Posts tonen met het label Louis Putman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Louis Putman. Alle posts tonen

vrijdag 22 juni 2018

Een vergeten geschiedenis


Ik kan dit stukje natuurlijk op de klassieke wijze beginnen met het voorstellen van een nieuwe bijzondere aanwinst in mijn bibliotheek. Vervolgens vertel ik u dan wat over de inhoud, de interessante achtergrond en andere vermeldenswaardige aspecten. Maar ditmaal zit er ook een persoonlijke kant aan mijn verhaal en daarom begin ik met mijn vader.

Rudolf Frits werd op 10 november 1935 geboren in het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (NB. in dezelfde locatie en op dezelfde dag zou ik zesentwintig jaar later het levenslicht zien). Baby Rudy bleek een zorgenkindje want hij had een schisis, beter bekend als een hazenlip. Ik vermoed dat de medische - en chirurgische problematiek daaromtrent tegenwoordig vergelijkbaar is met die van een fietsenmaker die een band moet plakken maar toen waren dergelijke lichamelijke defecten nog een hele uitdaging. Pas na de oorlog, in 1948, werd mijn vader hieraan definitief geopereerd door de keel- neus- en oorarts, prof. dr. B. van Ommen; een ingreep die toen maar liefst acht uur duurde!

Als oorlogskind, dertien jaar oud met een spraakgebrek en onvoldoende goed onderwijs veranderde er iets in zijn leven toen hij op een dag bij de apotheek een receptje voor zijn moeder ging halen. Uit zijn 'Jeugdherinneringen' citeer ik:
"De vrouw achter de toonbank vroeg mijn naam en adres en in een van de volgende dagen werden mijn ouders benaderd door de directeur van de Prof. H. Burgerschool aan de Plantage Muidergracht (nr. 30). Deze school was gespecialiseerd in onderwijs aan kinderen met gehoor of spraakgebreken. De vrouw in de apotheek bleek een familielid van één der onderwijzers.
Kort daarna zat ik op deze school in de klas van juffrouw J.M. Janssonius. Eindelijk zat ik op een school waar ik mij prettig voelde. Te midden van kinderen met dezelfde problemen. Ik denk daaraan nog steeds met veel plezier terug. Eén voorval uit die tijd wil ik noemen. Met nog een aantal kinderen werd ik uitgekozen voor een documentaire over de logopedie op deze school. In de bioscoop zag ik mijzelf op het witte doek. Dat was minder interessant dan de rit naar de studio, waar de auditie werd gehouden. In een grote zwarte auto werden we opgehaald en voor het eerst van mijn leven reed ik met een snelheid van 120 kilometer per uur over de oude weg naar Den Haag".
Ik kan u alvast verklappen dat ik begin 2000 het desbetreffende Polygoonjournaal filmpje uit 1949 terugvond bij het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum (inventarisnr. VP3076). Het was een heel bijzonder moment toen ik daar een halve eeuw later mijn vader zag figureren en hem samen met wat klasgenoten een liedje hoorde zingen.

De school uit zijn herinneringen droeg pas sinds 1948 - nadat zij in gemeentelijke handen was overgegaan - de naam van de medicus Hendrik Burger (1864-1957).
De Prof. H. Burgerschool bestaat nog steeds en zit thans in Amsterdam-West, aan de Jan Sluijterstraat 5.
Ik heb u wel eens verteld dat ik lange tijd genealogisch onderzoek heb gedaan naar mijn familie en uit het voorgaande blijkt dat ook wel. Op zoek naar meer informatie nam ik destijds ook contact op met deze school. Vaag herinner ik me een bezoek op een warme dag in de zomervakantie en wat gesnuffel in dozen met oud materiaal maar ik vond toen eigenlijk niets bijzonders met uitzondering van een restant jubileumboekjes, jaren daarvoor uitgegeven toen de school vijfenzeventig jaar bestond. Ik mocht een exemplaar meenemen van: "Omzien met het oog op morgen 1914-1989" (Amsterdam, 1989), geschreven door het toenmalige hoofd van de school, de heer M.A. Keyman.


Hoofdstuk 1 'Omzien' begint als volgt: "Er resten ons uit de periode voor de oprichting van de school slechts enkele boekjes". Eén daarvan, de oudste, is een: "Handleiding tot stemvorming en vloeiend spreken, op practische ervaring gegrond" (Deventer, 1898) van A. Kuijpers. Het mag duidelijk zijn dat door dit enorme gebrek aan (archivalische) bronnen Keyman ons helaas niets weet te vertellen over de ontstaansgeschiedenis van het onderwijs aan kinderen met spraakproblemen veroorzaakt door een lichamelijk gebrek, zoals een verminderd gehoor of gehemelte defect.
De oorsprong van deze vorm van buitengewoon onderwijs is ook niet terug te vinden in verschillende moderne geschiedschrijvingen van Amsterdam. Daarin wordt vaak alleen de oprichting in 1808 van het Instituut voor Blindenonderwijs genoemd. Al met al leek het mij hoog tijd om deze vergeten geschiedenis te onthullen aan de hand van een nieuwe zeldzame aanwinst in mijn collectie.


In maart 2018 kocht ik bij antiquariaat Brinkman in Amsterdam diverse schaarse brochures (zie hier) waaronder: "Eenige bescheiden aangaande de Inrichting voor Spraakgebrekkige en daardoor Achterlijke Kinderen, te Amsterdam" (Amsterdam, z.j. [ca. 1875]). Deze eenvoudige publicatie zit nog in zijn originele gele uitgeversomslag met bibliotheekstempels op de voorzijde (en titelpagina) van de bibliotheek van het Departement van Defensie. Los ingevoegd zit een gedrukte aanbiedingsbrief van de directie van deze inrichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (teneinde subsidie te verkrijgen) met een alfabetische lijst van notabelen 'zoo professoren en doctoren als particulieren die hunne adhesie aan deze stichting schenken'.
De inhoud bevat diverse onderdelen. Na de titelpagina volgt een stukje tekst over de 'belangrijkheid van het onderwerp'. De daaropvolgende 19 bladzijden zijn verdeeld in de volgende hoofdstukken:
1. Toeneming van het getal belangstellenden voor deze Inrichting,
2. Spraakgebrekkigen en daardoor Achterlijken,
3. De Methode,
4. Verwijzingen van H.H.  Med. Doctoren naar deze Inrichting (met een ingevoegde dubbele pagina 14/15 waarop de tekst staat van twee brieven: (32) "Brief van een rijks-ambtenaar, tot betoog kunnende dienen, dat het doofstommen-onderwijs tot Rotterdam minder geschikt is voor het genezen van Spraakgebreken" en (33) "Brief van een Openbaar Hoofdonderwijzer, die gaarne kosteloos bekend wenschte te worden met de geneeswijze van spraakgebreken; doch wiens wensch door de directie moeielijk kan worden vervuld, zonder zoogenaamd een muis in eigen berg te halen, tenzij het Rijk met subsidie tusschenbeide komt".
5. Eenige Belangrijke Herstellingen en Openbare Dankbetuigingen (1868-1874).
Tot slot volgen (7 bladzijden) met de "Statuten voor de Inrichting voor Spraakgebrekkige en daardoor Achterlijke Kinderen te Amsterdam" (bij ministeriële beschikking d.d. 18 april 1867, nr. 228 namens de Koning, onder de instellingen van Middelbaar Onderwijs opgenomen), waarover later meer.


