Posts tonen met het label Verzamelaar. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verzamelaar. Alle posts tonen

vrijdag 10 juni 2022

De wandelingen van verzamelaar Gerrit Lamberts


Op de eerste junidag vond ik in de Athenaeum boekhandel op het Amsterdamse Spui de uitgave: "Gerrit Lamberts' Amsterdam door Gijs en Floor" (Zwolle, 2022). De twee auteurs: Gijs Stork en Floor van Spaendonck ken ik niet maar volgens de tekst op de achterflap schrijven ze wekelijks een wandelcolumn voor "Het Parool" en delen ze Lamberts' liefde voor Amsterdam.
Ik dacht terug aan mijn gesprek enkele weken geleden in de archiefwinkel van het Amsterdamse Stadsarchief met Jan de Klerk, die mij vertelde dat er (toch) geen catalogus zou verschijnen bij de tentoonstelling: "Dwalen door Amsterdam. De tekeningen van Gerrit Lamberts 1800-1850" (1 april tot 31 juli 2022). Als doekje voor het bloeden en ter bestrijding van deze na-ijlende teleurstelling besloot ik het boekje te kopen en eens te kijken wat ik thuis in mijn collectie bewaar aan 'Lambertsiana'. Daarnaast bezocht ik een week later ook de fraaie tentoonstelling en nam enkele foto's (voornamelijk van de titelbladen van zijn zes mappen met 'wandelingen', die ik - anders dan veel van zijn tekeningen - niet in de beeldbank van het Amsterdamse stadsarchief terugvond).

Gerrit Lamberts (1776-1850) was een Amsterdamse papier- en boekhandelaar die bekend werd als tekenaar en verzamelaar van Amsterdamse stadsgezichten. In 1824 werd hij benoemd tot "eerste opzigter van ’s Rijks Museum", dat toen nog in het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal zat.


Over de inhoud van zijn verzameling bestaan drie uitgaven die zich in mijn collectie bevinden. In chronologische volgorde zijn dat:
A. G. Lamberts: "Lijst der onderscheidene verzamelingen welke sedert den jare 1826 zijn bijeen gebracht door Gerrit Lamberts" (z.p. [Amsterdam], 1836).


B. G. Lamberts: "Lijst der autographen, geschrevene en gedrukte stukken, voorkomende in de onderscheidene verzameling van Gerrit Lamberts" (z.p. [Amsterdam], 1850). Deze uitgave verscheen 'Niet in den handel'. Uitgave A en B zijn samengebonden in een kartonnen met sierpapier beplakt bandje. Het was kennelijk - zoals blijkt uit de opdracht voorin - een presentexemplaar: "de wel Ed. de Gijzelaar. Van den Verzamelaar". 


C. "Catalogus van eene zeer belangrijke en uitgebreide verzameling teekeningen en prenten van beroemde Meesters uit verschillende tijdvakken, uitmakende eene zeldzame aldus voorkomende Atlas der stad Amsterdam, alles en alleen nagelaten door den heer Gerrit Lamberts, in leven Eerste Opzigter van 's Rijks Museum, Lid van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, enz." (Amsterdam, 1850). Dit is de veilingcatalogus die verscheen bij Jeronimo de Vries, Cornelis François Roos en Johannes Albertus Brondgeest. De veiling vond plaats op maandag 18 november 1850 ten huize van C.F. Roos in het Huis met de Hoofden (Keizersgracht 123). De catalogus werd voor 25 cent verkocht en het geld kwam ten goede aan de armen. Los in deze uitgave bewaar ik Lamberts' overlijdensaankondiging (14.5 cm. x 21.5 cm.).


