Posts tonen met het label Index librorum prohibitorum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Index librorum prohibitorum. Alle posts tonen

vrijdag 25 maart 2022

Dilemma en illusie


Mijn laatste blog verscheen alweer wat langer geleden dan u normaal van mij gewend bent. Na 455 (!) blogs in 13 jaar zal de inspiratie wel iets zijn afgenomen denkt u, en dat is natuurlijk ook een beetje waar. Toch staat hier nog genoeg om over te schrijven. Zoals u wel weet bezit en beheert Perkamentus verschillende deelcollecties en over een aantal heb ik al eens eerder geschreven.
Zodoende weet u (of kunt u weten, door op de hiernavolgende hyperlinks te klikken) dat het gaat om heel diverse onderwerpen zoals: (Lof der) jenever, Helmer's Hollandsche Natie, obscure uitgaven over blanke slavinnen, margedrukwerk van De Ammoniet, oude Hollandse polderreglementen, zeldzame anticonceptiebrochures, theologische discussies over het vloeken, de Amsterdamse stadshistoricus Jan Wagenaar, vuilnis, vuilverwerking en verzamelen, stadswijk Buitenveldert, 19de eeuwse gemeentelijke aanplakbiljetten, Irma Boom, bibliomanische uitgaven in mijn bibliotheek en de (anti)trekhonden(bond).

Afgelopen week ontving ik een aanvulling op het laatstgenoemde onderwerp. Bij het Antwerpse filiaal van De Slegte kocht ik een zeldzame brochure geschreven door mevrouw W. Wynaendts Francken-Dyserinck en C. Buysse: "Voor de kar en aan de ketting" (Arnhem, 1926). Een uitgave van de "Geldersche Vereeniging voor Dierenbescherming 'Niels Holgersson'" tegen het houden van trek- en kettinghonden. Hierin zit o.a. het korte verhaal: "Dukske", van de Vlaams naturalistische schrijver Cyriel Buysse (1859-1932), dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel: "Uit Vlaanderen" (1899). Wat deze aanwinst extra bijzonder maakt is dat de auteur op de voorzijde schreef: "Aan een hondenvriend. v.d.S (van de Schrijver) Aug. 1926".


Met de ontvangst daarvan drong plotseling weer het besef door dat het een illusie is om te denken dat de kous af is als je eenmaal een bepaald onderwerp aan de hand van je bezit (deelcollectie) hebt besproken. 'De kous', in dit geval het verzamelen is immers nooit af! Verzamelen gaat gewoon door en regelmatig arriveren in huize Perkamentus aanvullingen op verschillende collecties.
Maar wat dan? Weer opnieuw over het hetzelfde onderwerp publiceren? Een addendum schrijven (zoals deze), een voetnoot onder bestaande artikelen (zoals hier), onzichtbaar blijven aanvullen zoals hier of zichtbaar (zie opmerking onderaan) hier? Een terugkerend dilemma dat vooralsnog een magere oplossing kent door elke aanwinst te vermelden in mijn maandelijkse overzicht met een verwijzing naar het desbetreffende blog. Inmiddels zit deze brochure bij zijn soortgenoten in één van de ruim twintig zuurvrije archiefdozen die niet ver van mijn bureau staan. Deze - bijna anderhalve meter hoge - stapel dozen bevat kwetsbaar en antiquarisch schaars drukwerk uit verschillende eeuwen over diverse interessante onderwerpen.


Een goed voorbeeld is de doos met brochures over 'de Index, Boekcensuur en Kath.(olieke) boekenwetten'. Over die religieus opgelegde censuur heb ik lang geleden al eens wat geschreven in: "Verboden boeken" (2010) en "Komrij's roomse poolster" (2013). Ruim een jaar geleden besloot ik om er een overzicht van te maken voor een blog. Daarmee was ik bijna klaar toen ik enkele aanwinsten op dit gebied ontving. Die waren weliswaar uiterst welkom maar ontnamen mij de lust om mijn blog af te ronden. Als ik toch bleef verzamelen, waarom dan erover schrijven in de wetenschap dat het nooit echt af is? Soms kunnen aanwinsten verlammend werken...