Eén naam komt in deze brochure prominent naar voren. Die van de 'founding father' van dit speciale onderwijs in Nederland; de Friese onderwijzer Fokke IJntes Kingma (1814-1883).
Deze thans vergeten onderwijspionier verplaatste in mei 1861 zijn enkele jaren daarvoor begonnen Suplementaire School in Utrecht, waar hij zijn door hemzelf ontwikkelde onderwijsmethode met succes in praktijk bracht, naar de Binnen-Amstel in Amsterdam. De naam luidde voortaan 'Inrichting voor spraakgebrekkigen' (ook doofstomme en achterlijke kinderen).













Over de wenselijkheid van zijn specifieke onderwijs lezen we in de brochure: "Inrichtingen voor spraaklijders, even als die voor ooglijders, zijn toch geheel onderscheiden van doofstommen- en blinden-instituten: in de eerste worden de lijders hersteld, in de laatste verpleegd, opgevoed en onderwezen. Daar de spraak ons de dingen, hunnen kenmerken en betrekkingen vertegenwoordigt, hebben alle spraaklijders naar mate van hun spraakgebrek een meer of minder verlies van denkbeelden, dat hen achterlijk doet zijn, maar ook geheel weder doet onderscheiden van de idioten".






















De eerste drie artikelen van de bovengenoemde Statuten informeren ons over het doel, de methode en de inhoud van het gegeven onderwijs. Uit de overige artikelen blijkt ondermeer dat de school van IJntes Kingma openstond voor alle kinderen en meerderjarigen met een spraakgebrek ongeacht hun afkomst, religie (ook 'Israëlieten' hadden toegang!), of de financiële draagkracht van de ouders. Het schoolgeld per kwartaal varieerde van 300 gulden (1ste klasse) tot 80 gulden (zesde klasse). Daarbij werd opgemerkt: "Het meerdere in de klassen vindt zijnen grond in meer gedistingueerde spijzen naar de patiënt gewoon is in het ouderlijke huis te gebruiken; in meerdere zorg vereischende oppassing, in meerdere bijzondere persoonlijke hulp, en ter afscheiding van de overige klassen, in een meerder gebruik van vertrekken en andere behoeften; terwijl allen een liefderijke en voorkomende behandeling door personen wien de zaak zelve aangaat, genieten". Armen waren onder bepaalde voorwaarde vrijgesteld van schoolgeld. Leerlingen (intern of extern) werden al dan niet op doktersverwijzing elke veertien dagen aangenomen en moesten o.a. in het bezit zijn van een vaccinatiebewijs. Er werd les gegeven van 10.00 uur tot 16.00 uur (en aan internen ook nog 's avonds van 18.00 uur tot 20.00 uur). Vakanties waren er niet. Het onderwijs duurde net zo lang totdat de leerling bekwaam was om gewoon lager onderwijs te volgen of tot het spraakgebrek was hersteld en zij zich in de maatschappij konden redden. Elk half jaar werden de ouders door de directeur geïnformeerd over de toestand en voortgang van hun kind.






















De school van IJntes Kingma werd niet door de overheid gesubsidieerd maar was afhankelijk van haar leden (die jaarlijks vijf gulden contributie betaalden), donaties en giften. Over de inkomsten staat in artikel 27 van de Statuten: "De ingekomen subsidie, legaten, schenkingen en bijdragen der leden worden uitsluitend besteed in 't belang van behoeftige spraaklijders, als: voor het gebouw en zijn toebehooren voor apparaten bij het onderwijs benoodigd; voor vuur en licht; voor drukloon voor onderwijs, voeding en verpleging van behoeftige spraaklijders; voor het bezoldigen van het daarbij en bij de Administratie dienstdoende personeel". Eind negentiende eeuw kwam de school van IJntes Kingma (voortgezet door zijn zoon) onder de hoede van de 'Vereeniging voor Spraakgebrekkige en Achterlijke kinderen'. Constante publiciteit was belangrijk en het verwondert daarom niet dat wij in de kranten uit die tijd regelmatig berichtjes zien opduiken over zijn inrichting, het aantal leerlingen (jaarlijks enkele tientallen) en de bereikte resultaten. Talrijk waren ook de aanbevelingen en bedankjes zoals die van de predikant A.C. Kamerman uit Oud-Gestel en zijn zoontje.













Mag ik daaraan, met een vertraging van anderhalve eeuw, ook mijn waardering toevoegen? Mede namens mijn vader dus veel dank aan de alfa en de omega van het onderwijs aan kinderen met een spraakgebrek; Fokke IJntes Kingma en de Prof. H. Burgerschool in Amsterdam.

zondag 6 mei 2018

De antiquaar, de bibliofiel en de 'ontsluijerde' auteur

Er klonk gestommel en een luide bons... "Gaat het?", riep Joanna naar boven. Gemompel...
De smalle houten trap begon te kraken terwijl Frank voorzichtig afdaalde met een oude kartonnen doos geklemd tussen beiden armen, "Ik weet niet of je dit al hebt gezien?".
We hadden gesproken over het verzamelen van folders en brochures en natuurlijk ook over Putman wiens winkelvoorraad na zijn overlijden bij diverse handelaren terecht was gekomen, waaronder antiquariaat Brinkman.

Ik slurpte mijn laatste restje koffie op en begon vol verwachting naar de inhoud te graaien. Na een paar brochures wist ik het zeker: "Nee, deze doos ken ik nog niet" zei ik, terwijl ik een zeldzame toeristische "Gids naar Aalsmeer en omstreken" (Amsterdam, 1900) bewonderde, uitgegeven door Stoomboot-Maatschappij Carsjens.

Naarmate de bodem naderde vormde zich naast mijn lege koffiekopje een stapeltje dat me interessant leek. Binnen een kwartier was de complete inhoud door mijn handen gegaan en begon ik de doos weer netjes te vullen. Frank en Joanna waren druk met elkaar in gesprek en dat kwam mooi uit want het stapeltje naast mij schreeuwde om meer aandacht.
Ik bekeek nogmaals de titels, en scande de inhoud en conditie.
Op een enkele uitzondering na stonden er nog geen potloodprijsjes in. Verdorie.... daar zaten toch weer pareltjes tussen...

"Wat wil je hiervoor hebben?" vroeg ik, terwijl ik de stapel aan Frank gaf. Frank ging zitten en liet ze stuk voor stuk door zijn handen gaan. "Ik heb het eigenlijk allemaal nog niet eens goed bekeken", prevelde hij, en na enkele brochures "Jeetje... Je weet wel wat je er uit haalt".
Nou komt het dacht ik...
Natuurlijk, zo goedkoop als bij Jos Albers op het Waterlooplein zou ik het niet krijgen...
Frank keek me peinzend aan: "Het gaat je wel geld kosten...". In stilte gokte ik op honderd euro maar ik schrok toen hij het dubbele vroeg.
"Dat doe ik niet", sputterde ik, "Dat is meer dan ik nu kan uitgeven"!
Frank veranderde in één klap van antiquaar in financieel adviseur en bracht me op de hoogte van de langdurige kredietmogelijkheden en gunstige betalingsvoorwaarden van het gerenommeerde antiquariaat Brinkman. Verzet hielp niet, ik was omver...
"Ik hou niet van schulden", stamelde ik pro forma terwijl ik de helft pinde. Geen probleem verzekerde Frank, die me zalvend toesprak "De rest komt wel op een ander tijdstip..." en wat nadrukkelijker "maar wel graag binnen een jaar!".
De stapel nieuwe aanwinsten werd verpakt in neutraal pakpapier en nog geen tien minuten later verliet deze bibliofiel opgewekt zijn weldoener, diens lieftallige assistente en het antiquariaat.
Op weg naar de metro bezocht ik eerst maar eens de firma Vlieger waar ik twee zuurvrije kartonnen dozen kocht. Zo langzamerhand - dacht ik tevreden - beschikt mijn 'private library' over een behoorlijke sectie bijzondere folders en brochures.

