Ik bewaar nog altijd ergens mijn oude bewijskaartjes van afgelegde tentamens van mijn studie. Zo weet ik dat ik begin januari 1987 een mondeling tentamen Nieuwste Geschiedenis deed bij docent Bauke Marinus over twee historische persoonlijkheden. Adolf Hitler en Alfred Dreyfus (1859-1935).
De eerst kwam - zover ik mij kan herinneren - nauwelijks ter sprake maar over de tweede heb ik een klein uurtje met Bauke zitten bomen met als resultaat een acht.
De Dreyfus-affaire aan het einde van de negentiende eeuw, over het vermeende verraad van een Joods militair officier, legde een diepgeworteld antisemisme bloot in Frankrijk en verscheurde de natie destijds tot op het bot. Ook internationaal zorgde het verhaal trouwens voor de nodige beroering en ontroering.
Dat alles schoot even door mij heen toen ik een aantal weken geleden op het Waterlooplein bij Jos Albers (wie anders?) voor één euro een pamflet kocht van Émile Zola (1840-1902): “Lettre a la Jeunesse“ (Paris, 1897).
Wie Dreyfus zegt, zegt Zola. Hij was immers de grote pleitbezorger van Dreyfus’ onschuld en tevens auteur van de beroemdste publicatie van de hele affaire: “J’accuse” (op de eerste twee pagina’s van l’Aurore van 13 januari 1898).
Mijn pamfletje, Zola’s eerste publicatie met betrekking tot Dreyfus, verscheen nog vóór die beroemde open brief aan de Franse president Félix Faure (1841-1899) en dat interesseerde (en verwonderde) mij.
Originele exemplaren van dit pamflet worden af en toe aangeboden maar er bestaan ook makkelijk verkrijgbare moderne herdrukken van.
En nu we het toch over pamfletten hebben… Lees ook vooral het artikel van Boudewijn Büch in Maatstaf (jrg. 31, 1983): “Dreyfus in pamfletten uitgevochten?”
Alfred Dreyfus; patriot, man van eer, op en top Frans legerofficier (maar Jood) werd ongewild de martelaar van de negentiende eeuw en - na het proces van de eeuw - veroordeeld tot verbanning naar het Duivelseiland (Île du Diable/Frans Guyana).
Vijf jaar later, na zijn gratie (1899) en nog vóór zijn officiële rehabilitatie (1906) zette hij zijn herinneringen op papier in: “Cinq années de ma vie” (Paris, 1901).
Het verscheen hier nog in hetzelfde jaar in achttien aflevering van tien cent per stuk, bij de firma Cohen & Zonen onder de titel: “Vijf jaren van mijn leven (Cinq années de ma vie) 1894-1899” (Amsterdam, 1901). Compleet en gebonden in een fraaie stempelband (van Giltay & Zoon in Dordrecht) kostte het boekje destijds twee gulden en vijfentwintig cent.
De Nederlandstalige uitgave was niet de enige vertaling die in 1901 verscheen.
Het boekje verscheen ook in het Italiaans (“Cinque anni della mia vita“), Spaans (“Cinco años de mi vida“), Hongaars (“Öt év életemből : szenvedéseim az Ördögszigeten töltött rabságom alatt : Dreyfus sajátkezű rajz- és kézírásaival”), Engels (“Five years of my life”), Duits (“Fünf Jahre meines Lebens”), Noors (“Fem Aar af mit Liv“), Pools (“Pięć lat mojego życia“) en zelfs Ladino (“סינקו אנייוס די מי ב׳ידה / Sinḳo anyos de mi vidah”)!
Dat zegt wel iets over de aandacht die de Dreyfus-affaire destijds wereldwijd trok.
Het boekje van Dreyfus is trouwens een wat onevenwichtige samenstelling van diverse onderdelen bestaande uit zijn verhaal opgedragen aan zijn kinderen, dagboekfragmenten, brieffragmenten van - en aan zijn vrouw (saai, want zwaar gecensureerd!) en andere brieven en stukken (waaronder de tekst van het belangrijkste bewijsstuk van zijn schuld; het beruchte zogenaamde ‘borderau’). Daarnaast bevat het een aantal stukken geschreven door Émile Zola (“Artikel van Emile Zola in de ‘Figaro’ van 1 december 1897. Het syndicaat”, “Verklaring aan de jury” (1898), “Het vijfde bedrijf” (1899), en een “Brief aan mevrouw Dreyfus” (1899).
Overigens is de Nederlandse uitgave van Dreyfus: “Cinq années de ma vie” vrij schaars. Momenteel biedt geen enkel antiquariaat het boekje aan, dat ik ooit voor minder dan tien euro kocht.
Uiteraard verschenen er ook fantasievolle, zwaar geromantiseerde verhalen. De meest bekende titel kwam ik alweer enige tijd geleden tegen in mijn kringloop. Het gaat om: “Dreyfus. De Banneling op het Duivelseiland” (Amsterdam, 1931), een colportageroman bestaande uit honderddertig delen (tien cent per stuk)!
