Posts tonen met het label Doodstraf. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Doodstraf. Alle posts tonen

vrijdag 27 maart 2015

Een hangplek naar keuze


Nadat ik op het blog van de Stichting Jacob Campo Weyerman het stukje over:
Het levenloze lichaam van Johannes Rannink” had gelezen en een dag later via: “Merkwaardig (week 12)” over het galgenveld op Volewijck (aan de overkant van het IJ bij Amsterdam) kreeg ik lust om eens iets te schrijven (want veel is niet bekend) over de voormalige galgen(velden) in mijn woonplaats Amstelveen.

Eigenlijk is 'hangplek' een beter woord. Het ging namelijk veelal om het ophangen en tentoonstellen van lijken op afgelegen locaties. Het voltrekken van het eigenlijke vonnis (de dood door de strop was slechts één van de vele manieren waarop misdadigers vroeger aan hun einde kwamen) vond meestal plaats op een meer centrale plek, ‘ter leering ende vermaeck’! In Amsterdam was dat op de Dam voor het stadhuis of op de Nieuwmarkt voor de Waag, waarna het lijk werd opgehangen op Volewijck.

De gemeente Amstelveen (voor 1964 bekend onder de naam Nieuwer-Amstel) neemt een vrij unieke plaats in als het gaat om hangplekken. Het is bij mijn weten namelijk het enige gebied in Nederland waar tegelijkertijd op drie verschillende locaties een galg heeft gestaan!

Van de meest bekende van deze drie, de galg in het dorp Amstelveen voor de dorpskerk en tegenover het oude rechthuis, bezit ik meerdere afbeeldingen. De vroegste stamt uit het midden van de zeventiende eeuw en is als illustratie opgenomen in: “Historische beschryving der Stadt Amsterdam” (Amsterdam, 1663) van Olfert Dapper (1636-1689).


De gravure is niet gesigneerd maar wordt toegeschreven aan de uitgever, boekhandelaar en plaatsnijder Jacob van Meurs (1619/20-1680). Daarop zien we achter de overdekte dorpswaterput (met emmer er voor) drie palen, waarvan twee op flinke hoogte verbonden waren door een dwarsstang (met haken).
Ook Abraham Rademaker (1676/77-1735) heeft deze dorpsgalg afgebeeld in zijn: “Spiegel van Amsterdams zomervreugd, op de dorpen Amstelveen, Slooten en den Overtoom” (Amsterdam, z.j. ca. 1727-1730). De mooiste afbeelding – vind ik - is van Hermanus (Pieter) Schouten (1747-1822) die rond 1800 werd uitgegeven door de bekende Amsterdamse boekhandelaar Evert Maaskamp (1769-1834). Anno 2015 is hier een pleintje. De oude dorpskerk er achter werd in 1866 gesloopt en vervangen door een nieuwe die thans een gezondheidscentrum huisvest. Niets herinnert meer aan deze gerechtsplaats.


De Amsterdamse historieschrijver Jan Wagenaar (1709-1773) noemde deze locatie ‘de gewoonlyke strafplaats’.
Wellicht denkt u nu dat daar mensen werden opgehangen die door schout en schepenen ter dood waren veroordeeld. Dat is niet helemaal juist.
Enerzijds werden hier alle opgelegde lijfstraffen uitgevoerd en niet alleen de doodstraf, anderzijds konden schout en schepenen zelf geen doodstraffen opleggen.
Zogenaamd ‘halsrecht’ behoorde tot het domein van de baljuw van Amstelland als plaatsvervanger van de leenheer (en beroep daartegen was niet mogelijk). Uitsluitend hoge heerlijkheden bezaten halsrecht en Nieuwer-Amstel was van oudsher een lagere ambachtsheerlijkheid, waarin Amstelveen het meest prominente dorp was.
In 1529 kocht Amsterdam de ambachtsheerlijkheid van Reinoud III van Brederode (1492-1556) en werd (tot 1795) telkens één van de Amsterdamse burgermeesters ambachtsheer (sterfheer).

Een vermoedelijk oudere plek, door dezelfde Jan Wagenaar omschreven als de ‘Geregtsplaats van Nieuwer-Amstel’, is het ‘galgeland’ dat in al in vroeg zeventiende eeuwse bronnen als zodanig wordt vermeld.
Het lag aan de Noorddammer Brug bij het dorp (toen gehucht) Bovenkerk, ongeveer daar waar sinds 2007 appartementencomplex ‘La Foresta’ staat.
Dit is de plek waar de in Amstelveen op ‘de gewoonlyke strafplaats’ ter dood gebrachte criminelen uiteindelijk konden uithangen worden opgehangen.


