Posts tonen met het label Isaac le Long. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Isaac le Long. Alle posts tonen

vrijdag 9 januari 2026

300 plaatjes, met en zonder praatjes

Zoals ik wel eens eerder heb verteld begon ik ruim veertig jaar geleden met het verzamelen van 'oud papier'. Het waren vooral losse afbeeldingen uit topografische of geschiedkundige uitgaven uit 17de en 18de eeuw, veelal gemaakt door toen in deze genres populaire graveurs zoals Reinier Vinkeles (1741-1816) en Abraham Rademaker (1676/77-1735). Tegenwoordig koop ik eigenlijk alleen nog maar losse portretgravures (waarom kunt u hier lezen). Dat komt omdat ik me nu de complete uitgaven kan veroorloven waarin mijn losse prentjes van toen zitten. Enerzijds heeft dat natuurlijk te maken met een hoger inkomen, anderzijds met het feit dat de prijzen in het antiquariaat de afgelopen decennia enorm zijn gedaald. Dat laatste is - zoals bekend - dankzij internet, waardoor ook de wereld van het (oude) boek en daarmee het bibliofiele speelveld (zeker vanaf 2000) enorm veranderde. Bovendien - zo mailde mijn blogredacteur Reinder Storm - lijken nieuwe generaties veel minder geïnteresseerd te zijn in antiquarische boeken.

Eerdergenoemde Abraham Rademaker was één van de meeste productieve en populaire graveurs die Nederland heeft gekend. Vele honderden gravures van zijn hand (met name van kastelen/ruïnes, kerken, landhuizen, dorpen en landschappen) zijn gebruikt ter illustratie in diverse achttiende eeuwse uitgaven. In: "Als in een sprookje" heb ik al eens - lang geleden - een gravure van het huis Kostverloren besproken.


De afbeelding daarbij (hierboven) was afkomstig uit: "Kabinet van Nederlandsche Outheden en gezichten..." (Amsterdam, 1725) dat bij boekverkoper Willem Barents verscheen. Dit is verreweg de bekendste uitgave met werk van Rademaker en een van de eerste prentwerken met topografische gezichten van (grote delen van) Nederland. Over de totstandkoming van deze tweedelige uitgave met 300 gravures worden we uitvoerig geïnformeerd dankzij een akte opgemaakt door notaris C. van Loon (d.d. 21 juli 1724). Daaruit blijkt onder meer dat alle 300 afbeeldingen afkomstig waren uit de collectie cq. het (kunst) kabinet van de Londense kunsthandelaar, verzamelaar en koopman Salomon Gautier (overleden 1725).
De totale oplage bestond uit 800 exemplaren gedrukt op diverse papierformaten (In: M.M. Kleerkooper en W.P. van Stockum: "De boekhandel te Amsterdam voornamelijk in de 17de eeuw" ('s-Gravenhage, 1914-1916), blz. 1144). Van de in 1725 verschenen publicatie bezit ik al heel lang de facsimile-uitgave die in 1966 werd uitgegeven door de Europese bibliotheek te Zaltbommel.


De 300 gravures zijn bovenaan genummerd en onderaan voorzien van een titel soms met een jaartal dat betrekking heeft op het voorbeeld waarnaar Rademaker zijn gravure vervaardigde. Bovendien staat daaronder in drie talen; Nederlands (Nederduits!), Frans en Engels een korte toelichting. 


Dezelfde serie van 300 genummerde afbeeldingen werd 25 jaar later nogmaals uitgegeven onder de titel: "Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche outheden" (Amsterdam, 1750) bij de Amsterdamse boekdrukker/-verkoper Isaak Tirion. Ditmaal echter zonder de drietalige toelichting en de afbeeldingen telkens twee op één bladzijde.


Eind vorig jaar kocht ik via eBay bij Octopus Biblio voor een vriendenprijs: "Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden... Geöpent, Opgeheldert en Wydlopig Beschreven in Steden, Dorpen, Sloten, Adelyke Huizen, Kloosters, Kerken, Godshuizen, Poorten, en andere voorname Stadt- en Landgebouwen … in 300 verscheide printtafereelen vertoont door Abraham Rademaker" (Dordrecht 1727-1733). Getuige het ex-libris dat in elk deel tweemaal aanwezig is (zowel voor- als achterin!) stond deze set twee eeuwen geleden in de bibliotheek van E(rnest) van Havre uit Rijsel/Lille (1819-1880).