'Des Pudels kern' ben ik natuurlijk zelf! Boeken (en series) moeten bij mij compleet zijn en datzelfde geldt onbewust ook voor mijn deelcollecties en blogs daarover. In de wetenschap dat dat alles een illusie is geef ik u hierbij dan toch maar een (chronologisch) overzicht van de inhoud van deze doos met niet geïllustreerde uitgaven, alsmede enkele kenmerkende en opmerkelijke citaten daaruit.

1. J.H. van Franckenberg (1726-1804): "Herderlyk sermoen tegen het leezen der kwaede boeken door zyne Eminentie den Kardinael Van Franckenberg en Schellendorff, aertbisschop van Mechelen, primaet der Nederlanden enz, enz." (Brugge, 1822). Een vurig pleidooi van deze Prins der Kerk tegen alle goddeloze boeken met name vergiftigende 'minneboeken' (romans) die door hun slechte voorbeelden de goede zeden van hun jonge lezers (mannen en vrouwen) bederven.
"Wee u, ô ongelukkige schryvers der zelve! gy verdient van alle menschen vervloekt en verfoeid te worden. Wee u, drukkers, boekverkoopers en kraemers, die ze durft verkoopen!" (Blz. 23).


2. A. van Alphen (1748-1831): "Antonius van Alphen Vicarius Generaal Apostoliek van het bisdom van 's Bosch aan de onderhorigen van dit bisdom zaligheid in den Heere" ('s Hertogenbosch, 1822). 
Vastenbrief van Van Alphen tegen de zedenverwildering veroorzaakt door "bederfelijke boeken en schriften welke de goddeloosheid door de Leesgezelschappen en langs andere wegen, ook onder onze geloofs genoten tracht te verspreiden". Bevat tevens een ernstige waarschuwing voor de onzedelijke en gevaarlijke geneugten van: "Vastenavond huizen: Kwansels: Labaijen: Gaansdagen: Comedien: Ballen: Danspartijen: of diergelijke..." (Blz. 3). De tekst staat ook in: "Roomsch-Catholyke bibliotheek voor het Koninkrijk der Nederlanden" (deel 2, no. 2., titel van de rubriek: 'Kerkelijke geschiedenis'). Geen ander exemplaar van gevonden in WorldCat.


3. A. Haans S.J.: "Slechte lectuur" (z.p. 1904/1905). Uitgegeven door de Sint Willebrordusvereeniging ter verspreiding van goedkoope Katholieke volkslectuur (jaargang 9, nr. 2 (98).
"Wat een prikkelende aankondigingen, wat een luid klinkende reclames overal! Wat een schandelijke titels allerwege ten toon gesteld! Wat een aanplakbiljetten, en platen, en prenten verontreinigen de stadsmuren en verleiden tot op het platteland zoowel de argelooze als de ziekelijke nieuwsgierigheid de voorbijgangers! Slechte boeken, liberale dagbladen, zedelooze romans bewerken de lezers tot in de binnenkamers toe, om toch maar hunne vaste geloofsovertuiging te schokken en hunne deugden te bederven" (Blz. 2/3).


4. S.D. van Veen: "De Index en de Boekencensuur in de Roomsch-Katholieke Kerk" ([z.p.] Baarn, 1905). Uit de serie "Kerk en Secte", Serie I, No. 5, No XI.
"Of echter de boekcensuur, in praeventieven zin beschouwd, niet de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek belemmert, is een andere vraag. Wie weet, dat hij de resultaten van zijn studie, vóór zij het licht mogen zien, moet onderwerpen aan het oordeel van den censor, en bedenkt, dat deze resultaten niet gedrukt mogen worden, indien zij ook maar in eenig opzicht afwijken van of in strijd zijn met de leer der Kerk, moet zich bij zijn onderzoek vooraf reeds gebonden voelen. Want van tweeën één; òf hij kan zijn werk niet uitgeven als het heterodox blijkt te zijn òf hij moet orthodox blijven, wil hij zijn studie in het licht zenden. Voor wie van harte tot de Roomsch-Katholieke Kerk behoort blijkt echter hierin geen moeilijkheid te liggen. Immers, komt hij tengevolge zijner onderzoekingen tot afwijkende gevoelens, dan vertrouwt hij, dat de Kerk, die hij erkent als de onfeilbare draagster der waarheid, gevaren ziet ook waar zijn oog die niet ontdekt, en de liefde tot de Kerk die gebiedt zijne gevoelens te verzwijgen, is sterk genoeg om aan de liefde tot de wetenschap, die lust heeft ze te publiceren, het zwijgen op te leggen" (Blz. 41/42).