Van deze galg ken ik maar één afbeelding maar wel een die laat zien dat er gebruik van werd gemaakt!
Het is een gravure van Simon Fokke (1712-1784) naar een veel ouder, verloren gegaan, zeventiende eeuws schilderij van Hendrick Averkamp (1585-1634).
Zoals blijkt uit de voorstelling was “Amstelveen, Ao 1624” een waterig en visrijk gebied.
Een lokale visser, met op zijn hoofd een karpoets van bont, haalt juist zijn netten binnen onder het toeziende oog van een ‘stads’ geklede heer met molensteenkraag. Vissen vlak bij de galg is niet zo vreemd als het lijkt. De vetste paling ving je immers naast het galgenland!

Van de derde locatie is de oudste afbeelding te vinden op een schilderij.
Niet zomaar een schilderij maar het beroemde ‘gezicht op Amsterdam in vogelvlucht’ uit 1538 geschilderd door Cornelis Anthonisz. (1505-1553). Dit galgenveld met meerdere galgen is overigens niet zichtbaar op diens befaamde houtsnedenkaart van de stad die in 1544 verscheen. Op een latere 17de eeuwse gravure hiernaar ("Amsterdam vertoonde zigh aldus inden Jare 1500") in Casparus Commelins' tweedelige; "Beschrijvinge van Amsterdam" (Amsterdam, 1694) wel! Het is "Amstellands Gerechtplaats".


Deze lag aan de Heiligeweg vlak boven de stad (grofweg ter hoogte van het huidige Leidseplein). De locatie was niet toevallig gekozen.
Hier stond namelijk sinds eind vijftiende eeuw ook een limietpaal die de grens van de Amsterdamse stads vrijheid/jurisdictie markeerde (100 roeden). Vanuit het zuiden passeerde iedereen op weg van - en naar de stad dit punt. Deze limietpaal is goed zichtbaar op de minuutkaart die Jacob van Deventer (ca. 1500/1505-1575) maakte van de stad rond 1550. Het galgenveld dat er vlakbij moet hebben gelegen op het grondgebied van de ambachtsheerlijkheid Nieuwer-Amstel, is niet ingetekend, wel tekende Jacob van Deventer boven de stad, in het IJ op een eiland (!), de Volewijck waar de Amsterdamse galg vanaf ca. 1360, stond.


Wie hoopt op uitvoerige informatie over deze plekken in: “Galgebergen en galgevelden in West- en Midden Nederland” (Zutphen, 1978) van H.C. Jelgersma komt bedrogen uit. Weliswaar noemt hij het galgenveld buiten de Reguliers poort (aan de Heiligeweg) dat ‘misschien tot een andere jurisdictie behoort’ en weet hij uit een andere bron te melden dat hier op 7 mei 1579 het lijk van een misdadiger op een rad werd gelegd (en zijn hoofd op een staak) maar verder geeft hij geen bijzonderheden over de Nieuwer-Amstelse galgen.


Dat is des te opmerkelijker omdat zijn boekje wél de eerder besproken gravure van Simon Fokke bevat maar in de tekst wordt daar verder niet naar verwezen.
Eveneens tevergeefs zal men bij Jelgersma zoeken naar informatie over de galg tegenover het rechthuis in het naburig dorp Ouderkerk aan de Amstel (gemeente Ouder-Amstel).
Een fraaie ets daarvan door Geertruydt Roghman (1625-1651/1657) verscheen in het midden van de zeventiende eeuw in de serie “Plaisante Landschappen ofte vermakelijcke Gesichten”!
Deze tekortkomingen heb ik dan bij dezen rechtgezet waarbij ik de wens uit dat er ooit nog eens nader archiefonderzoek naar het gebruik van deze plekken wordt gedaan; want wie, waarom en wanneer hier allemaal zijn terechtgesteld is tot op heden vrij duister gebleven. Dat het om meer dan een incidenteel geval moet gaan blijkt wel uit de opmerking in de “Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver” (Amsterdam, 1793-1801) “dat er te Amstelveen zo dikwijls halsrecht gedaan wordt”.


Bij decreet van 6 maart 1795 kwam een einde aan galgen, raden en geselpalen langs de openbare weg als treurig schouwspel van de barbaarsheid in vroeger tijden. De doodstraf werd in Nederland pas in 1870 afgeschaft en het vakkundig opknopen van misdadigers is thans een kunst (waarover ik al eerder schreef) die vrijwel niemand meer beheerst.

