Posts tonen met het label Waterlooplein. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Waterlooplein. Alle posts tonen

maandag 24 september 2018

Portret van een rasbibliofiel


Toen ik op het Amsterdamse Waterlooplein in de boekenstal van Jos Albers door een map met portretten bladerde vond ik als laatste daarin een fraaie afbeelding van baron van Westreenen van Tiellandt. Jos gaf mij het portret cadeau en daarmee was Perkamentus natuurlijk zeer verguld!

Willem van Westreenen van Tiellandt (1783-1848) is natuurlijk bij iedere bibliofiel bekend als de grondlegger van het 'Museum Meermanno / Huis van het boek', het oudste boekenmuseum ter wereld. Het in een sierkader geplaatste borstbeeld van deze wat excentrieke baron met al zijn ridderorden is een lithografie "Publié par Soetens & Fils, à La Haye", op een blad van ca. 16 cm. x 22 cm. naar het bekende schilderij van hem door J.R. Post Brants (1811- na 1848). In de bekende 'Beschrijvende catalogus van 7000 portretten van Nederlanders' van Frederik Muller komt het voor onder nummer 6045 a.


Volgens een krantenadvertentie in de Leeuwarder Courant (d.d. 1 juni 1838) verscheen de serie 'vermaarde portretten' uitgegeven door Soetens & Fils (en opgedragen aan Z.K.H. de Prins van Oranje) om de drie maanden in afleveringen van telkens twaalf portretten a één gulden twintig (dus tien cent per portret). In vijf jaar tijd verschenen zeker 256 portretten. Verschillende kunstenaars hebben aan deze serie meegewerkt. Het portret van baron van Westreenen van Tiellandt is linksonder gesigneerd met 'C.L.' Dit monogram is van de kunstenaar Carel Christiaan Antony Last (1808-1876) die rond 1835 ook een litho heeft gemaakt van Donau, de hond van de baron.
Waar de portretten werden gedrukt is niet bekend. Vanaf 1818 is er in Den Haag een steendrukkerij, de latere Koninklijke Steendrukkerij onder leiding van Daniel Abrahams (1795-1854), en daarmee was deze stad - na Rotterdam (1809) en Amsterdam (1816) - de derde plaats in Nederland waar de Lithografie techniek werd toegepast.


Rond 1840 ging de Haagse uitgeverij van Cornelis Soetens failliet. De portrettenreeks werd vanaf januari 1841 overgenomen door de uitgever 'Gebroeders van Lier'.


Nou nog een passend lijstje vinden en een plekje op één van de boekenkasten in de huiskamer, waar ook het beeldje van Laurens Janszoon Coster staat. De ene bibliofiele legende naast de andere...

zondag 6 mei 2018

De antiquaar, de bibliofiel en de 'ontsluijerde' auteur

Er klonk gestommel en een luide bons... "Gaat het?", riep Joanna naar boven. Gemompel...
De smalle houten trap begon te kraken terwijl Frank voorzichtig afdaalde met een oude kartonnen doos geklemd tussen beiden armen, "Ik weet niet of je dit al hebt gezien?".
We hadden gesproken over het verzamelen van folders en brochures en natuurlijk ook over Putman wiens winkelvoorraad na zijn overlijden bij diverse handelaren terecht was gekomen, waaronder antiquariaat Brinkman.

Ik slurpte mijn laatste restje koffie op en begon vol verwachting naar de inhoud te graaien. Na een paar brochures wist ik het zeker: "Nee, deze doos ken ik nog niet" zei ik, terwijl ik een zeldzame toeristische "Gids naar Aalsmeer en omstreken" (Amsterdam, 1900) bewonderde, uitgegeven door Stoomboot-Maatschappij Carsjens.

Naarmate de bodem naderde vormde zich naast mijn lege koffiekopje een stapeltje dat me interessant leek. Binnen een kwartier was de complete inhoud door mijn handen gegaan en begon ik de doos weer netjes te vullen. Frank en Joanna waren druk met elkaar in gesprek en dat kwam mooi uit want het stapeltje naast mij schreeuwde om meer aandacht.
Ik bekeek nogmaals de titels, en scande de inhoud en conditie.
Op een enkele uitzondering na stonden er nog geen potloodprijsjes in. Verdorie.... daar zaten toch weer pareltjes tussen...

"Wat wil je hiervoor hebben?" vroeg ik, terwijl ik de stapel aan Frank gaf. Frank ging zitten en liet ze stuk voor stuk door zijn handen gaan. "Ik heb het eigenlijk allemaal nog niet eens goed bekeken", prevelde hij, en na enkele brochures "Jeetje... Je weet wel wat je er uit haalt".
Nou komt het dacht ik...
Natuurlijk, zo goedkoop als bij Jos Albers op het Waterlooplein zou ik het niet krijgen...
Frank keek me peinzend aan: "Het gaat je wel geld kosten...". In stilte gokte ik op honderd euro maar ik schrok toen hij het dubbele vroeg.
"Dat doe ik niet", sputterde ik, "Dat is meer dan ik nu kan uitgeven"!
Frank veranderde in één klap van antiquaar in financieel adviseur en bracht me op de hoogte van de langdurige kredietmogelijkheden en gunstige betalingsvoorwaarden van het gerenommeerde antiquariaat Brinkman. Verzet hielp niet, ik was omver...
"Ik hou niet van schulden", stamelde ik pro forma terwijl ik de helft pinde. Geen probleem verzekerde Frank, die me zalvend toesprak "De rest komt wel op een ander tijdstip..." en wat nadrukkelijker "maar wel graag binnen een jaar!".
De stapel nieuwe aanwinsten werd verpakt in neutraal pakpapier en nog geen tien minuten later verliet deze bibliofiel opgewekt zijn weldoener, diens lieftallige assistente en het antiquariaat.
Op weg naar de metro bezocht ik eerst maar eens de firma Vlieger waar ik twee zuurvrije kartonnen dozen kocht. Zo langzamerhand - dacht ik tevreden - beschikt mijn 'private library' over een behoorlijke sectie bijzondere folders en brochures.

"Wat heb je nu weer uitgegeven?", vroeg ze.
Ik zat achter mijn bureau mijn boekenschat nogmaals te bewonderen en voelde de schuldbekentenis in mijn achterzak branden. Mompelend: "Uhhhm... ik heb honderd euro betaald!". Ze schrok zichtbaar en keek me onthutst aan. Geen woord van gelogen, dacht ik, en glimlachte stoïcijns.
Nadat de huiselijke rust was wedergekeerd begon ik eerst maar eens te 'dokteren'... Met een gum verdwenen wat oude potloodaantekeningen, streepjes en vlekjes. Ezelsoren werden teruggevouwen en losse papieren omslagen of onderdelen daarvan met wat boekbindersstijfsel vastgezet. Enkele al te opdringerige papierscheurtje herstelde ik met Aslantape. Na afloop constateerde ik tevreden dat eigenlijk alle brochures in goede staat verkeerden en geen ernstige gebreken vertoonden. Dat is toch altijd weer bijzonder voor dergelijk oud efemeer drukwerk dat er niet op was gebouwd om lang te overleven, gekoesterd en bewaard te worden. Toen ik mijn aanwinsten toetste aan de hand van de bekende websites (Boekwinkeltjes, Antiqbook en WorldCat) bleek dat momenteel geen enkele brochure antiquarisch wordt aangeboden en sommigen ook nauwelijks aanwezig zijn in openbare (universiteits)bibliotheken.

