aspekt.


Het verhaal van "Zuster Belinda" zorgde in 1971 voor de nodige reuring in dag- en nieuwsbladen. Inhoudelijk spraakmakend, door zijn expliciete seks (inclusief seks met dieren en necrofilie) en natuurlijk die memorabele zin op blz. 81: "Tussen haar benen scheen de zon", maar ook curieus door bijvoorbeeld de namen van de hoofdpersonen, die vijftig jaar later herinneringen oproepen aan onze toenmalige rook- sigarettencultuur. Online vond ik zoveel informatie over deze uitgave dat ik besloot om een soort geïllustreerd dossier te maken van dit twintigste-eeuwse cultboek. Kortom een verzameling van op internet gevonden informatie (uiteraard met bronvermelding), zonder commentaar en gelardeerd met informatieve krantenknipsels uit Delpher.


1.
"Verpleegstersroman (doktersroman)
Roman waarin een verpleegster hoofdpersoon is: verpleegster wordt verliefd op een arts, of andersom, en na een reeks verwikkelingen volgt doorgaans een happy end(ing). Vanwege het stereotiepe verhaalverloop wordt de verpleegstersroman, net als de doktersroman, tot de triviaalliteratuur gerekend. Veel van dit type romans verscheen in de Bouquet-reeks en wordt verkocht in grootwinkelbedrijven of kiosken.
Peter Andriesse schreef een pastiche op deze damesromans in Zuster Belinda en het geheime leven van Dokter Dushkind (1971)" (DBNL).


2.
"Een boekje met drieënvijftig beweringen zonder bewijs en een quasi-doktersroman die een Amsterdamse sleutelroman blijkt.
Beweren en bewijzen is twee door Peter Andriesse bevat 53 beweringen en geen enkel bewijs. Dat laatste hoeft hier ook niet, want de beweringen vormen het apparaat dat de schrijver een greep op de wereld verschaft. Het is namelijk de afbeelding van ‘zijn’ werkelijkheid en omtrent iets zo persoonlijks valt niets te bewijzen. Voor de werkelijkheid van Andriesse is het genoeg, dat hij erin gelooft.
Een systeembouwer in ideologische zin is hij waarschijnlijk niet. Maar hij is ook geen rasindividualist. Zijn hier in beweringen ondergebrachte ‘waansysteem’ houdt immers, en dat maakt communicaties ook mogelijk, voeling met andere waansystemen – collectieve, als dat van Wittgenstein of George A. Kelly, en persoonlijke, als dat van Sade of W.F. Hermans.
“Er is maar één werkelijk woord”, citeert hij van de laatste: “chaos”. Maar daartegenover ziet hij natuurlijk ook wel in dat er een soort oerwaansysteem moet bestaan, de logica m.n., waar zonder andere waansystemen het niet kunnen stellen, zolang het ons niet mogelijk is antilogisch te denken.
Vooral die logica garandeert een minimum aan communicatie, zegt hij zelf. En toch maakt hij van dit “oerwaansysteem” geen hoeksteen voor zijn beweringen, waardoor zij een brug tussen het wetmatige van het rationele denken en die chaos van Hermans zouden vormen. Mijn indruk is dat Andriesse meer hecht aan gevoelsmatige inzichten als dit van de psycholoog Kelly met zijn “constructensysteem”, volgens welk het construct “lui” in verband kan worden gebracht met de constructen “vies”, “stinken”, “ongewassen” en “seksueel losbandig” (bewering 6). Op deze (en tegenovergestelde) manier kijken tal van mensen tegen de wereld aan, heeft iedereen zijn “filosofie” en niemand een bewijs. Dat zulke beweringen eenvoudig te falsifiëren zijn, alleen maar door op concrete gegevens uit de chaos te wijzen die een tegengestelde bewering staven, is duidelijk.


Beweren en bewijzen is twee is naar mijn mening eerder een ‘retorica’ dan het sluitend waansysteem van een denker of een idioot. Een retorica waarbij het niet gaat om literatuur, maar om de eigen persoonlijkheid en de wereld. Meer dan eens doen Andriesses beweringen aan Multatuli’s Ideeën denken, en dan zeg ik iets heel moois van deze beweringen, vooral wanneer men bedenkt dat Andriesses tweede boek van dit jaar, Zuster Belinda en het geheime leven van dokter Dushkind in geen enkel opzicht met de Max Havelaar te vergelijken is.
Want wel geeft Zuster Belinda vorm aan een waansysteem, maar dat is niet dit van de schrijver. Het is het waansysteem van het damesbladverhaal, het meisjesboek, de roman naar het ontwerp van Rebecca.
Zo’n boek schrijven kan niet moeilijk zijn: zet een aantal clichés op en de lezer weet door herkenning meteen op het vervolg vooruit te lopen. In overeenstemming met een van de beweringen (de vijfde) kan men zeggen dat Zuster Belinda een consistent systeem is: alle volgende clichés zijn uit het eerste af te leiden. Het belangrijkste cliché van dit boek is het uitgangspunt: dat lezers van doktersromans in boeken nu eenmaal een nabootsing van de realiteit menen te zien. Dat Zuster Belinda een sleutelroman is, waar praktisch heel schrijvend Amsterdam herkenbaar in voorkomt, versterkt het nabootsende of mimetische karakter niet weinig.

Het verhaal is iets knulligs over een plattelandsmeisje dat op weg naar de grote stad Amsterdam waar ze als verpleegster komt werken, de dokter van haar leven leert kennen. Aangezien ze hierna een tweede minnaar zal ontmoeten, Geert, een schrijver, moet ze van een aantal remmingen worden verlost. Tot dat doel wordt haar een levenswijze opgedrongen waarin alleen, in boeken althans, dorpsmeisjes schijnen te trappen. Natuurlijk trouwt ze met haar arts (dat is het meisjesboekaspect), maar die ontpopt zich dan al snel als een waardig leerling van Sade, hoewel hij voor het oog van de wereld een hoogstaande moraal vertegenwoordigt (hier worden de Rebecca-aspecten actueel). Geert besluit Belinda, die van alle lichtzinnigheid is afgestapt, te redden. Maar dat mislukt. Dushkinds image is te hecht gevestigd en de twee geliefden komen in een psychiatrische kliniek terecht. Met een verwijzing naar bewering 10 concludeert de lezer dat hun enige krankzinnigheid die van de deugd is. Ongelukkig worden ze er niet door. Geert schrijft er zijn roman, en de beginregels ervan zijn identiek met deze waar Zuster Belinda mee aanvangt.