Het is de tweede druk die door Abraham Blussé en Zoon werd uitgegeven in Dordrecht tussen 1770-1771. Ook in deze uitgave staan alle 300 genummerde afbeeldingen van Rademaker, ditmaal voorzien van een uitgebreide historische toelichting door Matthaeus Brouërius van Nidek (1677-1742) en Isaac Le Long (1683-1762).
Beide heren waren daartoe uiterst deskundig. De ziekelijke Van Nidek (hij was alleen bij de eerste delen van de zes betrokken) had zijn sporen verdiend door zijn medewerking aan verschillende historische en topografische naslagwerken waaronder Halma's: "Tooneel der Vereenigde Nederlanden..." (Leeuwarden, 1725). Le Long was antiquarius, uitgever van historische bronnen en bibliofiel, nu vooral bekend van zijn "Boek-zaal van Nederduitsche Bijbels" (Hoorn, 1764). Jaren later zou hun uitgave van het Kabinet nogmaals (tussen 1792-1805) verschijnen bij J.A. Crajenschot, bewerkt door J.H. Reisig (1749-1794) en A.B. Strabbe (1741-1805) en uitgegroeid tot acht delen. Ook in deze laatste editie zitten de genummerde gravures weer per twee op één blad, zoals eerder in de uitgave van Tirion!

Tot slot moet hier nog een vierde publicatie worden vermeld, getiteld: "Versameling van 100. Nederlantse outheden en gesigten door A. Rademaker in 't koper gebragt door I.M. Bregmagher" (Amsterdam, 17..[26?]) uitgegeven bij Ysak Greve. Noch van de graveur noch van de uitgever is wat bekend. Van deze uitgave verscheen een facsimile in 1981 bij Repro-Holland BV (Alphen aan den Rijn). In deze uitgave zijn alle 100 gravures ongenummerd en niet gesigneerd. Onder elke afbeeldingen (meestal twee, soms één op een blad) staat in cursief een korte toelichting die overeenkomt met de toelichting van de afbeelding in de drietalige uitgave van 1725, verschenen bij Willem Barents.


Kortom 300 gravures van Abraham Rademaker die in drie, soms vier verschillende uitgaven voorkomen, soms genummerd en gesigneerd, soms met toelichting of historische context, soms zonder... Dat zegt enerzijds wel iets over de populariteit van deze afbeeldingen, anderzijds verklaart het waarom thans grote hoeveelheden daarvan (los) door het antiquarisch circuit zwerven. Het betekent ook verwarring bij verzamelaars, antiquaren, musea, archieven en (universitaire) bibliotheekcollecties. Want uit welke uitgave is het prentblad nu afkomstig? Heel vaak wordt in (collectie)beschrijvingen in algemene termen verwezen naar 'Rademakers Kabinet', maar zoals ik hierbij - 'ter lering ende vermaak' - aan de hand van de gravure van de Amsterdamse Schreierstoren ('Schreiërshoek') - aanschouwelijk maak zijn er tot wel vier verschillende mogelijkheden!

Ik wens al mijn boekliefhebbende en/of bibliofiele Blog-, Twitter-, Mastodon-, dan wel Blueskylezers, een geslaagd, voorspoedig en boekrijk 2026!

vrijdag 25 december 2015

De veiling van een winkeldochter


Voor en na de prijsuitreiking van de Best Beschreven Boeken, zondag 15 november, bezocht ik natuurlijk ook de boekenmarkt in de Amsterdamse Hallen om te snuffelen en te sneupen.
Al kuierend en drentelend kwam ik langs de kraam van veilinghouder Vincent Zwiggelaar die mij de catalogus voor zijn decemberveiling in handen drukte. Altijd leerzaam en leuk leesvoer voor aan het einde van de dag, om thuis op de bank achteloos door te bladeren. Ik zag verschillende interessante kavels maar één daarvan trok mijn bijzondere aandacht.

Het was kavel nr. 396: “Spiegel Historiael of Rijmkronijk van Jacob van Maerlant met aanteekeningen door Mr. Jacob Arnout Clignett en Mr. Jan Steenwinkel, compleet in 4 delen. Leiden, Amsterdam, Frans de Does, M.F. Pieper, G. van Teyn, 1784-1849, uniform gebonden, half linnen.”


Ik heb u wel eens verteld dat de heruitgaven van middeleeuwse kronieken en geschriften die vooral in de zeventiende en achttiende eeuw verschenen één van mijn verzamelgebieden is.
Jacob van Maerlant (ca. 1235- ca. 1300), de ‘vader der Dietse dichtren algader’, stond daarom al lange tijd op mijn verlanglijstje met zijn magnum opus; de ‘Spiegel Historiael’.
Het is de allereerste wereldgeschiedenis (ruim 90.000 verzen) in onze volkstaal, een bewerking van het ‘Speculum Historiaele’ van Vincent van Beauvais (ca. 1190-1264).
Maerlant heeft dit werk niet helemaal kunnen voltooien. Opvolgende bewerkers waren Filips Utenbroeke (ca. 1300) en Lodewijk van Velthem (ca. 1260/1275-na 1317). Van de laatste had ik al de voortzetting voor het eerst uitgegeven in 1727 door Isaac le Long.


