Posts tonen met het label Verzamelen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verzamelen. Alle posts tonen

vrijdag 3 mei 2024

Het gewraakte verbeterblad


Mijn laatste bezoekje aan de vrijdagse boekenmarkt op het Amsterdamse Spui, eind april, leverde niets op. Meestal maak ik daarna nog even een boekenrondje. Eerst langs de Athenaeumboekhandel op het Spui, dan snuffelen tussen de ramsj bij Scheltema op het Rokin, wat eten bij De Hapjeshoek op Metrostation Waterlooplein, ff langs De Slegte in de Vijzelstraat en - alvorens daar de metro naar huis te nemen - koekeloeren bij de stadsboekwinkel in het Amsterdamse stadsarchief. Ditmaal begon ik echter bij antiquariaat Brinkman. Daar gluurde ik eerst wat door de zijruiten in de Raamsteeg naar de uitgaven voor de ramen en vervolgens keek ik wie er achter het bureautje zat.


Ik ontwaarde ditmaal Joanna Rozendaal, Frank's charmante en ijverige compagnon, met wie ik voor het laatst in oktober vorig jaar sprak tijdens de Amsterdam International Antiquarian Book Fair, in de sfeervolle Zuiderkerk. Ik besloot daarom even bij te kletsen en meteen te vragen naar wat er in de tussentijd vers was binnengekomen.
Het daaropvolgende half uurtje vulde zich dus met een geanimeerd gesprek over onze boekenpassie terwijl ik hier en daar boeken van de plank trok, bepotelde, en tussen stapeltjes en in dozen snuffelde. De achterwand c.q. showwand bevatte ditmaal veel Nederlandse literatuur, met name poëzie uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw in diverse banden. Vondel, Poot, Van Winter en Van Merken, Bilderdijk en ook... Jan Fredrik Helmers (1767-1813).


Zodoende vond ik andermaal diens klassieker uit de Nederlandse letterkunde: "De Hollandsche Natie" (Den Haag, 1812). Een eerste druk, gebonden in een laat negentiende eeuwse bruine halflinnen band met groen/zwart gemarmerde kartonnen platten.
Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik hier een kleine Helmers-collectie heb staan met als parel op de kroon een eerste druk met het zeldzame (tweede) verbeterblad waarop een voetnoot staat (zie de illustratie hieronder). Ik schreef er uitvoerig over in: "Daarvan kon BB alleen maar dromen".


Zoals bekend doorstond Helmers' oorspronkelijke magnum opus - waaraan hij tien jaar had gewerkt - niet de politieke censuur van de Franse bezetter. Zelfs nadat drie censors het manuscript hadden doorgevlooid en de uitgave eindelijk in december 1812 in een oplage van 1300 stuks verscheen, ontdekte het hoofd van de 'Direction générale de la police en Hollande', P.E. Devilliers du Terrage (1774-1858) nog enkele ontoelaatbare dichtregels. Alleen door het wegsnijden van het oorspronkelijke blad 55/56 en het plaatsen van een verbeterblad met toelichting kon de uitgave door de beugel.
De opdracht daartoe kwam bij de Haagse uitgever rijkelijk (te) laat binnen; begin maart 1813. Helmers was net ter ziele en van de 1300 exemplaren in het magazijn van Johannes Allart waren er inmiddels 1032 naar diverse boekhandels in het land geëxpedieerd en 18 aan particulieren verkocht. Het verbeterblad kon zodoende alleen aan de resterende 250 exemplaren worden toegevoegd.
De uitgever protesteerde, de auteur was overleden, en daarom voegde hij aan het verbeterblad op eigen initiatief een verantwoording toe in de vorm van een 'NB' met de tekst: "Deze Nota is na het overlijden van den Schrijver, op last van de Generale Directie over den Boekhandel te Parijs, geplaatst. De Lieutt. Colonel Inspecteur van den Boekhandel C. von Römer.". Eigenlijk was dit 'NB' nog gevaarlijker dan de versregels waar het om draaide.
Een handvol exemplaren moet met deze - voor de Franse overheid compromitterende - voetnoot zijn verspreid alvorens het werd opgemerkt en verboden. Opnieuw werd een verbeterblad gedrukt met dezelfde toelichting maar ditmaal zonder het 'NB'.

Het exemplaar dat ik bij Brinkman in de hand hield bevatte het eerste gewraakte verbeterblad met het 'NB'! Met een triomfantelijk glimlachje schoot mij de conversatie te binnen die ik rond 2016 voerde op de Spui boekenmarkt met Marinus van Hattum. Van Hattum promoveerde in 1994 op Helmers en geldt als kenner en fervent verzamelaar van zijn werk.
Toen ik hem destijds trots vertelde over mijn bijzondere aanwinst en dat ik uiteraard bleef zoeken naar een exemplaar met de nog wat zeldzamere 'NB' verantwoording wenste hij mij volharding en veel succes. "Ik heb er zelf ook maar één!", grijnsde hij... 


In 2015 betaalde ik voor mijn bijzondere aanwinst bij het Zwolse antiquariaat de Zilveren Eeuw van Rob de Bree - met vriendenkorting - honderdveertig euro.
De aanwezigheid van een verbeterblad is bepalend voor de waarde van de eerste druk die in het antiquariaat - hoewel steeds schaarser geworden - afhankelijk van de staat en de band voor enkele tientjes kan worden gekocht.

Met het Helmers-boekje in de hand ontspon zich een discussie met Joanna over diens 'Hollandse Natie'. Joanna had mij erop gewezen dat de allegorische titelgravure in dit exemplaar weliswaar aanwezig was maar dat de zes platen, voor elke zang één, ontbraken.
Ik vertelde haar dat die 'ontbrekende' platen helemaal niet in de eerste druk horen zaten.
Die verschenen namelijk pas in 1815 en konden door de bezitters van een van de eerste drie drukken in hun exemplaar worden bijgebonden. Het exemplaar bij Brinkman was dus zoals uitgegeven en wel degelijk compleet. Wist zij van de geschiedenis rond het verbeterblad dan met die zeldzame voetnoot? Tja... dat was niet opgemerkt en daarom ook niet in de catalogusbeschrijving opgenomen... Maar over de prijsjes in de boeken bij Brinkman kan in principe niet worden gesoebat (ook niet door de uitbater...) en dus kon ik het voor het potloodprijsje aanschaffen. En zo, beste lezers, verliet ik een klein uurtje later de winkel met Helmers in mijn jaszak voor - geloof het of niet - twintig euro...


NB. Mijn Helmerscollectie bevat nu v.l.n.r. (bovenste rij): de eerste druk (1812) met het eerste verbeterblad, de eerste druk (1812) met het tweede verbeterblad, de vierde druk (1817) in originele blauw kartonnen uitgeversband (dit is de eerste editie die standaard verscheen 'met platen'). V.l.n.r. (onderste rij): de zesde druk (1822) in originele geel kartonnen uitgeversband (de zogenaamde 'pocketeditie'), de eerste (verkorte) schooluitgave voor het middelbaar en lager onderwijs (1897), in originele papieren uitgeversomslag, en de laatst verschenen moderne uitgave (2009).

vrijdag 14 april 2023

Wat een gek mij er voor gaf...


Al bijna vijftien jaar schrijf ik over mijn avonturen in de wereld van het (oude) boek en mijn alsmaar groeiende bibliofiele collectie. De laatste vijf jaar houd ik bovendien met maand- en jaaroverzichten bij wat, waar en voor welk bedrag ik boeken aanschaf. Met name dat financiële aspect leidt ertoe dat lezers denken dat ik behalve een verzamelaar ook een handelaar ben. Dat is begrijpelijk en regelmatig krijg ik dan ook de vraag of ik een bepaald boek wil verkopen. Mijn gebruikelijke reactie is dan: "Nee, ik ben een verzamelaar, geen handelaar". Toegegeven, vorig jaar verkocht ik voor € 200,- euro een exemplaar van de genummerde en gesigneerde editie van Irma Boom's: "Biography in books" (Amsterdam, 2010), maar dat dubbele exemplaar (243/500) had ik destijds al gekocht met het voornemen om het na verloop van tijd met winst weer te verkopen... Kortom mijn principe om niet (uit mijn collectie) te (ver)handelen is vrij sterk en ik kan mij dan ook niet herinneren dat ik daarvan in de afgelopen vijftien jaar ben afgeweken Tot vorige week...