De taal die beloofde een afbeelding van de werkelijkheid te geven, blijkt opeens met die werkelijkheid niets te maken te hebben: het slot sluit Belinda, Geert en Dushkind in een structuur in, wat betekent dat ze uit het leven in de fysische realiteit worden gestoten. Onze voorbarige opvatting dat Zuster Belinda een consistent systeem zou zijn, moeten we hier dus herzien. De compositie levert immers (net als bij Eschers hiaatloze prenten) een ‘restfiguur’ die even interpretabel is, als de figuur vanwaar we zijn uitgegaan
"("Schrijver Peter Andriesse hanteert waansystemen" op het blog: "De open ruimte. Volledig werk en blogbiografie van R. (Rudy) A. Cornets de Groot". Bron: "Het Parool", 22 januari 1972).



3.
"Zuster Belinda of het geheime leven van dokter Dushkind.
Het was een parodie op zowel de verpleegstersroman als de detective en het grootste succes van de journalist Peter Andriesse. Iedereen had er wel een mening over en nog steeds kun je er commentaar op terugvinden, als je een beetje om je heen googlet.
Dit verhaal uit 1971 heb ik vooral in mijn bezit, omdat het een omslag van Hans Borrebach heeft. Een spraakmakende omslag, die meer deed denken aan zijn pornografische dan aan zijn illustratieve kant. Alsof dokters met zijn allen tegelijk Belinda de kleren van het lijf rukken. Zo erg is het niet. Het gaat niet alleen over seks, maar wel veel.
Seks van en met dokter Dushkind vooral. Die doet het trouwens niet alleen met Belinda, maar met alles en iedereen en overal. Incest met zijn beide dochters, waarvan hij er een heeft vermoord en geconserveerd. Zowel necrofilie als incest, dus. Hij doet het met zichzelf en hij doet het met zijn paard. Grappig? Nou nee, eerder absurd.
Dushkind was een sigarettenmerk. Belinda ook. Alle personen in het boek hebben namen van tabak. Er is een dokter Winfield en een dokter Stuyvesant. Een dokter Drum en een dokter Van Nelle. Een zuster Camel en een Miss Blanche. Dat maakt het dan wel weer grappig om te lezen. Maar ook een beetje vermoeiend.
Dan is er nog de schrijver Geert die verliefd is op Belinda. Een opname in een zwakzinnigeninrichting en de moorden die dokter Dushkind pleegt om chef de clinique te worden. Tja. Het hoort bij mijn Borrebach verzameling. Daarom staat het in de kast.
En het is verantwoord geschreven, want er heeft een dokter aan meegewerkt. In samenwerking met dokter Sj. Winterman, staat er op de titelpagina. Bovendien heeft Peter zelf verpleegsterspulp gelezen, voor hij aan deze roman begon. Dat heeft hij allemaal keurig als bron vermeld" 
(Marieke op haar blog: "Hoe verzin je het. Over oude boeken en de lol van het herlezen", 24 februari 2011).


4.
"Moderne doktersroman, gevolgd door een curieuze bibliografie van ‘geschriften […] geraadpleegd teneinde zich in de materie te oriënteren’: onder meer Blaman, Cronin, Hermans en een ‘ongepubliceerd manuscript in bezit van de auteurs, 1970’ van Brouwers.
In 1972 verliet Josefine Meijer haar echtgenoot Peter Andriesse voor Jeroen Brouwers" (catalogus 56 (133), 2012, antiquariaat Fokas Holthuis).


5.
"Zuster Belinda en het geheime leven van dokter Dushkind" is een opvallend boek vanwege de omslag van Hans Borrebach. Grijpgrage handen ontdoen zuster Belinda van haar bovenkleding. Het was in 1971 bij verschijning misschien nog wel gewaagd. Na ruim 40 jaar is de inhoud nog steeds niet onomstreden.
Het boek begint als een onschuldige parodie op de doktersroman. Een jonge naïeve verpleegster komt naar de grote stad (Amsterdam) en is al snel gefascineerd door de uitstraling van dokter Dushkind. Geleidelijk aan wordt het verhaal meer een erotische roman, waarin dokter Dushkind geen geweld schuwt. In het verhaal maakt Dushkind zich onder andere schuldig aan verkrachting, pedofilie en necrofilie. Wanneer slachtoffers deels genieten van dit seksuele geweld is het de vraag of dit acceptabel is, ook al is het een humoristisch boek.
Het is ook een parodie op de misdaadroman en de schrijver maakt creatief gebruik van allerlei tabaksnamen. Het leest vlot, maar gezien eerdere opmerkingen kan je toch wel de nodige bedenkingen hebben tegen dit boek
" (Bol.com. Review van KritischeKees (50-59 jaar), 26 februari 2012).