Het is een vertaling uit het Duits van: “Dreyfus. Unschuldig getrennt” (Dresden, 1931), geschreven door Eugen von Tegen, een pseudoniem van Marie Blank Eismann (1890-), wiens Keizerin Sissi-romans de grondslag vormden voor de later zo succesvolle Sissi films met Romy Schneider (1938-1982) in de hoofdrol.
Een ander recent verkregen Dreyfus-item in mijn bibliotheek is voor zover ik kon nagaan alleen nog ter inzage in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het gaat om het speciale “Dreyfus-Nummer van de Wereldkroniek, bevattende: De geschiedenis van de Dreyfus-zaak van den aanvang af, met talrijke Portretten en Illustratiën” (Rotterdam, 1899).
De Wereldkroniek (1894-1970) was een familieblad, door de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag omschreven als een, “een kruising avant la lettre tussen Panorama, Privé en Vorsten”.
Wat deze vroege zwart-wit 'glossy' op groot formaat (41.5 cm. x 30 cm.) bijzonder aantrekkelijk maakt zijn de overvloedige illustraties (portretten, plattegronden tekeningen, facsimile’s etc.).
Op de voorzijde staat de bekende portretfoto van Dreyfus die model stond voor het getekende portret op de eerder aangehaalde Nederlandse uitgave van Cohen & Zonen.
Het blad bevat vijf hoofdstukken; I. Dreyfus, II. Esterhazy (spion en de werkelijke dader in deze affaire!) en Henry, III. Zola, IV. Luitenant-Kolonel Picquart, V. Herstel van recht?, en een chronologische lijst van gebeurtenissen (20-25 september 1894) t/m 7 augustus 1899, met hier en daar niet altijd even zorgvuldige of juiste informatie).
Omdat het verscheen nog voor het revisieproces in Rennes, waar Dreyfus opnieuw schuldig werd bevonden (maar het pardon aanvaarde van de Franse president Emile Loubet), kwam de Wereldkroniek in oktober 1899 met een aanvullend Dreyfus-nummer “dat het revisieproces te Rennes, de hernieuwde veroordeling van kapitein Dreyfus en aanverwante gebeurtenissen met talrijke portretten en afbeeldingen geeft”.
En! Ik lees het goed:
“Voor hen, die het 1ste nummer bezitten, is het zeker een begeerde aanvulling”.
Dat wordt nog even verder snuffelen dus...!
Een antiquarius over verzamelen, bibliofilie, historische objecten & cultureel erfgoed
Posts tonen met het label Gebroeders Cohen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gebroeders Cohen. Alle posts tonen
vrijdag 27 oktober 2017
vrijdag 2 januari 2015
Contact
Het afgelopen jaar werd ik voor twintig euro eigenaar van ‘Walters Scott’s Werken’ in tien delen uitgegeven door de gebroeders E. & M. Cohen. De uitgeversfamilie Cohen is mij niet onbekend, er staat meer van hen bij mij in de kast waaronder een aardig boekje met de geschiedenis van hun uitgeverij tussen 1824 en 1951 getiteld: “De zolders kraken!”. Daaruit blijkt vooral hoe enorm groot en divers hun fonds ooit was.
Op zoek naar wat meer informatie over mijn aanwinst maakte ik destijds contact met Hans Cohen, een nazaat en verzamelaar van Cohen-uitgaven, die op slechts enkele minuten afstand van mij woont.
Ik bewonderde zijn collectie maar was natuurlijk vooral nieuwsgierig naar zijn Walter Scott uitgaven. Die zijn namelijk vaker, in verschillende series en banden, bij Cohen verschenen. We waren het er al gauw over eens dat de tiendelige ‘rode serie’ de oudste moet zijn.
Volgens de krantenadvertenties verschenen de eerste afleveringen hiervan, a tien cent, begin 1893. Een compleet boek, gebonden in rood linnen ‘prachtband’, kostte toen één gulden veertig. De hele serie in één keer kopen voor slechts tien gulden was voordeliger.
Dat lijkt weinig geld maar voor menig arbeider destijds was tien gulden het gemiddelde weekloon en waren de boeken dus onbereikbaar.
Ik kocht de set enerzijds omdat ze in uitstekende staat verkeerde, redelijk was geprijsd en overvloedig geïllustreerd met houtgravures uit de oorspronkelijke Engelse uitgave, anderzijds omdat ik als jochie aan de buis gekluisterd zat als een piepjonge Roger Moore weer eens verscheen in de rol van de koene ridder Ivanhoe (Ivanhoeeeeee…!) en ik het gelijknamige boek nu wel eens wilde lezen.
Er is nog een boekje uit de serie dat mijn aandacht trok. Het is “De Oudheidkenner”. Daarin staat een specifiek tekstgedeelte dat mij erg aanspreekt en dat ik al lang geleden op het spoor kwam dankzij een andere uitgave in mijn bibliotheek en wel het schaarse boekje van G.D.J. Schotel (1807-1892) getiteld: “Leven, gedrukte werken en handschriften van Cornelis van Alkemade en Pieter van der Schelling” (Breda, 1833).