In het stapeltje zat ook een oude witpapieren omslag. Die bevatte het eerste nummer van een mij onbekend feuilleton met een prikkelende titel, een kleine uitgeknipte krantenadvertentie d.d. 17 januari 1890 met bericht van overlijden van de advocaat Mr. S. Katz (u ziet hem hier links) en een door hemzelf geschreven kaartje.
Die notitie van Katz had ik bij Brinkman nauwelijks bekeken; het leek me een soort ontvangstbevestiging van een proefnummer. Frank had het drukwerkje in handen gehad. "Is dat niet zo'n schandaalblaadje waarmee toen bekende en minder bekende gegoede Amsterdammers werden afgeperst?".
Hij doelde daarmee op de destijds verschenen 'Physiologieën' of 'lilliputterweek-blaadjes' (klein drukwerk dat door zijn formaat vrijgesteld was van belasting).

Toen ik het nummer thuis op mijn gemak las bleek mij echter dat het eerste deel, "De Nachthuizen of Venus-Tempels", van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam" (Amsterdam, 1862) inhoudelijk meer lijkt op het dertig jaar later verschenen "Ervaringen en onthullingen van een middernachtzendeling te Amsterdam" (Amsterdam, z.j. [1890]). De lezer wordt vakkundig rondgeleid in nachthuizen en bordelen, en geïnformeerd over de meisjes, bezoekers, taal- en omgangsvormen.


Vervolgens richtte mijn aandacht zich op de notitie van Katz. Die bevatte inderdaad een ontvangstbevestiging maar vormde tegelijk een onthullende bekentenis.
"Ontvangen van den Heer J.A. Schuurmans de somma van vijf gulden voor aan ZEd geleverd een stukje getiteld de Nachthuizen bestaande uit den inhoud van pag 3 tot de helft van pag 6 in de eerste aflevering van de Ontsluijerde geheimen van Amsterdam aangekondigd in het Algemeen Handelsblad van 21 mei 1862 met het regt om dat stukje te doen drukken en uitgeven. Amsterdam 12 juni 1862 /get./ S. Katz Jzn.".

Het kaartje moet afkomstig zijn uit de bedrijfsboedel van de boekhandelaar en uitgever J.A. Schuurmans. Diens zaak zat destijds op het adres Bloemstraat 229 in Amsterdam. Kennelijk probeerde Schuurmans een graantje mee te pikken van de populariteit van dergelijke sensatielectuur toen. Bij hem verschenen in dezelfde periode wel meer obscure (anonieme) publicaties zoals: "Een makelaar in menschenvleesch, bedrogen door een pillendraaijer: eene hoogst belangrijke brochure voor alle ongehuwde dames, die iets te verliezen hebben" en "Amor in zijn lustpriëel: beschrijvende het schoon' der vrouwen- en maagdenboezems: opgesteld tot verbetering van alle vrouwenhatende creaturen, en tot aangename verpozing in spoortrein, trekschuit, slaapkamer, etc. etc. etc.".















Door hun vermoedelijk bescheiden oplage, efemere karakter en ondeugende inhoud thans stuk voor stuk uiterst zeldzame titels en dat geldt in het bijzonder voor de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam". Van dit "hoogst belangrijk tijdschrift" verschenen slechts vijf afleveringen van tien cent per stuk. In 1865 werd het restant voor de helft van de prijs door Schuurmans verramsjt.












Slechts één unieke serie, nummers 1 t/m 5, doorstond de tand des tijds. Die ligt in de Leidse universiteitsbibliotheek. Aangezien het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB) daar op 28 april jl. haar ledenvergadering hield verzocht ik conservator Mart van Duijn, met wie ik in de redactie van ons jaarboek zit, om het voor mij uit het depot te halen zodat ik het kon fotograferen en bestuderen.

Elk deel bestaat uit een katern van 8 bladzijden (totaal dus 40). Zoals de foto's laten zien wijkt de opmaak van de (titel)pagina van het eerste deel af van die van de vervolgdelen.
Deel twee begint met een kort vervolg op 'De Nachthuizen' (blz. 9/10). De rest bestaat uit verschillende verhaaltjes die veelal in verband staan met prostitutie alsmede een aantal ingezonden lezersbrieven. Eén van de inzenders vraagt zich af wat voor een soort blaadje de uitgever eigenlijk voor ogen stond.
Die antwoordde: "Ons werkje; 'Ontsluijerde geheimen enz. enz.' is evenmin een weekblad als een maandwerk. - Naar gelang der stof, die wij voor hetzelve bezitten, of door belangstellende inzenders bekomen, zal het om de acht, veertien dagen of drie weken in het licht verschijnen. - Wij hebben ons ten leus gesteld: liever niets geleverd, dan prullaria". (deel 2, blz. 13). Het tweede deel besluit met correspondentie beantwoording en dat geldt ook voor de daaropvolgende delen. Deze manier van werken/uitgeven is identiek aan de manier waarop eerder de "Waarachtige physiologie van Amsterdam, en van de meest bekende van Amstels ingezetenen“ (Amsterdam, 1844) was verschenen, het beruchte schandaalblaadje geschreven door P.J.W. de Vos (1805-1866).

Anders dan het eerste deel waarin één verhaal wordt gepresenteerd ('De Nachthuizen of Venus-Tempels') bevatten de overige deeltjes korte verhalen en ingezonden stukjes met diverse onderwerpen zoals bijvoorbeeld 'De Amsterdamsche Slavinnenmarkt' (deel 4, blz. 28/29) en 'Eene ernstige spookhistorie', over een klein smal gebouw op de derde Bloemgracht waar het zou spoken (Deel 5, blz. 37/38).


Alhoewel het vijfde en laatste nummer eindigt met correspondentie opmerkingen die verwijzen naar nummer zes staat onderaan met pen geschreven: "Met dit no. is de uitgave gestaakt. J.A. Schuurmans". Waarschijnlijk zorgde een gebrek aan succes voor dit abrupt vroegtijdig einde.
De uitgave werd daarna geheel vergeten om pas een eeuw later kort te figureren in het boekje van E. Messer: “Foei Amsterdam! De geheimen van de hoofdstad voor de tweede maal ontsluijerd” (Amsterdam, 1964). Messer maakte voor zijn publicatie gebruik van de collectie 'Amstelodamica' van A.M. van de Waal (1890-1968), die momenteel opnieuw wordt geïnventariseerd, en waarin zich in ieder geval een los (eerste) deel bevindt van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam".