6.
"Schrijven is schrappen.’ Deze inmiddels tot cliché geworden wijsheid (van Godfried Bomans als ik mij niet vergis) geldt voor sommige auteurs ook ná publicatie van een tekst. In februari 1986 kocht ik, nieuw, de niet lang daarvoor verschenen derde druk van Peter Andriesse – Zuster Belinda en het geheime leven van dokter Dushkind (Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1985).
Onlangs – in oktober 2013 – ‘verwierf’ ik een eerste druk van datzelfde boek (De Bezige Bij, Amsterdam 1971). Twee zaken vielen mij meteen op: 1. de derde druk is een fotografische herdruk van de eerste; en 2. op de titelpagina van de eerste druk staat ‘door Peter Andriesse in samenwerking met dr. Sj. Winterman’, terwijl de derde druk slechts vermeldt ‘door Peter Andriesse’.
Hela hola, dacht ik, een fotografische herdruk waaraan de in het origineel wel genoemde Winterman niet heeft meegewerkt – hoe zit dat? (Een Winterman, zo bleek al snel, over wie ik nergens iets kon vinden.) Ik legde Peter Andriesse de vraag voor: wie is toch die Sj. Winterman, ‘in samenwerking met’ wie (volgens de eerste druk) ‘Zuster Belinda etc.’ geschreven werd?
Andriesse antwoordde: Dr. Sj. Winterman is een fancynaam, er werd al eens verondersteld dat W.F. Hermans werd bedoeld. Dan toch eerder Jeroen Brouwers, met wie ik tijdens het schrijven van het feuilleton bevriend was en regelmatig briefwisselde (hij woonde in België). Hij schreef soms een aflevering van “Belinda” in zo’n brief, daaruit pikte ik wel enkele fragmenten of liever namen en eigenschappen. Zo is mevr. Ribbius met het houten been afkomstig van Brouwers, ook de Gigolo Angelostraat, en nog zo het e.e.a.

Schrapte Peter Andriesse alleen een naam van het titelblad, de door hem genoemde W.F. Hermans herzag de tekst van al zijn boeken voor iedere herdruk – voor alleen al het noemen van al die Hermansvarianten zijn waarschijnlijk honderden pagina’s nodig, dus daaraan begin ik hier niet eens. De andere door Andriesse genoemde auteur, Jeroen Brouwers, is in dat opzicht wat bescheidener. De enige roman die hij daadwerkelijk herzag, na een aantal drukken, is Het verzonkene – de eerste druk verscheen in 1979 bij De Arbeiderspers. Brouwers schrapte in (uit) dat boek de polemische passages tegen het ‘experimenteel’ of ‘ander’ proza. Omdat hij die stukken te gedateerd vond nadat de bloeitijd van dat experimentele proza voorbij was – het werd nauwelijks nog geschreven en nog minder gelezen.


Wat Brouwers ook schrapte: enkele complete verhalen uit zijn vroege bundels Het mes op de keel (Manteau, Brussel/Den Haag 1964) en De toteltuin - gevallen van de sfinx (A. Manteau n.v., Brussel/Den Haag 1968). De bundels mochten van Brouwers niet worden herdrukt, omdat hij er niet langer tevreden over was. In de verzamelbundel Verhalen en levensberichten (Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1983) nam hij slechts één verhaal op uit Het mes op de keel (hij schrapte er drie: ‘Orpheus’, ‘Dode vrucht’ en ‘Geestelijke dochter’), en dan nog in de herschreven versie waarin dat verhaal – ‘Thijmen Hoolwerf’ – werd afgedrukt in De toteltuin. Uit De toteltuin schrapte Brouwers alleen het titelverhaal voor de herdruk in de hierboven genoemde verzamelbundel.
Maar een auteur kan meer schrappen uit zijn of haar debuut dan Brouwers deed. Enter Chrétien Breukers.
Op de website van Poëzie-uitgeverij WEL heeft Breukers een auteurspagina. Op die pagina de gebruikelijke auteursinformatie, in dit geval staat er (de pagina is voor het laatst bewerkt op ‘woensdag 21 oktober 2009 18:18’):
Chrétien Breukers (Leveroy, º1965) maakte bij WEL zijn debuut met ‘De rand van het domein’ in 1989. Hij studeerde Algemeen Literatuurwetenschap in Nijmegen, was redacteur van het tijdschrift Tristan en de bekende poëziereeks De Windroos en is momenteel o.a. redacteur van De Contrabas en freelance tekstschrijver. Samen met Hein Aalders stelde hij ‘Alles is er nog’ samen, de verzamelde gedichten van Jan Kostwinder (Thomas Rap, 2003). Of deze zoon van Limburg zijn eerste dichtbundel verloochent weet ik niet, maar Chrétien Breukers schrapte hem in zijn geheel. En dat leverde op de site van WEL een prachtige readymade op:

OP VERZOEK

Omdat de dichter geen enkel gedicht uit

zijn debuutbundel nog goed genoeg vindt,

respecteren we zijn wens

om er niets uit te publiceren.

Hier geldt: schrappen is schrijven
"


7.
"Haar blond omrankte ‘eigenheidje’.
Enigszins ranzige parodie op de verpleegstersromans uit de jaren zestig.
Leerling-verpleegster Belinda Vinken verruilt de provincie voor Amsterdam om daar in een ziekenhuis te gaan werken. Ze valt niet alleen als een blok voor de knappe en ambitieuze chirurg dr. Dushkind, maar krijgt ook warme gevoelens voor haar leeftijdsgenoot Geert Wolfmann, die op een verzekeringskantoor werkt en in zijn vrije tijd verhalen en gedichten schrijft. Als dr. Dushkind Belinda toch nog vrij onverwacht ontmaagd (M’n pantalon is helemaal verpest) legt zuster Stella uit wat er van haar verwacht wordt: Het hoort nu eenmaal bij ons vak: het dienen der mensheid, niet alleen de patiënten, maar ook de artsen. Ze hebben een zwaar bestaan en een verpleegster kan daar zo nu en dan eens wat verlichting in brengen. Dat is onze taak en je zult merken dat die taak op den duur geen belasting meer is, ze kan zelfs een bron van intens genot worden.

Belinda neemt de raad van Stella ter harte en geeft zich volledig over aan ‘haar roeping’ en aan Stella zelf. Ineen sprong Stella overeind, knielde tussen Belinda’s roomblanke dijen en duwde haar hoofd tegen Belinda haar blond omrankte eigenheidje.
Sinds die tijd gaf ze zich volledig over aan haar roeping, eerst nog wat onwennig, maar allengs met meer plezier. Ze gilde niet meer als ze plotseling een kamer werd binnengetrokken, blijmoedig vervulde ze haar taak… Ze had het afgeleerd tijdens haar werkuren nog een onderbroekje te dragen, dat was toch slechts een lastig obstakel tijdens het vervullen van haar plichten.
Belinda neemt afstand van Geert. Alles gaat zo een tijdje door totdat dr. Stuyvesant zich ermee bemoeit en ze zwanger blijkt te zijn.


