Posts tonen met het label Jan ter Gouw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jan ter Gouw. Alle posts tonen

vrijdag 18 augustus 2023

Met aanteekeningen van J. ter Gouw


Het is alweer bijna twintig jaar geleden dat - onder redactie van Marijke Carasso-Kok - het eerste deel verscheen van de "Geschiedenis van Amsterdam", uitgegeven tussen 2004 en 2007 bij SUN in vier delen (vijf banden).
Eén van de hoofdstukken daarin is: "Op weg naar autonomie" (bladzijde 63 t/m 73) waarin mediëvist Eef Dijkhof de oudste stadskeuren (-rechten) van Amsterdam bespreekt.
Het was - zo schrijft hij - onder Gwyde van Avesnes/Henegouwen (1253-1317) dat de toenmalige afspraken en rechtsregels - kort na 21 mei 1300 - in de vorm van een stadsrecht-oorkonde op perkament zijn gezet. Het origineel ging verloren en wij kennen de tekst dankzij twee afschriften.


"Deze oudste rechtsregels vormen samen met de uitgebreidere keur die de Amsterdammers op 9 december 1342 van graaf Willem IV ontvingen, de grondslag voor de autonomie van de stad. De vraag hoe deze twee oudste keuren zijn ontstaan en wat de betekenis ervan was voor de burgers van Amsterdam, vereist allereerst een minutieus onderzoek naar de vorm en het schrift van de oorkonden waarin deze keuren zijn opgetekend. Het onderstaande is op dit gedetailleerde onderzoek gebaseerd. De zogenoemde 'Begeerte', een door de Amsterdammers opgesteld verzoekschrift inzake het ter plaatse geldende recht, is hier buiten beschouwing gelaten. De reden daarvan is dat dit stuk naar alle waarschijnlijkheid pas halverwege de jaren vijftig van de veertiende eeuw is opgesteld. Het is dan ook geen voorstadium van de stadskeur van 1342 geweest, zoals tot nu toe is verondersteld." (blz. 63).
Eef Dijkhof heeft hiermee het (voorlopig) laatste woord in deze materie maar hij was beslist niet de eerste die over de vroegste stadsrechten, hun totstandkoming en onderlinge samenhang schreef. Die eer komt toe aan Amsterdams eerste stadsarchivaris Pieter Scheltema (1812-1885).


Al ruim een eeuw eerder namelijk publiceerde Scheltema zijn onderzoek en bevindingen in de brochure: "De oudste Regten van Amsterdam" (Amsterdam, 1875), dat speciaal ter gelegenheid van het zeshonderdjarig bestaan van de stad verscheen.
Het bevat tegenover de titelpagina een uitslaande facsimile van de eerste 12 regels van de 'Begeerte', volgens Scheltema destijds van groot belang in de totstandkoming van de Amsterdamse stadsrechten.

Scheltema's publicatie is antiquarisch niet zeldzaam of kostbaar, al zijn de meeste exemplaren die op Boekwinkeltjes worden aangeboden herdrukken van uitgeverij Minerva uit 1969. Onlangs werd mij een heel bijzonder exemplaar van deze uitgave cadeau gedaan (zie mijn aanwinstenoverzicht van augustus 2023).

 

De toenmalige stadsarchivaris droeg zijn publicatie op "aan den heer J. ter Gouw", en schreef aan het eind van zijn vier bladzijden tellende inleiding (gedateerd 27 oktober 1875): "Ik weet, dat ook Gij een warm belang stelt in de geschiedenis eener stad, zoo rijk aan gewigtige gebeurtenissen als aan schoone voorbeelden, leerzaam en navolgenswaardig voor het nageslacht. Uwe menigvuldige werken toch, waarin Gij die geschiedenis behandeld hebt, dragen in ruime mate de blijken van deze belangstelling. Vergun mij deswege u dit kleine geschrift op te dragen en aan te bieden, als een gering bewijs mijner waardering uwer onvermoeide nasporingen en gezette studiën te dezen opzigte. Ik doe het met den wensch, dat het U niet aan lust en kracht moge ontbreken, om nog lang daarmede ijverig voort te gaan en nog menig belangrijke bijdrage te leveren tot de geschiedenis van Amsterdam".

Jan ter Gouw (1814-1894) - met wie Scheltema goed was bevriend - is in de geschiedschrijving van Amsterdam geen onbekende. En omdat ik daarvan een liefhebber ben staan er in mijn bibliotheek dus aardig wat publicaties met betrekking daartoe, waaronder diverse uitgaven van deze "Boekenplankheld". Wat mijn exemplaar van "De oudste Regten van Amsterdam" (gebonden in gemarmerd karton met linnen rug en hoeken) zo bijzonder maakt verklapt een met potlood geschreven zin onderaan de titelpagina; "Met aanteekeningen van J. ter Gouw"!



Het gaat hier dus om het exemplaar dat Scheltema moet hebben geschonken aan zijn vriend en dat door Ter Gouw werd voorzien van opmerkingen en verbeteringen. Natuurlijk is Ter Gouw's inhoudelijk commentaar interessant en geeft het blijk van zijn kennis met betrekking tot de geschiedenis van Amsterdam, maar belangrijker nog is dat ze ook iets onthullen over de voorbereiding op zijn: Geschiedenis van Amsterdam”.