Tot slot; wat weten wij nog van Katz, de auteur van 'De Nachthuizen of Venus-Tempels', die volgens de krantenadvertentie zo jong overleed? Er bestaat een uitstekende biografie van hem geschreven door Bauke Marinus (één van mijn oud-docenten geschiedenis aan de V.L.V.U., de lerarenopleiding) en Natascha Tuinhout voor het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. Daaruit blijkt dat hij behalve als jurist ook journalistieke en letterkundige arbeid verrichtte. Zo debuteerde hij in het verschijningsjaar van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam" met een historische roman gemodelleerd naar het werk van Alexandre Dumas: "Remus di Sivaldi, de rooverhoofdman in de Ardennen" (Amsterdam, 1862).
Die roman is online beschikbaar en aandachtig las ik de inleiding waar Katz uitvoerig ingaat op zijn debuut, voor wie en hoe hij wenst te schrijven.
"Ik heb mij geenszins voorgenomen, zedelijke denkbeelden, doeleinden, principen, in een romantisch kleed gehuld, te behandelen; - mijne gedachten daaromtrent is, dat hij, die voor de verpoozing van een 'voor nuttige bezigheden verloren stonde', een roman in handen neemt, niet altijd gaarne eene reeks van morale lessen, herkauwd ziet. Daarenboven schrijf ik niet voor kinderen, ik schrijf voor volwassenen".

Bij die laatste zin moest ik even grinniken! Katz schreef de waarheid zo weten wij anderhalve eeuw later, maar wel op basis van een ander debuut waaronder deze weledelgestrenge heer liever niet zijn naam zag staan!

donderdag 16 november 2017

Kiekjes van Joods Amsterdam


Afgelopen zomer trok ik de stad in met het voornemen om bij de Athenaeumboekhandel op het Spui het geheel vernieuwde standaardwerk: "Geschiedenis van de Joden in Nederland" (Amsterdam, 2017) te bekijken en te kopen. Het boek ontving over het algemeen goede recensies en ik was erg nieuwsgierig naar de inhoud.
Voorafgaande aan mijn bezoek bezocht ik de naastgelegen vrijdagse boekenmarkt met een opmerkelijk resultaat maar ook desastreuse financiële gevolgen!
Ik vond daar namelijk - hoe toepasselijk! - een mooi exemplaar in halfleer van de allereerste "Geschiedenis der Joden in Nederland" (Utrecht, 1843), geschreven door mr. H.J. Koenen (1809-1874) die er in 1842 de gouden ereprijs van het Provinciaal Utrechts Genootschap mee verdiende. Een destijds duur maar baanbrekend boek waarvan zelfs een verkorte Duitse versie verscheen!
Net als u, kan ik mijn geld maar één keer uitgeven en de keuze tussen Alfa en Omega viel al gauw op de eerste.


Nieuwe boeken hebben over het algemeen de gewoonte snel goedkoper te worden en ik twijfelde er daarom geen moment aan dat ik mijn Omega binnen afzienbare tijd tegen het lijf zou lopen en vermoedelijk voor een (meer) aangename prijs. Mijn begeerte werd daarmee weliswaar op de proef gesteld maar in de tussentijd kon ik mooi mijn nieuwe aanwinst van A tot Z lezen. Daarmee was ik al geruime tijd klaar toen ik op Marktplaats een exemplaar van de jongste uitgave aantrof dat voor een luttele vijfentwintig euro naar mijn bibliotheek verhuisde. Kijk! Zo doe je dat...


De geschiedenis van de Joden in Nederland met name in Amsterdam heeft altijd mijn speciale belangstelling gehad. Ik ben vooral gespitst op boeken en brochures gepubliceerd vóór de Tweede Wereldoorlog.
Een uitgever die op dat gebied het een en ander heeft laten verschijnen is Menno Hertzberger (1897-1982). Elke antiquaar en bibliofiel kent hem natuurlijk wel en nog maar enkele jaren geleden verschenen zijn schetsmatige herinneringen onder de titel: "Boeken, veel boeken - en mensen" (Amsterdam, 2009).

Ik vond van hem wat oude uitgeversreclame die ik aantrof achterin een brochure getiteld: "Bibliographie en Historie. Bijdrage tot de geschiedenis der eerste Sephardim in Amsterdam" (Amsterdam, 1927), geschreven door S. Seeligmann en verschenen bij Hertzberger.


In het reclamelijstje met "eenige onzer uitgaven op Joodsch gebied" staan verschillende boekjes die ik bezit, zoals dat van J.S. da Silva Rosa: "Geschiedenis der Portugeesche Joden te Amsterdam 1593-1925" (Amsterdam, 1925), met het ex-libris van A.A.L. Vié en blijkens een inscriptie in 1932 geschonken aan mr. J.A. van Sonsbeeck.


Een bijzonder boekje dat in deze lijst voorkomt verdient wat extra aandacht. Het werd geschreven door de volksrebbe van het Amsterdamse Joden-getto, dr. Meijer de Hond (1882-1943).
Zijn “Kiekjes” (I. Jodenbreestraat Waterlooplein. Amsterdam 1926), gebonden in een beige linnen band met titelopdruk en uitgeversvignet bevat geen foto’s, al zou je dat wellicht wel verwachten met zo’n titel.
Een vervolg (“Kiekjes” deel II) staat verderop op hetzelfde lijstje en zou blijkbaar in 1927 verschijnen, maar om onduidelijke heeft een tweede deel nimmer het licht gezien.


In de Telegraaf van 26 oktober 1926 verscheen een korte recensie van 'mr. I.P.' over de juist verschenen "Kiekjes" die in een nutshell de kern raakt van de lof en kritiek die het boekje kreeg.
"Met groote liefde heeft ook Dr. de Hond zijn volksgenooten lief. Hij, de bekende Amsterdamsche arme lui's-rabbi en behoeder van De Joodsche Invalide.
Zijn kiektoestel heeft De Hond op het welige en woelige Amsterdamsche Ghetto gericht, en een rijke verzameling kiekjes heeft hij daar aangelegd. Met Perets (I.L. Peretz, 1852-1915) heeft hij gemeen de toegewijde liefde, de vereering voor den arme van goed en geest voor den Chassiedisch-geloovige. Maar De Hond is waarlijk verliefd in zijn Ghetto. Daar alleen kan en wil hij ademen, werken, juichend leven. Daar stond zijn wieg, staat zijn huis, zijn werk, zijn doodsbed, en moet die van zijn kinderen en kindskinderen blijven staan. Dat is De Hond's ideologie en in zijn hart veracht en verwenscht hij elk Jodendom buiten dit Ghetto.
Perets is critisch, De Hond critiekloos. Hij gaat geheel in zijn aangebeden sujetten op. De Hond's liefde is rijk en uitbundig. Dat maakt z'n boek zoo'n groot genot te lezen - maar menig lezer zal ten leste toch in opstand komen tegen die overdreven verheerlijking van zooveel onbenullige menschen. Intusschen: het Amsterdamsche Ghetto heeft een genre-schilder in De Hond gevonden, zooals het toch tot nog toe niet bezeten heeft".

Geen foto’s dus maar 45 korte verhaaltjes (17 spelen zich af in en om de Jodenbreestraat en 28 op en rond het Waterlooplein). Stuk voor stuk momentopnamen; kiekjes van het dagelijks leven toen.
Of al mijn opnamen uit de werkelijkheid zijn? Ja! Uit de bestaande werkelijkheid? Neen! Uit wat eens bestond. Het zijn typen waarvan de meesten nu in het rijk der gedachtenis zijn”, schreef De Hond.