Peter Andriesse (1941) studeerde psychologie en was tekstschrijver en journalist. Hij schreef een aantal verhalen. Dit boek was zijn eerste roman, het werd door velen als een soort cultboek gezien, ‘vol humor en spannende seks’. Het boek is kennelijk één op één herdrukt, want de spelling wijkt af van wat tegenwoordig gangbaar is.

De humor blijkt onder meer uit de naamgeving van de verschillende artsen: naast dr. Dushkind (die ooit een romance had beleefd met de Amerikaanse hartspecialiste Miss Blanche) en dr. Stuyvesant zijn er onder meer dokter Bastos, dokter Mantano, dr. Winfield en dr. Gladstone en de assistenten Samson en Drum. En dan was er ook nog zuster Van Nelle, de ‘vreselijke weduwe’. De namen van de patiënten lijken ’toevallig’ op die van bekende schrijvers uit die tijd, zoals de oude heer Puddingh, meneer Wolters (schrijver van Turkse bloemen), de volksjongen Jan Kremers en meneer Marsman.

Deze parodie op voormalige schrijvers en sigarettenmerken doet nu wat gedateerd aan. Van de vrolijke erotiek moet je houden, maar daar is op zichzelf niets mis mee. Maar daar blijft het niet bij. Er is in dit boek ook sprake van pedofilie, incest en seks met dieren, hoe luchtig beschreven ook en dan verder nog de toen en nu verwerpelijke necrofilie. Het is moeilijk te achterhalen hoe men hier destijds over dacht, maar anno 2017 vind ik dit niet kunnen.

Soms grappig, maar vaak gedateerd en bij vlagen verwerpelijk
" (Els R. recensent op het blog "Leeskost", 10 juni 2017).

8.
"Borrebach werd bekend om zijn ‘Borrebachmeisjes’: onwaarschijnlijk slanke, modieus geklede, anatomisch onmogelijke fantasiewezens, eerder miniatuurdames dan tieners, met inwisselbare glimlachende gezichtjes, in de stijl van de Amerikaanse filmposter en reclametekening. ‘Niks geen boezem of zo, erotisch volstrekt oninteressant’, vond hij er zelf van.
Dat lag uiteraard anders in zijn onder de toonbank verkochte erotische romans (Striemen en priemen, 1970) en strips (De overwinning op de zwaartekracht, 1948), waarin ontblote dames in zwart leer elkaar tuchtigen ‘met de leren nijlpaardzweep’. Het moet een mooi moment voor de illustrator zijn geweest toen De Bezige Bij hem op zijn oude dag het scabreuze omslag liet maken voor Zuster Belinda en het geheime leven van dokter Dushkind van Peter Andriesse
" (Erik van den Berg: "De ‘creatiefste viespeuk van Den Haag’ wilde gezien worden met zijn Borrebachmeisjes" in: "De Volkskrant", 9 augustus 2019).

vrijdag 18 september 2020

Komkommertijd!


Na ruim vierhonderd bijdragen op dit blog zal er bij velen onder u een verkeerd beeld zijn ontstaan van Perkamentus antiquarius. Toegegeven, ik ben daar zelf schuldig aan.
Ik praat, lees en schrijf nu eenmaal graag over het oude boek, perkament, curieuze brochures en rariteiten bedekt door het stof der eeuwen. Ik ben een fan van paleografie, genealogie, iconografie, bibliofilie, en nog wat andere ie’s waarvan de gemiddelde lezer geen flauw benul heeft. Ja, ik duik graag in archieven, musea, bibliotheken en ben een fan van in het wild voorkomend cultureel erfgoed.
Voor velen (mijn dochter van achttien incluis) ben ik een wereldvreemde kluizenaar; saai, grijs en stoffig. Een vriendelijke ‘weirdo’ tussen boekenbergen en antiquiteiten, die met zijn uiterlijk voorkomen wel wat weg heeft van ‘uncle Fester’ uit de ‘The Addams Family’, al word ik tegenwoordig vaker aangezien voor Ferd Grapperhaus of (als ik wat gedronken heb) Frits Wester...

Om dat beeld enigszins te corrigeren wil ik het met u ditmaal niet hebben over mijn gebruikelijke stokpaardjes. Er staat in de huiskamer genoeg onzin in de Billy boekenkasten om de veelzijdigheid van mijn interesses (mijn kleurrijke persoonlijkheid zo u wilt) te illustreren. Daartussen ook boeken en boekjes die zich prima lenen voor een weekendje strand of een kort stedentripje. Mijn lectuur voor in de komkommertijd zeg maar.


Wat dacht u bijvoorbeeld van “The UFO experience. A scientific inquiry” (Chicago, 1972).
Ik ben altijd al een fan geweest van films en documentaires over UFO’s, vooral als dit onderwerp behandeld en onderzocht wordt vanuit een wetenschappelijke hoek.
Dr. J. Allen Hynek (1910-1986) was een Amerikaanse astronoom die in opdracht van de Amerikaanse Marine onderzoek deed naar UFO’s.
Weinigen zullen zijn naam of werk kennen maar wellicht herinneren de ouderen onder u zich de science fiction film “Close encounters of the third kind” (1977) van Steven Spielberg waarin hij een gastrol vervulde. Terecht, want het was Hynek die het ufofenomeen zijn bekende classificatiesysteem gaf. Overigens en geheel terzijde; ik ben een echte sciencefiction film liefhebber…


Vervolgens: “Barbed Wire, a political history” (London, 2002).
Prikkeldraad! We zijn er allemaal wel eens aan blijven hangen, maar niemand staat erbij stil dat er een prikkelende geschiedenis schuilgaat achter die ijzeren draden en dat er zelfs een prikkeldraadmuseum is zal wel niemand weten. Hoewel…
Veel van mijn lezers kennen ook nog wel die andere bibliofiel, Boudewijn Büch (1948-2002).
En ja, ook Büch had een fascinatie voor prikkeldraad zoals u kunt lezen in “Hekken, prikkeldraad en kamelen”, het eerste hoofdstuk van zijn laatste boek ”Steeds verder weg” (Amsterdam, 2002). 