Uit het niets werd ik door iemand via Twitter benaderd met de vraag of ik nog steeds in bezit was van mijn (eerste) Nederlandse uitgave van "Dracula" (Amsterdam, 1928) en of ik die wilde verkopen. Bovendien, zo liet deze persoon mij weten, was hij bereid meer te betalen dan de opbrengst die in november 2020 werd gerealiseerd voor een identiek exemplaar bij het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuyper. Voor welk bedrag werd dat toen ook alweer afgehamerd? Welgeteld € 325,- euro, exclusief veiling- en eventuele verzendkosten...
U kunt het nalezen in mijn blog: "Gevonden: Dracula!".
Voor mijn exemplaar - gevonden op Marktplaats - betaalde ik slechts een luttele € 7,50 euro (exclusief verzendkosten). Tja..., dacht ik, wil ik dan mijn exemplaar verkopen voor vier- of vijfhonderd euro? Nee, eigenlijk nog steeds niet...


Ik gaf dus mijn gebruikelijke antwoord en dacht dat daarmee de kous af was. Maar nee, zijn reactie was: "Jammer, ook niet voor € 1000,- euro?". Ik moest meteen denken aan die fameuze uitspraak van Don Vito Corleone in de film "The Godfather" (1972): "I am gonna make him an offer he can't refuse...". Ja, voor duizend euro wel!

Is de conclusie dus dat Perkamentus boeken verkoopt uit zijn collectie als het bod maar gek hoog genoeg is? In dit geval wel. Vroege (vertaalde) Nederlandse horrorliteratuur is niet echt een van mijn interessegebieden en het boek heeft nimmer deel uitgemaakt van mijn kerncollectie (oude m.n. in perkament gebonden boeken). Het was gewoon een fijne toevalsvondst en die doe ik wel vaker. Uiteraard vermoedde ik destijds wel dat het boek voor de echte verzamelaars van het genre (of Dracula) meer waard zou zijn dan wat ik ervoor betaalde, maar hoeveel meer is pas nu duidelijk.
Immers, de financiële waarde in de wereld van het antiquarische boek wordt behalve door allerlei objectieve factoren (denk aan conditie, oplage, uitvoering, gerealiseerde veilingprijzen, provenance etc.) ook bepaald door subjectieve factoren (zoals smaak en interesse). Daarom is dit is een uitstekend voorbeeld van wat je vaak hoort: 

'Het is wat de gek ervoor geeft'...

vrijdag 25 maart 2022

Dilemma en illusie


Mijn laatste blog verscheen alweer wat langer geleden dan u normaal van mij gewend bent. Na 455 (!) blogs in 13 jaar zal de inspiratie wel iets zijn afgenomen denkt u, en dat is natuurlijk ook een beetje waar. Toch staat hier nog genoeg om over te schrijven. Zoals u wel weet bezit en beheert Perkamentus verschillende deelcollecties en over een aantal heb ik al eens eerder geschreven.
Zodoende weet u (of kunt u weten, door op de hiernavolgende hyperlinks te klikken) dat het gaat om heel diverse onderwerpen zoals: (Lof der) jenever, Helmer's Hollandsche Natie, obscure uitgaven over blanke slavinnen, margedrukwerk van De Ammoniet, oude Hollandse polderreglementen, zeldzame anticonceptiebrochures, theologische discussies over het vloeken, de Amsterdamse stadshistoricus Jan Wagenaar, vuilnis, vuilverwerking en verzamelen, stadswijk Buitenveldert, 19de eeuwse gemeentelijke aanplakbiljetten, Irma Boom, bibliomanische uitgaven in mijn bibliotheek en de (anti)trekhonden(bond).

Afgelopen week ontving ik een aanvulling op het laatstgenoemde onderwerp. Bij het Antwerpse filiaal van De Slegte kocht ik een zeldzame brochure geschreven door mevrouw W. Wynaendts Francken-Dyserinck en C. Buysse: "Voor de kar en aan de ketting" (Arnhem, 1926). Een uitgave van de "Geldersche Vereeniging voor Dierenbescherming 'Niels Holgersson'" tegen het houden van trek- en kettinghonden. Hierin zit o.a. het korte verhaal: "Dukske", van de Vlaams naturalistische schrijver Cyriel Buysse (1859-1932), dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel: "Uit Vlaanderen" (1899). Wat deze aanwinst extra bijzonder maakt is dat de auteur op de voorzijde schreef: "Aan een hondenvriend. v.d.S (van de Schrijver) Aug. 1926".


Met de ontvangst daarvan drong plotseling weer het besef door dat het een illusie is om te denken dat de kous af is als je eenmaal een bepaald onderwerp aan de hand van je bezit (deelcollectie) hebt besproken. 'De kous', in dit geval het verzamelen is immers nooit af! Verzamelen gaat gewoon door en regelmatig arriveren in huize Perkamentus aanvullingen op verschillende collecties.
Maar wat dan? Weer opnieuw over het hetzelfde onderwerp publiceren? Een addendum schrijven (zoals deze), een voetnoot onder bestaande artikelen (zoals hier), onzichtbaar blijven aanvullen zoals hier of zichtbaar (zie opmerking onderaan) hier? Een terugkerend dilemma dat vooralsnog een magere oplossing kent door elke aanwinst te vermelden in mijn maandelijkse overzicht met een verwijzing naar het desbetreffende blog. Inmiddels zit deze brochure bij zijn soortgenoten in één van de ruim twintig zuurvrije archiefdozen die niet ver van mijn bureau staan. Deze - bijna anderhalve meter hoge - stapel dozen bevat kwetsbaar en antiquarisch schaars drukwerk uit verschillende eeuwen over diverse interessante onderwerpen.


Een goed voorbeeld is de doos met brochures over 'de Index, Boekcensuur en Kath.(olieke) boekenwetten'. Over die religieus opgelegde censuur heb ik lang geleden al eens wat geschreven in: "Verboden boeken" (2010) en "Komrij's roomse poolster" (2013). Ruim een jaar geleden besloot ik om er een overzicht van te maken voor een blog. Daarmee was ik bijna klaar toen ik enkele aanwinsten op dit gebied ontving. Die waren weliswaar uiterst welkom maar ontnamen mij de lust om mijn blog af te ronden. Als ik toch bleef verzamelen, waarom dan erover schrijven in de wetenschap dat het nooit echt af is? Soms kunnen aanwinsten verlammend werken...

'Des Pudels kern' ben ik natuurlijk zelf! Boeken (en series) moeten bij mij compleet zijn en datzelfde geldt onbewust ook voor mijn deelcollecties en blogs daarover. In de wetenschap dat dat alles een illusie is geef ik u hierbij dan toch maar een (chronologisch) overzicht van de inhoud van deze doos met niet geïllustreerde uitgaven, alsmede enkele kenmerkende en opmerkelijke citaten daaruit.

1. J.H. van Franckenberg (1726-1804): "Herderlyk sermoen tegen het leezen der kwaede boeken door zyne Eminentie den Kardinael Van Franckenberg en Schellendorff, aertbisschop van Mechelen, primaet der Nederlanden enz, enz." (Brugge, 1822). Een vurig pleidooi van deze Prins der Kerk tegen alle goddeloze boeken met name vergiftigende 'minneboeken' (romans) die door hun slechte voorbeelden de goede zeden van hun jonge lezers (mannen en vrouwen) bederven.
"Wee u, ô ongelukkige schryvers der zelve! gy verdient van alle menschen vervloekt en verfoeid te worden. Wee u, drukkers, boekverkoopers en kraemers, die ze durft verkoopen!" (Blz. 23).


2. A. van Alphen (1748-1831): "Antonius van Alphen Vicarius Generaal Apostoliek van het bisdom van 's Bosch aan de onderhorigen van dit bisdom zaligheid in den Heere" ('s Hertogenbosch, 1822). 
Vastenbrief van Van Alphen tegen de zedenverwildering veroorzaakt door "bederfelijke boeken en schriften welke de goddeloosheid door de Leesgezelschappen en langs andere wegen, ook onder onze geloofs genoten tracht te verspreiden". Bevat tevens een ernstige waarschuwing voor de onzedelijke en gevaarlijke geneugten van: "Vastenavond huizen: Kwansels: Labaijen: Gaansdagen: Comedien: Ballen: Danspartijen: of diergelijke..." (Blz. 3). De tekst staat ook in: "Roomsch-Catholyke bibliotheek voor het Koninkrijk der Nederlanden" (deel 2, no. 2., titel van de rubriek: 'Kerkelijke geschiedenis'). Geen ander exemplaar van gevonden in WorldCat.