De Koninklijke Bibliotheek bezit het enige complete en geïllustreerde exemplaar van Maerlants’ ‘Spiegel Historiael’ (met 19 gehistoriseerde initialen en 43 miniaturen).
Dit handschrift vervaardigd rond 1330, werd in 1782 gekocht op een boekenveiling in Gent door Jacob Aernout Clignett, over wie straks meer, en geldt als topstuk in de collectie (signatuur KA XX).

Wie meer wil weten over Jacob van Maerlant en de tijd waarin hij leefde kan ik van harte het bekende werk van Frits van Oostrom aanbevelen; “Maerlants Wereld” (Amsterdam, 1996) dat antiquarisch overvloedig tegen kleine prijzen beschikbaar is.


Dat geldt niet voor de uitgave van de ‘editio princeps’ van Maerlants ‘Spiegel Historiael’ waarmee werd begonnen aan het einde van de achttiende eeuw. Sporadisch worden nog wel eens de eerste twee delen aangeboden (op Antiqbook vond ik één exemplaar in nieuwe banden voor € 90,- euro) maar de complete serie is zeldzaam (en daarom kostbaar).
Dat komt vooral omdat er een grote tijdspanne zit tussen de verschijning van de eerste twee delen (1784/1785), deel drie (1812) en deel vier (1849). Dat verschijnsel doet zich wel vaker voor bij oude seriewerken.
Lees bijvoorbeeld het verhaal over mijn achttiende eeuwse stadsbeschrijving van Amsterdam door Jan Wagenaar (1709-1773), met het vaak ontbrekende vierde deel of over die prachtige ‘boekwinkeltjesvondst’, een originele Engelse uitgave van Carter en Mace: “The Tomb of Tut-Ankh-Amen”, waarvan deel drie schaars is (en nimmer werd vertaald in het Nederlands).

Voor zover ik wist bood alleen antiquariaat Forum (het duurste antiquariaat van Nederland) een complete vierdelige set aan van de ‘editio princeps’. Die vond ik daar al ruim drie jaar geleden voor de topprijs van € 1250,- euro (exclusief 6 % btw)!
Onbereikbaar voor mijn portemonnee toen en nu.
De richtprijs bij Zwiggelaar bedroeg slechts een luttele € 80,- tot € 160,- euro (exclusief veilingkosten). Dergelijke bedragen heb ik graag over voor deze serie en dus besloot ik een schriftelijk bod uit te brengen van maximaal € 180,- euro.
Daarna begon een periode tussen hoop en vrees.
Gelukkig staan de opbrengsten nog tijdens de veiling op internet en constateerde ik tot mijn grote vreugde dat ik voor € 120,- euro (met veilingkosten € 150, - euro) eigenaar was geworden!
Die vreugde hoef ik u niet uit te leggen, dat begrijpt elke boekenliefhebber wel. Maar het muisje had inmiddels een onverwachts staartje gekregen!


Ondertussen was ik namelijk op de website van antiquariaat Forum tot de verbijsterende ontdekking gekomen dat hun set identiek is aan mijn nieuwe aanwinst! De enige complete en uniform gebonden serie die antiquarisch werd aangeboden had bij hen al die jaren blijkbaar geen koper gevonden en was - gedegradeerd tot winkeldochter - naar de veiling gebracht. Op die manier kwam ik dus via Zwiggelaar auctions in het bezit van deze fraaie serie voor nog maar een tiende van de oorspronkelijke vraagprijs!

Er valt meer over deze uitgave te vertellen dan binnen één blog past, dus ik zal mij beperken.
Al vanaf 1782 konden geïnteresseerden op de ‘Spiegel Historiael’ intekenen. De eerste twee delen kostten na verschijning in 1786 ruim zeven gulden. In het eerste deel zat de enige illustratie, een “pourtrait van den ouden dichter”. Het is een fantasie portret van Leendert Brasser (1727-1793) dat teruggaat op een afbeelding op een balksleutel in de vierschaar van het stadhuis te Damme (België), gemaakt door beeldhouwer Wouter van Inghen in 1465.