5. B.Th. Stoverinck: "De Index en de boekcensuur in de Roomsch-Katholieke Kerk" (Nijmegen-'s-Hertogenbosch-Antwerpen, 1920). Nummer I (serie XIV) uit de reeks "Geloof en wetenschap. Studiën voor onze tijd" onder redactie van R. Bouman S.J. en dr. J. van Vessem S.J.
"Boekhandelaren, vooral Katholieken, mogen boeken die in bovengenoemde zin over obscene zaken handelen, in geen geval verkoopen, uitleenen of bewaren. De overige verboden boeken mogen door hen slechts verkocht worden wanneer zij van den Ordinarius of van de Congregatie van den Index daarvoor vergunning hebben gekregen. En ook dan is hun slechts toegestaan, deze slechts aan degenen te verkoopen, van wie ze redelijk kunnen veronderstellen, dat zij de bevoegdheid bezitten om zulk boek te lezen" (Blz. 40).


6. L. Kauling MSC: "Het kerkelijk boekenverbod" (Tilburg, 1920).
"De mensch heeft het vermogen om te redeneeren gekregen; maar dat beteekent niet, dat al zijn opvattingen eerst door de logica gecensureerd worden. Zelfs iemand die veel nadenkt, neemt een groot deel van zijn inzichten zonder critiek over van zijn omgeving, van de geestes-atmosfeer, waarin hij leeft. En als die geestelijke atmosfeer nu eens grootendeels bestaat uit onjuiste of minder juiste idees, die hem voortdurend mondeling of schriftelijk bereiken? Dan zal nog in gunstige gevallen in zijn hoofd een vreemde mengeling ontstaan van gezonde en ongezonde opvattingen, die den vollen opbloei van zijn Katholiek denken en Katholiek leven benadeelen" (Blz. 6).


7. P. Potters: "De boekenwet" ('s-Hertogenbosch, 1921). Een overdruk uit verklaring van den katechismus der Nederlandsche bisdommen (vierde deel). 
"In onze dagen wordt de wereld overstroomd met slechte boeken en kranten. Deze geloofsbedervers en zedenverpesters verrichten hun werk niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen en afgelegen gehuchten. Ze wachten u op in winkels, leeszalen, koffiehuizen, stations en spoorwagens. Men ontmoet ze op de sierlijke leestafels der rijken, op de vensterbanken der armen" (Blz. 3), aldus Potters.


8. J. Salsmans S.J.: "De index en de kerkelijke boekenwetten" (Antwerpen-Brussel-Gent-Leuven, 1938).
"De kerkelijke boekenwetgeving verbiedt (buiten rechtmatig verlof om) niet alleen het lezen der slechte boeken en bladen, maar ook het bewaren, vertalen, uitgeven, verkoopen of op gelijk welke wijze aan anderen mededeelen (Ca. 1398)" (Blz. 72).


9. C.A. Bouman: "Index en boekenwet" (Heemstede, 1940). Uitgave van het Katholiek Comité van actie 'Voor God' (Heemstede). 
"Als we vaststellen dat er in het algemeen van 'opzettelijke vervalschingen' geen sprake is (bepalen ons hier tot Bijbel-vertalingen) dan blijft wel staan, dat de tendentieuze (wat iets anders is dan 'vervalschte') vertaling van een bepaalde term of tekst - vooral in den heetsten tijd van de theologische disputen - zonder twijfel als bijkomstige reden voor het algemeen verbod heeft gegolden. Wanneer in den Statenbijbel de Griekse woorden 'ekklesia' of 'presbuteros' door 'gemeente' en 'oudste' worden vertaald, behoeft men niet aanstonds te zeggen dat deze termen in beteekenis niet kunnen komen met de meer traditioneele vertaling 'kerk' en 'priester'. Maar als het duidelijk is, dat de nieuwe vertaling opzettelijk gekozen werd om stelling te nemen tegenover de oude kerkleer, als deze nieuwe termen in de hitte van het gevecht tot strijdleuzen worden gepromoveerd, krijgen zij een beteekenis welke een strikt verbod van dergelijke Bijbelvertalingen zeker rechtvaardigt".