3. A. Haans S.J.: "Slechte lectuur" (z.p. 1904/1905). Uitgegeven door de Sint Willebrordusvereeniging ter verspreiding van goedkoope Katholieke volkslectuur (jaargang 9, nr. 2 (98).
"Wat een prikkelende aankondigingen, wat een luid klinkende reclames overal! Wat een schandelijke titels allerwege ten toon gesteld! Wat een aanplakbiljetten, en platen, en prenten verontreinigen de stadsmuren en verleiden tot op het platteland zoowel de argelooze als de ziekelijke nieuwsgierigheid de voorbijgangers! Slechte boeken, liberale dagbladen, zedelooze romans bewerken de lezers tot in de binnenkamers toe, om toch maar hunne vaste geloofsovertuiging te schokken en hunne deugden te bederven" (Blz. 2/3).


4. S.D. van Veen: "De Index en de Boekencensuur in de Roomsch-Katholieke Kerk" ([z.p.] Baarn, 1905). Uit de serie "Kerk en Secte", Serie I, No. 5, No XI.
"Of echter de boekcensuur, in praeventieven zin beschouwd, niet de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek belemmert, is een andere vraag. Wie weet, dat hij de resultaten van zijn studie, vóór zij het licht mogen zien, moet onderwerpen aan het oordeel van den censor, en bedenkt, dat deze resultaten niet gedrukt mogen worden, indien zij ook maar in eenig opzicht afwijken van of in strijd zijn met de leer der Kerk, moet zich bij zijn onderzoek vooraf reeds gebonden voelen. Want van tweeën één; òf hij kan zijn werk niet uitgeven als het heterodox blijkt te zijn òf hij moet orthodox blijven, wil hij zijn studie in het licht zenden. Voor wie van harte tot de Roomsch-Katholieke Kerk behoort blijkt echter hierin geen moeilijkheid te liggen. Immers, komt hij tengevolge zijner onderzoekingen tot afwijkende gevoelens, dan vertrouwt hij, dat de Kerk, die hij erkent als de onfeilbare draagster der waarheid, gevaren ziet ook waar zijn oog die niet ontdekt, en de liefde tot de Kerk die gebiedt zijne gevoelens te verzwijgen, is sterk genoeg om aan de liefde tot de wetenschap, die lust heeft ze te publiceren, het zwijgen op te leggen" (Blz. 41/42).


5. B.Th. Stoverinck: "De Index en de boekcensuur in de Roomsch-Katholieke Kerk" (Nijmegen-'s-Hertogenbosch-Antwerpen, 1920). Nummer I (serie XIV) uit de reeks "Geloof en wetenschap. Studiën voor onze tijd" onder redactie van R. Bouman S.J. en dr. J. van Vessem S.J.
"Boekhandelaren, vooral Katholieken, mogen boeken die in bovengenoemde zin over obscene zaken handelen, in geen geval verkoopen, uitleenen of bewaren. De overige verboden boeken mogen door hen slechts verkocht worden wanneer zij van den Ordinarius of van de Congregatie van den Index daarvoor vergunning hebben gekregen. En ook dan is hun slechts toegestaan, deze slechts aan degenen te verkoopen, van wie ze redelijk kunnen veronderstellen, dat zij de bevoegdheid bezitten om zulk boek te lezen" (Blz. 40).


6. L. Kauling MSC: "Het kerkelijk boekenverbod" (Tilburg, 1920).
"De mensch heeft het vermogen om te redeneeren gekregen; maar dat beteekent niet, dat al zijn opvattingen eerst door de logica gecensureerd worden. Zelfs iemand die veel nadenkt, neemt een groot deel van zijn inzichten zonder critiek over van zijn omgeving, van de geestes-atmosfeer, waarin hij leeft. En als die geestelijke atmosfeer nu eens grootendeels bestaat uit onjuiste of minder juiste idees, die hem voortdurend mondeling of schriftelijk bereiken? Dan zal nog in gunstige gevallen in zijn hoofd een vreemde mengeling ontstaan van gezonde en ongezonde opvattingen, die den vollen opbloei van zijn Katholiek denken en Katholiek leven benadeelen" (Blz. 6).


7. P. Potters: "De boekenwet" ('s-Hertogenbosch, 1921). Een overdruk uit verklaring van den katechismus der Nederlandsche bisdommen (vierde deel). 
"In onze dagen wordt de wereld overstroomd met slechte boeken en kranten. Deze geloofsbedervers en zedenverpesters verrichten hun werk niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen en afgelegen gehuchten. Ze wachten u op in winkels, leeszalen, koffiehuizen, stations en spoorwagens. Men ontmoet ze op de sierlijke leestafels der rijken, op de vensterbanken der armen" (Blz. 3), aldus Potters.


8. J. Salsmans S.J.: "De index en de kerkelijke boekenwetten" (Antwerpen-Brussel-Gent-Leuven, 1938).
"De kerkelijke boekenwetgeving verbiedt (buiten rechtmatig verlof om) niet alleen het lezen der slechte boeken en bladen, maar ook het bewaren, vertalen, uitgeven, verkoopen of op gelijk welke wijze aan anderen mededeelen (Ca. 1398)" (Blz. 72).


9. C.A. Bouman: "Index en boekenwet" (Heemstede, 1940). Uitgave van het Katholiek Comité van actie 'Voor God' (Heemstede). 
"Als we vaststellen dat er in het algemeen van 'opzettelijke vervalschingen' geen sprake is (bepalen ons hier tot Bijbel-vertalingen) dan blijft wel staan, dat de tendentieuze (wat iets anders is dan 'vervalschte') vertaling van een bepaalde term of tekst - vooral in den heetsten tijd van de theologische disputen - zonder twijfel als bijkomstige reden voor het algemeen verbod heeft gegolden. Wanneer in den Statenbijbel de Griekse woorden 'ekklesia' of 'presbuteros' door 'gemeente' en 'oudste' worden vertaald, behoeft men niet aanstonds te zeggen dat deze termen in beteekenis niet kunnen komen met de meer traditioneele vertaling 'kerk' en 'priester'. Maar als het duidelijk is, dat de nieuwe vertaling opzettelijk gekozen werd om stelling te nemen tegenover de oude kerkleer, als deze nieuwe termen in de hitte van het gevecht tot strijdleuzen worden gepromoveerd, krijgen zij een beteekenis welke een strikt verbod van dergelijke Bijbelvertalingen zeker rechtvaardigt".


10. G. van Gestel S.J.: "Lectuur en censuur" (Bussum, [z.j.] 1948). Uit de serie "waarheid en leven" (Katholieke levenswijsheid), Psychosophische verhandelingen onder redactie van prof. J.P. Verhaar.
"Een bizonder soort letterkundig werk vormt de romanlectuur en we vermelden ze daarom onder een speciale en laatste categorie. Er is hier heel veel kaf onder het koren en wie in zijn boeken waarlijk levensverheffing, levensveredeling, levensverrijking zoekt, zal de wan geducht ter hand moeten nemen. Elk nieuw leesseizoen komen er stapels romans op de boekenmarkt. Er zijn uitgeversfirma's, die er een sport van schijnen te maken, maar zoveel leesvoer aan te slepen. En zijn de vaderlandse jachtgebieden afgestroopt, dan schaffen ze zich een buitenlandse, liefst een Engelse of Amerikaanse jachtakte aan en houden daar klopjacht. Dat de verhollandsing vaak beneden peil is, hindert weinig. Dat het van vreemde bodem komt, wordt allicht aanvaard als een goede noot; ten slotte een pikante titel en een min of meer zinnenlokkend bandtekeningetje en..... de zaak marcheert wel weer - d.w.z. finantieel. Als dit soort boeken iets met cultuur, met levensverrijking heeft uit te staan, dan is het in negatieve zin: dat ze nl. onbeschaafder en geestelijk armer maakt.
Een geestigaard typeerde de huidige roman aldus: Een duitse roman is een boek, waarin twee mensen elkaar al in het eerste hoofdstuk dringend nodig hebben, maar elkaar niet krijgen vóór de laatste letter van het laatste hoofdstuk; een franse roman is een boek, waarin twee mensen elkaar reeds in het eerste hoofdstuk krijgen en vanaf dat moment tot het laatste hoofdstuk elkaar niet meer nodig hebben en in de weg lopen; een russische roman is een boek, waarin twee mensen elkaar noch nodig hebben noch krijgen, over welke aangelegenheid 400 diep-zwaarwichtige bladzijden worden volgeschreven" (Blz. 87/88).


11. M. Custers: "Kerkelijke boekenwetgeving" (Antwerpen-Amsterdam, 1960).
"Het is heel goed mogelijk dat een boek niet valt onder de bepalingen van de Index, dat het dus niet door de Kerk als een verboden boek wordt beschouwd, en toch niet mag worden gelezen, omdat dit bepaald geschrift gevaarlijk is voor die bepaalde persoon. Wanneer iemand een boek begint te lezen en hij merkt op een bepaalde plaats dat hem dit niet past, dan is hij volgens de natuurwet verplicht de lezing te staken" (Blz. 8).