Over de bewerkers van de eerste twee delen, Jacob Arnout Clignett (1756-1827) en Jan Steenwinkel (1754-1812) staat uitgebreide informatie in een interessant artikel door Jos van Heel: “Jacob Arnout Clignett en Jan Steenwinkel als verzamelaars van Middelnederlandse handschriften” ( in: “Jaarboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen 2010”, blz. 137-171).
Beiden – zo lees ik daar – waren afgestudeerd in Leiden als jurist en sinds 1782 lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.


Clignett zou zich ontpoppen als boekendief. Hij ‘leende’ belangrijke middeleeuwse handschriften uit de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde met de bedoeling ze uit te geven. Vaak zette hij zijn handtekening er in en nummerde hij de pagina’s zodat hij zijn aantekeningen naar een bladzijde kon laten verwijzen. Na verloop van tijd beschouwde hij ze min of meer als zijn persoonlijk eigendom en werden uiteindelijk zelfs enkele kostbare handschriften ter veilingen aangeboden!
Toen de Maatschappij zover was om hem als lid te royeren hield Clignett de eer aan zichzelf en vertrok.


Steenwinkel zou vele jaren later ook de bewerking van deel drie voor zijn rekening nemen. Dat zag met veel moeite het licht in 1812 vlak nadat Steenwinkel zich had opgehangen in zijn bibliotheek. Hij bleek gelden waarover hij als vrederechter van het kanton Harderwijk ambtshalve de beschikking had voor eigen gebruik te hebben aangewend.
Deel vier ten slotte verscheen uiteindelijk pas in 1849. De bewerker daarvan was Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869) die twee jaar later nog een aanvullend deel publiceerde: “Aanteekeningen op het vierde deel van den Spiegel Historiael van Jacop van Maerlant” (Deventer, 1851).


Tussen 1857 en 1879 verscheen er een nieuwe bewerking van dr. M. de Vries en dr.
E. Verwijs in vier delen bij uitgeverij Brill in Leiden. Van deze uitgave is in 1982 nog een anastatische herdruk uitgekomen bij Hes-De Graaf publishers, destijds onderdeel van antiquariaat Forum en sinds 2014 in handen van Koninklijke Brill N.V. Ook die ooit zo prijzige herdruk blijkt een winkeldochter te zijn, die antiquarisch al opduikt voor prijzen rond de vijftig euro.

vrijdag 18 september 2015

Een 'Naamlijst der inteekenaren'

Gerrit Engelberts Gerrits (1795-1881) was een leraar geschiedenis die een flinke hoeveelheid boekjes heeft geschreven, vooral voor het onderwijs. Niet lang geleden kocht ik de tweedelige derde ’verbeterde en vermeerderde’ uitgave in originele luxe uitgeversbanden van zijn: “Keur van Gedenkwaardige tafereelen uit de geschiedenis der Nederlanden, van de vroegste dagen tot op den tegenwoordigen tijd” (Amsterdam, z.j.).
Goedkoop, want slechts voor de helft van de prijs die er doorgaans voor wordt betaald.


À propos! Bij de antiquarisch aangeboden exemplaren die ik vond telt deel twee telkens 266 bladzijden en bij mij 308! Toen ik vervolgens de inhoudsopgave erop nasloeg kwam ik tot de ontdekking dat hoofdstuk XVIII (5 februari 1831-1836) het laatste hoofdstuk zou moeten zijn maar mijn uitgave telt er toch echt drie meer!
Hoofdstuk XIX (1833-27 november 1840), XX (28 november 1840-1848) en het laatste hoofdstuk XXI (1849-1855) worden niet in de inhoudsopgave vermeld!

Volgens de informatie op internet is die derde druk van 1835 maar in mijn uitgave gaat de laatste alinea over de langdurige en zware winter van 1855; “die de liefdadigheid van het Nederlandsche volk op eene harde proef stelde, vooral toen in de maand Maart ijsgang en overstrooming duizenden onzer landgenooten, in Noord-Brabant, Gelderland en Utrecht, eenklaps van al hunne have en goed beroofden” (Deel II, blz. 307).


De oplossing vond ik in het ‘Nieuwsblad voor den Boekhandel’ (jaargang 22, 1855) waarin melding wordt gemaakt van de aanvulling op de uitgave van 1835. Daarvoor werd de tekst op de laatste pagina van de uitgave (bladzijde 265) tekstueel aangepast, opnieuw gezet en gelijk met de aanvullende laatste drie hoofdstukken (t/m bladzijde 308) gedrukt en bijgebonden.
Ik heb kortom een verbeterde, vermeerderde en aangevulde uitgave uit 1855 die niet als zodanig is terug te vinden in Worldcat! Uit de advertentie blijkt tevens dat mijn set in linnen band met vergulde stempels destijds vier gulden vijfentwintig kostte.