De aantekeningen van Ter Gouw - in goed en net leesbaar handschrift - treffen we aan op bladzijde 13, 16, 28 en 30. Tweemaal verbetert hij Scheltema. De eerste keer op bladzijde 13 waar hij diens mening weerlegt dat de (ongedateerde) 'Begeerte' was gericht aan Graaf Willem III (volgens Ter Gouw een schrijffout) en de tweede keer - op bladzijde 28 (noot 2) - waar hij Scheltema's verkeerde interpretatie corrigeert van het begrip 'besuoere kerve' (waarmee Stichts Kudelstaart/Bezworen Kerf werd bedoeld).
De overige op- en aanmerkingen zijn vooral verwijzingen naar aanvullende bronnen zowel gedrukt (o.a. Jan Wagenaar en Frans van Mieris (II)), als archivalia ("volgens aantekening op het schutblad in Keurboek A"). 



Ter Gouw doet echter nog iets anders. Op bladzijde 7, 8 en 9 nummert hij de 20 artikelen in de stadsrecht-oorkonde van Gwyde en op bladzijde 19, 20, 21 en 22 doet hij hetzelfde met de 26 artikelen uit de verlening van stedelijke rechten door Willem IV. Bij de laatste maakt hij bovendien onderscheid tussen overeenkomstige artikelen (bijvoorbeeld: "3 = 1 van Guy") en nieuwe artikelen ("24 nieuw").


In 1879 verschijnt het eerste deel van zijn magnum opus: "Geschiedenis van Amsterdam" (totaal acht delen, inclusief register), waarin hij het vroegste tijdperk; "De Amsterdamsche oudheid" beschrijft. De aantekeningen in de publicatie van Scheltema verwerkt hij in hoofdstuk twee: "Het oudste regt van Amsterdam" (blz. 193 t/m 199) en het achtste hoofdstuk: "Het handvest van 1342" (blz. 238 t/m 247).
Zijn vergelijking van de artikelen uit de keuren van 1300 en 1340 vormt de basis voor een aparte (vierde) bijlage: "Vergelijking der handvesten van 1300 en 1342" (blz. 276 t/m 284). Daaronder staat: "In het oorspronkelijke zijn de artikelen niet genommerd; de cijfers heb ik er bijgevoegd", en dat kan ik - met zijn aantekeningen in de hand - alleen maar beamen.  

vrijdag 14 februari 2020

'Ten eersten sal hy hebben een fraeye hantplacke'


"'t Is nu omtrent de zestig jaren,
immers van den beginne der eeuw,
dat, ten spijte van wijs geschreeuw,
Meester Plak, die het wist te klaren
met de knapen, stug en stout,
afgedankt wierd, als te-oud."
(Uit: "Plak en trommelstok", in Prudens van Duyse's 'Nazomer, Gent 1859, bl. 168).

Perkamentus is een antiquarius; liefhebber van oudheden al gaat mijn aandacht meestal uit naar bijzonder drukwerk. Dat neemt niet weg dat ik - als zich de gelegenheid voordoet - ook graag tussen antieke voorwerpen snuffel op markten en in winkels. De kans dat ik daar wat koop is overigens bijzonder klein, tenzij...

Sinds hier de metrolijn (51) wordt omgebouwd tot sneltram (Amstelveenlijn) - en mijn directe verbinding met Amsterdam centrum dus tijdelijk buiten werking is - pak ik wel eens de bus naar de Elandsgracht om zo over de grachten de stad in te lopen. Soms loop ik dan even binnen bij Antiekcentrum Amsterdam (voorheen 'De Looier'). De talloze vitrinekasten van evenzoveel handelaren (professioneel, amateurs en liefhebbers) bevatten een bonte mengeling van antiek, kitsch, bric-à-brac, brocante, vintage en curiositeiten uit alle tijden en van allerlei soort. De meeste kasten puilen uit en het kost tijd om alle voorwerpen, groot en klein, in je op te nemen. Kortom; ik ben er meestal wel een paar uurtjes zoet.


Anton Snepvangers (Anton's antiek) is een handelaar met een aparte stand die ook op de Noordermarkt staat en al lang in antiek handelt. Het was bij hem dat ik, half verscholen onder een dierenschedel, een voorwerp zag liggen dat mijn aandacht trok.
Nadat ik door mijn knieën was gezakt om het door de glasplaat van de vitrinekast nader te bekijken zag ik wat het volgens mij was. Een school- of handplak, maar dan wel een heel bijzondere!

Een hardhouten school- of handplak werd tot in de negentiende eeuw op school door de onderwijzer gebruikt als (lijf)strafmiddel. Het jeugdige slachtoffer kreeg er (vaak meerdere) rake klappen mee op de vlakke open hand, zoals u hierboven kunt zien op een schilderij van Jan Steen (1626-1679). Volgens de zestiende eeuwse schoolmeester Dirck Adriaensz. Valcoogh behoorde een 'fraeye hantplacke' tot de standaarduitrusting van elke onderwijzer en ze waren dan ook eeuwenlang overvloedig aanwezig in talloze dorps- en stadsscholen. Na de invoering van het verbeterd onderwijs, begin negentiende eeuw, en de schoolwet in 1806 verdween de plak geleidelijk uit de klaslokalen. Dat kwam ook omdat de nieuwe schoolwet voorzag in de installatie van schoolopzieners en die voerden vaak fel campagne tegen oude lijfstrafmiddelen als roede en plak. Van de Groningse schoolopziener (later hoogleraar) Theodorus van Swinderen (1784-1851) is bijvoorbeeld bekend dat hij in 1815 de schoolplakken die hij tegenkwam verbrandde. In 1820 werden lijfstraffen op scholen landelijk verboden.