12. E.A. de Boulogne: "Herderlijk onderrigt over het drukken van slechte boeken" (Driehuis, z.j. [1995]). Een marge-uitgave van de Augustijn pers, waarvan zestig genummerde exemplaren bestaan (ik bezit een 'HC' exemplaar). De inhoud evenals de titelpagina - met verschillende bibliotheekstempels - komen uit deze uitgave. Dit (uittreksel van het) herderlijk onderricht van de bisschop van Troyes tegen 'slechte boeken' verscheen naar aanleiding van het opnieuw uitbrengen van de volledige werken van Voltaire (1694-1778) en Rousseau (1712-1778). 
"De letterkunde is evenzeer als de zedenleer ontaard. Hoedt u voor dien nieuwen vloed van boeken, die weldra de geheele verdelging van den menschelijke geest zal voltooien. Vrienden der goede zeden, wacht u voor de werken diens vuilen dichters, die van een meesterstuk van vuilheid het meesterstuk van zijn kunst maakt. Wacht u voor de werken van dien volslagen bedorven romanschrijver, die de slechte zeden wil verbeteren door middel van een boek, hetwelk hij zelf bekent dat de zeden moet bederven. Groote God! Waar gaan wij heen, en met welk een naam moeten wij deze eeuw bestempelen?".


Anno 2022 is lezen iets dat actief ‘bevorderd’ moet worden. Wie op de website van de Stichting Lezen kijkt en dan klikt op ‘Leesbevordering en literatuureducatie’ wordt van daaruit verder verwezen naar BoekStart en de Bibliotheek op school, Campagnes, Publicaties, Onderzoek en Congressen en trainingen. En er is nog veel meer. Het contrast met de tijd dat werd gewaarschuwd voor de gevaren van het lezen van bepaalde lectuur of publicaties geschreven of uitgegeven door personen met een andere geloofsovertuiging kon niet groter zijn. De bezorgde zedenprekers van toen zullen zich dit in hun stoutste dromen niet hebben kunnen voorstellen.
 
Inmiddels is het een aardige verzameling, al zeg ik het zelf, maar onbeperkt houdbaar is mijn overzicht natuurlijk niet want het verzamelen gaat door. De kous is nooit af en als er weer aanwinsten bijkomen sta ik opnieuw voor het eerder omschreven dilemma.
Zo is de cirkel rond...

vrijdag 15 mei 2020

De Ammoniet in mijn bibliotheek


Bibliofiel margedrukwerk... Goed verzorgde uitgaven in een bescheiden, soms (zeer) beperkte en/of genummerde oplage; ik lust er wel pap van. Toch schrijf ik er niet zo heel vaak over. Af en toe laat ik u meegenieten van een bibliofiel orgasme zoals hier of schrijf ik over mijn uitgaven van De Althaea Pers (zoals de befaamde Gootjesbijbel en zijn 'Bibliofiel artwork') of de Belgische Carbolineumpers (en zijn fraai uitgegeven prospectussen).

Op 18 oktober 2019 vertrok ik naar de Leidse Universiteitsbibliotheek voor de viering van 'Het Groeiboek voltooid'. Ik was net enkele dagen daarvoor eigenaar geworden van een exemplaar van het Groeiboek (nr. 137 van de 150) en zou voor het eerst persoonlijk kennis maken met meesterdrukker Gerard Post van de Molen van De Ammoniet. In een apart zaaltje was een tijdelijke expositie opgezet met uitgaven die sinds 1979 bij hem waren verschenen. Om te watertanden, en zelden ben ik zo hebberig geweest als toen bij het aanschouwen van zoveel heerlijk en begeerlijk drukwerk.

Uitgaven van De Ammoniet kende (en bezit) ik overigens al langer. Al vele jaren staat in mijn bibliotheek werk van deze margedrukker en ik heb er al eens over geschreven (zoals hier). Regelmatig kijk ik op websites als Boekwinkeltjes naar wat er wordt aangeboden aan margedrukwerk. Dat zijn overigens - ongeacht de margedrukker - maar zelden de echte hoogtepunten. De liefhebbers (lees concurrenten) duiken daar al tijdens het productie- en intekenproces op af. Het is voor de verzamelaar dus meestal een kwestie van geduld, toeval en geluk in het antiquariaat of op de veiling. Tenzij je natuurlijk de meesterdrukker zelf kent...
Na afloop van de bijeenkomst in Leiden sprak ik nog even met Gerard die mij vertelde dat hij zijn drukkersarchief aan het opruimen was. Vast en zeker zou daar nog wel wat uitkomen dat mijn begeerte kon stillen. Of ik interesse had? Dat had ik, en het gevolg daarvan blijkt uit mijn aanwinstenlijstjes van november en vooral december 2019.

Wat precies vind ik nou zo aantrekkelijk aan het drukwerk van De Ammoniet? Natuurlijk; typografische verzorging (een mooie letter; de Hollandsche Mediaeval), vormgeving en luxe handgeschept papier zijn belangrijke smaakmakers maar in het geval van De Ammoniet speelt met name de inhoud van de uitgaven voor mij een belangrijke rol. Het is drukwerk dat meestal gaat over boek- en drukgeschiedenis (boekwetenschap), typografie of bibliofilie en dat zijn precies de onderwerpen die mij aanspreken.


Zo langzamerhand heb ik al een aardige collectie Ammonieten in mijn bibliotheek staan. Gerard had mij gevraagd om daarvan een overzichtje te maken zodat hij inzicht had in wat ik al heb en wat niet. Het heeft even geduurd voordat ik tijd en gelegenheid daartoe had maar nu is het dan zover. Echt bibliografisch pionierswerk heb ik overigens niet hoeven doen. Er bestaat namelijk al geruime tijd een mooi overzichtswerk met uitgaven van zijn pers geschreven door hemzelf en Ronald Rijkse onder de titel: "'t Geluck waeit niemand in den mond. Twintig jaar margedrukker De Ammoniet" (Amsterdam/Middelburg, 2000). Het boek staat in mijn bibliotheek maar het is ook compleet online te raadplegen (hier) op de website van De Ammoniet, net als vele andere uitgaven van deze pers.

Belangwekkende of nieuwe informatie geef ik dus niet. Het is puur een overzichtje van mijn collectie Ammonieten. Een vorm van bezigheidstherapie dus die enigszins uw nieuwsgierigheid bevredigt naar mijn boekenbezit. Wellicht zelfs spoort het u aan om zelf wat van dat mooie en zorgvuldig uitgegeven drukwerk te gaan verzamelen. In ieder geval geeft dit geïllustreerde overzichtje wat afwisseling in de stroom artikelen op dit blog die gaan over 'het oude boek'. 'Last but not least' vormt het wat afleiding voor mij en u in deze allesverlammende 'Coronatijd'. Bij het samenstellen heb ik dankbaar gebruik gemaakt van het eerdergenoemde uitgegeven bibliografisch overzicht. De rode nummers tussen haakjes verwijzen naar de daarin gebruikte nummering. Van de uitvoerige informatie die telkens per uitgave wordt gegeven nam ik alleen deze nummers over, de titel- en oplagegegevens, eventueel aangevuld met wat opmerkingen van mijn kant.

Losse uitgaven (in chronologische volgorde)

1. (1.7) E. Blom/M. Post van der Molen: "Pip en zijn bal" (Leiden, 1980). Oplage 150 genummerde exemplaren (ik bezit nummer 109).

2. (1.12) [Christoffel Plantijn] "Vande Druckerije" (Leiden, 1982). Oplage 245 genummerde exemplaren (ik bezit nummer 189). Hiervan bezit ik ook een fotomechanisch gedrukt exemplaar met opdracht van Gerard. Ik schreef erover hier.

3. (1.18) D. Post van der Molen: "Mette beer wandeld" (Leiden 1988). Oplage 211 exemplaren.

4. (6.6.6) Uitnodiging promotie Bert van Selm (Leiden, 1987). Oplage ca. 500 exemplaren.

5. (1.23) G.C. Kuiper: "Musarum Pater. Een portret van Christoffel Plantijn" (Leiden, 1989). Oplage 350 exemplaren.

6. (9.7) G. Post van der Molen: "Dat is wat wonders. Relaas van een thuisdrukker" (Leiden, 1990). Oplage 1250 exemplaren

7. (6.3.2) Condoleancekaart Bert van Selm (Leiden, 1991). Oplage ca. 500 exemplaren.


8. (1.27) B. van Selm: "Alles komt teregt" (Leiden, 1991). Oplage 450 exemplaren.