Die vergulde stempels op beide voorplatten laten een stapel zien van in en over elkaar vervlochten attributen zoals een anker, musket, zwaard, kanon op een rolpaard, verrekijker, (lof)trompet en lauwertakken. Allemaal symbolische verwijzingen naar Nederlands heldhaftige en roemrijke verleden.


Dat herdrukken en aanvullen (de eerste druk verscheen in 1825) zegt wel iets over de populariteit van dit geschiedenisboek voor het onderwijs in de negentiende eeuw. Overigens was deze uitgave niet bedoeld voor de leerlingen.
Uit het voorwoord blijkt dat Gerrits ze had geschreven voor de onderwijzer om stof te bieden voor zijn geschiedenislessen en om uit voor te lezen.

Een interessant onderdeel in deel twee vind ik de ‘Naamlijst der inteekenaren’.
Die kom ik wel vaker tegen in mijn 18de en 19de eeuwse boeken. Het fenomeen intekenlijst dateert uit het einde van de 17de eeuw.
Volgens Marjan Ligtelijn die hierover schreef in: “‘Namen der Heren intekenaren’ als historisch bronnenmateriaal” (In: “Bladeren in andermans hoofd: over lezers en leescultuur”, Nijmegen, 1996) is (voor zover bekend) in de Republiek de eerste uitgave waarop kon worden ingetekend in 1661 verschenen
Verkoop door intekening had voor de uitgever zo zijn voordelen. Aanbetaling, gespreide productiekosten, een indicatie van de benodigde oplage en een min of meer verzekerde afname waren de meest voor de hand liggende.

Intekenlijsten zijn vaak alfabetisch op naam en geven soms meer informatie zoals beroep/functie, woonplaats en het aantal boeken waarop men intekende.
Intekenaren zijn niet altijd lezers! In de lijsten komen ook veel boekhandelaren voor die in opdracht van klanten handelden of het boek als handelswaar kochten. Het is dus moeilijk om conclusies te trekken over de leescultuur destijds op basis van dergelijke lijsten.
Zo komen er bijvoorbeeld opvallend weinig vrouwen voor in de vroegste lijsten.

Bijzonder is daarom de intekenlijst in mijn: ”Spiegel Historiaal of Rym-Spiegel; zynde de Nederlandsche Rym-Chronyk van Lodewyk van Velthem…” (Amsterdam, 1727), een uitgave van Isaac Le Long (1683-1762).
In de ‘Naamlyst der heeren inteekenaars van dit werk’ komen we twee dames tegen:
‘Susanna Lups’ en ‘Juffrouw Radys’. Het is een vroege vermelding van twee vrouwen die zeer waarschijnlijk intekenden uit interesse en om het boek ook werkelijk te lezen.


Terug naar de intekenlijst in Gerrits.
Die bevat de namen van 324 inschrijvingen op de uitgave van 1835 waarvan bijna de helft (147) boekhandelaren. Ze zaten door heel Nederland en tekenden bovendien vaak in op meerdere exemplaren. Topbestellers waren: J.B. van Loghem in Haarlem (20 exemplaren) en J. Groot en Co. in Zaandam (14 exemplaren) terwijl acht andere boekhandelaren (in de steden Rotterdam, Middelburg, Den Haag Coevorden, Leeuwarden en Amsterdam) goed waren voor ieder dertien exemplaren.

Daarnaast treffen we in de lijst zes leesgezelschappen aan en één bibliotheek:
- Leesgezelschap ‘Het Onderwijzend’ uit Rotterdam,
- G.H. Broekman, voor het leesgezelschap ‘Tot Nut en Uitspanning’ te Vianen,
- C.S. Ruring, voor het leesgezelschap ‘De Cirkel’ te Amsterdam,
- A.H. Witsenborg, voor het leesgezelschap ‘Tot Nut en Uitspanning’ te Hoogeveen,
- P.J. Zaalberg, voor het leesgezelschap ‘Lust tot Onderzoek’ in Nieuw-Beijerland,
- V.D.M. van Leeuwen voor het leesgezelschap te Berg Ambacht en
- De algemene bibliotheek in Zwolle.
De overige inschrijvingen zijn vooral van middenstanders, waaronder natuurlijk onderwijzers en kostschoolhouders.

Totaal werd er ingetekend op bijna 700 exemplaren. 220 intekenaren bestelden er ieder één de overige 104 wilden er twee of meer en waren goed voor totaal 476 exemplaren.