Een meer serieus werkje is: “Scottish clans & Tartans. 150 tartans illustrated in full colour” (London, 1993). De Kilt (de Schotse mannenrok) zullen velen onder u wel kennen van bezoekjes aan het ‘perfide Albion’ of van films zoals “Braveheart” (1992) met Mel Gibson.
Voor diegenen die altijd hebben gedacht dat de kilt bestond uit willekeurig gekozen gekleurde stof volgens de laatste mode kan ik dit boekje aanraden, want niets is minder waar.
Elke familieclan onderscheidt zich door zijn eigen ‘tartan’ met zijn eigen specifieke patroon en kleuren.
Kortom, met deze gids kunt u voortaan een lid van Fletcherclan onderscheiden van een MacGillivray en een Macrae van een Campbell of Argyll. Altijd handig, nietwaar!


De enkele nieuwsgierige bezoeker die voor het eerst naar mijn volle boekenkasten kijkt en vraagt wat mij zoal interesseert mag ik graag overrompelen met: “Het penisboek” (Keulen, 2000). Een boekje dat het mannelijk lid vol in de schijnwerpers zet. Een echte kringloopvondst, waar er drie naast elkaar op de plank stonden. DRIE! 
Volstrekt onbegrijpelijk, want wie wil er nou niet voor anderhalve euro kennisnemen van allerlei nutteloze kennis rondom de penis? En dan die blik van de kassajuffrouw, onbetaalbaar….


Een ander fenomeen dat op een wetenschappelijke manier wordt benaderd is: “Reïncarnatie, 20 gevallen van vermoedelijke wedergeboorte” (Amsterdam, 1981). 
Het boek werd geschreven door een Amerikaanse psychiater, dr. I Stevenson (1918-2007). Geheel onomstreden is zijn onderzoek overigens niet maar dat neemt niet weg dat het al met al boeiende verhalen oplevert. Leven na de dood, wie interesseert zich daar niet voor?
Of dat reïncarnatie is weet ik niet want er zijn tal van andere mogelijkheden en ook daarover is geschreven. Stevenson zelf is - voor zover mij bekend - nog niet gereïncarneerd.


Dan weer zo’n onzinboekje over een onderwerp dat niemand ziet, tenzij je vaak met het hoofd in de nek loopt: “Ornamenten & Windvanen“ (Hilversum, 1999). Het is een rijk geïllustreerd overzicht van in Nederland voorkomende ornamenten zoals de windwijzer of windvaan op daken, torens en schoorstenen. De meesten onder u zullen wel de (oeroude) ‘windhaan’ kennen die op vele kerktorens staat maar er zijn talloze andere ornamenten die ontsnappen aan onze aandacht en nooit bezoek krijgen, behalve dan van de bliksem. Ik blijf me verbazen over dit soort boekjes. Hoeveel mensen delen deze afwijking passie van auteur B.M. Oostendorp sr., ‘torenaar’ in ruste?

vrijdag 26 juni 2020

Een onvindbaar boek gevonden


Maandag 22 juni was een prachtige zonovergoten dag. Ik stapte op mijn fiets voor wat dagelijkse boodschappen en besloot eerst even langs mijn kringloop te gaan. In coronatijd wordt die, zeker op maandag, niet druk bezocht. Ik vond er in eerste instantie niet zo gauw iets bijzonders en besloot tot slot om nog even in de kasten met antiquarische boeken te snuffelen. 
Daar trok ik een boekje van de plank waarvan de halfleren band 'vakkundig' was beplakt en verstevigd met plakplastic. Dat zal niks wezen dacht ik, terwijl ik het boek opensloeg. Aan de binnenzijde stond met potlood geschreven "Auteur onbekend! Zeldzaam", het jaartal 1808 en de prijs € 12,50... Enfin, wat later (en wijzer) maakte ik er een fotootje van voor Twitter. 


Na de blanco pagina volgde de franse titel die duidelijk maakte dat het ging om: "Amsterdam bij dag en bij nacht" (NB. de lithografische titelpagina vermeldt consequent: "Amsterdam bij dag en nacht"). Auteur, plaats en jaar van uitgifte worden niet vermeld maar wel de uitgever/drukker: D. Allart. Dat moet Dirk Allart (1818-1887) zijn geweest die een boekhandel en drukkerij had op de Amsterdamse Haarlemmerdijk ter hoogte van de Herenmarkt. 

Al bladerend ontdekte ik dat het feitelijk drie delen zijn in één band, ieder met zijn eigen franse en lithografische titelpagina. Onder de inleiding in het eerste deel staat geen auteursnaam, maar "de schrijver. Amsterdam 1868", waarbij de zes iets is vervormd en daarom lijkt op een 0. 
Even flitste nog de naam van Justus van Maurik (1846-1904) in mijn gedachten voorbij, maar zijn (minder omvangrijke): "Amsterdam bij dag en nacht" verscheen veel later in 1889. Terwijl ik in de kringloop nog wat op mijn mobieltje zocht schoot mij opeens te binnen wie de schrijver was... 


Niet lang geleden schreef ik een stukje getiteld: "Verborgenheden van Amsterdam" waarvoor ik wat onderzoek deed naar de Nederlandse realistische 'Sue-navolgingen' die halverwege de 19de eeuw verschenen. Eén van de auteurs die ik toen tegenkwam was George Willem Hendrik Panchaud (1824-1899). Hij is terug te vinden in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL). Vrijwel zijn gehele oeuvre behoort tot de 'verzonken boeken'; thans geheel vergeten en antiquarisch onvindbaar. De enige uitzondering daarop is zijn: "Amsterdam geschetst in historisch-romantische Tafereelen van af het begin zijner opkomst tot op den tegenwoordigen tijd" (Amsterdam, 1869-1871). Een vierdelige serie die compleet schaars en kostbaar is. De DBNL gaf destijds van hem geen overlijdensjaar maar dat vond ik snel terug in het Stadsarchief Amsterdam en gaf ik door (met bewijs!) aan de DBNL.