9. (1.29) P. Paaltjens: "Tenentlazohtlaliztli oftewel Tevergeefse liefde. Azteekse vertaling van Immortelle XLIX, het beroemde gedicht van Piet Paaltjens dat onlangs nog in 85 andere talen, dialecten en exotische schriften overgezet is, met een inleiding over de Azteekse taal en cultuur door Rudolf van Zantwijk en een uitleiding over de ongelukkige dichter en zijn werk door Hans Heestermans" (Leiden, 1991). Oplage 750 exemplaren.

10. (1.30) E. Portnoy: "Dutch Dreaming" (Leiden, 1993). Oplage 500 exemplaren. Relatiegeschenk, exclusief te gebruiken door de directieleden van KPN! De boekjes waren opgenomen in een geëxtrudeerde aluminium schaal, samen met een zilveren voorwerp. Daarvan bestaan drie uitvoeringen (er waren vijf gepland). Het geheel zat in een cassette met een toelichting in het Engels. Van twee bezit ik het toelichtingskaartje daarbij ('Dutch Foil' en 'Dutch Gleek'. Alleen 'Dutch Concert' heb ik helaas niet).
Geschenk van Gerard Post van der Molen als tegenprestatie voor de(ze) lovende woorden op Perkamentus blog! Volgens Gerard "een onbereikbare uitgave voor de Ammoniet-liefhebber", omdat er van de gehele oplage maar enkele ook werkelijk als relatiegeschenk zijn uitgereikt en het overgrote deel volgens hem - na de zoveelste reorganisatie - vermoedelijk onderdeel is geworden van de "circulaire grondstoffen-economie"!


11. (3.16) G. van Thienen: "Men salse vinden te coope" (Leiden, 1992/1993). Oplage ca. 150 exemplaren. Over deze eenbladsdruk schreef ik al eerder hier.

12. (3.22) P. Verkruijsse: "Een 97e druk???" (Leiden, 1994). Oplage 197 exemplaren.

13. (6.6.10) Heropening Thuisdrukkerij De Ammoniet (Leiden, 1994). Oplage ongeveer 350 exemplaren.

14. (1.33) J. van Loo: "Prachtbijbel blijkt prachthandel" (Leiden, 1995). Oplage 750 genummerde exemplaren (ik bezit het exemplaar met zegelnummer 611).

15. (1.34) P. Verkruijsse: "Ik, het boek" (Lugduni Batavorum, MDCXCV). Oplage 312 exemplaren. Mijn exemplaar is een van de 130 exemplaren bestemd als restauratiedruk voor de Zeeuwse Bibliotheek, met als doel de restauratie van de 'Benveniste Talmoed', gebonden in rood (en groen) linnen.

16. (1.38) F.A. Janssen: "DIT BEVAT: Een brief aan de drukker. Een korte inleiding tot de historische typografische vormgeving" (Leiden, 1996). Oplage circa 100 exemplaren, ongeveer 75 met rode sierinitiaal D (waaronder mijn exemplaar) en ongeveer 25 met wachtletter d.

17. (1.43) J. Brouwers: "Een beroemde naamgenoot" (Leiden, 1998). Oplage 215 exemplaren.

18. (1.46) Ali Ibn Sudun: "Het gestolen bidkleedje" (Leiden, 1999). vertaald uit het Arabisch door Arnoud Vrolijk. Oplage 115 exemplaren.

19. (1.47) F.A. Jansen: "De nieuwe corrector. Een correctiehandleiding uit 1819" (Leiden, 1999). Oplage 99 exemplaren.

20. (5.9) "Vier van Elzevier" (Leiden 1997). Oplage 450 exemplaren. Geproduceerd met leden van de Nederlandse Boekhistorische Vereniging.

21. (1.39) P. Dijstelberge: "De lof der onleesbaarheid" (Leiden, 1997). Oplage 175 exemplaren. Verscheen ook als hoofdstuk 9 in het Groeiboek (zie hieronder).


22. (1.41) Ch. Berkvens-Stevelinck: "In het kleine stadjen D." (Leiden, 1998). Oplage 500 exemplaren.

23. (3.33) W. Morris: "I began printing books" (Leiden, 1998). Oplage ca. 200 exemplaren.

24. (1.45) A. Moerdijk: "WNT. Een buitengewoon woordenboek" (Leiden, 1998). Oplage 900 exemplaren

25. M. van Wijk-Sluiterman: "Er was eens..." (Alkmaar/Leiden, 2000). Oplage 450 mapjes met vijf kaarten en een boekenlegger met illustraties van Nelly Spoor.

26. J. Landwehr: "Wie zou niet gaarne een koning wezen? Driekoningen in oude kinderboeken en op prenten" (Leiden, 2002). Oplage 275 exemplaren.

27. P. Verkruijsse: "Plaatjes kijken. Raadsels rond illustraties in oude boeken" (Leiden, 2003). Oplage 250 genummerde exemplaren (ik bezit nummer 19). Twaalfde Bert van Selm-lezing.

28. A. van der Lem: "Een bibliotheek als wederopstanding. Welke boeken bezat Johan Huizinga?" (Ruurlo, MMXIV). Oplage 60 exemplaren. Verscheen ook als hoofdstuk 16 in het Groeiboek (zie hieronder).

Nieuwjaarskaarten/varia.

Ik bezit de nieuwjaarskaarten van 1989, oplage 500 exemplaren (6.8.5), 1993 oplage 225 exemplaren (6.8.7), 2001 ('De avonturen van Don Quichotte') en 2003 ('We got 'm. De klapwakersklopjacht in 2003 geweldloos en succesvol afgesloten...').

Projecten.

29. (2.1) Project Kaartenbak (in originele overslagdoos). Oplage 157 exemplaren (ik bezit nummer 6). De doos werd ontwikkeld onder auspiciën van de Vereniging van Vrienden van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam en bevat twaalf 'vriendenmapjes' met drukwerk over diverse onderwerpen. Regelmatig kom ik losse mapjes tegen in het antiquariaat, daarom som ik ze even op .


(2.1.a) J. Werner: "Amsterdam slaat de vleugels uit: het begin van een kartografische traditie. Een keur uit de collecties van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam"(Lugduni Batavorum, M.CM.XCIV). Oplage 275 exemplaren.
(2.1.b) A.K. Offenberg: "Ex Bibliotheca Rosenthaliana" (Leiden, 1994). Oplage 275 exemplaren.
(2.1.c) J. van Waterschoot: "Multatuli: muiter van gisteren, held van vandaag" (Leiden, 1995). Oplage 275 exemplaren.
(2.1.d) M. van Kempen: "Suriname verbeeld" (Leiden, 1995). Oplage 275 exemplaren.
(2.1.e) M. Beumer: "De illustraties in de 'Duizend-en-één-Nacht' van Gerard Keller" (Leiden, 1995). Oplage 275 exemplaren.
(2.1.f) P. Visser: "Drukwerk tussen hel en hemel" (Leiden, 1996). Oplage 200 exemplaren (75 werden vernietigd vanwege een zetfout in de openingszin).
(2.1.g) C. Godfried: "De Deense Molière: Ludvig Holberg (1684-1754)" (Leiden, 1996). Oplage 275 exemplaren.
(2.1.h) P. Spierenburg: "Van raspen en malen. Het Amsterdamse Rasphuis aan de Heiligeweg" (Leiden, 1996). Oplage 275 exemplaren.
(2.1.i) J. Biemans: "P.C. Hooft, geschreven & gedrukt" (Leiden, 1997). Oplage 450 exemplaren, waarvan 257 voor de abonnees van de Kaartenbak.
(2.1.j) P. Visser: "Het werk van den Boekdrukker is Goud waard. Aspecten van het Réveil in druk toegelicht" (Leiden, 1998). Oplage 485 exemplaren waarvan 257 voor de abonnees van de Kaartenbak.
(2.1.k) N. Klaversma: "'t Verborgen goed, Treckt ons gemoed. De boekillustratoren Jan & Casper Luyken" (Leiden, 1999). Oplage 475 exemplaren waarvan 275 voor de abonnees van de Kaartenbak.

Het twaalfde en laatste mapje verscheen in januari 2000 ter afsluiting van het project bij de tentoonstelling "Letter, drukker, drukletters, - moderne typografie in de UB". R. Rijkse: "100 jaar Nederlandse Private Presses" (Leiden, 2000). Oplage 350 exemplaren.