10. G. van Gestel S.J.: "Lectuur en censuur" (Bussum, [z.j.] 1948). Uit de serie "waarheid en leven" (Katholieke levenswijsheid), Psychosophische verhandelingen onder redactie van prof. J.P. Verhaar.
"Een bizonder soort letterkundig werk vormt de romanlectuur en we vermelden ze daarom onder een speciale en laatste categorie. Er is hier heel veel kaf onder het koren en wie in zijn boeken waarlijk levensverheffing, levensveredeling, levensverrijking zoekt, zal de wan geducht ter hand moeten nemen. Elk nieuw leesseizoen komen er stapels romans op de boekenmarkt. Er zijn uitgeversfirma's, die er een sport van schijnen te maken, maar zoveel leesvoer aan te slepen. En zijn de vaderlandse jachtgebieden afgestroopt, dan schaffen ze zich een buitenlandse, liefst een Engelse of Amerikaanse jachtakte aan en houden daar klopjacht. Dat de verhollandsing vaak beneden peil is, hindert weinig. Dat het van vreemde bodem komt, wordt allicht aanvaard als een goede noot; ten slotte een pikante titel en een min of meer zinnenlokkend bandtekeningetje en..... de zaak marcheert wel weer - d.w.z. finantieel. Als dit soort boeken iets met cultuur, met levensverrijking heeft uit te staan, dan is het in negatieve zin: dat ze nl. onbeschaafder en geestelijk armer maakt.
Een geestigaard typeerde de huidige roman aldus: Een duitse roman is een boek, waarin twee mensen elkaar al in het eerste hoofdstuk dringend nodig hebben, maar elkaar niet krijgen vóór de laatste letter van het laatste hoofdstuk; een franse roman is een boek, waarin twee mensen elkaar reeds in het eerste hoofdstuk krijgen en vanaf dat moment tot het laatste hoofdstuk elkaar niet meer nodig hebben en in de weg lopen; een russische roman is een boek, waarin twee mensen elkaar noch nodig hebben noch krijgen, over welke aangelegenheid 400 diep-zwaarwichtige bladzijden worden volgeschreven" (Blz. 87/88).


11. M. Custers: "Kerkelijke boekenwetgeving" (Antwerpen-Amsterdam, 1960).
"Het is heel goed mogelijk dat een boek niet valt onder de bepalingen van de Index, dat het dus niet door de Kerk als een verboden boek wordt beschouwd, en toch niet mag worden gelezen, omdat dit bepaald geschrift gevaarlijk is voor die bepaalde persoon. Wanneer iemand een boek begint te lezen en hij merkt op een bepaalde plaats dat hem dit niet past, dan is hij volgens de natuurwet verplicht de lezing te staken" (Blz. 8).


12. E.A. de Boulogne: "Herderlijk onderrigt over het drukken van slechte boeken" (Driehuis, z.j. [1995]). Een marge-uitgave van de Augustijn pers, waarvan zestig genummerde exemplaren bestaan (ik bezit een 'HC' exemplaar). De inhoud evenals de titelpagina - met verschillende bibliotheekstempels - komen uit deze uitgave. Dit (uittreksel van het) herderlijk onderricht van de bisschop van Troyes tegen 'slechte boeken' verscheen naar aanleiding van het opnieuw uitbrengen van de volledige werken van Voltaire (1694-1778) en Rousseau (1712-1778). 
"De letterkunde is evenzeer als de zedenleer ontaard. Hoedt u voor dien nieuwen vloed van boeken, die weldra de geheele verdelging van den menschelijke geest zal voltooien. Vrienden der goede zeden, wacht u voor de werken diens vuilen dichters, die van een meesterstuk van vuilheid het meesterstuk van zijn kunst maakt. Wacht u voor de werken van dien volslagen bedorven romanschrijver, die de slechte zeden wil verbeteren door middel van een boek, hetwelk hij zelf bekent dat de zeden moet bederven. Groote God! Waar gaan wij heen, en met welk een naam moeten wij deze eeuw bestempelen?".