"Wat heb je nu weer uitgegeven?", vroeg ze.
Ik zat achter mijn bureau mijn boekenschat nogmaals te bewonderen en voelde de schuldbekentenis in mijn achterzak branden. Mompelend: "Uhhhm... ik heb honderd euro betaald!". Ze schrok zichtbaar en keek me onthutst aan. Geen woord van gelogen, dacht ik, en glimlachte stoïcijns.
Nadat de huiselijke rust was wedergekeerd begon ik eerst maar eens te 'dokteren'... Met een gum verdwenen wat oude potloodaantekeningen, streepjes en vlekjes. Ezelsoren werden teruggevouwen en losse papieren omslagen of onderdelen daarvan met wat boekbindersstijfsel vastgezet. Enkele al te opdringerige papierscheurtje herstelde ik met Aslantape. Na afloop constateerde ik tevreden dat eigenlijk alle brochures in goede staat verkeerden en geen ernstige gebreken vertoonden. Dat is toch altijd weer bijzonder voor dergelijk oud efemeer drukwerk dat er niet op was gebouwd om lang te overleven, gekoesterd en bewaard te worden. Toen ik mijn aanwinsten toetste aan de hand van de bekende websites (Boekwinkeltjes, Antiqbook en WorldCat) bleek dat momenteel geen enkele brochure antiquarisch wordt aangeboden en sommigen ook nauwelijks aanwezig zijn in openbare (universiteits)bibliotheken.

In het stapeltje zat ook een oude witpapieren omslag. Die bevatte het eerste nummer van een mij onbekend feuilleton met een prikkelende titel, een kleine uitgeknipte krantenadvertentie d.d. 17 januari 1890 met bericht van overlijden van de advocaat Mr. S. Katz (u ziet hem hier links) en een door hemzelf geschreven kaartje.
Die notitie van Katz had ik bij Brinkman nauwelijks bekeken; het leek me een soort ontvangstbevestiging van een proefnummer. Frank had het drukwerkje in handen gehad. "Is dat niet zo'n schandaalblaadje waarmee toen bekende en minder bekende gegoede Amsterdammers werden afgeperst?".
Hij doelde daarmee op de destijds verschenen 'Physiologieën' of 'lilliputterweek-blaadjes' (klein drukwerk dat door zijn formaat vrijgesteld was van belasting).

Toen ik het nummer thuis op mijn gemak las bleek mij echter dat het eerste deel, "De Nachthuizen of Venus-Tempels", van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam" (Amsterdam, 1862) inhoudelijk meer lijkt op het dertig jaar later verschenen "Ervaringen en onthullingen van een middernachtzendeling te Amsterdam" (Amsterdam, z.j. [1890]). De lezer wordt vakkundig rondgeleid in nachthuizen en bordelen, en geïnformeerd over de meisjes, bezoekers, taal- en omgangsvormen.


Vervolgens richtte mijn aandacht zich op de notitie van Katz. Die bevatte inderdaad een ontvangstbevestiging maar vormde tegelijk een onthullende bekentenis.
"Ontvangen van den Heer J.A. Schuurmans de somma van vijf gulden voor aan ZEd geleverd een stukje getiteld de Nachthuizen bestaande uit den inhoud van pag 3 tot de helft van pag 6 in de eerste aflevering van de Ontsluijerde geheimen van Amsterdam aangekondigd in het Algemeen Handelsblad van 21 mei 1862 met het regt om dat stukje te doen drukken en uitgeven. Amsterdam 12 juni 1862 /get./ S. Katz Jzn.".

Het kaartje moet afkomstig zijn uit de bedrijfsboedel van de boekhandelaar en uitgever J.A. Schuurmans. Diens zaak zat destijds op het adres Bloemstraat 229 in Amsterdam. Kennelijk probeerde Schuurmans een graantje mee te pikken van de populariteit van dergelijke sensatielectuur toen. Bij hem verschenen in dezelfde periode wel meer obscure (anonieme) publicaties zoals: "Een makelaar in menschenvleesch, bedrogen door een pillendraaijer: eene hoogst belangrijke brochure voor alle ongehuwde dames, die iets te verliezen hebben" en "Amor in zijn lustpriëel: beschrijvende het schoon' der vrouwen- en maagdenboezems: opgesteld tot verbetering van alle vrouwenhatende creaturen, en tot aangename verpozing in spoortrein, trekschuit, slaapkamer, etc. etc. etc.".















Door hun vermoedelijk bescheiden oplage, efemere karakter en ondeugende inhoud thans stuk voor stuk uiterst zeldzame titels en dat geldt in het bijzonder voor de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam". Van dit "hoogst belangrijk tijdschrift" verschenen slechts vijf afleveringen van tien cent per stuk. In 1865 werd het restant voor de helft van de prijs door Schuurmans verramsjt.












Slechts één unieke serie, nummers 1 t/m 5, doorstond de tand des tijds. Die ligt in de Leidse universiteitsbibliotheek. Aangezien het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB) daar op 28 april jl. haar ledenvergadering hield verzocht ik conservator Mart van Duijn, met wie ik in de redactie van ons jaarboek zit, om het voor mij uit het depot te halen zodat ik het kon fotograferen en bestuderen.

Elk deel bestaat uit een katern van 8 bladzijden (totaal dus 40). Zoals de foto's laten zien wijkt de opmaak van de (titel)pagina van het eerste deel af van die van de vervolgdelen.
Deel twee begint met een kort vervolg op 'De Nachthuizen' (blz. 9/10). De rest bestaat uit verschillende verhaaltjes die veelal in verband staan met prostitutie alsmede een aantal ingezonden lezersbrieven. Eén van de inzenders vraagt zich af wat voor een soort blaadje de uitgever eigenlijk voor ogen stond.
Die antwoordde: "Ons werkje; 'Ontsluijerde geheimen enz. enz.' is evenmin een weekblad als een maandwerk. - Naar gelang der stof, die wij voor hetzelve bezitten, of door belangstellende inzenders bekomen, zal het om de acht, veertien dagen of drie weken in het licht verschijnen. - Wij hebben ons ten leus gesteld: liever niets geleverd, dan prullaria". (deel 2, blz. 13). Het tweede deel besluit met correspondentie beantwoording en dat geldt ook voor de daaropvolgende delen. Deze manier van werken/uitgeven is identiek aan de manier waarop eerder de "Waarachtige physiologie van Amsterdam, en van de meest bekende van Amstels ingezetenen“ (Amsterdam, 1844) was verschenen, het beruchte schandaalblaadje geschreven door P.J.W. de Vos (1805-1866).

Anders dan het eerste deel waarin één verhaal wordt gepresenteerd ('De Nachthuizen of Venus-Tempels') bevatten de overige deeltjes korte verhalen en ingezonden stukjes met diverse onderwerpen zoals bijvoorbeeld 'De Amsterdamsche Slavinnenmarkt' (deel 4, blz. 28/29) en 'Eene ernstige spookhistorie', over een klein smal gebouw op de derde Bloemgracht waar het zou spoken (Deel 5, blz. 37/38).