Achterin zit een ‘verklarende woordenlijst’, want Meijer doorspekte zijn petites-histoires met tal van Jiddische woorden die toen behoorden tot het normale repertoire in het Amsterdamse getto maar ook nog ver daarbuiten door menig Mokummer werden begrepen. “Het Amsterdamsche Ghetto is de moederschoot van het Nederlandsche Jodendom”, schreef Meijer, “Wie in West-Europa het oer-licht van de Joodsche ziel wil opvangen, moet het Amsterdamsche ghetto binnengaan”.

Vele tienduizenden Joden leefden, woonden en werkten er.
De dagelijkse werkelijkheid daar was een stuk minder romantisch dan De Hond beschreef. Talrijke gezinnen, jong en oud, woonden in kelder- of krotwoningen, vaak in donkere vochtige stegen, waar het grauwe wasgoed van gevel tot gevel hing, en het verschrikkelijk kon stinken. Men leefde in of op de rand van diepe armoede. In de talrijke vuilnishopen speelden kinderen. Loslopende honden, katten en ratten zochten er naar etensrestanten. Overdag vulden de straten zich met een druk gekrioel. Handelend, schreeuwend en bedelend volk, op weg naar huis, de sjoel of werk.

Uitzoeke maar!
Zoo je maar biedt!!
Als ik maar cente zie!!
Zoo krom ken je niet bieje!!
Kijk uit je oogen, dan raak je niet bedroge!!
Rommele maar, rommele maar, rommele maar!!
Je mot ze maar proeve!!
’t Binne de laatste!!
Weg d’r mee!!


Men wist niet beter of het zou altijd zo blijven…


Het Waterlooplein anno 2017.
Het plat-Amsterdamse straatgeroep heeft plaatsgemaakt voor het Engels van toeristen op zoek naar het Rembrandthuis. De sfeer wordt bepaald door winkelketens, in de Jodenbreestraat, de rommelmarkt op het Waterlooplein en de megalomane bebouwing van het Amsterdamse stadhuis, de Stopera.
Het Amsterdamse getto is weg, haar voormalige inwoners opgeslokt door de Duitse concentratiekampen en de oude bebouwing geheel (Vlooienburg) of grotendeels gesloopt.
Slechts enkele gebouwen zoals de Portugese Synagoge met zijn beroemde bibliotheek Ets Haim getuigen nog van een roemrijk Joods verleden alsmede vergeelde afbeeldingen en stemmen van ver weg op papier.


Stemmen zoals die van Meijer de Hond die in september 1942 zestig werd en het jaar daarop in juli met zijn vrouw en kinderen vanuit kamp Westerbork op transport ging naar de Duitse vernietigingskampen. Na drie dagen bereikte hij zijn dodelijke eindbestemming, Sobibór (Polen), ver van zijn geliefde Mokumse getto.

Zijn ‘Kiekjes’ ligt hier open voor me.
Of ze bekeken zullen worden? Door hen, die het ghetto niet vergeten willen met liefde. Door hen, die het willen leeren kennen, met nieuwsgierigheid. En als de laatsten meer zullen zijn dan de eerste, dan zullen zij, die zich voor hun ghetto schamen, ze ook weer gaan bekijken, met spijt over zichzelf en naar ik hoop met… bekeering!”.

Ik lees en herlees.
Vaak uit nieuwsgierigheid, soms met schaamte, soms met spijt maar altijd met… liefde.

vrijdag 27 oktober 2017

Dreyfus

Ik bewaar nog altijd ergens mijn oude bewijskaartjes van afgelegde tentamens van mijn studie. Zo weet ik dat ik begin januari 1987 een mondeling tentamen Nieuwste Geschiedenis deed bij docent Bauke Marinus over twee historische persoonlijkheden. Adolf Hitler en Alfred Dreyfus (1859-1935).
De eerst kwam - zover ik mij kan herinneren - nauwelijks ter sprake maar over de tweede heb ik een klein uurtje met Bauke zitten bomen met als resultaat een acht.

De Dreyfus-affaire aan het einde van de negentiende eeuw, over het vermeende verraad van een Joods militair officier, legde een diepgeworteld antisemisme bloot in Frankrijk en verscheurde de natie destijds tot op het bot. Ook internationaal zorgde het verhaal trouwens voor de nodige beroering en ontroering.

Dat alles schoot even door mij heen toen ik een aantal weken geleden op het Waterlooplein bij Jos Albers (wie anders?) voor één euro een pamflet kocht van Émile Zola (1840-1902): “Lettre a la Jeunesse“ (Paris, 1897).
Wie Dreyfus zegt, zegt Zola. Hij was immers de grote pleitbezorger van Dreyfus’ onschuld en tevens auteur van de beroemdste publicatie van de hele affaire: “J’accuse” (op de eerste twee pagina’s van l’Aurore van 13 januari 1898).
Mijn pamfletje, Zola’s eerste publicatie met betrekking tot Dreyfus, verscheen nog vóór die beroemde open brief aan de Franse president Félix Faure (1841-1899) en dat interesseerde (en verwonderde) mij.
Originele exemplaren van dit pamflet worden af en toe aangeboden maar er bestaan ook makkelijk verkrijgbare moderne herdrukken van.
En nu we het toch over pamfletten hebben… Lees ook vooral het artikel van Boudewijn Büch in Maatstaf (jrg. 31, 1983): “Dreyfus in pamfletten uitgevochten?

Alfred Dreyfus; patriot, man van eer, op en top Frans legerofficier (maar Jood) werd ongewild de martelaar van de negentiende eeuw en - na het proces van de eeuw - veroordeeld tot verbanning naar het Duivelseiland (Île du Diable/Frans Guyana).
Vijf jaar later, na zijn gratie (1899) en nog vóór zijn officiële rehabilitatie (1906) zette hij zijn herinneringen op papier in: “Cinq années de ma vie” (Paris, 1901).
Het verscheen hier nog in hetzelfde jaar in achttien aflevering van tien cent per stuk, bij de firma Cohen & Zonen onder de titel: “Vijf jaren van mijn leven (Cinq années de ma vie) 1894-1899” (Amsterdam, 1901). Compleet en gebonden in een fraaie stempelband (van Giltay & Zoon in Dordrecht) kostte het boekje destijds twee gulden en vijfentwintig cent.

De Nederlandstalige uitgave was niet de enige vertaling die in 1901 verscheen.
Het boekje verscheen ook in het Italiaans (“Cinque anni della mia vita“), Spaans (“Cinco años de mi vida“), Hongaars (“Öt év életemből : szenvedéseim az Ördögszigeten töltött rabságom alatt : Dreyfus sajátkezű rajz- és kézírásaival”), Engels (“Five years of my life”), Duits (“Fünf Jahre meines Lebens”), Noors (“Fem Aar af mit Liv“), Pools (“Pięć lat mojego życia“) en zelfs Ladino (“סינקו אנייוס די מי ב׳ידה / Sinḳo anyos de mi vidah”)!
Dat zegt wel iets over de aandacht die de Dreyfus-affaire destijds wereldwijd trok.