Voordat Stork en Van Spaendonk met ons aan de wandel gaan verschaft Izanna Mulder (tentoonstellingsmaker en junior conservator bij het Amsterdamse Stadsarchief) de broodnodige historische achtergrondinformatie met haar inleiding: "Het eeuwige en veranderende Amsterdam van Gerrit Lamberts". Lamberts had meerdere verzamelingen (de veilingcatalogus beschrijft er veertien!) maar de tweede verzameling (de 'Atlas') staat in haar verhaal en in deze uitgave centraal. Dat de verzamelingen van Lamberts tijdens zijn leven groeiden zal geen verbazing wekken. Het is daarom interessant om eens een nadere blik te werpen op - in dit geval - de 'Atlas' met vier stadswandelingen. Wat zat daar precies in en wat wordt daarover medegedeeld in de drie genoemde publicaties (A, B en C)? Hieronder heb ik alle informatie bij elkaar gezet per (genummerde) wandeling. 

Volgens Lamberts' eigen opgave in 1836 (A) bevatte deze tweede verzameling: "Eene zeer groote menigte van Afbeeldingen van Gebouwen, Gezigten, Oudheden en Gebeurtenissen; Portretten, gedrukte stukken enz. voorkomende in -  en geschikt naar de door den Verzamelaar vervaardigde berijmde Beschrijvingen van onderscheidene gedeelten der Stad Amsterdam, voorgesteld bij wijze van wandelingen door dezelve, door hem in onderscheidene Genootschappen voorgedragen, en die in handschrift bij elk van dezelve is gevoegd".

De veilingcatalogus (C) omschrijft de inhoud als volgt:

"Bevattende: Gebouwen en Gezigten in Amsterdam, Voorvallen, Zeldzaamheden, Portretten, Paskwillen, Verzen, enz. waaronder Teekeningen van Moucheron, Vinkeles, Moritz, Jelgershuis, Pfeiffer, J. de Beyer, J. Andriessen, J. de Wit, Beerestraten, Houbraken, enz.; Verdeeld bij wijze van wandeling door de stad, die met de door den Verzamelaar vervaardigde en dikwerf voorgedragene Geschreven Berijming, ieder bij de daarbij behoorende zullen worden verkocht, als:..."

Kijken we vervolgens naar de inhoud van de vier wandelingen (I t/m IV).

I. Van de WESTERMARKT naar den DAM zonder Steenen Sluizen over te gaan in twee delen 

Eerste deel. Van de Westermarkt tot in het Park.
Tweede deel. Van uit het Park tot op den Dam.

Omslag no. 1. De Westermarkt en van dezelve tot aan de Leidschestraat.
Bij dezelve bevinden zich vele zeldzame betrekkelijk den ouden Schouwburg en het Doolhof, als ook de geteekende portretten van de laatste Directeuren der gewezene Stads Teeken-Academie, in de Raamstraat, enz.

Omslag no. 2. Van de Leidschestraat tot in het Park.
Bij deze zijn de door R. Vinkeles geteekende Portretten van de leden der Stads Teeken-Academie, voorheen vergaderende boven de Leidschepoort, en vele andere bijzonderheden.

Omslag no. 3. Van uit het Park, langs den Buitenkant, tot op den Dam 
Hierbij bevinden zich de door Vinkeles geteekende (doch onvoltooide) afbeeldingen der Schilderij van de aanbieding der sleutels der Stad aan Napoleon, in 1811, vele betrekkelijk de onlusten op Kattenburg, in 1787; alsmede vele bijzonderheden rakende de Oude Kerk.

Omslag no. 4. Den Dam, gebeurtenissen op denzelven. Het oude en nieuwe Stadhuis, de Waag, Beurs enz.
Hierbij zijn vele Teekeningen en Schetsen, verscheidene Stukken wegens de Regtsoefening, een aantal der gebeurtenissen op den Dam, en vele betrekkelijk de Beurs, de Waag en het Stadhuis enz.

Omslag no. 5. Het Koninklijk Paleis van binnen, benevens de Nieuwe Kerk.
Hierbij zijn vele gebeurtenissen op het Stadhuis, geteekende Portretten van bijzondere personen, en vele betrekkelijk de Nieuwe Kerk, Huldiging van den Souvereinen Vorst, Graftombes enz.