30. (1.1.0) Aspecten van de geschiedenis van het Nederlandse boek; Het Ambachtelijk Groeiboek (in originele overslagdoos). Oplage 150 exemplaren (ik bezit nummer 137). Ongetwijfeld de belangrijkste uitgave van De Ammoniet. Tussen 1987 en 2019 verschenen de volgende twintig hoofdstukken:


1. (1.1.1) R. Ekkart: "Het omhulsel van de Schepping" (Leiden, 1987). Oplage 150 exemplaren.
2. (1.1.2) B. van Selm: "Ex typographia Elseviriana 1658" (Leiden, 1988). Oplage 150 exemplaren.
2.a. (1.1.2.a) P. Scriverius: "Placaet nopende den ghenen die de Konst van Boek-drukker komen besien" (Leiden, 1989). Oplage 150 exemplaren.
3. (1.1.3) D. Dooijes: "Een typografisch monument" (Leiden, 1989). Oplage 150 exemplaren.
3.a. (1.1.3.a) G. Post van der Molen: "Oproep Hollandsche Mediaeval" (Leiden, 1990). Oplage 999 exemplaren waarvan 150 exemplaren voor het Groeiboek.
4. (1.1.4) A.E.C. Simoni: "Printing as resistance" (Leiden, 1990). Oplage 150 exemplaren.
5. (1.1.5) B. van Selm: "De boekenvorst aan het Lange Voorhout" (Leiden, 1991). Oplage 150 exemplaren.
6. (1.1.6) J. de Zoete: "Variaties op een lijn" (Leiden, 1994 = 1995). Oplage 150 exemplaren.
6.a. (1.1.6.a) G. Unger: "De staart van de g: een gesprek tussen twee heren" (Leiden, 1995). Oplage 350 exemplaren waarvan 150 exemplaren voor het Groeiboek.
7. (1.1.7) F.A. Janssen: "Drukken in de ijzeren eeuw" (Leiden, 1989 = 1996). Oplage 150 exemplaren.
8. (1.1.8) A. Stijnman: "Zonder inkt geen boeken" (Leiden, 1997). Oplage 150 exemplaren.
9. (1.1.9) P. Dijstelberge: "De lof der onleesbaarheid" (Leiden, 1997). Oplage 150 exemplaren. Verscheen ook als losse uitgave.

Na 2000 en dus niet in de bibliografie opgenomen verschenen de volgende hoofdstukken;

10. R. Rasch: "Italiaanse componisten en Nederlandse uitgevers" (Ruurlo, 2001). Oplage 150 exemplaren.
11. I. Kok: "Hoogdruk uit Diepenveen" (Ruurlo, 2005). Oplage 150 exemplaren.
12. A.K. Offenberg: "De verborgen schat van Athias" (Ruurlo, 2005). Oplage 150 exemplaren.
13. P. Verkruijsse: "Goten en Romeinen: co-existentie of concurrentie?" (Ruurlo, 2006). Oplage 150 exemplaren.
14. R. Honings: "Het topje van de ijsberg" (Ruurlo, 2011). Oplage 150 exemplaren.
15. H. Porck: "Tussen de regels lees je het papier" (Ruurlo, 2012). Oplage 150 exemplaren.
16. A. van der Lem: "Een bibliotheek als wederopstanding" (Ruurlo, 2013). Oplage 150 exemplaren. Verscheen ook als losse genummerde uitgave met extra portret.
17. W. Heijting: "Een boek blijft een boek" (Ruurlo, 2014). Oplage 150 exemplaren.
18. K. van Ommen: "De boekbindkunst is geworden de Asschepoester der kunstnijverheid" (Ruurlo, 2015). Oplage 150 exemplaren.
19. P. Hoftijzer: "Pallas nostra salus" (Ruurlo, 2016). Oplage 150 exemplaren.
20. R. Jagersma: "Drukkersknechten in een bus" (Ruurlo, 2017). Oplage 150 exemplaren.

Nawerk/Voorwerk

21. G. Post van der Molen: "Proeve van het toegepaste letter- en siermateriaal" (Ruurlo, 2019). Oplage 150 exemplaren.
22. Over de redacteuren en auteurs (Ruurlo, 2019). Oplage 150 exemplaren.
23. Nadruk van het vouwblad van de voormalige lettergieterij 'Amsterdam': "Aankondiging onze Hollandsche Mediaeval. Een nieuw boek-letter door ons te snijden en te gieten in X corpsen naar teekening van S.H. de Roos, Nieuwjaar MCMXII" (Leiden, 1990). Oplage 450 exemplaren waarvan 150 voor het Groeiboek. De abonnees van het Groeiboek ontvingen deze bijlage pas met het nawerk.
24. Titelpagina, inleiding op de geschiedenis van het project ("Laatbloeier") en de inhoudsopgave van het Groeiboek (Leiden/Ruurlo, 1987-2019).


Bij het Groeiboek bewaar ik bovendien het volgende drukwerk:

31. (5.6.11) Bewijs van intekening op de reeks 'Aspecten van de geschiedenis van het Nederlandse boek'. (Leiden 1987). Oplage ca. 175 exemplaren.
32. Uitnodigingskaart voor de viering van 'het Groeiboek voltooid & 40 jaar De Ammoniet' op 18 oktober 2019.
33. Vier (van de zes) aspecten, voorlopers van het Groeiboek. Ik bezit nummer 3 (3.6) oplage 85 exemplaren, 4 (3.3) oplage 250 exemplaren, 5 (3.5) oplage 175 exemplaren en 6 (7.3.1) oplage 750 exemplaren. Ik zoek nog naar Nummer 1 (3.1) oplage ongeveer 80 exemplaren en nummer 2 (3.2) oplage ongeveer 100 exemplaren, 

Het zoeken naar aanvullingen op mijn collectie Ammonieten gaat gestaag door. Vooral de nog ontbrekende aspecten (1 en 2) probeer ik te vinden. Toekomstige aanvullingen (en volgens Gerard komen die er zeker...) worden opgenomen in dit blog.


NB. Dit overzicht wordt regelmatig bijgewerkt.

vrijdag 20 december 2019

Begeerlijk proefschrift


"Onvindbaar, maar ik blijf zoeken" schreef ik vorig jaar in mijn blogbijdrage "Blanke slavinnen; een bibliografie", bij nummer 12 van de lijst, het academisch proefschrift van W.L.A. Collard: "De ‘handel in blanke slavinnen’" (Amsterdam, 1900).
Inmiddels is die opmerking verdwenen en het artikel op dat punt aangepast. Eerst even iets over dat aanpassen of bewerken van oude blogposts.
Los van het feit dat ik taalfoutjes die ik (soms veel) later ontdek en hyperlinks die niet meer werken zo veel mogelijk corrigeer zijn drie - van de inmiddels bijna vierhonderd - blogposts 'open'.
Dat zijn: "Blanke slavinnen; een bibliografie", "Curiositeiten van allerlei aard" en "De presentexemplaren van het 'mirakelboekje'". Ik vul ze aan zodra ik nieuwe gegevens vind of, zoals in dit geval, een nieuwe aanwinst tegenkom. 

Die aanwinst komt ditmaal van het Haagse antiquariaat Fokas Holthuis, waar mijn boekenvrienden Fokas en Paul de scepter zwaaien. Voor een vriendenprijs (zie mijn aanwinstenlijstje over de maand november 2019) kocht ik bij hen een exemplaar van Collard's 'onvindbare' proefschrift.
Oude(re) academisch proefschriften zijn over het algemeen antiquarisch niet zo makkelijk te vinden. Ze werden in een beperkte oplage goedkoop en (meestal) niet geïllustreerd gedrukt, uitsluitend voor de promotie. Ze behandelden vaak onderwerpen die niet erg interessant of spannend waren voor een breed publiek en verouderden snel door nieuwe wetenschappelijke inzichten. Grotendeels saai uitgegeven, in eenvoudig papier - of kartonnen omslagen, zijn ze ook weinig aantrekkelijk voer voor de verzamelaar van fraaie boekbanden.


Natuurlijk zijn er verzamelwaardige uitzonderingen op de regel. Begeerlijk zijn bijvoorbeeld proefschriften met curieuze of bizarre onderwerpen of die van later bekende personen of proefschriften die baanbrekend bleken in hun vakgebied (bijvoorbeeld dat van W.J Kolff (1911-2009) over de kunstmatige nier uit 1946).
Ook in mijn bibliotheek staan enkele begeerlijke proefschriften, zoals de thesis van mejufvrouw Isabella (I.H.) van Eeghen (1913-1996): "Vrouwenkloosters en Begijnhof in Amsterdam van de 14e tot het eind der 16e eeuw", (Amsterdam, 1941) met aanbiedingskaartje 'In opdracht van de schrijfster', inclusief de stellingen (die er bij proefschriften vaak los bij zitten). Ik kocht het in januari 2018 bij mijn kringloop voor slechts twee euro.