In de tweede helft van de negentiende eeuw behoorden de plak al tot een - min of meer - grijs verleden zoals te lezen is in: "Kijkjes in de oude schoolwereld" (Leiden, z.j. [1870/1872]) geschreven door mijn boekenplankheld Jan ter Gouw (1814-1894). In het eerste deeltje over oude scholen schreef hij: "De strafmiddelen der oude scholen waren meestal van gevoeligen aard en sommige nog al kras. Het thans levende geslacht kent ze niet meer, en 't was daarom voor velen verrassend, toen zij die, vóór een tiental jaren op de Tentoonstelling voor Onderwijs te Amsterdam (1860), nog eens terugzagen" (blz. 30).
Volgens de catalogus van deze tentoonstelling waren er maar liefst elf houten plakken te zien, afkomstig van particulieren uit heel het land.
"Menigeen was er, die wel veel van het plak-systeem gehoord, en er over meê gepraat, maar nog nooit een echte plak gezien had, en er hier voor 't eerst kennis meê maakte. Elf lagen er op een rij! - dit getal elf was geheel toevallig en zonder eenige toespeling! En 't mogt zelfs verwondering baren, dat we er nog zooveel bij elkander gekregen hadden, die bij toeval moesten ontkomen zijn aan 't S. Maartensvuur dat in 't begin dezer eeuw, van al de schoolplakken die er te vinden waren, bij 't inwijdingsfeest van 't verbeterd onderwijs, gestookt is.
Elf echte oude plakken! De staven van kommando der helden die niet meer zijn, maar op wier veelbeteekenend wenken eenmaal zelfs de Trompen en De Ruyters gesidderd hebben!
Elf oude plakken! Schepters van vervallen mogendheid, even gevreesd weleer en even magteloos nu als de lelieschepter der Bourbons en de leeuw van St. Markus! 'Men moet niet denken', zegt een geestig schrijver, dat de plak maar een ruw stuk hout is, om kinderen meê te knouwen; het is een symbool; het moet een fraaije handplakke zijn. Het knikken, het neigen, het wijken, het beven, het huppelen, het draaijen, het zwieren, het rusten van dien schepter in de hand des Meesters regeert geheel het schoolorkest, en geeft de maat aan voor het leeren der kinderen; maar is tevens meer dan dirigeerstok: hij kommandeert niet slechts, hij waakt ook preventief en repressief zooveel hij kan; hij stelt ook eene bestrijding en een begin van strafoefening in". (blz. 33/34).


Talloze (gehate) schoolplakken moeten er zijn verdwenen in het vuur. Tegenwoordig is het een zeldzaam object en enkel in (school)museumcollecties bevinden zich exemplaren. Nimmer kwam ik ze tegen in de antiekhandel, tot die bewuste dag in het Antiekcentrum Amsterdam. Maar er was meer aan de hand, want de schoolplak die ik daar ontdekte was niet een ruwe 'boerenplak', gemaakt van hardhout, maar sierlijk gesmeed van geel koper!
Ik besloot om mijn gevoel te volgen en het curiosum aan te schaffen. Voor € 45,- euro werd ik de nieuwe eigenaar en dat is een spotprijsje voor een dergelijk museumstuk.


Thuisgekomen bekeek ik mijn nieuwe aanwinst nog eens goed. Mijn geel koperen hand- of schoolplak is bijna 37 centimeter lang. De platte schijf is enigszins ovaal met een diameter tussen de 9 a 10 centimeter. Het uiteinde van de steel is duidelijk gesmeed tot handvat met een sierknop die qua vorm lijkt op een gestileerde 'fleur de lis'. De schijf is aan de steel bevestigd met een soort 'rattenstaart' zoals je die ook wel ziet op de lepelbak van zeventiende en achttiende eeuwse eetlepels.

Wat zou er op internet te vinden zijn? Met wat 'Googelen' op trefwoorden deed ik vrij snel een verrassende ontdekking.
Op de website '100 jaar orthopedagogiek' trof ik onder het jaartal 1801 een aantal zwart-wit illustraties aan van antieke schoolattributen waaronder de afbeelding van een identieke schoolplak.

Die afbeelding bleek afkomstig uit een publicatie van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen: "150 jaar onderwijsverslaggeving. Herdenkingsuitgave 1966" ('s-Gravenhage, 1967). In de tekst hierbij las ik: "Schoolplak. Met deze plak kon de onderwijzer de daarvoor in aanmerking komende leerling de 'verdiende' slag op diens vlakke hand geven, waarbij de 'pedagoog' zijn eigen hand kon sparen. Het hier afgebeelde exemplaar is gemaakt van geel koper en heeft een lengte van 36 cm.". Als bron werd opgegeven: Schoolmuseum Amsterdam (foto gemaakt door het Nederlands Openluchtmuseum Arnhem).

Het schoolmuseum Amsterdam werd opgericht in 1877 en opgeheven in het midden van de jaren zestig. De boekencollectie en archivalia bleven in Amsterdam en berusten thans in het Allard Pierson (Archiefnr. UBA636). De collectie van de 'Oude School' (alle antieke objecten) ging via het schoolmuseum in Utrecht naar het Nationaal Onderwijsmuseum in Rotterdam. Dat sloot in 2012 zijn deuren en verhuisde naar Dordrecht.


Ik besloot contact op te nemen met het Nationaal Onderwijsmuseum om beide exemplaren eens goed te vergelijken. In Dordrecht had men echter alleen enkele houten schoolplakken in de collectie... Waar was dit bijzondere object gebleven? De oud conservator werd benaderd en opperde de gedachte dat mijn exemplaar wellicht hun exemplaar was, ontvreemd uit de collectie ergens tussen alle verhuizingen door. Tevens meende hij zich te herinneren dat het Noordbrabants museum ooit een metalen plak had uitgeleend voor een tentoonstelling over straffen en belonen...