Tegenwoordig kun je nieuwe boeken vaak tegen een gereduceerde voorverkoopprijs bestellen. Intekenen komt nog maar een enkele keer voor en intekenlijsten voor- of achterin nieuwe boeken zijn een uitzondering geworden.
Het heeft wel wat – vind ik - om je naam terug te vinden in zo’n lijst. Alsof je een persoonlijke bijdrage aan de uitgave hebt geleverd (wat in financiële zin vaak zo is).
Het is het eerste waar je naar kijkt als je de uitgave eindelijk ontvangt. ‘Kijk, daar sta ik’.
Een trots gevoel bekruipt me dan, behalve die ene keer toen ik mijn naam onjuist gespeld terugvond.
Ik heb dat boek sindsdien nauwelijks meer aangeraakt.

maandag 3 december 2012

Drama achter een boek

Het oude boek bevat meerdere verhalen. De gedrukte tekst is er één van. Daarnaast vertellen zaken als bindwijze, band en herkomstkenmerken zoals een ex-libris of handgeschreven aantekeningen hun eigen verhaal.
Veel blijft desondanks verborgen zoals de relatie tussen de auteur en de drukker, kosten, oplage, verspreiding, ontvangst bij het publiek. Het verhaal achter het boek is vaak minstens zo spannend of, zoals in dit geval, dramatisch.

Isaac le Long (1683-1762) is bij de liefhebbers van het oude boek een bekende bibliofiel. Hij bouwde een formidabele collectie op, maar hoe hij die betaalde en waar hij zijn schatten vandaan peuterde is vrij duister.
Nog bij leven en welzijn liet hij zijn collectie veilen. Uniek drukwerk werd voor dubbeltjes verkocht en de hele collectie (385 manuscripten en ongeveer 6500 incunabelen, postincunabelen e.d.) bracht amper 5.000 gulden op.

 
Als Le Long ter sprake komt, zoals bij P.J. Buijnsters in zijn boeken over het Nederlands antiquariaat en de Nederlandse bibliofilie, wordt steevast gerefereerd aan de “Boek-Zaal der Nederduytsche Bybels” (Amsterdam, 1732), dat nog steeds bruikbaar is. Le Long’s andere publicaties worden niet vaak genoemd of het moet gaan om zijn ‘getrouwelyk uytgegeven’ ”Spiegel Historiaal of Rym-Spiegel; zynde de Nederlandsche Rym-Chronyk van Lodewyk van Velthem…” (Amsterdam, 1727). Een uitgave extra interessant door de bijgevoegde naamlijst ‘der heeren inteekenaars van dit werk’, waaronder twee vrouwen: Susanna Lups en Juffrouw Radys.


Een paar jaar geleden kon ik een exemplaar bemachtigen van zijn: “Historische beschryvinge van de reformatie der stadt Amsterdam…” (Amsterdam, 1729). Een boek waar eenentwintig jaar later door de stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773), in zijn inleiding op de driedelige geschiedenis van Amsterdam, weinig vleiend over werd geschreven. De uitgave was volgens Wagenaar min of meer een uitvloeisel geweest van een mislukt project om een nieuwe beschrijving van Amsterdam uit te geven waarbij Le Long betrokken was geweest. Het boek vond hij geen vlees en geen vis. Het droeg weinig bij aan de in 1694 verschenen tweedelige stadsbeschrijving door Caspar Commelin (1636-1693) en voor wat betreft de geschiedenis van de reformatie was het werk van Gerard Brand (1626-1685) veel beter.
Dat er een bijzonder verhaal achter deze uitgave van Le Long zat was me al gebleken uit zijn eigen enigszins raadselachtige woorden in het ‘Bericht aan den leeser’: “Hadden andere, die ik altydt voor myne goede Vrienden heb gehouden, in de plaats van my wat honing om den mondt te smeeren, sonder misleydinge te werk gegaan, soo soude ik dese stoffe tot een ander Werk gebruykt hebben.. ”. Met dat andere werk werd natuurlijk dat mislukte project bedoeld, maar wat was er precies gebeurd?
Na geduldig zoeken in mijn bibliotheek vond ik een uitvoerig antwoord in het onvolprezen standaardwerk van mejuffrouw I.H. van Eeghen (1913-1996): “De Amsterdamse boekhandel 1680-1725” (Amsterdam 1960-1978, deel IV, blz. 121 t/m 124).
 