Alhoewel het vijfde en laatste nummer eindigt met correspondentie opmerkingen die verwijzen naar nummer zes staat onderaan met pen geschreven: "Met dit no. is de uitgave gestaakt. J.A. Schuurmans". Waarschijnlijk zorgde een gebrek aan succes voor dit abrupt vroegtijdig einde.
De uitgave werd daarna geheel vergeten om pas een eeuw later kort te figureren in het boekje van E. Messer: “Foei Amsterdam! De geheimen van de hoofdstad voor de tweede maal ontsluijerd” (Amsterdam, 1964). Messer maakte voor zijn publicatie gebruik van de collectie 'Amstelodamica' van A.M. van de Waal (1890-1968), die momenteel opnieuw wordt geïnventariseerd, en waarin zich in ieder geval een los (eerste) deel bevindt van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam".

Tot slot; wat weten wij nog van Katz, de auteur van 'De Nachthuizen of Venus-Tempels', die volgens de krantenadvertentie zo jong overleed? Er bestaat een uitstekende biografie van hem geschreven door Bauke Marinus (één van mijn oud-docenten geschiedenis aan de V.L.V.U., de lerarenopleiding) en Natascha Tuinhout voor het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. Daaruit blijkt dat hij behalve als jurist ook journalistieke en letterkundige arbeid verrichtte. Zo debuteerde hij in het verschijningsjaar van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam" met een historische roman gemodelleerd naar het werk van Alexandre Dumas: "Remus di Sivaldi, de rooverhoofdman in de Ardennen" (Amsterdam, 1862).
Die roman is online beschikbaar en aandachtig las ik de inleiding waar Katz uitvoerig ingaat op zijn debuut, voor wie en hoe hij wenst te schrijven.
"Ik heb mij geenszins voorgenomen, zedelijke denkbeelden, doeleinden, principen, in een romantisch kleed gehuld, te behandelen; - mijne gedachten daaromtrent is, dat hij, die voor de verpoozing van een 'voor nuttige bezigheden verloren stonde', een roman in handen neemt, niet altijd gaarne eene reeks van morale lessen, herkauwd ziet. Daarenboven schrijf ik niet voor kinderen, ik schrijf voor volwassenen".

Bij die laatste zin moest ik even grinniken! Katz schreef de waarheid zo weten wij anderhalve eeuw later, maar wel op basis van een ander debuut waaronder deze weledelgestrenge heer liever niet zijn naam zag staan!

vrijdag 15 januari 2016

Folders & brochures


Als je liefhebber bent van schaarse curieuze uitgaven over de meest uiteenlopende – soms bizarre - onderwerpen dan moet je in het antiquariaat of op de boekenmarkt eens door de dozen en bakken met oude folders en brochures snuffelen. De kans dat je daarin bijzondere zaken aantreft is vrij groot zodat je relatief snel een interessante collectie kunt opbouwen voor weinig geld. Zoals trouwe lezers van mijn blog wel weten ben ik niet vies van dit drukwerk (en andere 'ephemera') en sneup ik regelmatig door stapels “Oud Papier”.

In de loop der tijd heb ik zo al aardig wat foldermateriaal en brochures bij elkaar gebracht. Het meeste voor bedragen tussen de één en twintig euro met enkele uitschieters naar boven.
Antiquaar Louis Putman (1923-2013) was vroeger het adres voor dit soort ‘bibliofiele schatten in het klein’, al was het af en toe niet makkelijk om daaruit wat los te krijgen.
Toen uiteindelijk veel van zijn winkelvoorraad op het Amsterdamse Waterlooplein belandde heb ik, in de kraam van Jos Albers, menige slag geslagen zoals u in “Ping-Pong” en “Putmannen” kunt lezen.
Jos was overigens niet de enige die profiteerde van de sluiting van Putmans antiquariaat vol obscure drukwerkjes, ook antiquariaat Boek & Glas heeft destijds veel interessant materiaal overgenomen.



In de negentiende eeuw start de bloeiperiode voor folders en brochures.
Technische innovaties van druk- en productietechniek zorgden voor grotere oplagen en een afname van de kosten. Jan en alleman ging zich bedienen van goedkoop drukwerk. Politieke groeperingen, boze burgers, selfmade uitvinders, beroepsverenigingen en genootschappen, handelaren en winkeliers; zij allen lieten om maar gehoord te worden vele honderdduizenden folders en brochures drukken in kleine en grote oplagen.
In het midden van de 19de eeuw was de totale productie door talloze grote en kleine uitgeverijen al zo groot geworden dat Arie Kruseman in zijn “Bouwstoffen voor een geschiedenis van den Nederlandschen Boekhandel” (Amsterdam, 1887, deel II, blz. 77) schreef:
“Ook werd de overvloed van kleine boekjes en vlugschriften een waar kwaad. Behalve een eindeloos getal godsdientig-dweepzieke en kerkelijk-krieuwende pennevruchten, waarop wij reeds wezen, belegerde men elkander en het publiek met allerlei papieren schroot betreffende gebeurtenissen van den dag”.

Echter… Door het efemere en tijdelijke karakter van dit drukwerk (geen beschermende band, vaak slecht gedrukt op een slechte papierkwaliteit) en een inhoud die sterk aan actualiteit en/of plaats gebonden was werden ze sneller dan menig boek schaars en zeldzaam.


Oude folders en brochures zijn fragiel en vaak hebben ze scheurtjes of missen ze hoekjes. Meer nog dan bij oude boeken is het de kunst om een zo mooi mogelijk exemplaar op de kop te tikken. Kleine gebreken kan ik vaak met wat “Zelf dokteren” snel verhelpen.
Vanwege de kwetsbaarheid van het (vaak negentiende eeuwse) materiaal bewaar ik dit drukwerk liefst liggend in een afsluitbare stevige zuurvrije kartonnen doos. Het jongere materiaal stop ik nog wel eens in één van de metalen lectuurbakken en niet lang geleden liet ik mijn lezers nog kennismaken met enkele willekeurige voorbeelden “Uit mijn bakken”.


In enkele gevallen bestaat er van een folder of brochure een moderne heruitgaven.
Ik heb bijvoorbeeld van het bekende schotschrift van Erich Wichmann (1890-1929):
“Het witte gevaar - over melk, melkgebruik, melkmisbruik & melkzucht” (Amsterdam, 1979) de herdruk naar het origineel uit 1928. Niet omdat een origineel zo moeilijk verkrijgbaar is maar vooral omdat die nogal prijzig zijn.
Een ander en kostbaar voorbeeld is het bekende politieke schotschrift van Sicco.E.W. van Roorda van Eysinga (1825-1887): “Uit het leven van Koning Gorilla” (Den Haag, ca. 1887), waarin Koning Willem III (1817-1890) op de hak wordt genomen. Hiervan bestaat een moderne tekstuele uitgave (géén facsimilé!) met toelichting (Rotterdam, 1966) van de hand van Hans Jar, mogelijk een pseudoniem van Anton Constandse (1899-1985).
Overigens is deze heruitgave zelf ook al schaars geworden.


Perkamentus is vooral geïnteresseerd in materiaal over krotten, sloppen, armoede, en daaraan gerelateerde zaken als drankmisbruik, bedelarij, prostitutie, fecaliën & vuilverwerking etc. Maar loop ik toevallig tegen andere onderwerpen aan die me aanspreken dan laat ik die beslist niet liggen!

Een goede bron voor het online jagen op bijzonder materiaal (d.m.v. trefwoorden) vind ik Marktplaats en Boekwinkeltjes.
Zo vond ik, net voor de afgelopen jaarwisseling, op Boekwinkeltjes (eindelijk) een origineel exemplaar van: “Krotten en sloppen. Een onderzoek naar den wooningtoestanden te Amsterdam, ingesteld in opdracht van den Amsterdamschen Bestuurdersbond” (Amsterdam, 1901).
Toen ik vervolgens net na de jaarwisseling mijn geluk tartte en zocht naar de originele uitgave van “Wat zij krijgen. Wat zij noodig hebben. Resultaten van een onderzoek naar den toestand en de bedeeling van de Huiszittende Gemeente-armen te Rotterdam” (Rotterdam, 1907) was het wederom bingo. Beiden heb ik afgelopen week afgehaald bij antiquariaat; Boek & Glas voor dertig euro!