Zijn eerste gedachte kon ik eenvoudig weerleggen. Mijn exemplaar verschilt zichtbaar op diverse punten met het exemplaar op de zwart-wit foto. Het meest opvallende verschil is de aanhechting van de schijf op de steel. Bij het exemplaar op de foto lijkt de schijf (met een opvallend kruis!) direct op de sierknop te zitten. Bij mijn exemplaar zit daar meer ruimte tussen. Mijn aanwinst is ook wat langer, net geen 37 centimeter.


Wat zijn tweede gedachte betreft. Het Noordbrabants museum heeft geen metalen schoolplak in de collectie (en ook nooit gehad), maar verwees mij naar een tentoonstelling bij hen in 1997 en de daarbij verschenen catalogus waarin twee schoolplakken staan afgebeeld, waaronder één van metaal. Meteen bestelde ik via Boekwinkeltjes de catalogus samengesteld door Ch. de Mooij en B. Kruijsen: "Kinderen van alle tijden. Kindercultuur in de Nederlanden vanaf de middeleeuwen tot heden" (Zwolle, 1997). Inderdaad, op bladzijde 157 vond ik wat ik zocht (afbeelding 172, 'schoolklap' i.p.v. schoolplak).
De zwart-wit foto was volgens mij identiek aan de dertig jaar eerder verschenen foto in de publicatie van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. De verwijzing daarbij: 'Arnhem, Nederlands Openluchtmuseum' leek mij daarom correct, maar ik twijfelde....
Wat had nou precies deel uitgemaakt van die tentoonstelling? Die foto of toch de schoolplak zelf? Dat laatste leek mij niet logisch, anders had men toch wel een moderne kleurenfoto geplaatst?
Ik stuurde een informatieverzoek naar het Nederlands Openluchtmuseum en kreeg tot mijn verbazing het bericht terug dat het object (onder nr. NOM.7317-47) in hun collectie zat!


Behalve een kleurenfoto van hun exemplaar ontving ik ook een scan van de originele inventariskaart waaruit onomstotelijk bleek dat zij deze 'schoolklap' al in 1947 hadden gekocht van een particulier uit Soest (provincie Utrecht).
De verwijzing in de publicatie van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen uit 1967 naar het Amsterdamse schoolmuseum waarmee mijn zoektocht begon (b)leek een geslaagde mystificatie. Zij hadden ten behoeve van die uitgave destijds kennelijk een zwart-wit foto geleverd gemaakt door het Nederlands Openluchtmuseum, maar het object zelf nooit in hun bezit gehad. Daarmee was het raadsel van de 'verdwenen' schoolplak opgelost.


Wat kunnen we - tot slot - over deze bijzondere voorwerpen zelf zeggen?
Wat de ouderdom betreft; de barokke stijl van het handvat en de steel met knopen doen mij denken aan de stam van koperen kandelaars eind zeventiende-, begin achttiende eeuw. Het lijkt mij duidelijk dat beiden door dezelfde koperslager moeten zijn gemaakt. Dat er thans twee exemplaren bekend zijn is naar mijn mening ook veelzeggend. Dat sluit uit dat het gaat om een uniek object gemaakt voor een bepaalde gelegenheid (bijvoorbeeld als ereteken of t.g.v. een jubileum) of met een specifiek doel (bijvoorbeeld als uithangteken voor een onderwijzer of school; zoals de gevelsteen met gekruiste plak en gard uit de Amsterdamse Gravenstraat). Meerdere identieke exemplaren suggereert niet alleen een werkelijk gebruik als schoolplak, maar bovendien één gebruiker/opdrachtgever. Dat zal gezien de luxe uitvoering in duur materiaal, geel koper in plaats van hardhout, geen armlastig dorpsschooltje in de provincie zijn geweest. Ik denk dan eerder aan een bijzondere (Hollandse) grootstedelijke onderwijsinstelling, zoals bijvoorbeeld de Amsterdamse Latijnse school op het Singel. Veel meer valt er niet te zeggen. De precieze historische herkomst blijft voorlopig in nevelen gehuld...


Naschrift

In december 2021 dook er in Amsterdam bij Zwiggelaar Auctions (veiling 26, lot 1856) een derde geelkoperen schoolplak op. Een ander model dan de hierboven beschreven exemplaren, met een vergelijkbare lengte van 37,5 centimeter en een platte schijf met een diameter van 9 centimeter. Een vermoedelijk wat jonger exemplaar gezien de minder barokke uitvoering van de greep (tweede helft 18de eeuw?). Deze unieke plak bracht € 220,- euro op (excl. veilingkosten) en werd gekocht door het streekmuseum Jan Anderson in Vlaardingen.


Drie jaar later - in december 2024 - veilde Zwiggelaar wederom een achttiende eeuwse geelkoperen schoolplak (veiling 32, lot 1501, met een richtprijs van € 100,-/ € 200,- euro), vergelijkbaar met het voorgaande exemplaar. Deze werd afgehamerd voor slecht € 110,- euro.