De crimineel die echter denkt dat het met het verdwijnen van deze kunst en haar werktuigen in Amstelveen een stuk veiliger is geworden moet ik teleurstellen.
Ik noem slechts een Cor van Hout, Jules Jie, Gwenette Martha en Luciara Luz Xavier…
Als het gaat om het snel en vakkundig opruimen van criminelen hebben we hier een naam hoog te houden!

zaterdag 18 augustus 2012

Handbook on hanging

'Het gewone boek is dood, alleen boeken met een verhaal verkopen nog’.
Dat is zo’n beetje de algemene kreet die je in het antiquariaat hoort.
‘Boeken met een verhaal’ zijn doorgaans boeken met gekke titels en onderwerpen, gesigneerde en gelimiteerde uitgaven. Boeken dus die op een of andere wijze bijzonder zijn.
Vaak zijn dat ook zeldzame en dure boeken maar niet altijd. Je kunt nog steeds een betaalbare bibliotheek opbouwen bestaande uit boeken met gekke titels en onderwerpen.
Een aardige overzicht met opmerkelijke titels geeft het boekje van Russell Ash & Brian Lake: “Bizarre Books. A compendium of classic oddities” (New York, 2007).

Eén van de daarin voorkomende uitgaven kwam onlangs uit het buitenland met de post binnen. Nu heb ik in de afgelopen jaren wel vaker boeken besteld bij antiquariaten ‘in den vreemde’. Altijd echter uit min of meer bekende landen en steden. Dit pakje kwam van het eiland Arran uit het boekwinkeltje van Audrey McCrone in Whiting Bay.
Ik had nog nooit van Arran gehoord; maar dankzij Google weet ik inmiddels dat het voor de Schots-Ierse kust ligt grofweg tussen Glasgow en Belfast. Een bizar boekje dus van een bijzondere plek!

De auteur van dit curiosum is Charles Duff (1894-1966) en de volledige titel luidt:
A handbook on hanging; being a short introduction to the fine art of Execution, and containing much useful information on Neck-breaking, Throttling, Strangling, Asphyxiation, Decapitation and Electrocution; as well as data and wrinkles for Hangmen, an account of the late Mr. Berry's method of killing and his working list of Drops; to which is added a Hangman's Ready Reckoner and certain other items of interest; All very Proper to be read and kept in every Family” (London, 1928).


Dit is de schaarse, eerste editie van zeven die er in de loop der tijd verschenen (de laatste in 2001). Een Amerikaanse uitgave verscheen in 1929 en na de Tweede Wereldoorlog, toen in het Duitse Neurenberg de galg drukke tijden beleefde, kwam er nog een uitgebreide versie: “A New Handbook on Hanging”.
Over het jaar van uitgave,1927 of 1928, bestaat nog wel eens discussie. Er staat namelijk MCMXXVIIJ maar de J is onbekend als Romeins cijfer. Zettersfoutje?
De meeste beschrijvingen houden het maar op 1928.
De voormalige eigenaar heeft een handtekening in mijn exemplaar gezet, onder zijn naamlabel. Niet ongebruikelijk maar wel opmerkelijk want deze ‘Ernest H. Shackleton’ kan niet de beroemde ontdekkingsreiziger zijn geweest die in 1922 stierf… Een onbekende identieke naamgenoot dus (* zie de voetnoot hieronder).


Duff’s familieboek werd geschreven met cynische zwarte humor en is een hommage aan een ondergewaardeerde steunpilaar van de beschaving; de beul.
"Is not a man an artist who can painlessly and without brutality dispatch another man? There is a certain delicacy about the operation which needs a ready eye, a swift-working brain, cool and calculating, and a cleverness which is only to be found in the realm of great arts" (blz. 11).
Zijn betoog is dat de doodstraf weliswaar op verschillende manieren kan worden uitgevoerd (onthoofden, elektrocuteren, wurgen en verstikken worden zijdelings aangehaald) maar dat alleen het ophangen een werkelijk verfijnde kunst is.
Before a man is hanged the hangman has to assume the parts of a mathematician, a scientist, an engineer, and an expert in dynamics. Combined with these he must have the mind of a philosopher and the soul of one who practises art for art's sake. This must be so, because he is so badly paid (£ 10,- per slachtoffer) that nothing but the subconscious drive which impels great artists towards their major achievement could otherwise account for his choice of this greatly under-estimated and somewhat unrespected profession” (blz.14/15).
Overigens dient de doodstraf door ophanging zich niet te beperken tot uitsluitend volwassen mannelijke misdadigers. Misdadige zwangere vrouwen, schrijft Duff, moeten zelfs altijd worden opgehangen. “It will be obvious even to the most innocent reader that, not to hang pregnant women is one way of encouraging sexual misconduct as a means to escape the gallows. It is truly ridiculous that a woman who has committed murder may escape the death penalty by amusing herself with the first man she meets” (blz. 54/55).