Van de eerste brochure verscheen al in 1975 bij Van Gennep (Amsterdam) een herdruk met een nawoord van architect Frank Smit. Die is nog steeds goed verkrijgbaar in het antiquarisch circuit en had ik al. De originele uitgave bleef echter lang een stille wens omdat ze, evenals de tweede genoemde brochure (waarvan nimmer een herdruk verscheen), erg schaars is geworden.
Tussen een herdruk en het origineel kunnen behoorlijke verschillen zitten.
Het formaat is vaak anders en soms zijn belangrijke zaken weggelaten of aangepast. Alleen al die oorspronkelijke omslag van ‘Krotten en Sloppen’, met tekening van een slopbewonertje dat met pijpschoonmakers op straat vent deed mij naar een origineel verlangen.


Illustrator van deze uitgave is Albert P. Hahn (1877-1918) die toen nog een onbekende tekenleraar was aan een Amsterdamse ambachtsschool. Hij zou samen met Johan Braakensiek (1858-1940) uitgroeien tot één van Nederlands belangrijkste politieke tekenaars rond 1900.
Hun talrijke politieke spotprenten voor diverse dag- en weekbladen genieten nog steeds grote faam en worden door veel verzamelaars fel begeerd. De illustratie op de voorkant van ‘Gemeente-armen’ is van de Engelsman Phil May (1864-1903).
De auteurs, Louis M. Hermans (1861-1943) en zijn collega Hendrik Spiekman (1874-1917), waren journalisten met een vlotte pen en politiek betrokken bij het socialisme en de arbeidersbeweging. Hun beschrijving van de ronduit erbarmelijke woon- en leefomstandigheden die zij aantroffen zijn thans nauwelijks meer voorstelbaar. Temeer omdat het nog maar een eeuw geleden is dat een groot deel de Nederlandse bevolking in de grote steden in die omstandigheden trachtte te overleven.


Overigens…. Bij Boek & Glas kon ik het niet laten om naast deze aanwinsten nog een paar andere folders en brochures mee te nemen. Eén van mijn goede voornemens voor het nieuwe jaar is om ook daaraan aandacht te besteden.

Ik wens u allen een bijzonder goed 2016 met veel vondsten en avonturen in de boekenwereld!

vrijdag 10 april 2015

Uit mijn bakken


Net als in antiquariaten en op boekenmarkten staan in huize Perkamentus 'dozen en bakken’. In de dozen zit vaak het bijzondere drukwerk, waaronder enkele boekjes en 'archivalia'. In de bakken zit alles waarop het woord ‘boek’ niet van toepassing is.
Dan moet u denken aan folders, brochures en andersoortig efemeer dun drukwerk variërend in vorm en omvang.

Enerzijds ontlasten die lectuurbakken mijn overvolle boekenkasten, anderzijds vind ik planken vol met dat dunne spul zonder rugtitel niet handig, dus dan maar een bak. Net als de boekenkasten worden ook de bakken regelmatig geordend; meestal op het moment dat ze zo volgepropt zijn dat je er met goed fatsoen niets meer in of uit krijgt.
Nieuwe lectuurbakken kopen is hier al net zo’n traag proces als nieuwe kasten kopen dus worden de dikste brochures voorlopig op de boeken in boekenkast gelegd.

Onlangs vond weer zo ’n opruimactie plaats en om u een idee te geven wat er zoal huist in die bakken van Perkamentus heb ik er vrij willekeurig zes voorbeelden uitgepikt.


De oudste brochure is getiteld: “Overzicht van de geschiedenis van het Bestelhuis van den Nederlandschen Boekhandel 1871-1896” gedrukt door de stoomdrukkerij van
M.J. Portielje in Amsterdam. Behalve een fraaie houtgravure van Johan C. Braakensiek (1858-1940) op de voorkant bevat het wat foto’s van dit omvangrijke pand, direct achter het paleis op de Dam, in Amsterdam. Hier vond de centrale opslag, verwerking en levering van boeken aan de boekhandel plaats. Vanaf 1926 werd de naam Centraal Boekhuis en in 1973 verhuisde het bedrijf naar Culemborg.
Zeldzaam?
Nee hoor, op boekwinkeltjes staan nog drie exemplaren te koop. Ik ben wel een fan van dit soort aan het boekenvak gerelateerd drukwerk. Zo heb ik ook een aantal jubileum en herinneringsboekjes van (al dan niet verdwenen) boekverkopers, drukkers en uitgevers maar daarover vertel ik een andere keer.


De tweede brochure is geschreven door de bekende archeoloog J.H. Holwerda jr. (1873-1951). “Lugdunum Batavorum of Praetorium Agrippinae. Opgraving te Voorburg”
(’s-Gravenhage, 1909). Het is een overdruk uit de oudheidkundige mededelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden (deel III). Dat plakkertje op de voorkant linksonder verraadt dat het een afgeschreven exemplaar is uit de stadsbibliotheek van Utrecht.
Het bevat wat aardige kaarten en illustraties van deze opgravingen van Forum Hadriani. Archeologie is een van mijn jeugdliefdes en ik heb een zwak voor leuke en oude uitgaven daarover. Deze redelijk schaarse brochure kocht ik op het Waterlooplein uit de bakken van Jos Albers voor een paar euro, evenals de hierna volgende twee voorbeelden. Ik vermoed dat ze allen ooit in de kasten bij antiquaar Louis Putman (1923-2013) hebben gestaan.

Iets heel anders is de catalogus van ‘Hellho’. Deze naam is een samenstelling van de eerste letters van de voor- en achternaam van eigenaar Hellmut Horowicz uit Bussum, die eind jaren veertig een bedrijf had in medische korsetten, buikbanden en rechthouders.
Mijn overgrootmoeder, Elisabeth Geertruida Kwinkelenberg (1868-1917) was op haar tweeëntwintigste van beroep ‘corsetière’ ofwel korsettenmaakster. Dat verklaart gedeeltelijk mijn aanschaf.


Worden korsetten überhaupt nog gedragen? De enige plek waar ik dat regelmatig kan constateren is in het ‘red light district’, op de Amsterdamse wallen. Daar vervult het korset, meestal in opwindende kleuren en afgezet met veel kant, speelse strikken en leren veters vermoedelijk een geheel andere functie dan oorspronkelijk de bedoeling was.

Alleen van mijn grootmoeder van vaders kant weet ik dat ze een korset droeg. Ze lagen wel eens op de stoel in haar slaapkamer en in mijn herinnering was het een bijzonder kleurloos aseksueel maar zeer doelmatig geval. In haar geval hield het haar omvangrijke boezem en buik enigszins in bedwang maar superslank werd mijn oma er niet van.
Enfin, als kleinzoon van een jaar of tien let je daar verder niet zo op.

De getekende illustraties van de diverse modellen die ‘Hellho’ kon leveren spreken voor zich. Leuk detail zijn de drie ingeplakte (roze) kwaliteitsmonsters achterin. De diverse modellen hebben allemaal een naam. Voor die tijd wellicht speels maar erg spannend klinken doet het niet. Model ‘Greet’, ‘Leni’, ‘Ida’, ‘Ria’, ‘Corry’, ‘Mary’ en ‘Beppi’. Het klinkt me wat te volks en ruikt naar spruitjes.