Begin 2026 ontving ik van L. Kuipers bericht over een derde metalen schoolplak van brons (lengte 41 centimeter. breedte 8.5 cm.) in particulier bezit. Vooral de geknoopte steel en het gestileerde uiteinde doen denken aan mijn exemplaar.

vrijdag 26 februari 2016

Boekenplankheld


Amsterdam en zijn geschiedenis lopen als een rode draad door een groot deel van mijn bibliotheek. Daarbinnen figureren verschillende ‘helden’ die mijn bijzondere aandacht hebben. Voor de achttiende eeuw is dat de historicus Jan Wagenaar, die hier al diverse malen ter sprake is gekomen.
Een andere boekenplankheld is de negentiende eeuwer Jan (Johannes) ter Gouw (1814-1894). Ook over hem heb ik al eens eerder geschreven in “Ante-diluviaanse muziek”, waarin het gaat over een artikel in het tijdschrift “De oude tijd” (1869-1874), dat grotendeels onder zijn leiding verscheen.


Hij is nu vrijwel vergeten en bij de meeste boekenliefhebbers vooral bekend door de heruitgave van de: “De uithangtekens” (twee delen) en “Het boek der opschriften” (Leeuwarden, 1974), die oorspronkelijk in 1868/1869 verschenen. Die heruitgave staat ook bij mij in de kast en is nog gekocht in de tijd dat de originelen onvindbaar en onbetaalbaar waren.
De Amsterdamse onderwijzer Jan ter Gouw is echter vooral bekend geworden als groot kenner van het hoofdstedelijk verleden, waarover hij regelmatig publiceerde. Veel daarvan is gebundeld terug te vinden in zijn tweedelige: “Amstelodamiana” (Amsterdam, 1874).


Zijn magnum opus is: ”Geschiedenis van Amsterdam” (Amsterdam, 1879-1893) dat inclusief het register acht delen telt. Het beschrijft de geschiedenis van de stad tot de Alteratie in 1578.
Ik heb mijn fraaie set bijna een jaar geleden gekocht bij antiquariaat Brinkman, zoals u hier kunt lezen.
Aardig detail is dat het twee ex-librissen bevat (in elk deel); een rond van de Amsterdamse jurist en hoogleraar Frederik Adriaan Molster (1865-1936) en een vierkant met het alliantiewapen (Klaas Cornelis) Van Hoffen getrouwd (in 1934) met (Margaretha Evers-) Molster. Dezelfde ex-librissen zitten ook in dit, veel oudere, boek in mijn bibliotheek waaruit de conclusie kan worden getrokken dat Frederik Adriaan Molster thuis over een goede bibliotheek moet hebben beschikt.


Ter Gouw was van huis uit geen historicus. Net als Wagenaar een eeuw voor hem was hij een autodidact die een reusachtige kennis opbouwde over de geschiedenis van Amsterdam. Hij was goed bevriend met de Amsterdamse stadsarchivaris Pieter Scheltema (1812-1885), alias ‘Piet Perkament’, en heeft vele uren in diens - steeds beter ontsloten - archief doorgebracht. Talloze documenten passeerden zo zijn handen en regelmatig wordt mijn andere held, Jan Wagenaar, door hem berispt en gecorrigeerd.
Die had bovendien geleefd in een eeuw die hij bepaalt verafschuwde zoals blijkt uit een felle passage die ik tegenkwam in mijn laatste Ter Gouwse aanwinst: “Kijkjes in de oude schoolwereld” (Leiden, 1870-1872).


Dit zijn twee aardig geillustreerde boekjes (10 bij 15 cm.), deel I over oude scholen en deel II over oude schoolboeken, die met een eenvoudige papieren omslag verschenen als nr. 5 en nr. 40 in de 'Algemeene Bibliotheek' (vijftien cent per deeltje). Ze zijn betrekkelijk schaars, zeker in goede staat, maar niet kostbaar. Mijn exemplaren zijn bij elkaar gebonden in een fraai contemporain leren bandje.


Naast de geschiedenis van Amsterdam door Ter Gouw staat bij mij het door zijn zoon J.E. ter Gouw (1845-1916) postuum uitgegeven boekje: “De Amsterdamsche straatnamen” (Hilversum, 1896). Door zijn formaat en uitvoering (in eenzelfde soort groene stempelband) lijkt het als aanvullend deeltje op zijn vaders achtdelige serie te zijn bedoeld.
Dit straatnamenboekje verscheen niet in de handel maar werd - net als het zeldzamere: “Verzen en rijmen” (Hilversum, 1914) – ter herinnering (genummerd) aangeboden aan bekenden en relaties van zijn overleden vader. Het is een verbeterde bewerking van een boekje dat Ter Gouw eerder publiceerde in 1858 onder het pseudoniem Joannes Aurelius.


Mijn exemplaar draagt nummer 65 en is op naam gesteld van mr. E.J. Everwijn Lange (1864-1928). Het bevat naast het nog steeds boeiende verhaal over de oorsprong van tal van Amsterdamse straatnamen ook een nuttig overzicht van de boeken, artikelen, verspreide stukken en handschriften van zijn vader. Ik kocht het een jaar geleden in de (kringloop) Dorcaswinkel in Aalsmeer voor twaalf euro.


Behalve min of meer wetenschappelijke uitgaven publiceerde Jan ter Gouw ook geromantiseerde historische boeken over Amsterdams verleden. Die hebben mij altijd minder getrokken. Daarvan bezit ik eigenlijk alleen maar: “Amsterdamsche Tafereelen” (Haarlem, 1876). Deze uitgave verscheen destijds in afleveringen; telkens een afgerond verhaal met één litho en kon na afloop in een bijpassende uitgeversband worden gebonden.