Een ander voorbeeld is het zeer schaarse proefschrift van W. van den Bergh (1850-1890): "De strijd tegen de prostitutie in Nederland" ('s-Gravenhage, 1878), waarop hij 29 Juni 1878 'summa cum laude' promoveerde en dat kritisch werd besproken in de dagbladen. Ik vond zeer recent een betaalbaar exemplaar (inclusief de stellingen) gebonden in een fraaie blauwlinnen band met in goud de titel op het voorplat en de rug. Volgens het kleine plakkertje aan de binnenzijde van het voorplat een band van de 'stoomboekbinderij P. van den Heuvel, 's Gravenhage'. Het boekblok is aan alle zijden verguld en de uitgave bevat een los inlegvel met de 'Inhoud(sopgave)' en 'Errata'. Het verscheen ook in de handel maar mijn luxe uitvoering verraadt dat het gaat om een speciaal exemplaar voor de auteur of iemand uit zijn directe omgeving.


Tot slot; het proefschrift van K.O. Meinsma (1865-1929): "Middeleeuwsche Bibliotheken" (Amsterdam, 1902). Ik had al heel lang de fotografische herdruk van het hoofdstuk over de Librye te Zutphen dat in 1988 apart verscheen bij de Walburg Pers, maar het begeerde complete proefschrift (inclusief de stellingen) staat pas sinds januari 2018 in mijn bibliotheek.
Blijkens het etiketje aan de binnenzijde werd dit exemplaar ingebonden door boekbinder F.C. Koster in Amsterdam in een eenvoudige harde kartonnen band. Mijn exemplaar draagt het stempel van het Leesmuseum in Amsterdam. Net als het proefschrift van I.H. van Eeghen is het een dissertatie die nog steeds bruikbaar is en wetenschappelijke waarde heeft.


Terug naar mijn laatste aanwinst; het proefschrift van Collard. Zijn dissertatie, waarop hij in 1900 'cum laude' promoveerde aan de universiteit van Amsterdam, is niet alleen lezenswaardig en zeldzaam maar bovendien niet zomaar een exemplaar. Het is een bijzonder opdrachtexemplaar en om die reden smaakvol gebonden in een bruin linnen band met goudopdruk. Op de rug staat: "W.L.A. Collard, academisch proefschrift", op het voorplat titel en auteur en op het achterplat de godin Minerva met uil (zoals die ook voorkomt op oude prijsbanden uit bijvoorbeeld Middelburg en Leiden). Op het eerste schutblad staat geschreven: "Voor mijn lieve verloofde Line van W.C.". Verder bevat het (los) de stellingen alsmede een uitnodigingskaartje voor de receptie na afloop van de promotie in het universiteitsgebouw.


Van de auteur, Wolter Louis Albert Collard (1875-1940), is vrij veel bekend. Hij was later werkzaam bij Justitie maar ook lid van de Staatscommissie voor Luchtvaart. Zijn belangstelling voor deze destijds moderne vorm van transport- en vervoer blijkt ondermeer uit stelling VII bij zijn proefschrift: "Onder het 'rijk in Europa' in art. 2 Wetboek van Strafrecht moet ook begrepen worden de luchtruimte boven het grondgebied van den Nederlandsche Staat in Europa. Ergo is een strafbaar feit gepleegd in een luchtvaartuig, zich bevindend in die luchtruimte, te berechten volgens de Nederlandsche Strafwet. Wenschelijk is het op luchtvaartuigen voor de toepassing der strafwet bepalingen in het leven te roepen gelijk aan die, welke voor gewone vaartuigen bestaan". Met deze formulering liep hij vooruit op de in 1958 aangenomen Wet Luchtvaart, artikel 3 (Vlagbeginsel) waarin staat: "De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt".


Lieve verloofde Line was Collard's latere echtgenote Esselina Keyzer (1883-1949) met wie hij in 1906 zou trouwen. De zeventien jaar jonge Line zou later uitgroeien tot een zelfbewuste en maatschappelijk betrokken echtgenote. Zo komen we haar tegen als lid van het bestuur van de ledengroep van de Haagse Tuchtunie (1928) en als voorzitster van de afdeling Den Haag van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (1932).


Collards thesis werd destijds goed ontvangen en besproken in "Het Nieuws van den Dag" (maandag, 16 juli 1900). In het artikel "Een gruwel" spreekt een recensent de hoop uit dat het proefschrift door de handel wordt opgepikt en algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. Helaas is dat niet gebeurd en mede daarom is Collards proefschrift thans onvindbaar, maar blijft u vooral zoeken...

vrijdag 8 november 2019

Limburgensia


Ik ontving begin november het fraai uitgegeven boek: "Limburgensia. De schatten van Schillings" (Nijmegen, 2019) onder redactie van Babke Aarts, Ad van Pinxteren en Jos. Schatorjé. Deze uitgave verscheen ter gelegenheid van het feit dat Har en Miep Schillings hun verzameling 'Limburgensia' geschonken hebben aan het Limburgs Museum in Venlo. Behalve boeken (circa 8000) die betrekking hebben op de geschiedenis en cultuur van Limburg gaat het ook om archiefstukken, kaarten en prenten.

Ik koop zelden boeken nieuw - de meeste zijn immers niet lang daarna tweedehands goed(koper) verkrijgbaar - maar in dit geval speelde de herinnering mee aan het bijeengaren van mijn eigen collectie 'Limburgensia'.  Een bescheiden en beperkte collectie overigens want mijn aankopen vormden onderdeel van een omvangrijk genealogisch onderzoek naar mijn familie. In "Echt Egt-reglement" (2012) en "Ansichtkaarten & boeken" (2014) heb ik al eens zijdelings daarover gesproken. Mijn interesse in familiegeschiedenis, in de volksmond 'stamboomonderzoek', was destijds vrij intensief. Ik was niet alleen lange tijd lid van het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) in Den Haag maar ook van de Nederlandse Genealogische Vereniging (NGV) in Naarden en behoorde tot de regelmatige bezoekers. Daarnaast had ik een abonnement op het Limburgs Tijdschrift voor Genealogie (dat ik hier vanaf de eerste jaargang uit 1973 t/m 2015 compleet heb staan) en was ik lid van de lokaal historische vereniging 'De Veersjprunk' (die in die tijd werd opgericht).


Het genealogisch vuur is thans grotendeels gedoofd. De talrijke kopieën van archiefstukken, de bidprentjes, visitekaartjes, krantenknipsels, ansichtkaarten, foto's en correspondentie met allerlei personen en instellingen zitten opgeborgen in dertig orders en drie dozen (en moeten ooit nog eens naar het CBG). Mijn uitgewerkte familiegeschiedenis ("De familie B... Genealogie met een zachte 'G', ca. 1660 - 2012", eerste uitgave) bestaat slechts in concept en alleen de essentie, teruggebracht tot een kwartierstaat met een link naar mijn Aarts-bet-overgrootvader (in de 41ste generatie) keizer Karel de Grote, werd gepubliceerd in de drie Limburgse Kwartierstaatboeken die verschenen in 1998, 2002 en 2015.


Mijn genealogische speurtocht, vooral tussen 1989 en 2002, naar de 'roots' van mijn voorouders was redelijk gemakkelijk dankzij een unieke familienaam. Iedere naamdrager 'B...' is familie van mij en terug te leiden naar één echtpaar rond 1700. Al vrij snel leidde het spoor naar de provincie Limburg, meer specifiek de oostelijke mijnstreek (Heerlen, Brunssum en Schinveld). Omdat ik toen nog regelmatig voor mijn werk in Limburg kwam combineerde ik vaak het nuttige met het aangename. Kortom vroeg beginnen, vroeg eindigen en vervolgens naar het Rijksarchief in Limburg in Maastricht (thans Regionaal Historisch Centrum Limburg) waar ik - behalve de doop-, trouw- en begraafregisters alsmede notariële akten - met name de archieven van de Landen van Overmaas (archief 01.075) raadpleegde. De dag werd traditioneel afgesloten met een bezoek aan het Maastrichtse filiaal van De Slegte (of, als ik meer noordelijk was, antiquariaat Boom in Roermond).


In de periode dat ik onderzoek deed verschenen verschillende uitgaven die ik natuurlijk meteen kocht. Bijvoorbeeld ansichtkaart- en fotoboeken (o.a. van Heerlen door Jan Engelen) en niet te vergeten de bekende serie van uitgeverij Waanders: "Ach lieve tijd. Twintig eeuwen mijnstreek" (Zwolle, 1993/1994). Wat Heerlen betreft combineerde ik een bezoekje aan het stadsarchief (thans 'Rijckheyt') of familieleden vaak met een stadswandeling langs antiquariaat 'Het Raethuis' en boekhandel Winants (hoek Geleenstraat/Raadhuisstraat), die in 2010 zijn deuren definitief sloot. De buit werd dan meestal onder het genot van een pilsje nader bestudeerd in mijn familiecafé 'B...' dat zich al generaties lang in de Akerstraat bevond (en helaas in 2016 sloot) .