Anno 2022 is lezen iets dat actief ‘bevorderd’ moet worden. Wie op de website van de Stichting Lezen kijkt en dan klikt op ‘Leesbevordering en literatuureducatie’ wordt van daaruit verder verwezen naar BoekStart en de Bibliotheek op school, Campagnes, Publicaties, Onderzoek en Congressen en trainingen. En er is nog veel meer. Het contrast met de tijd dat werd gewaarschuwd voor de gevaren van het lezen van bepaalde lectuur of publicaties geschreven of uitgegeven door personen met een andere geloofsovertuiging kon niet groter zijn. De bezorgde zedenprekers van toen zullen zich dit in hun stoutste dromen niet hebben kunnen voorstellen.
 
Inmiddels is het een aardige verzameling, al zeg ik het zelf, maar onbeperkt houdbaar is mijn overzicht natuurlijk niet want het verzamelen gaat door. De kous is nooit af en als er weer aanwinsten bijkomen sta ik opnieuw voor het eerder omschreven dilemma.
Zo is de cirkel rond...

maandag 19 augustus 2013

Komrij's roomse poolster

“Voor de erotomaan is de katholiek van onschatbaar nut. Hij die het pad der zonde zoekt oriënteert zich op de roomse poolster het best. (-) Nooit ben ik, in mijn eerste nieuwsgierige jaren, op het spoor van zoveel ‘interessante werken’ betreffende geest en lichaam gebracht als door de Standaard Catalogus van het R.K. Centraal bureau voor Lectuur onder leiding van A.B.H. Gielen sj.
Het was een goudmijn van modieuze, anarchistische, ontuchtige, verkeerde, hoerige, opwindende en polemische boeken, kortom van alle boeken die ik wou lezen
” (Gerrit Komrij in: “Over het nut van het katholicisme”, in “Verzonken boeken” (Amsterdam, 1986).

Welke nieuwsgierige bibliofiel hunkert na het lezen van Komrij niet naar A.B.H. Gielen (1871-1929): “Standaard Catalogus van het R.K. Centraal bureau voor Lectuur” (Amsterdam, 1925)?
De catalogus verscheen oorspronkelijk bij de Amsterdamse uitgeverij Joost van den Vondel en wordt antiquarisch voor bedragen rond de vijftien euro aangeboden. Zeer schaars zijn de daaropvolgende twee supplementen die in 1926 en 1927 (de laatste o.l.v. J. van Heugten sj) verschenen bij de uitgeverij ‘Foreholte’ in Voorhout.
Een complete set zie je daarom niet vaak maar een paar jaar geleden trof ik er een aan bij antiquariaat “De Friedesche Molen”. De vraagprijs bedroeg zestig euro. In de winkel vertelde ik Hein over wat de catalogus van jezuïetenpater Gielen voor Komrij had betekend (‘zijn roomse poolster’). De waarschuwingen van pater Gielen voor bepaalde boeken zijn - anno nu - vervat in termen die vooral op de lachspieren werken; ‘ontredderde lectuur’, ‘een heel smerig ding; voor niemand’, ‘een lasterroman, die te vuil is om aan te pakken’, 'Pornografie. Afgekeurd' of ‘een wanhopig meedogenloos bijna ziekmakend boek, met socialistische strekking. Niets voor ons’.
Menig boek belandde bij Gielen zo op de symbolische brandstapel. Voor Komrij echter waren zijn woorden hartelijke aanmoedigingen en Koninklijke aanbevelingen om de desbetreffende uitgave onmiddellijk na te jagen, te kopen en te lezen. Kennelijk had ik er wat al te enthousiasmerend over gesproken want Hein besloot de boeken toch maar zelf te houden. Geduld, geduld….


Uiteindelijk vond ik een paar weken geleden weer een complete set (uit een voormalige kloosterbibliotheek) bij antiquariaat “Boek en Glas” en nu voor maar vijf en twintig euro! Meteen gekocht natuurlijk.

De catalogus begint met een uitvoerige inleiding waarin staat met welke drie factoren Katholieken te maken hebben als het gaat om de zorgvuldige keuze van hun lectuur.
A. De natuurwet. “Wat ik voel of weet dat mij schade brengt, ook al zou het anderen niet deren, late ik ongelezen, anders breng ik mijn geestelijk leven in gevaar en pleeg vergrijp tegen mijne ziel”. Voor iedere Katholiek lag dit natuurlijk anders, afhankelijk van zijn opleiding, gevoeligheid, ontwikkeling etc. Bij twijfel; raadpleeg uw biechtvader.
B. De kerkelijke boekenwet. Welke boeken verboden zijn om hun antikatholieke opvattingen, onzedelijkheid, goddeloosheid etc.
C. De Index. De officiële lijst van verboden boeken opgesteld door het Vaticaan.