Dankzij het "Nieuwsblad voor den Boekhandel" (jaargang 35, 1868, nummer 26) weten we dat: "Amsterdam bij dag en (bij) nacht" verscheen in groot octavo, 18 afleveringen (totaal drie afzonderlijk gepagineerde delen of 'afdelingen'). Elk deel kostte één gulden en twintig cent en heeft dezelfde lithografische titelpagina, waarop enkele scenes uit het verhaal staan alsmede de Amsterdamse stedenmaagd. Voor dergelijke uitgaven zijn reclameadvertenties in de kranten van destijds gebruikelijk, maar tot mijn verbazing vond ik niets in Delpher. Dat is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk, temeer omdat voor andere uitgaven van Panchaud wel werd geadverteerd. 
Deel één (278 blz., inclusief een inleiding) en twee (280 blz.) bevatten elk veertien hoofdstukken en het derde deel (273 blz. inclusief een besluit) vijfentwintig. Alleen deel twee en drie dragen ondertitels, respectievelijk: 'De erfgename' en: 'Vergelding'. Panchaud's uitgave moet destijds vrij populair zijn geweest want volgens de literatuur verscheen er vijftien jaar later (in 1883) een tweede druk.
Uiteraard heb ik gezocht naar andere exemplaren via het World Wide Web; maar in WorldCat., de British Library, de Library of Congress, en de Koninklijke Bibliotheek vond ik niets. Eveneens vruchteloos was mijn speuren in de inventarissen van de twee grote Amsterdamse universiteitsbibliotheken (Allard Pierson-UvA/BC en VU), het IISG en Atria.
De bibliotheek van het Stadsarchief Amsterdam (slecht online toegankelijk) bevat - in tegenstelling tot wat ik eerder dacht - volgens mijn blogredacteur Reinder Storm één exemplaar (gebonden in drie aparte delen. Bibliotheek, nr. 15030, 117343/117344/117345). Vrijwel onvindbaar dus en dat wil wat zeggen.


In de uitvoerige inleiding (blz. 13/14) maakt de auteur ons duidelijk wat hij wil (be)schrijven:" De lezer verwachte echter geen physiologie, of dergelijk overzigt van de hoofdstad, nog minder verborgenheden: verre van daar. Ik ben een groot vijand, om personen aan te randen, of hatelijk te zijn en spitsvondigheden te zeggen. Mijne bedoeling is niet anders, dan karakters te schetsen en tafereelen te geven van menschen, gewoonten en zeden, gelijk men die wel overal, doch door het groot aantal inwoners, voornamelijk te Amsterdam, aantreft, en alzoo de stad onzer inwoning voor te stellen, gelijk men die ziet bij het liefelijk zonlicht, en zoo als er gehandeld wordt, wanneer de duisternis gevallen en het gaz- of lamplicht ontstoken is.
Men zal in deze bladen een merkelijk verschil ontwaren tusschen en kennis krijgen van misdaden en geheime misdaden, zoo als er, helaas, maar al te dikwerf in de werkelijkheid plaats vinden. Van die misdaden gepleegd in boezems van familiën, waarop men tevergeefs de straffen, bij het code pénal bepaald, zou zoeken toe te passen, en waarvan de vergelding alleen moet worden overgelaten aan den oppersten Regter, die zulks te zijner tijd en op zijne wijze doen zal.


De lezer zal in dit werk kennis maken, zoowel met deugdzame als met slechte menschen en huichelaars, wier portretten uit de verbeelding gegrepen en op niemand toepasselijk, nogthans maar al te zeer in de werkelijkheid en het dagelijksche leven bestaan.
Niet in de holen der ontucht of der misdaad, die schrikwekkende verblijven, zoo veelvuldig in verschillende romans beschreven, wil ik u binnenleiden, maar alleen schetsen die zonden en vergrijpen tegen de burgerlijke zamenleving, gelijk door sommigen op ergerlijke wijze bedreven worden.
Ziedaar dus, waarde lezer! mijn doel, hetwelk ik zoo veel mijne pen toelaat, op boeijende en verrassende wijze, in een aaneengeschakelden roman wil schrijven, om aan te toonen, dat niet alleen de menschen zich onder tweederlei gedaanten voordoen, maar ook vaak zaken en berekeningen op tweederlei wijzen worden opgevat, of uitkomsten opleveren, die geheel verschillen met het oorspronkelijke denkbeeld. Kortom: dat menschen bij dag en nacht verschillende wezens zijn en zaken zich bij het zonlicht geheel anders voordoen, dan bij het kunstlicht. Van daar dan ook, dat ik aan deze mijne pennevrucht den titel gaf van

Amsterdam bij Dag en bij Nacht".


Inmiddels ben ik begonnen met lezen in deze - ruim 800 - bladzijden tellende roman en heb het eerste deel uit. Voldoende om een beeld te krijgen van het verhaal over de schrijnende armoede uit de achterbuurten versus de weelde en rijkdom op de grachtengordel, over manipulatie, bedrog, eer en oneer, lief en leed en dat alles tegen het decor van een verstild Amsterdam in de IJzeren Eeuw. Kortom een verhaal dat me doet denken aan het meer bekende: "De verborgenheden van Amsterdam" (Amsterdam, 1844) van Jan David de Vries (1819-1855). 

Uiteraard laat ik de boekband nog opknappen bij mijn handboekbinder en boekrestaurator Hans Pieterse. Zodra de klus geklaard is, zal ik een foto van het resultaat hieronder plaatsen. Op naar de volgende kringloop-topvondst...

vrijdag 21 juni 2019

De hechte band


Voor wie mijn blog of getwitter volgt en/of mijn maandelijkse overzichten met aanwinsten leest zal het geen verrassing zijn dat ik vaak bijzondere vondsten doe in mijn lokale kringloopwinkel.