De exemplaren die thans antiquarisch worden aangeboden zitten vrijwel altijd in een eenvoudige blauw linnen stempelband. Zeldzaam – en zeker in goede conditie - is een prachtige luxe groenlinnen band, met goud bedrukt en versierd. Die ben ik nog maar één keer tegengekomen en dat exemplaar staat nu in mijn bibliotheek.

donderdag 27 augustus 2015

Perfectie, compleetheid en gedroogde abrikoosjes

Ik moet u wat bekennen.
Ik ben naast bibliofiel ook een perfectionist die streeft naar compleetheid.

Daar moest ik aan denken toen ik ’s avonds met een kop koffie voor de computer zat.
Het was een mooie vrije vrijdag geweest, zonovergoten bovendien, die ’s ochtends was gestart met het wekelijkse ritueel van boodschappen doen met mijn moeder (82 jaar).
Mijn moeder weet van mijn buitenechtelijke relatie met boeken.
Ik vertelde haar dat ik na de boodschappen nog even de stad in zou gaan om een boekje op te halen en over de boekenmarkt op het Spui te lopen.
Ze reageerde heel begripvol en besloot om de gezamenlijke lunch (die ik als boodschappenhulp altijd krijg) over te slaan en mij tien euro te geven zodat ik in de stad zelf een broodje kon kopen. Ik kan u vast verklappen dat die tien euro nooit in broodjes zijn omgezet.

In mijn tas had ik nog een half zakje gedroogde abrikozen die over waren van de couscous die ik de avond tevoren had gemaakt.
‘Het gezonde tussendoortje’, daar heb ik op overleefd.
Dat gaat prima zolang je maar wordt afgeleid door het denken aan boeken, praten over boeken en kopen van boeken. Nadrukkelijk last van luidruchtige ‘flatulentie’ aan het eind van de middag moet je dan wel voor lief nemen.

Hoofddoel was een bezoekje aan antiquariaat ‘Verglheden’ in de Koningsstraat in Amsterdam. Dat schijnt daar al decennia te zitten maar ik kende noch de winkel noch de eigenaar. Er lag een boekje voor mij klaar dat ik via internet had gekocht voor vijftien euro. Het ging om het boek van Theo Meder: “Vertelcultuur in Waterland. De volksverhalen uit de collectie Bakker” (Amsterdam, 2001).
Een uitgave onlosmakelijk verbonden met een ander boek dat ik een maand eerder had gekocht (€ 12,50 euro) bij Steven Sterk: “Vertelcultuur in Nederland. Volksverhalen uit de Collectie Boekenoogen (ca. 1900)” (Amsterdam, 2005).


De taalkundige en volkskundige Gerrit Jacob Boekenogen (1868-1930) verzamelde eind negentiende eeuw vanuit heel Nederland volksverhalen en volksrijmpjes (en wordt wel eens vergeleken met de Duitse gebroeders Grimm). De verzameling Boekenoogen is ondergebracht in het (P.J.) Meertens Instituut in Amsterdam.
Boekenoogens’ beste informant was een arts, Cornelis Bakker (1863-1933) uit Broek in Waterland. Die stuurde hem zoveel materiaal op (ruim 500 verhalen) dat het in de verzameling Boekenoogen een aparte deelcollectie vormt.
Kortom; pas als je beiden boeken hebt ben je compleet en bezit je zeg maar alle ‘Kinder- und Hausmärchen’ van de Lage Landen.
Maar ‘Verglheden’ was pas aan het eind van die warme zomerse dag.

Eerst was er die klamme rit in een overvolle tram zweterige toeristen. Terwijl de haltes voorbij kropen knabbelde ik gestaag mijn abrikoosjes weg. Eindelijk... het Spui.
De zak gedroogde abrikoosjes verdween in mijn tas om plaats te maken voor een sigaartje. Sigaren passen veel beter bij boeken dan abrikozen. Bovendien verdrijven ze de drommen toeristen die zich doelloos als dikke wolken muskieten voor de boekenstalletjes bewegen.

Zoals wel vaker op boekevenementen ben ik meer tijd kwijt aan praatjes dan aan snuffelen en sneupen. Wat ik overigens niet zo erg vind, want je hoort en leert altijd wat. Ditmaal had ik een wat uitgebreide conversatie met Arnoud Bosch (antiquariaat De Salamander uit Almere) waar ik Simon Blok (antiquariaat Israel uit Bergen N.H.) tegen kwam.


Bij Axe van Maanen (antiquariaat Klikspaan uit Leiden) maak ik altijd wel een praatje. Dat leverde (ook) ditmaal weer wat op. Ik kocht er van mijn lunchgeld (dankjewel, ma!) een exemplaar van Marco Gouds’: “Een ondraaglijke drukfout” (Woubrugge, 2005). Een uitgave van de Avalon Pers (oplage: 300 exemplaren) “uitgereikt aan de aanwezigen bij de overdracht van het Naenia-exemplaar van Karel Nijkerk aan de directeur van het Museum Meermanno en (-) toegezonden aan de patroons en begunstigers van het Museum”.

P.C. Boutens (1870-1943) schreef en publiceerde in 1903 het (lijk)gedicht: “Naenia” in een oplage van circa veertien exemplaren waarvan er elf te traceren zijn (zes in particulier bezit). Illustrator was Jan Toorop (1858-1928). “Naenia” wordt wel gezien als het zeldzaamste boek van de twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur. Boutens moet ook een perfectionist zijn geweest want er stond, naar zijn mening, 'een ondragelijke drukfout’ in. In de laatste regel van de derde strofe staat het woord ‘U’!
“De ingevoegde U moet een kleine u zijn en geen hoofdletter. Als U de letters nog gezet hebt staan, zag ik dit nog graag veranderd”, schreef Boutens destijds aan drukker Enschede. Die moest de schrijver teleurstellen. Het zetsel was al uit elkaar genomen en het benodigde papier was op vanwege de vele drukproeven die Boutens had verlangd.
Ik kan me Boutens ergernis goed voorstellen.
Ik kom nog regelmatig ‘ondragelijke’ foutjes tegen als ik weer eens een oud stukje op mijn blog nalees. Kennelijk is het maken van foutjes onlosmakelijk verbonden met het proces van schrijven, lezen, herschikken, veranderen en schaven van (je eigen) teksten.
Ik verbeter ze natuurlijk altijd...