Wat wilde pater Gielen (tussen 1912 en 1929 hoofdredacteur van de ‘Boekenschouw’) bereiken met deze standaarduitgave? “Een practische gids zijn om schadelijke boeken van onschuldige, en gevaarlijke van twijfelachtige te helpen onderscheiden. Of een boek kunstwaarde heeft of niet, lijkt ons naast de ethische waarde van zoo'n ondergeschikt belang, dat wij er niet veel woorden aan zullen besteden. Wij hebben een hartgrondigen hekel aan de tegenwoordige opfokking tot aestheten in plaats van tot oprechte en beginselvaste Christenen, die plichts- boven schoonheidsgevoel stellen. Door kunst is waarschijnlijk nog nooit iemand in den hemel gekomen, tenzij hij er God mee diende. Hetgeen dan weer den ethischen kant van het vraagstuk naar ons toekeert. Het is er ons derhalve allerminst om te doen ‘letterkundigheid’ te gaan bewonderen, die overigens niet langer pleegt te duren dan een vrouwenmode”.


Het was natuurlijk onmogelijk om alle verschenen en te verschijnen boeken te beoordelen. Volgens Gielen bleek uit ervaring en onderzoek dat vooral de nieuwste “kersversche” boeken werden gelezen. Om nader te bepalen welke titels dat waren werden de catalogi van diverse grote leesbibliotheken bestudeerd. “Die zijn als graadmeters van de waardeering van het publiek en van de veelgelezenheid van een boek. Daaruit maakten wij onze keuze van titels in dezer voege, dat wij ter bespreking allereerst noteerden wat gelijkelijk in alle of de meeste catalogi voorkwam”.
Het ging natuurlijk vooral om Nederlandse en vertaalde romans (waaronder vele thans min of meer vergeten auteurs en spoorloos verdwenen uitgaven); “omdat deze in hoofdzaak de verspreiders zijn van goed en kwaad; zij richten zich tot de groote massa, zij speculeeren op de sensatielust van het publiek, zij behoeven niet te voldoen aan voorwaarden van waarheid, wetenschap of logica, maar brengen het gedachtentuig van elk willekeurig individu onder het bereik van allen”.


Een enkele keer komen we Nederlandse klassiekers tegen zoals Couperus (1863-1923): “Een dandy met de taal en een dandy met het leven. Een verfijnd artist, als men wil, ofschoon wij het zelf niet gelooven, maar een heilloos schrijver om zijn bar sensualisme, zijn amoraliteit en immoraliteit en zijn theosofische gevoelens. Een criticus in ‘Onze Eeuw’- zegt, dat men Couperus-werken later precies zoo zal lezen en vinden, als men tegenwoordig leest en vindt ‘Julia' van Rhynvis Feith” en over diezelfde Rhynvis Feith (1753-1824): “Zijn beide romans Julia (1792) en Ferdinand en Constantia, zijn huilerig sentimenteel en om hun boekentaal ongenietbaar”. Een mild oordeel naar Gieliaanse maatstaven en duidelijk voor elke Katholiek, Couperus- en/of Rhynvis Feith-fan.

vrijdag 12 februari 2010

De student

In 1856 verscheen bij de Rijksuniversiteit Gent het eerste deel van: “Noord en Zuid; akademische mengelingen uitgegeven door het taal-minnend studenten-
genootschap onder kenspreuk: ’t zal wel gaan’, te Gent met de medewerking van studenten aan de verschillende Hollandsche en Belgische hoogescholen”.