Het boekje van Dreyfus is trouwens een wat onevenwichtige samenstelling van diverse onderdelen bestaande uit zijn verhaal opgedragen aan zijn kinderen, dagboekfragmenten, brieffragmenten van - en aan zijn vrouw (saai, want zwaar gecensureerd!) en andere brieven en stukken (waaronder de tekst van het belangrijkste bewijsstuk van zijn schuld; het beruchte zogenaamde ‘borderau’). Daarnaast bevat het een aantal stukken geschreven door Émile Zola (“Artikel van Emile Zola in de ‘Figaro’ van 1 december 1897. Het syndicaat”, “Verklaring aan de jury” (1898), “Het vijfde bedrijf” (1899), en een “Brief aan mevrouw Dreyfus” (1899).
Overigens is de Nederlandse uitgave van Dreyfus: “Cinq années de ma vie” vrij schaars. Momenteel biedt geen enkel antiquariaat het boekje aan, dat ik ooit voor minder dan tien euro kocht.

Uiteraard verschenen er ook fantasievolle, zwaar geromantiseerde verhalen. De meest bekende titel kwam ik alweer enige tijd geleden tegen in mijn kringloop. Het gaat om: “Dreyfus. De Banneling op het Duivelseiland” (Amsterdam, 1931), een colportageroman bestaande uit honderddertig delen (tien cent per stuk)!
Het is een vertaling uit het Duits van: “Dreyfus. Unschuldig getrennt” (Dresden, 1931), geschreven door Eugen von Tegen, een pseudoniem van Marie Blank Eismann (1890-), wiens Keizerin Sissi-romans de grondslag vormden voor de later zo succesvolle Sissi films met Romy Schneider (1938-1982) in de hoofdrol.


Een ander recent verkregen Dreyfus-item in mijn bibliotheek is voor zover ik kon nagaan alleen nog ter inzage in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het gaat om het speciale “Dreyfus-Nummer van de Wereldkroniek, bevattende: De geschiedenis van de Dreyfus-zaak van den aanvang af, met talrijke Portretten en Illustratiën” (Rotterdam, 1899).
De Wereldkroniek (1894-1970) was een familieblad, door de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag omschreven als een, “een kruising avant la lettre tussen Panorama, Privé en Vorsten”.
Wat deze vroege zwart-wit 'glossy' op groot formaat (41.5 cm. x 30 cm.) bijzonder aantrekkelijk maakt zijn de overvloedige illustraties (portretten, plattegronden tekeningen, facsimile’s etc.).
Op de voorzijde staat de bekende portretfoto van Dreyfus die model stond voor het getekende portret op de eerder aangehaalde Nederlandse uitgave van Cohen & Zonen.


Het blad bevat vijf hoofdstukken; I. Dreyfus, II. Esterhazy (spion en de werkelijke dader in deze affaire!) en Henry, III. Zola, IV. Luitenant-Kolonel Picquart, V. Herstel van recht?, en een chronologische lijst van gebeurtenissen (20-25 september 1894) t/m 7 augustus 1899, met hier en daar niet altijd even zorgvuldige of juiste informatie).

Omdat het verscheen nog voor het revisieproces in Rennes, waar Dreyfus opnieuw schuldig werd bevonden (maar het pardon aanvaarde van de Franse president Emile Loubet), kwam de Wereldkroniek in oktober 1899 met een aanvullend Dreyfus-nummer “dat het revisieproces te Rennes, de hernieuwde veroordeling van kapitein Dreyfus en aanverwante gebeurtenissen met talrijke portretten en afbeeldingen geeft”.
En! Ik lees het goed:
Voor hen, die het 1ste nummer bezitten, is het zeker een begeerde aanvulling”.
Dat wordt nog even verder snuffelen dus...!

vrijdag 29 september 2017

Om de eer van een heer...

Toen ik op een zaterdagmorgen Amsterdam introk voor wat kleine boodschappen stapte ik zoals gewoonlijk uit bij de metrohalte Waterlooplein.
Van daaruit beloop ik vaak zo'n beetje de hele binnenstad maar bovendien kan ik dan gelijk even snuffelen in de boekenkraam van Jos Albers op het plein.

Ik had ditmaal succes. Voor een tientje kocht ik een compleet ingebonden eerste jaargang van "De Amsterdamsche Gids" (Amsterdam, 1925/1926), "Een maandschrift, dat door populaire geïllustreerde beschrijvingen van verschillende Gemeentebedrijven en -instellingen een nauwer contact zal trachten te bewerkstelligen tusschen de ingezetenen en genoemde diensten en bedrijven". Losse afleveringen daarvan kom ik regelmatig tegen en ook antiquarisch worden ze her en der aangeboden. Sommige themanummers zijn collectoritems geworden, zoals het nummer dat ik eerder noemde in mijn blog "Saartje Wip en de Stadsreiniging".
Een complete eerste jaargang verzamelen wordt steeds moeilijker en dat was al zo tijdens de verschijning zo blijkt uit een mededeling in het laatste, twaalfde, nummer (blz. 10).
"Herhaaldelijk ontvangen wij aanvragen tot nalevering van reeds verschenen nummers van De Amsterdamsche Gids, ter completering van den jaargang.
Tot onze spijt kunnen wij hieraan niet voldoen voor zoover het de nummers 1 en 6 betreft, aangezien deze geheel zijn uitverkocht. Doch wellicht zijn er onder onze lezers, die deze nummers zouden willen afstaan, anderen ten gerieve. Wij doen hierbij een beroep op hun welwillendheid".

Met mijn eerste vondst in de hand snuffelde ik wat verder in de bakken met diverse folders en brochures.
Ook daar had ik geluk!
Al snel kwam ik twee interessante publicaties tegen voor mijn Twitter project "50 Bizarre Brochures" (dat zullen er ondertussen wel meer zijn!).
De grote verrassing volgde tot slot. Een brochure in een blinde geel papieren omslag...

Nieuwsgierig bladerde ik er wat doorheen en zag dat het geen titelpagina had maar voornamelijk bestond uit wat bijlagen (A t/m E).
De eerste elf bladzijden vormen een soort inleiding en de auteur valt meteen met de deur in huis:
"Maandag 18 Februari 1884 hebben twee Heeren op mijn verzoek het volgende den Kapitein ter zee E.L. Baron van Heeckeren van Waliën doen weten:
'De heer Stratenus van Voshol verklaart, dat hij eerst na ernstig nadenken en slechts na het lezen van het proces verbaal der zitting van den Raad van Eer op Zondag 17 Februari, de provocatie van Baron van Heeckeren van Waliën heeft aangenomen. Dat hij zich het recht voorbehouden heeft, om zowel voor als na het duel de stukken te publiceren, waaruit ten duidelijkste blijkt, dat de Kapitein ter zee Baron van Heeckeren van Waliën is een eerlooze woordbreker en een leugenaar en derhalve onwaardig den rang te bekleeden, dien Baron van Heeckeren van Waliën in de Maatschappij inneemt'".