Ditmaal trof ik daar een exemplaar aan van M.J. Leendertse (red): "De hechte band tusschen Vorstenhuis en Vaderland" (Amsterdam, 1935), ingeleid door de minister van Staat mr. D. Fock (1858-1941) en opgedragen aan Hare Majesteit Koningin Wilhelmina (1880-1962) ter gelegenheid van haar vijfenvijftigste verjaardag.


Mijn kringloop vroeg veertien euro voor dit 'nationale prachtwerk van blijvende waarde' en dat is een topprijs voor een locatie waar het gros van de boeken minder dan drie euro kost. Antiquarisch is het geen zeldzame uitgave; vanaf vijf euro kunt u zelf ook een exemplaar aanschaffen. Ik had het boek dan ook laten liggen ware het niet dat het om één van de tweehonderdvijftig luxe exemplaren ging, geschept op 'hollandsch papier Van Gelder Zonen', gebonden in geheel lederen band en genummerd 93. Het bandontwerp is van Carel Adolph Lion Cachet (1864-1945) die wel vaker luxe banden heeft ontworpen en gemaakt voor boeken over (en voor) het Koninklijk Huis.


Een mogelijke voorstudie van Lion Cachet voor deze boekband zit in de collectie van het Rijksmuseum (RP-T-1969-677). Centraal op deze tekening staat een schild met een gekroonde 'W' waaromheen menselijke figuren zijn getekend. De gekroonde 'W' en vlakverdeling hielden stand. De menselijke figuren werden uiteindelijk (Oranje)leeuwen.
Daarvoor greep Lion Cachet terug naar eerder uitgevoerde ontwerpen zoals het ex-libris van het stoomschip Prinses Juliana (1910) en de paginagrote illustratie in het "Gedenkboek 1898-1923" (Voorschoten, 1923), onder redactie van W.G. de Bas, waar we vergelijkbare kaders met leeuwen tegenkomen.


De boekband van mijn exemplaar heeft aan de rugeinden en hoeken enkele minieme schaafplekjes, maar is over het algemeen goed behouden gebleven, en dat is voor de bibliofiele verzamelaar essentieel want daaraan ontleent deze uitgave voor een groot deel zijn waarde. Het papier is onafgesneden en het boekblok is op de kop verguld.


Deze luxe-editie kom je niet zo vaak tegen. Enkele jaren geleden werd een vergelijkbaar fraai exemplaar (nummer 79) geveild bij Catawiki voor zesendertig euro (exclusief veiling- en verzendkosten). Je hoeft geen boekbandenkenner te zijn of lid van het Belgisch-Nederlands Boekbandengenootschap om te begrijpen dat het bedrag dat mijn kringloop vroeg beslist niet (te) veel geld was. Overigens verscheen deze uitgave destijds ook (zonder band) in tien losse aflevering van vijftig cent per stuk en in een blauwlinnen stempelband voor zeven gulden vijftig. Die linnen band oogt nogal dof, zoals u hieronder kunt zien.


Een luxe-exemplaar kostte toen maar liefst vijfentwintig gulden. Dat was voor velen in de crisisjaren bijna een week arbeidsloon en dus onbetaalbaar (Overigens betaalde men in Nederlands-Indië destijds een rijksdaalder meer!).


In de kranten en op de radio werd destijds ruimschoots aandacht besteed (zelden kritisch) aan deze geïllustreerde jubileumuitgave die de bijzondere en hechte band met ons vorstenhuis vanuit diverse invalshoeken beschreef. De lijst van intekenaren achterin vermeldt 86 inschrijvingen maar dat betrof - volgens een los ingesloten kaartje - alleen zij die vóór 10 augustus 1935 bekend waren. De namen van hen die daarna bekend werden zouden in een los supplement worden opgenomen dat later (aan alle intekenaren) zou worden toegestuurd. Of dat ook werkelijk is gebeurd is mij onbekend.


De auteurs waren over het algemeen bekende (hoog)geleerde heren en enkele thans geheel vergeten dames zoals Ellen Russe (1889-1942) die de bijdrage 'Onze roman en Oranje' voor haar rekening nam en Tine Bonnema (1880-1952) die het hoofdstuk 'Batavia en Oranje' schreef; "Een Oranjedag in Oost-Indië verschilt hierin al dadelijk van dien in Holland, dat 'het volk' er nimmer joelt of tiert of luidruchtig is, noch ooit op straat zingt. Op het Koningsplein te Batavia dat, zoo u misschien bekend is, een uur wandelen in het vierkant is, kunnen duizenden menschen bijeen zijn, zonder dat er één luide stem wordt gehoord" (blz. 261). Opvallend is het sausje van typisch vooroorlogse Oranje-aanbidding waarin de meeste bijdragen zijn gedoopt. De huidige Oranjefans zullen er vermoedelijk van gruwen; veel te hoogdravend en gekunsteld taalgebruik.


Het is niet mijn eerste band van Carel Adolph Lion Cachet die ik voor een klein bedrag antiquarisch kon bemachtigen (dat is deze) of mijn meest bijzondere boekband uit de kringloop (dat is deze). Noch is het - zoals u hier duidelijk wordt - mijn eerste luxe band uit het interbellum. Het zijn wel allemaal prachtbanden voor een prikkie; het kan nog steeds!

vrijdag 18 augustus 2017

Post uit het verleden

Het zal de meeste van mijn lezers wel eens zijn overkomen.
U koopt een leuk boekje ergens in een antiquariaat, op de boekenmarkt of in de kringloop en thuisgekomen ontdekt u tussen de pagina's verstopt 'iets' dat een vorige eigenaar heeft vergeten.
Dat 'iets' had vaak de functie van boekenlegger maar kan van alles zijn. Een vergeten bankbiljet, toegangskaartje, ansichtkaart, brief of gedroogde bloemen en bladeren worden regelmatig tussen de bladzijden teruggevonden. Vergeten plakken salami en kaas ben ik persoonlijk nog niet tegengekomen maar anderen wel en onlangs las ik nog over de vondst van een ganzenveer achtergelaten door de schrijver in een middeleeuws manuscript.