Erg stichtelijk zal het wel niet geweest zijn… Volgens het Vaticaan ging ‘t in ieder geval niet en het boek belandde op de lijst van verboden boeken ( Index Librorum Prohibitorum, 1948, blz. 340/341).
Voor zover ik kan nagaan is dit de enige universiteit, inclusief studentengenootschap, die in de Index worden genoemd. Voorwaar, een hele eer! Toen ik dus, enige tijd terug, de stukjes las van mijn Belgische collegabloggers ‘Andebijk’ en 'Bibliotheca Studentica en Erotica' met betrekking tot een schandaaltje in het nabije verleden van alweer die Rijksuniversiteit van Gent schoot het mij onwillekeurig door het hoofd: amai! student en Gent…

In het boekje: “Nederlanders door Nederlanders geschetst” (Amsterdam, 1842) werd, naast ‘de aanspreker’, ‘de vischvrouw’, 'de kapper', ‘de kleedjesmaakster’ en ‘de bureaukraat’, ook een karakterschets gegeven van ‘de student’.
De anonieme auteur (‘een oud student’) beschreef eerst een aantal voorbeelden van studententypen die gevallen zijn voor één van de talloze gevaren waaraan deze groep bloot stond (en staat!) zoals “het sirenengelaat der verleiding”, “de holen der ontucht”, wellust, dronkenschap, spotternij en vleierij. Een citaat:
“Nu bootst hij de Professor na: dat is sprekend; men meent te sterven van genoegen. Daar opent zich de deur; de professor treedt binnen; alles plaatst zich; waar is onze spotter? Daar zit hij, vlak onder de catheder. Met geopenden mond, als wilde hij de wijsheidslessen bij stroomen indrenken staart hij den hooggeleerden onbeweeglijk aan; zijne pen vliegt over het papier, om toch geen enkel woord van de gesprokene orakeltaal te verliezen; maar pas is de les geëindigd, of de spotlust keert weder, en de vloed zijner aardigheden is op nieuw onuitputtelijk aan het vloeijen. Dat neemt niet weg, dat hij ’s middags het eerste op de theevisite verschijnt; dat hij na de vacantie de eerste is, die zich van professors welvaren komt onderrigten. Hij wordt dan ook ‘praetor’, en doet zijn examen ‘summa cum laude” (blz.178).

En zo passeren er nog enkele voorbeelden van ongunstige studententypen. Maar niet gewanhoopt want uiteindelijk is daar de verlossing in de vorm van een “jongeling, wiens open gelaat, wiens denkend voorhoofd u dadelijk reeds voor hem innemen... Het ‘tempus ruit’ staat altijd voor zijn oog geschreven; hij bemint het gezellig verkeer en uitspanning, maar hij weet, dat wat het zwaarste is, ook het zwaarste wegen moet, en daarnaar handelt hij. Hij weet de schaal gelijk te doen hangen. Hij is een echte student. Zal hij niet de echte burger worden? God lof! Ook de zulken zijn er nog, en wij kennen ze. Hunne studie is niet de moeijelijkste!” (blz. 181). Het moge duidelijk zijn dat de paginagrote afbeelding bij deze karakterschets op dit laatste voorbeeldig studentspecimen slaat.

Studentengedrag is van alle tijden. Waar de grens toen lag (en feitelijk nog steeds ligt) wordt duidelijk uit een passage in het uiterst zeldzame schandaalblaadje: “Waarachtige Physiologie van Amsterdam en van de meest bekende van Amstels ingezetenen” (Amsterdam, 1844).
In deze uitgave (van Petrus Josephus Wilhemus de Vos) waarin het gedrag van bekende en minder bekende Amsterdamse inwoners openlijk aan de kaak werd gesteld trof ik de volgende passage aan:
“Zeker Advokaat, wonende op eene roijale markt dezer stad, zou welvoegelijker handelen, wanneer hij zich niet ’s morgens tussen 9 en 10 ure ‘en profond négligé’, zegge in zijn hemd, vlak voor de ramen zijner kamers scheerde, waschte enz. enz.
Dergelijke vrijheden mogen den Leijdschen Student passen, als hij nog niet gekneld in de enge banden der Maatschappij, vrij en woest door het leven rolt, en zich niet in het minste om de hatelijke qu’en dira-t’on? bekommert, - wanneer hij eenmaal de Akademie meestal de plaats zijner woeste, dolzinnige genoegens verlaten heeft, houden deze vrijheden op, en staat hij gelijk met ieder ander burger
” (blz. 159/160).
Met een glimlach moest ik aan mijn eigen studietijd denken. Ik voel me eigenlijk nog steeds student…

woensdag 13 januari 2010

Verboden boeken


Wat is er leuker dan het lezen van verboden boeken? Het lezen van boeken over verboden boeken natuurlijk!