De inleiding is getekend: STRATENUS VAN VOSHOL en direct daaronder staat:
"Dit stuk is voor den aanvang van het duel naar de post gebracht"!

Nee maar, een duel, hoe romantisch en wat bizar!


Thuisgekomen begon ik eerst met het zoeken naar andere exemplaren. Ik vond via WorldCat een exemplaar in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek en via Google nog twee exemplaren in familie-archieven.
De brochure, feitelijk niet meer dan een particulier gedrukt bundeltje verklaringen en vergaderverslagen, wordt antiquarisch nergens aangeboden (en de kans dat dit ooit zal gebeuren lijkt mij onwaarschijnlijk klein...)

Toen ik mij in de stukken begon te verdiepen kwam ik al gauw tot de ontdekking dat de gebeurtenissen destijds ook de krant hadden gehaald. Niet als een negentiende eeuws drama maar meer als een aristocratische klucht.

Het begon allemaal als een meningsverschil over een speelschuld tussen twee respectabele leden van de chique sociëteit 'Sic Semper' in Utrecht.
De man op het portret hier links, L.W.A.G.M. Stratenus van Voshol (1848-1896), rijk door zijn vrouw, en de wat minder bemiddelde commies der posterijen J. van Nahuijs hadden op een zomerse avond (6 juni 1883) verschillende potjes écarté gespeeld. Ze waren gezellig met zijn tweeën, bedienden noch vrienden waren er bij aanwezig.
Of ze bij hun spel een glaasje te veel hadden gedronken vermeldt de geschiedenis niet maar feit is dat Van Nahuijs zich later pertinent herinnerde dat hij die avond vijftienduizend gulden had gewonnen terwijl Stratenus van Voshol in de veronderstelling verkeerde nog vierduizend achthonderd gulden van Nahuijs te krijgen! Wie van de twee was nu de schurk?


De zaak werd voorgelegd aan de Raad van Eer van de sociëteit waarin ook kapitein ter zee E.L. Baron van Heeckeren van Waliën (1833-1891) zitting had. Die was zo pertinent overtuigd van de onschuld van Van Nahuijs dat hij, nog voordat de Raad zich er over had gebogen, een privébezoek bracht aan Stratenus van Voshol.
Daar vertelde hij hoe radeloos Van Nahuijs was. Die zou zich nooit houden aan een voor hem ongunstig uitspraak en alles uit de kast trekken om Stratenus van Voshol te beschadigen. De Baron verklaarde voorts dat de vergissing onmogelijk kon liggen bij Van Nahuijs. Die had immers in de koets op weg naar huis een korte notitie gemaakt van de openstaande schuld. Als Stratenus van Voshol nou maar toegaf en betaalde dan zouden de heren hem wel de hand boven het hoofd houden.
"Toe, Stratenus, denk er nog eens over. Ik vind het zoo verschrikkelijk; waarlijk, je weet niet wat je boven je hoofd hangt. Je arme ouders, voor wie ik zulk eene achting heb; je lieve vrouw, die nog zoo jong is; denk er nog eens over". Tevergeefs!
"Hoe is het mogelijk, gij in gemoede overtuigd kunt zijn, ik om een ongelukkige 15.000 gulden mijn eer en naam in de waagschaal zoude gesteld hebben. Neen, duizendmaal neen, ware ik ze werkelijk schuldig, liever het dubbele betaald dan mijn naam in zulk eene vuile geschiedenis te zien genoemd".

Even te uwer informatie. Een stoker op een dieselgemaal verdiende toen één gulden vijftig per dag! Omgerekend in koopkracht is die vijftienduizend gulden van toen nu meer dan €187.000,- euro! Voorwaar, de eer van een heer was toen nog wat waard!

Enfin, de Raad van Eer kwam op 30 januari 1884 bijeen, zonder de Baron van Heeckeren van Waliën, die was uitgetreden om alle schijn van partijdigheid te vermijden. Hoe dan ook het resultaat was voor alle partijen uiterst onbevredigend.
De Raad van Eer vond de argumenten van Stratenus van Voshol sterker en was van mening dat "de heer Van Nahuijs in zijne correspondentie niet altijd even nauwkeurig en begrijpelijk" was, en "dat zijne houding èn tegenover zijne wederpartij èn tegenover ons niet altijd even correct, dat zijne loyaliteit in 't algemeen niet altijd geheel boven alle verdenking is geweest, dat zijne nauwkeurigheid in het vermelden der feiten soms te wenschen overliet". Desondanks verklaarde men zich buiten machte om een besliste uitspraak te doen. Kortom; men dorst zijn vingers er niet aan te branden.
Einde verhaal denkt u nu.

Maar nee, als een donderslag bij heldere hemel verscheen tien dagen later een publicatie van de Baron getiteld: "Een woord naar aanleiding der uitspraak van den Raad van Eer in zake de Heeren L.W.A.G.M. Stratenus van Voshol en J. van Nahuijs gehouden in de Societeit 'Sic Semper' den 30 Januari 1884". Daarin ging hij in op de uitspraak, gaf zijn mening en zienswijze op verschillende punten en bleef bij zijn overtuiging. De affaire lag op straat en het klootjesvolk smulde! De Baron zou er al gauw spijt van krijgen...

Op 15 februari 1884 komt de Raad van Eer wederom bijeen. Men is op zijn zachtst gezegd niet blij met de openbare toelichting van de Baron! Die verklaart daarop dat hij de Raad van Eer niet verdenkt van enige partijdigheid en dat hij desgewenst bereid is om dat schriftelijk vast te leggen. Zo geschiedt.
Ook Stratenus van Voshol is in de vergadering aanwezig en die legt een explosieve verklaring af!
Een eerder door hem gedane bewering ten nadele van Van Nahuijs over diens talrijke schulden en geldnood wordt inmiddels ondersteund door een betrouwbare verklaring ontvangen van ene jonkheer X.
Die bevestigt dat zijn kleinkind op school het elfjarig zoontje van de Baron (!) tegen één van zijn schoolkameraadjes heeft horen vertellen dat ... zo bedroefd was dat hij het geld niet aan Van Nahuijs had betaald omdat ... er zevenduizend gulden van zou hebben gekregen!
Algemene verbijstering!
Het privébezoek van de Baron aan Stratenus van Voshol, ja, diens hele verdere handelswijze in de speelschuld affaire kwamen hiermee in een bijzonder en obscuur daglicht te staan!
De Baron, waarschijnlijk enigszins rood aangelopen, verklaart daarop terstond dat hij zijn geschrift niet zou hebben geschreven en uitgegeven als hij eerder op de hoogte was geweest van deze nieuwe informatie.
Een eclatante overwinning voor Stratenus van Voshol, nietwaar?
Ja, die dacht dat toen ook, maar hij interpreteerde de verklaring anders en vertelde verschillende personen dat de Baron aan hem zijn excuses had gemaakt...