Een aardig boekje hierover (ik heb het zelf niet) lijkt mij Michael Popek's: "Forgotten Bookmarks - A Bookseller's Collection of Odd Things Lost Between the Pages" (New York, 2011).
Van dezelfde auteur bestaat overigens ook een culinaire variant op dit thema: "Handwritten Recipes - A Bookseller's Collection of Curious and Wonderful Recipes Forgotten Between the Pages" (New York, 2012)!
Kopen?
U kunt ook op de link in een van bovengenoemde titels klikken, dan komt u op het gelijknamige blog terecht waar u uw hart kunt ophalen.
Daarnaast zijn er voor liefhebbers van 'things found in books' diverse voorbeelden te vinden bij 'Found in Books'.

In mijn kringloopwinkel vond ik laatst: "Leven en werk van Dirk Volckertsz Coornhert" (Amsterdam, 1978). Een net exemplaar met stofomslag geschreven door dr. Hendrik Bonger (1911-1999). In het NRC Handelsblad van 20 oktober 1978 verscheen een lovende kritiek op deze uitgave en de biografie won de dr. Wijnaendts Francken-prijs 1979 van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.


Voor twee euro vijftig werd ik de nieuwe eigenaar. Ik hou wel van biografieën over interessante historische figuren en Coornhert behoort daar zeker toe. Er was echter nog een reden die mij over de streep trok.
Toen ik het boek doorbladerde trof ik tot mijn verrassing een nieuwe witte envelop aan die als bladwijzer tussen twee bladzijden was gestoken. Er was met een ballpoint op geschreven: "Brief van H. Bonger aan S. Goudeket en M. Goudeket-Philips".


Ik heb wel vaker post uit het verleden (die niet aan mij was geadresseerd) ontvangen. Meestal zijn het kaartjes, briefjes en kattebelletjes van onbekende personen maar een enkele keer gaat het om de sporen van 'BN'ers uit de vaderlandse historie'.
Eerdere vondsten heb ik beschreven in: "Ephemera uit vak U7" en: "Uit mijn bakken".
Mijn (voor)laatste vondst, een aantal maanden geleden, zat in een brochure die ik bij Jos Albers op het Waterlooplein kocht. Het gaat om een lidmaatschapskaart uit 1932 van de "Nederlandsche Centrale Vereeniging tot bestrijding der tuberculose" die toebehoorde aan de Nederlandse Nobelprijswinnaar Pieter Zeeman (1865-1943).


Natuurlijk had ik in de kringloop Bonger's brief (die aanmerkelijk ouder was dan de envelop in eerste instantie deed vermoeden!) vluchtig bekeken maar thuisgekomen las ik deze nogmaals aandachtig door.


Hendrik Bonger schreef de brief tijdens zijn verblijf in Dennenheuvel, een villa aan de Arnhemseweg tussen Apeldoorn en Beekbergen, ooit gebouwd voor de koopman J. ten Sijthoff. Het huis heeft na het overlijden van de eigenaar nog enige tijd dienst gedaan als pension voor ouderen maar is rond 1970 gesloopt en verdwenen.



De brief is gedateerd zestien juli 1944, ruim een maand na D-Day, en gericht aan (volgens het handschrift op de envelop) de destijds ondergedoken Sam Goudeket (1886-1979), gehuwd met Marianne Goudeket-Philips (1886-1951). De volledige tekst luidt:

"Adres:   J. ten Sijthoff                                                               Beekbergen, 16-7-44
               Dennenheuvel
               Beekbergen

Beste vrienden, 
Misschien herinneren jullie je nog vaag het bestaan van ondergetekende en zijn vrouw.
Het moet later maar eens allemaal mondeling bepraat worden wat we gedaan hebben en wat onze lotgevallen zijn geweest. Erg thrilling zijn de onze niet. We zijn meestal hier in 'Dennenheuvel', Beekbergen, waar we een eigen kamer hebben; we werken soms maanden op een boerderij, dan weer maanden aan de dissertatie die ik zo graag af wou hebben vóór de bevrijding, maar wat wel niet zal lukken, hoewel ik flink opschiet. 
Dan doen we samen veel waarover later ook eens mondeling, in vrede en vriendschap vereend in Amsterdam of op Wieringen of ergens waar wij zullen kunnen. 
We poetsen al onze oude ideeën en waarden weer op, halen ze uit de grond en de kast om ze gauw weer bij de hand te hebben; we zijn niet veranderd, alleen wat minder optimistisch, minder humanistisch, minder anti-militaristisch, maar verder wel 'op de oude voet voortgaand'; of jij weleerwaarde mijn ziel nog zal moeten verzorgen op de slagvelden van Java of Sumatra, dat weet ik niet, maar ik geef met toch maar op als het zo ver is; altijd praten en ideeën en niets doen dat is het ergste geweest van deze vier jaar.
Misschien willen ze me niet, maar dat moeten de Heren maar uitmaken.
Heel vaak denken we aan mijn jaargenoot en haar man. Hoe zouden ze het maken? 
Ik hoorde dat ze wel eens post ontvingen en vandaar de envelop in deze brief. Van To hoorde ik dat ik maar zo moest doen. 
Voor de winter is het uit met het gestoei in de wereld, of denken jullie van niet? Wij rekenen er maar op. Willen jullie eens wat laten horen, hoe het leven in de pastorie gaat en van allerlei?
Heel veel groeten en bedankt voor de dienst, en het allerbeste met jullie. Van Henk en Toot B.".

Normaal gesproken lees ik andermans post niet en is het ook niet netjes die openbaar te maken.
In dit geval echter zijn de hoofdpersonen overleden en vind ik de inhoud een aardige aanvulling op Bongers biografie die terug te vinden is op de website van de Digitale bibliotheek der Nederlandse letteren (DBNL). Mee eens?