Een Engelse beul die veel door Duff wordt aangehaald is James Berry (1852-1913), die twee boeken schreef over zijn methode, ervaringen en belevenissen. Zo leerde ik dat een geslaagde ophanging afhankelijk is van verschillende factoren.
Ten eerste goed materiaal. Een eiken schavot met geolied valluik (3 inch dik) en een hoge kwaliteit strop (“three-quarter inch rope of five strands of Italian hemp is the best for hanging men. Four strands will suffice for women; and even three work well for infants” (blz. 109). De beste plek voor de knoop is achter het linkeroor.
Ten tweede is een juiste berekening van de val (‘the drop’) essentieel. Deze wordt berekend aan de hand van het gewicht van het slachtoffer waarbij tevens wordt gekeken of diens nek gespierd of vlezig is.
It is, of course, necessary that the drop should be of sufficient length to cause instantaneous death, that is to say, to cause death by dislocation rather than strangulation; and on the other hand, the drop must not be so great as to outwardly mutilate the victim”.
Een handige tabel maakt dit overzichtelijk. “An ‘average’ man, of any weight, requires a fall that will finish with a striking force of 24 cwt”, aldus Berry, en dat was meestal zo’n 2.5 tot 3 meter.


De executie vindt plaats in de ochtend, meestal om acht uur.
Tijd speelt verder geen rol. De wet stelt slechts dat men wordt veroordeeld “to be hanged by the neck until death”. Om deze reden blijft het slachtoffer een uur hangen. Mocht de doodsoorzaak niet een gebroken nek zijn dan is het wel verstikking.
Vermoedelijk zal dat alle betrokkenen, inclusief mijn lezers verder worst wezen, uiteindelijk telt het resultaat.

(*) Nieuwsgierig naar wie dit deze naamgenoot kon zijn, stuurde ik in maart 2022 een email naar de website van de familie (Ernest) Shackleton met verzoek om informatie. Ik ontving het volgende antwoord: 
"Thank you for your email. Your book - with its intriguing topic - belonged to Ernest Harvey Shackleton, a barrister’s clerk/lawyer and Freemason. I myself have a book published in 1923 (my cousin the explorer died on 5th January 1922) which belonged to him. Recently the Irish booksellers Eamon de Burca had an item in their catalogue ascribed as belonging to the explorer which I had to point out was misleading and incorrect - especially considering the price! Buyer be very beware. Apparently quite a few of Ernest Harvey Shackleton’s books were for sale in the 1970s with a Thomas Crowe in Norwich.
The printed label nameplate and signature which you show me are characteristic.
I have a lot go knowledge about the Irish branch of our family history - Ernest (explorer) and I are descended from an Abraham Shackleton who came to Ireland from Yorkshire as a teacher in the 1720s.
The surname Shackleton was and is quite common in the Yorkshire area of England - I have yet to find out where Ernest Harvey S.’s people were from. Certainly not related to our branch since the early 18th century.

Yours sincerely,

Jonathan Shackleton.

Jonathan Shackleton FRGS
Lakeview,
Mullagh, via Kells,
County Cavan. A82 X995
IRELAND.
Tel: +353 (0)46 924 2480
Mob: +353 (0)87 2314324".

donderdag 1 oktober 2009

Leesboek voor ter dood veroordeelden


In Nederland werd de doodstraf in vredestijd afgeschaft in 1870. De laatste die hier krachtens een doodvonnis werd opgehangen was Johannes Nathan uit Sittard. Hij was schuldig bevonden aan de moord met voorbedachten rade op zijn schoonmoeder en werd in Maastricht op 31 oktober 1860 in het openbaar opgehangen door de laatste officiële scherprechter in Nederland; de Amsterdammer Dirk Jansen.
Tijdens mijn laatste boekenjacht in Leiden trof ik bij boekhandel De Slegte in de vitrine een curieus boekje aan met de titel: “Leesboek voor GEVANGENEN, inzonderheid die ter dood veroordeeld zijn”. Het is de vierde druk uit 1842, een uitgave van (en gesigneerd door)
M. Wijt & Zonen te Rotterdam, “drukkers van het Nederlandsche Zendeling-Genootschap”. Een eenvoudig boekje in papieren omslag dat, blijkens de achterzijde - “de prijs is 45 Cents”- , destijds te koop was. Na 167 jaar was die prijs inmiddels naar 40,- euro gestegen maar ik heb er geen spijt van, want op het alleswetende internet ben ik dit curiosum (nog) niet tegengekomen.