De volgende dag is Stratenus van Voshol weer present op de sociëteit 'Sic Semper'. Ditmaal speelt hij een leuk partijtje whist met de heer R. van Dam (lid van de Raad van Eer). Terwijl beide heren zich verdiepen in hun spel komt plotseling de Baron binnenlopen en zegt:
"Mijnheer Stratenus, je bent een leugenaar, je hebt gezegd, dat ik excuses gemaakt had, daar is geen woord van waar. Je bent een gemeene leugenaar. Ik heb gisteren alles teruggenomen, om den naam te sauveeren van iemand die mij lief en dierbaar is. En nu zeg ik je ook, dat jij schuldig zijt en Nahuijs onschuldig is. En nu kan je er van krijgen, wat je er van hebben wilt. Ik laat mij hier schrappen, want op eene Sociëteit, waar dergelijke menschen getolereerd worden als u, bedank ik te komen".
Schandaal compleet!


Op 17 februari komt de Raad van Eer bij elkaar.
Tussen de Baron en Stratenus van Voshol komt het niet meer goed, beiden volharden in hun standpunten en herinneren zich hun privégesprek anders. Had Stratenus van Voshol toen wel of niet gezegd over het compromis van de Baron te zullen nadenken? Had de laatste hem toen wel of niet voor een man van eer gehouden en hem als bewijs daarvan de hand geschud?
De vergadering wil zich er (wederom) niet aan branden en de Raad van Eer besluit het verhaal laconiek met de opmerking dat zij haar taak om tot een uitspraak te komen in het geschil tussen Van Nahuijs en Stratenus van Voshol als beëindigd beschouwt.
Zoals u al wist is daarmee de kous niet af. Stratenus van Voshol eist genoegdoening.


Op maandag 3 maart troffen de heren zich, netjes gekleed en vergezeld door hun secondanten, in de bosrijke omgeving bij de pleisterplaats Huis ter Heide aan de Amersfoortse straatweg.
Jasjes werden uitgetrokken, pistolen overhandigd en partijen namen hun positie in; ruggelings op vijftien passen afstand van elkaar. Zweetdruppeltjes glinsterden in de zon...
Een droog commando klonk; 'één, twee, drie...'.
Beiden draaiden zich gelijktijdig om en vuurden. Luide schoten weerklonken door de verstilde natuur...
Vogels vlogen verschrikt op en nieuwsgierigen snelden toe. Welk drama, welk bloedbad voltrok zich daar?

Geen!

Duelleren was sinds 1881 in Nederland verboden. De etiquette, die deze mannen van eer hoog in het vaandel hielden, maakten het vloeien van bloed onmogelijk.
Neen, beiden schoten voor de vorm en beiden schoten expres mis!
Een Nederlands Wellington-Winchilsea duel in optima forma, maar hun eer was gered!

En Van Nahuijs? Die kreeg vijf dagen na het duel eervol ontslag en verdween uit beeld.


Nasmullen?
Lees het onderstaande artikel (van 9 maart 1884) in de Nieuwe Tilburgsche Courant  of het komisch ironische stuk in de 'De Groene Amsterdammer' van 9 maart 1884.

vrijdag 13 november 2015

'De schrijver is de gekte nabij'

Bij de boekenkraam van Jos Albers op het Waterlooplein bestudeerde ik een in rood karton gebonden boekje met een opmerkelijk en uitvoerig titelblad.
Besmettelijke zielsziekten voorheen en thans. De Danszucht, de Naaktloperij, de Geeselaarsvertooning en de hand-over-hand-toenemende SPORTEPIDEMIE en hare bevorderaars (SPORTARTSEN enz.) met een Naschrift gericht tegen een artikel van Prof. Snapper over ''HET SPORTHART''.” (Baarn, 1931). Helaas was het net verkocht aan een antiquaar.

Auteur en titel bleven lang in mijn hoofd zeuren en enkele maanden later zocht ik thuis nieuwsgierig naar informatie.
Evart van Dieren (1861-1940), zo bleek, was een respectabel geneesheer in goede doen geweest. Daarnaast was hij een beroepsquerulant in het kwadraat. Onder het motto ‘ik heb altijd gelijk’ nam hij de pen op tegen alles en iedereen en publiceerde tal van spraakmakende artikelen, brochures en rare boekjes. ‘Besmettelijke zielsziekte’ geldt als idioot hoogtepunt in zijn oeuvre.
Antiquarisch kom je zijn uitgaven overigens niet zo vaak tegen. Veel van zijn publicaties verschenen (uitzonderingen daargelaten) voor eigen rekening en in beperkte oplagen.


Jaap Bos heeft uitvoerig gepubliceerd over deze zonderlinge, thans geheel vergeten, figuur in: “Evart van Dieren. Een kroniek van het falen” (Amsterdam, 2008). Over dit boekje schreef hij:
Men kan op iedere willekeurige bladzijde binnenvallen en na een paar bladzijden weet men al evenveel als wanneer men het hele boek zou lezen. Van Dieren was er zelf ook verbaasd over.
‘En zoo zijn we dan vàn de Naaktlooperij en het Socialisme en Bolsjewisme (Heijermans en Pieck) over de Godsdienstbestrijding, de achterlijke Cultuur en de opzettelijke onzindelijkheid héén, weer ongemerkt terecht gekomen bij de Sport! Zonder toelichting zou het haast een al te gekke overgang lijken, maar als we ons dan herinneren dat Jan Feith in 1928 schreef… [enz.].’
En dan zijn we pas op pagina 43 en hebben we er nog meer dan honderd voor de boeg, waarin het zal gaan over de Duitse keizer, Napoleon, een gedicht van Jan Engelman, en nog veel meer, en ook, af en toe, over de sportbeoefening, waarover het boek eigenlijk had moeten gaan.
De schrijver is de gekte nabij, oordeelde Boudewijn Büch in een krantenartikeltje een halve eeuw later
”.


Kijk! Dergelijke informatie is voor elke rechtgeaarde boekenliefhebber die van knotsgekke boekjes houdt (‘boeken met een verhaal’) een eersteklas aanbeveling!
Op internet begon ik digitaal te sneupen en vond een exemplaar bij Boekwinkeltjes.
De verkoper bleek Harry van 'Hopi Bukinan' te zijn. Dezelfde die me op het Waterlooplein was voorgeweest...!


Noot. Dit stukje werd geschreven voor Best Beschreven Boeken (Week van het Oude Boek 2015)

vrijdag 10 april 2015

Uit mijn bakken


Net als in antiquariaten en op boekenmarkten staan in huize Perkamentus 'dozen en bakken’. In de dozen zit vaak het bijzondere drukwerk, waaronder enkele boekjes en 'archivalia'. In de bakken zit alles waarop het woord ‘boek’ niet van toepassing is.
Dan moet u denken aan folders, brochures en andersoortig efemeer dun drukwerk variërend in vorm en omvang.

Enerzijds ontlasten die lectuurbakken mijn overvolle boekenkasten, anderzijds vind ik planken vol met dat dunne spul zonder rugtitel niet handig, dus dan maar een bak. Net als de boekenkasten worden ook de bakken regelmatig geordend; meestal op het moment dat ze zo volgepropt zijn dat je er met goed fatsoen niets meer in of uit krijgt.
Nieuwe lectuurbakken kopen is hier al net zo’n traag proces als nieuwe kasten kopen dus worden de dikste brochures voorlopig op de boeken in boekenkast gelegd.