Op het titelblad staat het volgende citaat:
“Het eene einde der kamer was geheel bezet met boekenkasten, veel te klein voor het aantal der daarin geplaatste boekdeelen, die daarom in twee en drie reijen achter elkander gedrongen stonden, terwijl tallooze anderen over den vloer en op de tafels, tusschen een mengelmoes van landkaarten, teekeningen, parkementsnippers, bundels papieren, stukken van oude wapenrustingen, zwaarden, dolken, helmen en Bataafsche schilden verstrooid lagen. –
De vloer was, zoowel als de tafel en elke stoel, door dezelfde zee van Oudheden overstroomd. – Het viel niet gemakkelijk, dwars door dezen verwarden boel den weg naar eenen stoel te vinden, zonder over eenige folianten te struikelen, of nog veel meer gevaar te loopen van het een of ander stuk Romeinsch of Oud-Hollandsch vaatwerk om ver te loopen. –“
Slechts twee woorden uit de oorspronkelijke tekst - schreef Schotel eronder - werden door hem veranderd. In mijn Cohen uitgave zijn de passages gemakkelijk terug te vinden (blz. 23/24) omdat er een aardige illustratie van de beschreven kamer bij staat (blz. 22).
Zo kan ik zien dat hij ‘Hooglandsche schilden’ veranderde in ‘Bataafsche schilden’ en oud ‘Engelsch’ aardewerk in ‘Oud-Hollandsch’ vaatwerk.
Ik wil het Schotel graag vergeven. De hoofdpersoon in zijn boek was immers niet de Engelse oudheidkenner Jonathan Oldenbuck van Monkbarns maar de Hollandse antiquarius Cornelis van Alkemade (1654-1737) en zijn schoonzoon Pieter van der Schelling (1691-1751). Liefhebbers van het oude boek zullen hun meest bekende uitgave, de driedelige: “Nederlands Displegtigheden” (Rotterdam, 1732-1735) wel kennen.
Van Alkemade en Van der Schelling waren beiden verzamelaars van oudheden; antiquarii in de breedste zin van het woord en ze schreven en publiceerden over hun bevindingen. Om hen en het kunst- en rariteitenkabinet van Hollandse oudheden dat ze opbouwden te karakteriseren gebruikte Schotel dit fragment uit “De Oudheidkenner” op het titelblad van zijn uitgave.
Een treffende omschrijving en raak gekozen want daarin herken ik ook mijzelf en mijn wereldje.
Als ik van achter mijn PC en toetsenbord omhoog kijk zie ik mijn collectie Brunssums/Schinvelds proto-steengoed van rond 1300, een mensenschedel uit de zeventiende eeuw en een grote haaienkaak met messcherpe tanden uit Zuid-Frankrijk.
Links van mij op de grond staan ingelijste oude landkaarten, plattegronden en afbeeldingen uit de 17de t/m de 20ste eeuw. Rechts van mij op de oude kindercommode een
Op de venterbank ligt van alles wat; een oefenhandgranaat, een replica van een Romeinse olielamp uit Xanten, de schijf van Phaistos meegenomen van Kreta, de teddybeer uit mijn peutertijd en een grote roestige nagel van de beruchte Dodenspoorlijn meegenomen uit Thailand. Op mijn bureau liggen stapels oude en nieuwe boeken waaronder de exemplaren waarover ik nu schrijf, en rechts en achter mij staan propvolle boekenkasten met drukwerk uit vijf eeuwen.
Wat schuilt er toch achter al die verzameldrift?
Welnu, ik denk dat wij antiquarii een extra zintuig hebben dat ons in staat stelt contact te maken zodra we een historisch object in handen krijgen, of dat nou een oude munt, kleitablet of een boek is. Contact waarmee?
Contact met de geschiedenis. Contact met de wereld waaruit het komt, het verhaal er achter en een sterk besef van de tijd die is verstreken sinds het werd gemaakt. Antiquaar Phillip J. Pirages brengt dat mooi onder woorden in zijn videopresentatie: “An Introduction to Antique Books” (deel 1 van 4) als hij het heeft over de redenen waarom mensen verzamelen.
Dat is mooi, hoor ik u denken, maar in deze materialistische crisistijd is de onvermijdelijke vraag; ‘wat levert het op’?
Welnu beste lezers, bij mij in ieder geval geen financiële maar wel geestelijke rijkdom.
Contact met het verleden maakt jezelf nietig, zeker naarmate het object ouder is.
Het doet je de vergankelijkheid, de betrekkelijkheid van alles beseffen. Het levert, op zoek naar achtergrondinformatie, kennis op. Kennis verrijkt en als je het tot slot ook nog leuk vindt om, zoals ik, de opgedane kennis met anderen te delen dan levert dat weer nieuwe perspectieven op en … contact!
Ik wens al mijn lezers een voorspoedig en contactrijk 2015!
Abonneren op:
Posts (Atom)