Uit 1949 is de brochure met het “Huldewoord uitgesproken in de bijeenkomst ter ere van Pater Dr. Bonaventura Kruitwagen O.F.M. in de Grote Zaal van de Kamer van Koophandel te Rotterdam op 14 juli 1949 door L.J. Rogier”.
Zoals op de voorkant staat is dit een uitgave van ‘Pro manuscripto', het drukkerijtje van het minderbroedersklooster te Alverna (Wijchen). Wie Kruitwagen (1874-1954) en Rogier (1894-1974) waren hoef ik boekhistorici, bibliofielen en geschiedenisliefhebbers niet uit te leggen.


Wat deze brochure echter interessant maakt (en dat is de reden van aanschaf geweest) is de briefkaart die erin zit van de boekhistoricus en bibliograaf mejuffrouw M.E. Kronenberg (1881-1970).
Het is een boodschap van 19 augustus 1954 aan Rogier waarin zij ondermeer schrijft:
“Mijn hart.(elijke) dank voor de gezonden rede, die mij bij lezing weer evenzeer getroffen heeft als op die middag te Rotterdam. Ten overvloede heb ik nog even naar Alverna geschreven om te vernemen of men ons toestemming tot de herdruk geeft”.
En op de verso zijde:
“Ook de medewerkers van Het Boek verheugen zich over uw bereidwilligheid ons deze voortreffelijke rede af te staan”.
Inderdaad werd Rogiers’ toespraak afgedrukt in het tijdschrift ‘Het Boek’ (1912-1960).


Vervolgens drukwerk (z.p.z.j.) van buitenissig formaat. “Hangt de wereld van drukwerk aan elkaar?” werd geschreven door de typograaf en letterontwerper Huib van Krimpen (1917-2002). Het is eigenlijk een gevouwen poster (ruim 97 cm. bij 38 cm.) met op de binnenzijde een foto van een gevulde 'letterbak' (fotostudio Jan van der Noot) en op de achterzijde een tekst verdeeld in twaalf hoofdstukjes. Het is een promotie uitgave van 'Het Drukhuis' in Amsterdam (opgericht in 1973). Ik vermoed dat ik dit exemplaar heb opgedoken bij het uitzoeken van de collectie Oldenbroek.


Tot slot een lang geleden gekocht boekje geschreven door Marije en Arno Guldemond met de aansprekende titel: “Bloedstollende Belevenissen van een paar eerzame boekverkopers” (Raalte, 1984).
Verhalen, memoires en belevenissen van boekverkopers en antiquaren zijn schaars en populair leesvoer bij veel boekenliefhebbers. Wat ik op dat gebied tegenkom koop ik.
Uiteraard staan hier dan ook de gebonden en gesigneerde exemplaren van het summum op dat gebied; de winkeldagboeken van Hans Engberts (1958-2011) en René Hesselink van het Utrechtse antiquariaat Hinderickx & Winderickx.

Voilà; zo maar een indruk van de inhoud van mijn bakken. Daar zit vast nog wel iets tussen voor een volgend blogstukje…

woensdag 4 september 2013

'Putmannen'


Eén van de nestoren van het (Amsterdamse) antiquariaat overleed twee weken geleden.
Maar Louis Putman (1923-2013) mag dan in de boekhemel zijn en zijn rommelwinkeltje aan het Rusland opgedoekt, dood is hij voor vele boekenliefhebbers allerminst.
Integendeel, nog dagelijks zijn de bibliofiele horden op pad om te ‘putmannen’. Wat dat is?
Het is een eponiem en een werkwoord; “Ik heb geputmand, jij hebt geputmand, wij hebben geputmand…
En dat zou dan moeten staan voor met niets ontziende ijver en vasthoudendheid datgene boven de rooilijn brengen, wat anderen er zo graag onderstoppen. Want daar hebben we toch (nog) geen woord voor!
“ (Citaat van Joop van den Berg).

‘putmannen’ gaat dus verder, is intensiever, dan ‘sneupen’ dat destijds door Ayolt Brongers (de ‘boekensneuper’) werd geïntroduceerd en in de boekenwereld de betekenis heeft van het met nieuwsgierigheid iets zoeken.
Dat ‘putmannen’ gaat nu wel heel letterlijk sinds grote gedeelten van zijn handelswaar bij Jos Albers op het Waterlooplein zijn terechtgekomen. Regelmatig ‘putman’ ik daar nu door bananendozen waarvan de inhoud gedurende tientallen jaren door Putman vaak op datzelfde Waterlooplein werd ingekocht. Een soort bibliofiele kringloop dus en inmiddels heb ik bij Jos al diverse brochures ‘geputmand’ tegen gemiddeld één euro per stuk.
Zoals ik al eens eerder schreef moest je bij Putman niet zijn voor dure in marokijn leer of perkament gebonden oude 17de en 18de eeuwse boeken. Ik ben ze althans bij hem nooit tegengekomen. Nee, bij Putman kwam je voor het efemere drukwerk, met name gekke 19de en vroeg 20ste eeuwse brochures, overdrukjes en door hem zelf ‘gesepareerde’ artikelen.

Maar, eerlijk is eerlijk, ook die kocht ik toen hij nog leefde niet veel bij hem. Vaak stond ik voor een gesloten winkeldeur en zelfs als hij open was kwam je niet erg ver. Echt snuffelen bij Putman was er (althans voor mij) niet bij en als je wat specifieks zocht en het lag voor het grijpen dan was de prijs meestal aan de hoge kant.

Over de doden niets dan goeds, maar ik ben toch wel blij dat ik nu heerlijk frank en vrij door zijn dozen kan ‘putmannen’ en met plezier een paar euro uitgeef aan bibliofiele rariteiten om vervolgens met de schat naar mijn hol terug te sluipen. Wat is – zonder uitgebreid in te gaan op de vaak curieuze inhoud - het voorlopige resultaat van mijn ‘putmannen’ sinds zijn overlijden?
Voor twee euro een exemplaar van M. Reijnders: “Toen het oude kerkje van pastoor Wubbe nog bestond” (Amsterdam, 1925). Mijn tweede exemplaar! De eerste kocht ik nota bene jaren terug ook bij Putman voor dertig gulden! Bevat historische anekdotes (geïllustreerd) uit het alledaagse Amsterdamse volksleven rond 1900 van leden van de Willebrordusparochie. Erg schaarse uitgave gedrukt op belabberd papier.
Mr. A.J.J. van Rooy: “Kerkelijke architectuur” (Utrecht, 1953) met een interessant artikel over een Rijksmonument in mijn woonplaats; de Kruiskerk van Marius Frans Duintjer (1908-1983). Potloodprijsje van Putman; 25 gulden!
M.J. van Oosterzee: “Hollands eer verdedigd” (Utrecht, 1878). Behoort tot de antiquarische rariora. Bevat een vermakelijke reactie op een weinig vleiend artikel over ons land en zijn inwoners in de Hongaarse Pester Lloyd van 3 oktober 1873 (nr. 227). Inhoudelijk beslist blogwaardig, dus wordt nog eens vervolgd!