In 1723 verwierven een viertal boekhandelaren (Andries van Damme, Johannes Ratelband, Antony van Aaltwijk en Hermanus Uytwerf) de rechten op de eerdergenoemde Amsterdamse stadsbeschrijving door Caspar Commelin. Hun bedoeling was om te zijner tijd een derde aanvullend deel uit te geven. Om de bezitters van de eerste druk niet te benadelen verscheen daarom (ruim dertig jaar later!) in 1726 de tweede druk van Commelin’s uitgave ongewijzigd, maar met ‘verbeeterde figuren’.
Ondertussen werd er druk documentatie- en illustratiemateriaal verzameld waaronder afbeeldingen uit de atlas van Andries Schoemaker (1660-1735). Le Long die bij dit proces betrokken was en contacten onderhield met de boekhandelaren Van Damme en Ratelband moet enige tijd in de veronderstelling zijn geweest dat hij het vervolgstuk zou schrijven.
Groot was zijn teleurstelling toen bleek dat de advocaat Pieter Vlaming (1686-1733) zich hiermee bezig hield. Daarop besloot Le Long om met zijn documentatie-materiaal ‘over te lopen’ naar de uitgeverij van Johannes van Septeren, waarvoor hij veel vertaalwerk deed. Van Septeren rook een buitenkansje en kondigde eind 1728 de verschijning aan van Le Long’s boek dat het jaar daarop uitkwam onder de titel: “Historische beschryvinge van de reformatie der stadt Amsterdam…”.

 
Ondertussen lieten de vier boekhandelaren het er echter niet bij zitten en waarschuwden zij in advertenties potentiële kopers en lezers voor het  “zoogenaamde fraeije werk” van Le Long dat op een “baetzuchtige en malitieuse wijze in ’t licht is gekomen, dat so’er al iets in mocht zijn van waerde, ’t zelve onder een veel grooter verzameling van gedenkstukken tot de geestelijke gestigten van Amsterdam specteerende, binnen den jare 1729, het licht zal zien, in ongelijk schooner luyster en order, door de heer Pieter Vlaming…”.
 
Bovendien ondernamen zij juridische stappen en met succes. Van Septeren werd gedwongen om met hen een zeer nadelige overeenkomst aan te gaan die inhield dat hij: “alle de platen behorende tot dat werk mitsgaders ’t regt van copij aen deselve heeft moeten overgeven en daerenboven volgens contract belooft te betalen ƒ 750,- zijnde het selve boek daardoor en door de tegen advertissementen in sodanig discredit gebragt dat genoegsaam alle die hem bestelt waren zijn afgeschreven en de exemplaren die eers voor ƒ 10,- zijn verkogt naderhand in publicque verkoping niet meer als ƒ 3.5,- hebben mogen gelden, waerdoor hij groote schade heeft geleden als hebbende den req. ’t selve werk gekost aen den schrijver ƒ 1425,-, aen drukloon van groot en klijn papier ƒ 1100,-, aen drukloon van de platen ƒ 420,-, aen drie plaatsnijders voor de platen ƒ 1400,-, aen bourdeaux drukpapier ƒ 875,-, aen mediaen schrijfpapier ƒ 350,- aen de vergaerder ƒ 40,-, (tezamen) ƒ 5600,-, waertegens hij van de verkogte exemplaren heeft ontvangen ƒ 1350,- en zulx aen schade ƒ 4250,-“. 
 
Voor Van Septeren was het de druppel die de emmer deed overlopen. Hij ging failliet en dat betekende het einde van zijn uitgeverij. En de uitgave van Pieter Vlaming?
Die is nooit verschenen; hij overleed een paar jaar later.


donderdag 8 maart 2012

Druckfaelen


“Belofte van beterschap, is de kortste weg, om vergeeving te ontvangen voor een begaanen misslag. Een misslag is door ons begaan, van welken wij geene reden kunnen geeven. De Leezer van het Vierentwintigste Deel, tot bladz. 208 gevorderd zijnde, ontmoet, op de volgende bladzijde, de zelfde woorden.
Zo dra ons dit in ’t oog liep, naa dat het Deel reeds in ’t licht gegeeven en verzonden was, stonden wij als voor ’t hoofd geslagen. De Uitgeever en de Verzamelaar keeken elkander aan met verwondering; de eerste was t’onvreden op den laatsten; en deeze was gemelijk op zich zelven. Verscheiden oorzaaken diens misslags liet hij in ’t hoofd omloopen; geene van allen voldeedt hem; ook niet die van onagtzaamheid: want hij stelt te veele waarde in zijn Werk, dat hij ‘er alle noodige aandagt niet aan zoude te koste leggen.