Het eerste wat ik op dat gebied kocht (uit de nalatenschap van Boudewijn Büch) was de driedelige: “Bibliography of Prohibited Books” (New York, 1962) door Pisanus Fraxi, een pseudoniem voor Henry Spencer Ashbee (1834-1900).
Een imposante verzameling verboden internationale erotica (geen illustraties!). Enige tijd terug kreeg ik: “Verboden boeken in de republiek der Vereenigde Nederlanden. Beredeneerde catalogus” (“s-Gravenhage, 1914) door dr. W.P.C. Knuttel. Een schaars boekje dat een overzicht geeft van vooral Nederlandstalige verboden politieke en theologische geschriften gepubliceerd tussen 1583 en 1794. Het zal weinig verbazing wekken dat erotiek, politiek of theologie tot de meest gevaarlijke onderwerpen behoorden en het vaakst werden verboden.


Als klap op de vuurpijl kocht ik onlangs een exemplaar van hét boek der verboden boeken, de “Index Librorum Prohibitorum” (Typis polyglottis Vaticanis, 1948). Deze door het Vaticaan opgestelde lijst bestaat al zo’n 500 jaar. Opmerkelijk is dat de eerste uitgaven in de Nederlanden (1529) verschenen.
De laatst gepubliceerde uitgave is van 1948 en “omvatte ongeveer 4000 titels die geacht werden ofwel ketterij te bevatten, ofwel moreel verwerpelijk ofwel te expliciet seksueel te zijn, waarvan 1344 sinds de 17de, 1191 sinds de 18de, 1358 sinds de 19de en 298 uit de 20e eeuw”. Veel bekende namen dus; Voltaire, Kant. Spinoza, Bayle, Larousse, Casanova etc. In 1966 maakte Paus Paulus de VI een einde aan de index.

Staan er ook Nederlandstalige titels in deze index? Jazeker. Ik telde er ruim twintig. De helft daarvan uit de 17de eeuw en met een theologisch karakter. Uit de achttiende - en negentiende eeuw trof ik respectievelijk vijf en drie titels aan. De twintigste eeuw wordt vertegenwoordigd door: “Er is geene tegenstelling tusschen de beginselen van de fransche revolutie en die van het evangelie” (Den Haag, 1913), van H.A. van Dalsum. Volgens Ed Schilders ‘waarschijnlijk de enige Nederlander uit de twintigste eeuw die zo’n eer te beurt is gevallen’ (Volkskrant 1994, column ‘Losbandig’). Dat is niet zo. Ook het boek van de bekende Haarlemse gynaecoloog Th.H. van de Velde (1873-1937): “Het volkomen huwelijk” (Leiden,1926) staat op de lijst. Het werd als te expliciet en te pornografisch ervaren en Menno ter Braak typeerde Van de Velde als 'een kruising tussen een sexuoloog en een gymnastiekleraar'.

Tot slot nog twee leuke titels die ik al bladerend tegenkwam.
Van de eerwaarde Tobias Swinden (1659-1719): “An enquiry into the nature and place of hell” (Londen, 1714). Swinden kwam tot de conclusie dat de meest waarschijnlijke locatie voor de hel, de zon was. Met zijn vermoeden dat sterren andere zonnen waren en leven op andere planeten niet uitgesloten mocht worden, was hij zijn tijd (te) ver vooruit.


De bekende auteur van Robinson Crusoe, Daniel Defoe (1661-1731) staat erin met zijn: “political history of the devil, as well ancient as modern” (Londen, 1726). Defoe schreef in zijn voorwoord dat hij zich afvroeg aan wie hij dit tweedelig werk zou opdragen. Aan God leek hem niet juist. De Duivel lag meer voor de hand maar omdat hij niet zeker was of die het zou waarderen droeg hij het maar op aan niemand!

Tevergeefs zocht ik in de index naar Charles Darwin (1809-1882): “On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life” (London, 1859).
Het idee, dat al het leven evolutionair verliep, er een gemeenschappelijke voorouder was en het mogelijk moest zijn een stamboom te maken van het leven op aarde, had Charles van zijn grootvader Erasmus Darwin (1731-1802). Die had hierover al een halve eeuw daarvoor gepubliceerd in: ”Zoonomia or the laws of organic life” (London, 1794-1796) en belandde daarmee wél in de Index Librorum Prohibitorum!