J. van Vloten (1818-1883): “Vondels eenvoud” (Amsterdam, 1862). Tekst van een toespraak gehouden in Deventer in 1858 waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de oprichting van een standbeeld van Joost van den Vondel. Het beeld werd onthuld op 18 oktober 1867 en staat in het Amsterdamse Vondelpark. Schaars!
J.W. Brouwers (1831-1893) ‘curé de Bovenkerk-lez-Amsterdam’: “Le centenaire du Poëte hollandais Vondel” (Lille, 1888). Antiquarische rariora! Tekst van een toespraak voor de ‘assemblée générale des Catholiques du Nord et du Pas-de-Calais’ in Lille. Op de titelpagina staat in handschrift: “Aan Mr. Heydenrijck, lid van den Raad van Staten, enz. Uit ware hoogachting. De schr(ijver)”.
Abbé Brouwers zoals hij werd genoemd was een liefhebber van Vondel en een groot redenaar. Hij behoorde tot het invloedrijke ‘Amsterdamse ABC’ (J.A. Alberdingk Thijm en Pierre Cuypers waren respectievelijk A en C). Hij was o.m. bouwpastoor in Bovenkerk (gemeente Amstelveen). Daar verrees vanaf 1873 de door de befaamde architect Pierre Cuypers (1827-1921) ontworpen neogotische St. Urbanuskerk, thans een Rijksmonument.


Zo maar wat willekeurige voorbeelden. De lijst is beslist niet compleet en bovendien blijf ik voorlopig gewoon ‘doorputmannen’ in het 'oud papier'. Heerlijk, en vele bibliofielen zullen dat met mij eens zijn. Daarom tot slot in koor en met elkander; “Putman is dood, leve het putmannen”.

woensdag 1 mei 2013

Ruim 25 kilo 'Amstelveen'


Ik was op weg naar De Buitenkant voor het versturen van het Jaarboek 2012 van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB). Het was wat aan de vroege kant en tijdens de metrorit besloot ik om het laatste stuk te voet af te leggen, langs de boekenkraam van Jos Albers op het Waterlooplein.
Die was druk bezig met uitpakken, geholpen door Christiane van Straat antiquaren uit de Rosmarijnsteeg. “Hebben jullie al gehoord dat antiquariaat Egidius in de Haarlemmerstraat gaat sluiten?", vroeg ik (NB. dit bleek gelukkig niet waar, lees onderstaande commentaar!).
Christiane pauzeerde en mompelde tussen twee trekjes aan haar sigaret: “Wij gaan onze winkel binnenkort ook sluiten”. Jos schudde zijn hoofd en begon een monoloog over oplopende kosten, toenemende regelgeving, dure marktpasjes, een Kamer van Koophandel waar je niets aan hebt, hoge belastingen, kostbare verzekeringen en de slinkende marges. Antiquaar Sander Kok, die door de boeken snuffelde, keek even op en riep dat hij nog meer antiquariaten kende die binnenkort hun winkeldeuren zouden gaan sluiten. "Binnenkort zijn wij de enigen nog!". Ik zuchtte wat, en keek naar de stapels boeken. Nog even, dacht ik, en het winkelantiquariaat is voorbij, alles gaat dan via internet. Bah!


Peinzend viel mijn oog op een paar houten bakken met ingepakte objecten. Ze waren afkomstig uit het winkeltje van antiquaar Louis Putman. Het bleek te gaan om de illustraties van een boek. Koperclichés; en de meesten waren nog ingepakt in vetvrij papier met een kopie van de afbeelding op de voorkant geplakt en een aantekening op welke bladzijde ze waren gebruikt.
Enkele pakjes bevatte vier clichés voor één kleurendruk (zwart, rood, geel en blauw) maar de meesten waren enkele clichés voor een zwart/wit afdruk. Heel veel van dergelijk 'antiek' drukkerijspul is met de opkomst van digitale druktechnieken verdwenen, weggegooid of omgesmolten toen de koperprijzen stegen (thans tegen de zes euro per kilo). Toen ik een cliché van de stapel nader bekeek wist ik meteen uit welk boek ze afkomstig waren. Enkele minuten later liep ik met ruim 25 kilo aan loodzware koperclichés, verdeeld over enkele tassen, door Amsterdam te sjouwen.


Thuisgekomen pakte ik het boek waarvoor ze waren gebruikt uit de kast; “Amstelveen, acht eeuwen geschiedenis” van mr. J.W. Groesbeek (Uitg. Allart de Lange, Amsterdam 1966).
Al bladerend gingen mijn herinneringen vijfentwintig jaar terug in de tijd toen ik mij bovenmatig interesseerde voor de lokale geschiedenis van mijn woonplaats Amstelveen.
Groesbeeks boek gold onder geïnteresseerden als hét standaardwerk en werd door velen begeerd. Het was destijds al vele jaren uitverkocht. Op het Amstelveense gemeentehuis werd ‘in de kluis’ angstvallig een restantje bewaard als geschenk bij bijzondere gelegenheden.
Het boek was antiquarisch moeilijk te vinden en internetantiquariaten waren nog pure sciencefiction. Het was bovendien kostbaar.
De prijzen lagen tussen de honderd vijftig en tweehonderd vijftig gulden. Wat was ik toen blij met mijn exemplaar, waarvoor ik slechts vijfenzeventig gulden moest neerleggen.
Een koopje! Vijfentwintig jaar later zie ik het boek regelmatig bij mijn kringloop liggen voor prijzen rond de vijftien euro. Het kan verkeren…


Een inventarisatie van de clichés aan de hand van de lijst van illustraties in Groesbeeks boek (blz. 307-309) leerde mij dat ik – op twee na - alle kleurenafbeeldingen had en circa vijftig procent van alle zwart/wit afbeeldingen.
Het schoot me te binnen dat Jos had gezegd dat hij er al goed van had verkocht. Daar was geen woord van gelogen. “Wat moet je ermee?”, had Sander Kok gevraagd. “Tja…uhh… bewaren?” , maar thuisgekomen kreeg ik een beter idee. Ik schenk de collectie aan de Vereniging Historisch Amstelveen (VHA) onder de voorwaarde dat ze er een geïllustreerd artikel aan wijden in hun blad ‘Amstel Mare’ getiteld: “Perkamentus schenkt ruim 25 kilo 'Amstelveen'”.
Alleen het onderstaande gemeentewapenvignetje van Ouder-Amstel (Groesbeek, blz. 59) hou ik voorlopig zelf. Als kleine herinnering, het maakt me weemoedig.

donderdag 28 maart 2013

Ping-Pong


Toen ik gisteren weer eens bij de boekenkraam van Jos Albers belandde, op een guur Waterlooplein, trof ik daar tot mijn vreugde verschillende nieuwe dozen aan afkomstig van de fameuze antiquaar Louis Putman. Ruim een jaar geleden schreef ik al eens over het uitsorteren en opruimen van diens boekenberg en de vondst die ik toen deed. Ook ditmaal kocht ik voor enkele euro’s wat efemeer drukwerk dat je niet gauw elders zult vinden.

Het leukste (voor één euro) was een grauw omslagje met daarop een fors etiket ‘gesepareerd door Louis Putman – Amsterdam’. Het bevat maar drie bladen tekst met foto’s afkomstig uit ‘Boon’s geïllustreerd magazijn’ (Amsterdam, 1902) getiteld: “Ping-Pong”. 
Nou ben ik geen sportman, zoals u wel weet, maar dit vermakelijke stukje geschiedenis uit de oertijd van het tafeltennis – dat zijn oorsprong heeft onder Chinese immigranten in Engeland aan het eind van de negentiende eeuw - kon ik toch niet laten liggen.
Bovendien vermoedde ik dat dit wel eens één van de eerste, zo niet dé eerste publicatie, in Nederland zou kunnen zijn over het spel en de sport.

Wie in de database met oude kranten van de Koninklijke Bibliotheek zoekt op ‘Ping-Pong’ (of ‘Tafeltennis’) komt er al gauw achter dat de term voor het eerst opduikt in Nederlandse advertenties uit het laatste kwart van 1901. Het jaar daarop, in 1902, volgt dan een explosie en wordt ‘Ping-Pong’ dé nieuwe Nederlandse rage. De geschiedenis leert ons dat het dan nog ruim dertig jaar duurt voordat de Nederlandse Tafeltennisbond (NTTB) wordt opgericht.