Ik besloot op weg naar ‘Verglheden’ nog even langs te wippen bij Bijzondere Collecties van de UvA.
De afgelopen maand had ik al twee keer per e-mail verzocht om een reproductie van de
‘Historische Kaart van Amsterdam’ (1878) van Jan ter Gouw (1814-1894), maar geen antwoord ontvangen. Vakantietijd?
Die kaart was destijds verkrijgbaar als bijlage bij Ter Gouws’ achtdelige stadsbeschrijving: “Geschiedenis van Amsterdam” (Amsterdam, 1879-1893). De serie kocht ik onlangs bij antiquariaat Brinkman, maar zoals gewoonlijk zonder de historische kaart.
Bijzondere Collecties bezoek ik wel vaker als ik in de stad ben op boekenstrooptocht. Je kunt er prima naar een schoon toilet, het is er lekker koel en boekjes kijken bij Nijhof & Lee is gratis en altijd leuk.
Met dat laatste begon ik natuurlijk het eerst terwijl ik af en toe een abrikoosje wegwerkte.
Verhip! Er lagen zowaar nog enkele gesigneerde exemplaren van Irma Boom: “The Architecture of the Book” (Amsterdam, 2013). Een tweede druk, ‘revised and updated’ van haar “Biography in Books” (Amsterdam, 2010). Ik kocht gelijk nr. 45/50 door ‘la Boom’ gesigneerd ter gelegenheid van de ‘museumweek ‘15’.


Ik heb er nu vier in drie variaties!
Twee maal een gesigneerde eerste druk waar tegenwoordig minstens driehonderd euro voor wordt gevraagd. En twee exemplaren van de gesigneerde tweede druk, waarvan één verscheen bij de opening van haar tentoonstelling in Parijs (2013). Die laatste zit in een afwijkende omslagdoos met een extra blauw boekje in het Frans.
Wat me nu eigenlijk pas opvalt, is dat de eerste druk (4 x 5 cm.) een paar millimeter (3 x 5 mm.) kleiner is. Bovendien telt die minder bladzijden (704, tweede druk 800) en foto’s (450, tweede druk 515). Ben ik nou compleet? Uuhh, nou nee… Er is nog de XXL-editie maar die is onbetaalbaar.

Ach... dat was slechts 'bijvangst'. Ter Gouw moest compleet!
Op zoek naar een losse euro voor de garderobelocker vond ik de laatste twee abrikoosjes. Met malende kaken en licht borrelende darmen besteeg ik de trappen naar de Kaartenzaal.


vrijdag 10 oktober 2014

Ante-diluviaanse muziek


“Op ’t Anthropologisch Congres te Brussel, in Augustus van dit jaar gehouden, hield de heer Baudre, een Franschman, een redevoering, die zeer belangrijk was voor de beoefenaars der muziek-geschiedenis. Hij betoogde, dat de anti-diluviaansche mensch, die voortdurend vuursteenen bewerkte, noodzakelijk de sonoriteit van dien steen ontdekt en er zich mee vermaakt moet hebben, en dat men dus tot de merkwaardigheden van ’t anti-diluviaansche tijdperk ook de vuursteen-concerten tellen mag.
Om van die muziek een proeve te geven, liet de heer Baudre een lange ijzeren roê, die op een voetstuk stond, in de zaal brengen. Langs die roê waren vuursteenen van allerlei grootte aan touwtjes opgehangen. Hij nam daarop een vuursteen in elke hand en speelde lustig de Brabançonne
” (“De oude tijd”, 1872, blz. 370).


Wonderlijk verhaaltje nietwaar?
Dat congres in Brussel heette officieel het ‘Congrès international d'anthropologie et d'archéologie prehistoriques’. Die Fransman was Honoré Baudre die destijds regelmatig optrad met zijn 'Silex piano'. Muziek uit de steentijd of zoals men toen zei het ‘ante-diluviaanse tijdperk’ (ante en niet anti!), d.w.z. van voor de Bijbelse zondvloed.
Klinkt idioot?
Tja, een ijzeren staaf had men in de steentijd natuurlijk niet en de kans dat men toen de ‘Brabançonne’ speelde acht ik ook niet groot. Het lijkt allemaal verdacht veel op het optreden van een of andere muzikale pseudowetenschappelijke gek.


Ons verleden zit vol met dergelijke grappige, bizarre, opmerkelijke en wetenswaardige feiten en feitjes. Ik ben er gek op en daarom telt mijn blog diverse ‘petites histoires’ uit een ver of minder ver verleden. Vrijwel iedereen houdt van dat soort geschiedenisgerommel in de marge. Het is – anders dan dikke droge wetenschappelijke boeken vol met voetnoten en literatuurverwijzingen – kort, smeuïg en licht verteerbaar.