Verdrietig en vermoeid van gissen, wierdt hij, eindelijk, te raade, niet om schuld te bekennen: want hij is er nog niet van overtuigd dat ‘er schuld bij hem plaats heeft, - maar te belooven, een toeziend oog te zullen houden, dat in ’t toekomende niets van dien aart wederom gebeure. Op deeze voorwaarde vleit hij zich, bij den inschikkelijken Leezer, vergeeving te zullen vinden. Want met het ‘opere in longo fas est oprepere somnum’ van Horatius wil hij zich niet behelpen; hoewel het den onpartijdigen, en die kennis van zaaken draagen, niet vreemd kan voorkomen, dat in een Werk, welk reeds tot over de negenduizend bladzijden is uitgedijd, zulk een mislag, als nu beleeden wordt, althans éénmaal heeft plaats gehad.
Voor ’t overige herhaalt hij een verzoek, om aanwijzing van weezenlijke misstellingen, welke in een Werk van deezen aart bijkans onvermijdelijk zijn; met belofte van ter bekwaame plaatze van dezelve te zullen gebruik maaken. Dewijl het den Uitgeever, zo min als den Verzamelaar deezes Woordenboeks, niet om ’t even is, hoedanig hun Werk in de waereld verschijne, deedt hen de bescheidenheid, welke zij den Leezer toedraagen, het bovenstaande berigten
”.

Met de bovenstaande breedsprakige boetedoening start deel vijfentwintig van het “Vaderlandsch Woordenboek” (Amsterdam, 1791).


Wie boeken verzamelt uit de tijd dat boeken nog met de hand werden gezet, gedrukt en gebonden zal daarin regelmatig zet-, druk en bindfouten tegenkomen. Een verkeerde paginanummering is wel het meest voorkomend. Daarvan werd in de desbetreffende uitgaven zelden melding gemaakt maar in latere bibliografische overzichtswerken, antiquariaat- en veilingcatalogi worden ze wel vaak genoemd.
Bij het collationeren van een exemplaar c.q. het beoordelen of het boek compleet is, zijn die dan ook onmisbaar. Een berucht voorbeeld is de stadsbeschrijving van Amsterdam door Olfert Dapper (1636-1689) uit 1663. Wouter Nijhoff maakt daarover in zijn: “Bibliographie van Noord-Nederlandsche plaatsbeschrijvingen tot het einde der 18de eeuw” (Den Haag, 1953) de volgende opmerking: “Na blz. 48 volgen 8 ongen. blz. daarna 49-152 dan 145-152, nog eens 145-155, 148-149, 158-456, 449-456, nog eens 449-456 en ten slotte 449-552, dus tezamen 600 blz.” Een warboel dus.


Persoonlijk vind ik de zetfouten wel leuk, zeker als ze bij de auteur aanleiding geven tot breedsprakige opmerkingen, zoals hierboven, of regelrechte beschuldigingen zoals in de “Chronyck van Hollandt, Zeelandt, ende Westvrieslandt, door Johan Veldenaer…” (Leiden, 1650). Onder het kopje ‘Druckfaelen’ heeft de enigszins verbolgen bewerker van deze kroniek het over fouten “ingeslopen door ons afwesen…” en erger, “door de setters plompheyt”.

Heel gebruikelijk was het wegwerken van fouten door strookjes papier met de juiste tekst. Een voorbeeld daarvan trof ik aan in de “Oude Hollandsche Geschiedenissen ofte, Corte Rym-Kronyck…” (Amsterdam, 1645) van Caspar Wachtendorp.
Hierin werden in de opdracht de voornamen van twee oud burgemeesters (Cornelis de Graaf en Wouter Valckenier) verwisseld en met een correctiestrookje verbeterd. Correctiestrookjes houden overigens lang stand.
Zo zien we onderaan de titelpagina van “De Suikerhandel van Amsterdam, van het begin der 17de eeuw tot 1813” (Den Haag, 1908) dat de oorspronkelijk uitgeverijnaam en plaats (J.L.E.I. Kleynenberg, Haarlem) zijn weggewerkt met een strookje waarop de Haagse uitgever (en antiquaar) Martinus Nijhoff staat.


Niet alleen bij teksten ging het wel eens fout.
In mijn exemplaar van Isaac le Long: "Historische beschryvinge van de Reformatie der stadt Amsterdam…” (Amsterdam, 1729) staat in het “Bericht voor den Boekbinder, waar de losse Plaaten moeten geplaatst worden” dat bij pagina 520 een blad moet komen met de ‘Processie der Lazarussen’ (boven) en ‘D’oude Kerk na Ao. 1566’ (onder). Op het betreffende blad echter treffen we de onderste afbeelding niet aan maar in plaats daarvan een afbeelding van de Nieuwezijds Kapel.
De fout werd echter tijdig bemerkt door de drukker die er voor koos om dan maar de afbeelding van de Oude Kerk onderaan op het blad te zetten waar volgens het ‘bericht’ de Nieuwezijds Kapel zou moeten staan. Alle afbeeldingen zitten zo compleet in het boek en de verwisseling valt niet direct op, tenzij je het ‘bericht’ achterin controleert….