Onlangs vond weer zo ’n opruimactie plaats en om u een idee te geven wat er zoal huist in die bakken van Perkamentus heb ik er vrij willekeurig zes voorbeelden uitgepikt.


De oudste brochure is getiteld: “Overzicht van de geschiedenis van het Bestelhuis van den Nederlandschen Boekhandel 1871-1896” gedrukt door de stoomdrukkerij van
M.J. Portielje in Amsterdam. Behalve een fraaie houtgravure van Johan C. Braakensiek (1858-1940) op de voorkant bevat het wat foto’s van dit omvangrijke pand, direct achter het paleis op de Dam, in Amsterdam. Hier vond de centrale opslag, verwerking en levering van boeken aan de boekhandel plaats. Vanaf 1926 werd de naam Centraal Boekhuis en in 1973 verhuisde het bedrijf naar Culemborg.
Zeldzaam?
Nee hoor, op boekwinkeltjes staan nog drie exemplaren te koop. Ik ben wel een fan van dit soort aan het boekenvak gerelateerd drukwerk. Zo heb ik ook een aantal jubileum en herinneringsboekjes van (al dan niet verdwenen) boekverkopers, drukkers en uitgevers maar daarover vertel ik een andere keer.


De tweede brochure is geschreven door de bekende archeoloog J.H. Holwerda jr. (1873-1951). “Lugdunum Batavorum of Praetorium Agrippinae. Opgraving te Voorburg
(’s-Gravenhage, 1909). Het is een overdruk uit de oudheidkundige mededelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden (deel III). Dat plakkertje op de voorkant linksonder verraadt dat het een afgeschreven exemplaar is uit de stadsbibliotheek van Utrecht.
Het bevat wat aardige kaarten en illustraties van deze opgravingen van Forum Hadriani. Archeologie is een van mijn jeugdliefdes en ik heb een zwak voor leuke en oude uitgaven daarover. Deze redelijk schaarse brochure kocht ik op het Waterlooplein uit de bakken van Jos Albers voor een paar euro, evenals de hierna volgende twee voorbeelden. Ik vermoed dat ze allen ooit in de kasten bij antiquaar Louis Putman (1923-2013) hebben gestaan.

Iets heel anders is de catalogus van ‘Hellho’. Deze naam is een samenstelling van de eerste letters van de voor- en achternaam van eigenaar Hellmut Horowicz uit Bussum, die eind jaren veertig een bedrijf had in medische korsetten, buikbanden en rechthouders.
Mijn overgrootmoeder, Elisabeth Geertruida Kwinkelenberg (1868-1917) was op haar tweeëntwintigste van beroep ‘corsetière’ ofwel korsettenmaakster. Dat verklaart gedeeltelijk mijn aanschaf.


Worden korsetten überhaupt nog gedragen? De enige plek waar ik dat regelmatig kan constateren is in het ‘red light district’, op de Amsterdamse wallen. Daar vervult het korset, meestal in opwindende kleuren en afgezet met veel kant, speelse strikken en leren veters vermoedelijk een geheel andere functie dan oorspronkelijk de bedoeling was.

Alleen van mijn grootmoeder van vaders kant weet ik dat ze een korset droeg. Ze lagen wel eens op de stoel in haar slaapkamer en in mijn herinnering was het een bijzonder kleurloos aseksueel maar zeer doelmatig geval. In haar geval hield het haar omvangrijke boezem en buik enigszins in bedwang maar superslank werd mijn oma er niet van.
Enfin, als kleinzoon van een jaar of tien let je daar verder niet zo op.

De getekende illustraties van de diverse modellen die ‘Hellho’ kon leveren spreken voor zich. Leuk detail zijn de drie ingeplakte (roze) kwaliteitsmonsters achterin. De diverse modellen hebben allemaal een naam. Voor die tijd wellicht speels maar erg spannend klinken doet het niet. Model ‘Greet’, ‘Leni’, ‘Ida’, ‘Ria’, ‘Corry’, ‘Mary’ en ‘Beppi’. Het klinkt me wat te volks en ruikt naar spruitjes.

Uit 1949 is de brochure met het “Huldewoord uitgesproken in de bijeenkomst ter ere van Pater Dr. Bonaventura Kruitwagen O.F.M. in de Grote Zaal van de Kamer van Koophandel te Rotterdam op 14 juli 1949 door L.J. Rogier”.
Zoals op de voorkant staat is dit een uitgave van ‘Pro manuscripto', het drukkerijtje van het minderbroedersklooster te Alverna (Wijchen). Wie Kruitwagen (1874-1954) en Rogier (1894-1974) waren hoef ik boekhistorici, bibliofielen en geschiedenisliefhebbers niet uit te leggen.


Wat deze brochure echter interessant maakt (en dat is de reden van aanschaf geweest) is de briefkaart die erin zit van de boekhistoricus en bibliograaf mejuffrouw M.E. Kronenberg (1881-1970).
Het is een boodschap van 19 augustus 1954 aan Rogier waarin zij ondermeer schrijft:
Mijn hart.(elijke) dank voor de gezonden rede, die mij bij lezing weer evenzeer getroffen heeft als op die middag te Rotterdam. Ten overvloede heb ik nog even naar Alverna geschreven om te vernemen of men ons toestemming tot de herdruk geeft”.
En op de verso zijde:
Ook de medewerkers van Het Boek verheugen zich over uw bereidwilligheid ons deze voortreffelijke rede af te staan”.
Inderdaad werd Rogiers’ toespraak afgedrukt in het tijdschrift ‘Het Boek’ (1912-1960).


Vervolgens drukwerk (z.p.z.j.) van buitenissig formaat. “Hangt de wereld van drukwerk aan elkaar?” werd geschreven door de typograaf en letterontwerper Huib van Krimpen (1917-2002). Het is eigenlijk een gevouwen poster (ruim 97 cm. bij 38 cm.) met op de binnenzijde een foto van een gevulde 'letterbak' (fotostudio Jan van der Noot) en op de achterzijde een tekst verdeeld in twaalf hoofdstukjes. Het is een promotie uitgave van 'Het Drukhuis' in Amsterdam (opgericht in 1973). Ik vermoed dat ik dit exemplaar heb opgedoken bij het uitzoeken van de collectie Oldenbroek.


Tot slot een lang geleden gekocht boekje geschreven door Marije en Arno Guldemond met de aansprekende titel: “Bloedstollende Belevenissen van een paar eerzame boekverkopers” (Raalte, 1984).
Verhalen, memoires en belevenissen van boekverkopers en antiquaren zijn schaars en populair leesvoer bij veel boekenliefhebbers. Wat ik op dat gebied tegenkom koop ik.
Uiteraard staan hier dan ook de gebonden en gesigneerde exemplaren van het summum op dat gebied; de winkeldagboeken van Hans Engberts (1958-2011) en René Hesselink van het Utrechtse antiquariaat Hinderickx & Winderickx.

Voilà; zo maar een indruk van de inhoud van mijn bakken. Daar zit vast nog wel iets tussen voor een volgend blogstukje…