Het prachtige voorbeeld waarmee dit stukje begint komt uit de negentiende eeuwse serie: “De oude tijd”, uitgegeven door de Haarlemse uitgeverij A.C. Kruseman. Dit tijdschrift verscheen van 1869 t/m 1874, de eerste twee jaar onder leiding van de schilder David van der Kellen jr. (1827-1895) en vervolgens vier jaar onder leiding van de schoolmeester en historicus Jan ter Gouw (1814-1894).
De serie telt bij elkaar ruim 2300 bladzijden tjokvol met overleveringen, opmerkelijke volksverhalen, vergeten spreekwoorden, anekdoten, bijzondere kunstvoorwerpen, oude klederdrachten, zeden en gebruiken, enz. Een aantrekkelijke historisch allegaartje dat bovendien met tal van aardige houtgravures is geïllustreerd. In mijn bibliotheek staat deze serie gebonden in fraaie groenlinnen stempelbanden. Ondanks de onvermijdelijke negentiende eeuwse papier ‘foxing’ hier en daar behoort de serie tot mijn favoriete antiquarisch blader- en leesvoer.


De uitgave is exemplarisch voor zijn tijd. In de negentiende eeuw was er niet alleen heel veel belangstelling voor ‘de oude tijd’; de vaderlandse geschiedenis werd zelfs in zekere zin uitgevonden, zoals we kunnen lezen in het onlangs verschenen: “Historiezucht, de obsessie met het verleden in de negentiende eeuw” (Amsterdam, 2013), geschreven door Marita Mathijsen. Tal van museale instellingen en genootschappen hebben dan ook hun wortels in negentiende eeuw.
Een goed voorbeeld daarvan is het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (KOG), opgericht in 1858. David van der Kellen jr. was één van de initiatiefnemers en werd de eerste conservator van het KOG.

Terug naar Baudre en zijn ante-diluviaanse muziek. Toen ik daar wat over zat te Googelen/Googlen kwam ik de Lithophone tegen. U weet wel zo’n rammelding dat we als kleuter allemaal hadden, een xylophone, maar dan met stenen. En wat blijkt?
Het instrument heeft een eigen website en er is niet lang geleden zelfs een Lithophone gemaakt van neolitische (nieuwe steentijd) klankstenen uit de Sahara. Deze langwerpige stenen zijn tussen de 4.500 en 10.000 jaar oud en worden gevonden in Mauritanië, Soedan, Niger en de Ivoorkust.
Lange tijd lagen ze in diverse musea gecatalogiseerd als werktuigen (stampers en vijzels). Dat het om klankstenen of toonstenen gaat is een ontdekking van de Fransman (jawel!) Erik Gonthier, ‘ethno-minéralogiste au Muséum national d’Histoire naturelle (MNHN) de la France’. Een hele mond vol en het gaat volgens hem om de “de eerste MP3 speler van de mensheid”.
Gekke Fransen… ante-diluviaanse muziek... paléomusique… even kijken en luisteren?


zondag 13 juni 2010

Boekenvreugde


"Iö Vivat!
Iö Vivat!
Nu hebben wij ’t Banket!
Ik riep zoo vaak: ‘Och, dat ik ’t had!’
Nu hebben wij ‘t: - Iö Vivat!
Iö Vivat!
Iö Vivat!
Ik spring van louter pret!

Iö Vivat!
Iö Vivat!
Daar mag een glas op staan!
De Naarders roepen: ‘word jij mal?’
De Vesting dreunt van jouw geschal!’
Iö Vivat!
Iö Vivat
Dit gaat geen Naarders aan
”.

Dit vreugdeversje schreef Jan ter Gouw (1814-1894) voor de in Naarden wonende mr. Jacob van Lennep (1802-1868) “omdat wij eindelijk ’t langgezochte ‘Luifelen-Banket’ van V.d. Berg gevonden hadden,- een boek, toen onbekend in ’t land, zelfs Fred. Muller kende ’t niet”.
Jan ter Gouw is vooral bekend geworden door zijn publicaties over de geschiedenis van Amsterdam. Ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag - in 1914 - gaf zijn zoon J.E. ter Gouw een boekje uit getiteld: “J. ter Gouw, verzen en rijmen” (Hilversum, 1914), waarin ook het bovenstaande vreugdeversje staat (blz. 15). De oplage was beperkt, “Niet in den handel” en werd cadeau gedaan aan vrienden ‘tot eene herinnering aan den Schrijver’. Mijn exemplaar, nummer 12, werd destijds aangeboden aan de heer J. van Veen in Soest.

Veel versjes en rijmen werden opgedragen aan eerdergenoemde Jacob van Lennep die samen met Ter Gouw schrijver was van de bekende boeken: “De uithangteekens, in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd” (Amsterdam, 1868) en “Het boek der opschriften. Een bijdrage tot de geschiedenis van het Nederlandsche volksleven” (Amsterdam, 1869).
In hun zoektocht naar materiaal voor deze publicatie schreef Ter Gouw op 19 februari 1867 het bovenstaande ‘Iö Vivat!’. Om welk zeldzaam boek was de vreugde zo groot?
De volledige titel luidt: “Het gestoffeerde winkel en luyfen banquet, dienstig voor alle winkeliers die eenige rymen voor luyfens, deure, of in pakpapieren willen zette, wat waren yder te verhandelen heeft, koddig gerymt, voor de winkeliers en liefhebbers te grabbel gegooyt door…”
(Amsterdam, 1693), door mr. Isaac van den Berg. In deel 1 van ´De uithangteekens´
(blz. 9) schreef Ter Gouw dat het exemplaar dat zij vonden berustte in de Koninklijke Bibliotheek en tot gebruik werd verstrekt “door de heuschheid Van den heer Adj. Bibliothekaris Campbell”.
Het exemplaar dat ik fotografeerde ligt bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Let ook op de notitie op het schutblad links.