Digitaal sneupen op het internet was er toen nog niet bij en veel boeken die ik zocht waren moeilijk te vinden. 'Limburgensia' waren (mede daardoor) vaak duurder dan tegenwoordig.
Ik heb bijvoorbeeld nog bijna tweehonderd gulden betaald voor het tweedelige standaardwerk "Limburgs verleden. De geschiedenis van Limburg tot 1815" (Maastricht, 1976), onder redactie van dr. E.C.M.A Batta e.a. Tegenwoordig is deze fraaie uitgave in cassette al voor € 27,- euro te koop bij Boekwinkeltjes.


Hoogtepunten op mijn drie planken tellende 'Limburgensia' collectie zijn ondermeer de boeken geschreven door één van de grondleggers van de Limburgse archeologie en geschiedbeoefening; Jozef (Jos) Habets (1829-1893). Voor vierhonderd gulden bemachtigde ik in 2001 bij De Slegte in Maastricht zijn vierdelige (gedeeltelijk postuum uitgegeven) magnum opus: "Geschiedenis van het Bisdom Roermond" (Roermond, 1875-1927), in bruine kunstleren banden, uit de bibliotheek van de theologische faculteit in Tilburg. Ook zijn: "Geschiedenis van het leenhof en de leenen van Valkenburg" (Roermond, 1884) vond ik daar en ik betaalde er met veel liefde honderdvijfenzeventig gulden voor. De eerstgenoemde reeks is in complete staat nog steeds schaars en prijzig. De laatste uitgave is antiquarisch onvindbaar.


Twee andere uitgaven waar ik toen erg blij mee was waren: "Dictionnaire historique du Limbourg Neerlandais, de la période féodale a nos jours" (Maastricht, 1930) door Louis Baron de Crassier et du S.E.R. en dat van dr. J. Belonje: "Genealogische en heraldische gedenkwaardigheden in en uit de kerken der provincie Limburg met een supplement betreffende de Belgische en Duitse grensgebieden" (Maastricht, 1961). Beide publicaties verschenen respectievelijk als nummer LXVI en XCVI/XCVII in het jaarboek van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG),


In 1998 verscheen de eerste stadsgeschiedenis van Heerlen, geschreven door M.M.J. Put en M. van Dijk: "2000 jaar Heerlen. Van Romeinse nederzetting tot moderne stad" (Heerlen, 1998). Die kon ik toen vers van de pers bij Winants afhalen. Oudere uitgaven in mijn collectie over Heerlen (en omstreken) zoals de jubileumboeken van "Het land van Herle" uit 1960 (tienjarig bestaan) en 1985 (vijfentwintig jarig bestaan) kocht ik vaak in antiquariaat "Het Raethuis".
Bij de laatste jubileumuitgave hoort, bij het artikel: "Topografie van Heerlen rond 1896", door J. Jamar, een los ingevoegde herdruk van de plattegrond van Heerlen in 1919. De originele kaart, oorspronkelijk uitgegeven door boekhandel Jos. Alberts in Heerlen, bezit ik ook want die zit in een ander boekje dat ik koester. Het gaat om de schaarse uitgave van schoolmeester en lokaal historicus P.J.M. Peters (1865-1940): "Wandelingen in en om Heerlen met geschiedkundige aanteekeningen" (Heerlen, 1919). Vele jaren later vond ik bij toeval zijn bidprentje dat ik sindsdien in dit boekje bewaar.


Uitgaven op lokaal historisch gebied van specifieke steden of dorpen waren - zo mogelijk - nog moeilijker te vinden. Weinig hoopvol meldde ik er in 1990 twee aan bij de boekenzoekdienst van De Slegte. Het ging om W. Moonen: "Brunssum de eeuwen door" (Brunssum, 1952) en het boekje van J.H.W. Bosch: "Bijdrage tot de geschiedenis van Schinveld" (Schinveld, 1974). Na ruim twee jaar viel er plotseling een brief op de deurmat dat één van de boeken kon worden afgehaald bij hun filiaal in Eindhoven.


Toen ik daar in volle galop arriveerde en mij verwachtingsvol aan de balie meldde bleek het te gaan om het boek van pastoor W. Moonen. Voor slechts vijfenzestig gulden (er werden toen bedragen rond de tweehonderdvijftig gulden voor betaald!) werd ik de nieuwe eigenaar.
Een stuk moeilijker bleek het boekje van die andere pastoor; J.H.W. Bosch. Zelfs de onlangs overleden bekende Limburgse genealoog Nico (N.A.) Hamers (1926-2019), met wie ik regelmatig contact had (en wiens voorouders uit Brunssum komen), kon het ondanks zijn talrijke Limburgse contacten niet te pakken krijgen. Juist in deze uitgave over de geschiedenis van Schinveld (gemeente Onderbanken) werden enkele verre voorouders met naam en toenaam genoemd en kwamen hun leef- en woonomstandigheden ter sprake.
Ik had er - next best - een kopie van laten maken (die me achtenzestig gulden kostte!) maar het ontbreken van een origineel exemplaar in mijn bibliotheek jeukte, jaar in jaar uit, als een open wond. Wat te doen? Na lang piekeren vormde zich in mijn hoofd een plannetje...


Naar mijn idee moest de uitgave niet worden gezocht in het antiquariaat maar onder de inwoners van Schinveld. Toen ik daar in de herfst een keer in de buurt was reed ik na afloop van mijn werk door naar het dorpscentrum. Ik parkeerde mijn auto en betrad rond borreltijd café 'De Mert' aan de Beekstraat.
Er was een handjevol stamgasten aanwezig en het geroezemoes verstomde toen ik binnentrad. In de zomer waren er altijd wel een paar verdwaalde (fiets)toeristen maar buiten het seizoen waren vreemdelingen in de uithoek waar Schinveld ligt net zo zeldzaam als bezoekers van een andere planeet.
Nadat ik wat had besteld duurde het niet lang of ik had een gesprekje aangeknoopt met de barman die nieuwsgierig was naar wat ik in Schinveld had te zoeken.
Ik wist dat er om mij heen verschillende oren gespitst luisterden. Schinveldse dorpelingen in hun stamkroeg zijn niet anders dan dorpelingen elders in hun stamkroeg en behalve naar de laatste dorpsroddels ook altijd nieuwsgierig naar nieuwtjes...
En dus begon ik met wat luider volume dan gewoonlijk (zodat ik boven de zachte muziek ook in een ruime kring om mij heen goed verstaanbaar was) te vertellen dat mijn 'roots' in het dorp lagen en Schinveld feitelijk heilige familiegrond was, ja meer nog, één van mijn directe voorouders was er eind achttiende eeuw landeigenaar, pachter en zelfs 'tiendheffer' geweest op de statige Schinvelderhoeve (Huis Heyenhoven)!


Mijn verhaal maakte enige indruk. Er werd om mij heen gemompeld en hier en daar wierp een oudere inboorling een verscholen blik naar de verloren zoon, stamhouder van een inmiddels vergeten Schinvelder elitefamilie!
Nu ik de aandacht had getrokken verschoof ik mijn verhaal vlot naar het boekje van J.H.W. Bosch dat ik graag zou bezitten maar dat o zo onvindbaar was. Ja, zo benadrukte ik met luide stem: "Ik zou er wel vijfenzeventig gulden voor over hebben"! Dat bleek niet tegen dovemansoren gezegd en wat ik had gehoopt en verwacht, gebeurde; de boer man naast mij hapte toe. "O ja? Ik geloof dat ik dat boekje thuis ergens heb liggen...". Hij woonde gelukkig vlakbij en ging het wel even halen. Een kwartier later had ik de felbegeerde publicatie in handen. Even dreigde een kapotte geldautomaat roet in het eten te gooien maar ik gaf hem mijn visitekaartje en hij vertrouwde er op dat ik het geld zou overmaken.
Zo bemachtigde ik dus mijn eerste exemplaar van "Bijdrage tot de geschiedenis van Schinveld". Mijn eerste? Jawel, want het staat hier in tweevoud. Toen ik het enkele jaren later toevallig (veel goedkoper) tegen het lijf liep schafte ik het nogmaals aan. Kennelijk had ik aan mijn jarenlang wanhopig gezoek destijds een trauma overgehouden en wilde ik er zeker zijn dat ik het boek toch echt had; niet eenmaal maar tweemaal...