Het Nederlandsch Zendeling Genootschap (NZG) werd in 1797 opgericht te Rotterdam, met als zinspreuk ‘Vrede door het bloed des Kruises’, zoals ook rond het titelvignet staat.
Het doel van het NZG was niet kerkstichting, maar het brengen van individuen tot een innerlijk doorleefd christendom, gekoppeld aan beschaving. De zending vormde zeker in de 19de eeuw een belangrijke pijler. In 1951 ging het NZG op in de Zending der Nederlands Hervormde kerk. 
Uit het voorbericht blijkt dat de uitgave niet voor Jan en alleman was bedoeld maar voor “geestelijken welke de gevangene misdadigers moeten bezoeken” en voor de gevangenen zelf. Het boekje telt 20 hoofdstukjes.


Hoofdstuk I: “Hartelijk woord aan de Gevangenen” en II: “De Gevangene, welke meent dat hij onschuldig of te zwaar gevonnisd is” zijn nog weinig spiritueel van aard.
Dat verandert met hoofdstuk drie als er overdenkingen of onderwerpen met betrekking tot de verhalen in de Bijbel worden besproken zoals de tweede overdenking ‘Die zijne overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn’ of hoofdstuk XI ‘De twee moordenaars, welke met Jezus zijn gekruist. Luc. XXIII: 39-43’. Wat was de bedoeling van deze uitgave? Ik citeer: “Om maar ronduit te spreken: wij wenschten welmeenend iets toe te brengen tot verzachting van uw lot, tot uwe vertroosting, en opbeuring, tot teregtbrenging en behoudenis van uwe redelijken geest, welke overblijft na de ontbinding van uw ligchaam”. 


Geestelijken die tegenwoordig de ter dood veroordeelden bezoeken in bijvoorbeeld de ‘Death row’ van een Amerikaanse gevangenis raad ik aan een andere benadering te kiezen, maar in de 19de eeuw begon het eerder gemelde ‘hartelijk woord’ met de volgende bemoedigende openingszin: “Ongelukkige medereizigers naar de eeuwigheid. Met een deelnemend, ja, diep bewogen hart treden wij uwen kerker in, en brengen u, door dit geschrift een bezoek in uwe banden”. Zo! Dat moet al een hele troost geweest zijn…

Thans spelen zaken als forensisch onderzoek, dactyloscopie en DNA-onderzoek een grote rol in een veroordeling, zeker in die gevallen waarin de doodstraf wordt geëist, maar in 1842 bestond dat allemaal nog niet. Men vertrouwde op het goede in de mens, de beschaafde maatschappij en op een rechtvaardige God. Hoofdstuk II begint dan ook met de constatering : “Zeer zeldzaam, men mag wel zeggen, zedelijk onmogelijk zijn de voorbeelden, dat iemand in eene welgeregelde maatschappij, onder eene wijze en goede regering, onschuldig ter dood veroordeeld, en ter dood gebragt wordt: evenwel natuurkundig onmogelijk is het niet dat zulks eene enkele keer geschiede”.

En mocht dat zeldzame natuurkundige verschijnsel zich toch voordoen dan was het advies aan de betrokkene: “Hij onderwerpe zich (-). Hij overwege verder, of hij niet zulk een lot, van de zijde Gods, billijk heeft verdiend..(-) Hij denke eindelijk; wie weet, waartoe ik wel zoude gekomen zijn, indien ik niet op deze tijd, en op deze wijze het leven moest verliezen..(-).
Hij blijve vrij biddend hopen op redding. Op het laatste oogenblik zou God zijne onschuld aan den dag kunnen brengen door ongeziene en ongedachte wegen”.

Johannes Nathan werd destijds in zijn laatste uren bijgestaan door paters en op het schavot door een kapelaan. Zou hij dit boekje gelezen hebben?