De onbekende auteur van het artikel “Ping-Pong” is zelf een speler want: “Ik maak altijd gebruik van het ‘ideale’ raket, dat gemaakt is van hout overtrokken met perkament”.
Je zou bijna denken dat het stuk niet in 1902 werd geschreven maar in de middeleeuwen, zeker als je dat vergelijkt met het huidige spelmateriaal.
Opmerkelijk zijn ook de actiefoto’s die ons de nog jonge overgrootmoeder van Bettine Vriesekoop laten zien. Is het dan een typische vrouwensport? Welnee, maar: “Bij het spelen van ping-pong staan jonge dames meer dan bij elk ander spel gelijk met jonge mannen en kunnen ze gerust met hen wedijveren”.
Behalve wat uitleg over hoe te spelen (“Men moet vooral niet toegeven aan de neiging om gedurig heen en weer te springen naar dat gedeelte van de tafel waar de bal komt”), ‘halve salvo’, ‘screw’ slag en de manieren waarop je het ‘raket’ de bat kan vasthouden wordt er ook een nuttig dameskledingadvies gegeven.
“Maar wanneer men speelt bij gelegenheid van een voorstelling, moet een jonge dame mijns inziens bij voorkeur donkere kleuren dragen – zelfs liefst zwart. Niets is onaangenamer voor een speler dan te moeten spelen met een tegenpartij, die in opvallende kleuren is gedost, terwijl een lichte of witte japon een achtergrond vormt, waartegen de bal onzichtbaar wordt”.

maandag 20 februari 2012

Livres rares et curieux


Het vroor en was snijdend koud op het Waterlooplein toen ik de boekenstal van Jos Albers binnenliep. Een oude man, dik ingepakt, enigszins sjofel gekleed passeerde mij. Geen twijfel mogelijk; Louis Putman! Putman leerde ik bijna dertig jaar geleden kennen. Onafscheidelijk van zijn strooien hoed, vlinderdasje en colbert zag ik hem vaak fietsen door Amsterdam.
Inmiddels is hij uitgefietst maar snuffelen bij boekenkramen doet hij kennelijk nog wel.
U weet wel ‘old antiquarians never die, they just fade away’.

Binnen onder de toonbank stonden vier vuilniszakken. Niet door Putman gebracht maar wel afkomstig uit zijn antiquariaat (Rusland 29), waar bezoekers nooit verder kwamen dan het propperige winkelgedeelte en waar ik enorme voorraden zeldzaamheden vermoedde verborgen in oneindige opslagruimten erachter. Dat Putman opruimt was mij wel bekend. Geruime tijd geleden had Jos aangekondigd dat hij het een en ander verwachtte en toen ik niet lang daarna twee boekjes afhaalde bij antiquariaat Boek en Glas sprak ik er over met Conchita. Zij is alweer zes jaar bezig om orde te scheppen in Putman’s boekenwereld.

Samen met een paar andere aasgieren wierp ik me op de vuilniszakken. Dure of bijzondere boeken waren niet te verwachten. Putman stond staat vooral bekend om zijn gekke pamfletjes, bijzondere foldertjes en meer van dat soort efemere rariora. Uit de derde zak viste ik een oude catalogus (nr. 396): “Livres rares et curieux. Catalogue de livres anciens en vente aux prix marqués chez Martinus Nijhoff, la Haye – Lange Voorhout 9”.


Acht losse deeltjes, compleet met supplement, 377 pagina’s. Jos vroeg en kreeg er tweeënhalve euro voor. Het eerste deeltje was tweemaal met potlood geprijsd. Eerst aan de binnenzijde voor ƒ 75,- en later op de voorkant; ‘acht dln. compleet, ƒ 50,-‘.


Wat kost zo iets nu? Op internet vond ik na enig gezoek dezelfde catalogus bij een Duits antiquariaat. Helaas niet compleet (het laatste, 8ste deeltje met supplement ontbrak) voor dertig euro.

Het is de tweede, en oudste, catalogus in mijn collectie van dit befaamde antiquariaat.
Er staat geen jaar van uitgave op maar dat zal rond 1915 zijn geweest.
Op de achterzijde van alle acht deeltjes staat het fraaie pand aan het Lange Voorhout in Den Haag, dat speciaal voor de firma werd gebouwd en in oktober 1910 werd betrokken.
Op de voorzijde staat nog niet het bekende uitgeversmerk met de spreuk: “Alles komt teregt” dat vanaf ongeveer 1920 op alle Nijhoff uitgaven is te vinden (zoals op mijn andere Nijhoffcatalogus uit 1932).
Over dat merk schreef Bert van Selm (1945-1991) overigens een leuk boekje: “Alles komt teregt”, dat in 1991 als Koppermaandag uitgave verscheen bij De Ammoniet in een oplage van 450 exemplaren.
Afgelopen week heb ik de acht deeltjes, inclusief de omslagen, laten inbinden. Dat maakt het bladeren en doorlezen een stuk gemakkelijker.
Heerlijk en tegelijkertijd frustrerend om te zien welke zeldzaamheden er toen nog te koop waren en voor welke (met hedendaagse ogen) belachelijk lage prijzen. Kleine troost; zelfs al zou je over ruime financiële middelen beschikken dan nog is het merendeel van de aangeboden 'livres rares et curieux' nu niet meer te koop.

Eén van de ‘highlights’ is ongetwijfeld nummer 224. “Bartholomaeus Engelsman: Boeck van den Proprieteyten der Dinghen” (Haarlem, 1485), “Très bel ex. bien complet, grand de marges, dans une ancienne reliure monastique”, te koop voor vijftienhonderd gulden. Overigens ook één van de hoogtepunt in het net verschenen boek van Mathieu Lommen: “Het boek van het gedrukte boek: een visuele geschiedenis” (Amsterdam, 2011) en afgebeeld in het NRC van 10 februari jl. (boekbespreking van Maartje Somers). Nee..., dat nietje zit niet in het boek!


Met twee catalogi van dezelfde firma, waartussen ongeveer twintig jaar zit is het ook interessant om eens te kijken naar de prijsstijging vóór de Tweede Wereldoorlog.
Zo wordt in de oudste catalogus een exemplaar aangeboden van de Latijnse uitgave van de Apologie van Prins Willem van Oranje uit 1581 (Knuttel 563) voor tien gulden. Datzelfde boekje kostte zo’n twintig jaar later bij Nijhoff vijfenzeventig gulden.
Een Nederlandse editie (Knuttel 558) kostte respectievelijk zeven gulden vijftig cent, later vijftien gulden en een Franse editie (Knuttel 555) had je rond 1915 al voor twaalf gulden en in 1932 voor honderd gulden.
Als we de ‘prijzen van toen’ even omrekenen naar hedendaagse bedragen dan ziet het plaatje er voor de Nederlandse editie als volgt uit:
7,50 gulden (1915) is nu € 60,43
15,00 gulden (1932) is nu € 124,86
Tussen (ca.) 1915 en 1932, verdubbelde de vraagprijs.

Sindsdien zijn tachtig jaar verstreken en is de prijs vertienvoudigd. Wie interesse heeft kan anno 2012 voor € 1250,- euro een exemplaar aanschaffen bij antiquariaat Matthys de Jongh in Zutphen. Voor dat bedrag, in 1915 gelijk aan honderd vijfenveertig ouderwetse guldentjes, had ik graag even willen shoppen bij Martinus Nijhoff!