De titel werd aangepast tot ...liggende in Zes Omslagen omdat no 3. werd gesplitst in twee omslagen: E. Van uit het Park tot den Kadijk en F. Van den Kadijk tot op den Dam. (waardoor 4 en 5 respectievelijk 5 en 6 werden).

Bevattende te zamen ruim 1450 stuks, waaronder 215 Teekeningen en 195 Portretten.

Uit zijn aparte verzameling autografen (originele handschriften) zat bij deze tweede wandeling (omslag 1): "Punt. (Begrafenisbriefje van Johannes) Amst. 24 Dec. 1779, Wester Kerk", en (omslag 3, F): "Wagenaar, (Brief van den Historieschrijver Jan) aan J. Buyssant te Haarlem".


II. Van het KONINGSPLEIN naar den HEILIGEN WEG, mede zonder Steenen Sluizen over te gaan.

Omslag no. 6. Het Koningsplein, Botermarkt, Kolveniers Burgwal.

Omslag no. 7. O.Z. Achter- en Voorburgwal, Nes, Rok-in, Heilige Weg.
Bij deze twee Omslagen zijn als bijzonder aan te merken: de Munt, de Botermarkt, met vroegere Kermisvoorstellingen, de Vuurwerken vóór den Doelen in 1696 en 1703, benevens eene omstandig geschrevene Beschrijving van het laatstgemelde, zoo als het door zeker Gezelschap is bijgewoond, benevens de Rekeningen enz., en andere Stukken.

Van het Koningsplein naar den heiligen Weg, mede zonder Steenen Sluizen over te gaan, liggende in Twee Omslagen.

No. 5.
Omslag A. Van het Koningsplein tot aan het Rusland.
Omslag B. Van het Rusland tot op den Heiligen Weg.

Te zamen ruim 360 stuks, waaronder 69 Teekeningen en 46 Portretten.

III. Van de NIEUWE MARKT naar den DAM.

Omslag no. 8. 
Hierin bevinden zich vele betrekkelijk de Anthonis Waag, Portugeesche Synagoge, de, door den Verzamelaar geteekende, inwijding der R.C. Kerk Geloof, Hoop en Liefde. De teekeningen der Schilderijen in de R.C. Fransche kerk, door J. de Witt, enz.

Te zamen ruim 350 stuks, waaronder 65 Teekeningen en 65 Portretten.


IV. Van den DAM naar den HAARLEMMERPOORT.

Omslag no. 9.
Waarbij zich bevinden eenige betrekkelijk het Wapen van Embden, het Ye en Noordhollandsche Dorpen, Haringpakkers tooren, Brand en Ruïnen der Luthersche Nieuwe Kerk, de onderscheidene Haarlemmerpoorten, Wester-Doksluis enz.

Bij ieder van al deze Omslagen is nog een paket met gedrukte Stukken, Boekjes, Gedichten, zilveren Penningen enz.

7. Van den Dam naar de Haarlemmerpoort, met inbegrip van een uitstap naar de Zaan en de drie Eilanden alhier. Te zamen ruim 240 stuks, waaronder 42 Teekeningen en 32 Portretten. Bij deze wandeling zijn nog gevoegd een aantal Boekjes, en bij ieder een Paket.

Deze Wandelingen No. 4, 5, 6 en 7, zullen met de paketten en geschrevene Berijmingen, eerst ieder wandeling afzonderlijk, en daarna te zamen aan de daarvoor meerder biedende worden toegewezen.

De veilingcatalogus volgde een eigen nummering per onderdeel. In de eerste verzameling 'Amsterdam' zaten: 1. Platte gronden, 2. Profil Gezigten en 3. Burgerwijk-Kaarten. Zodoende werd de tweede verzameling met alle wandelingen genummerd 4 (wandeling 1) t/m 7 (wandeling 4).

Uit Lamberts' aparte verzameling autografen (originele handschriften) zat bij de vierde wandeling: "Petri, (Brief van Ds. George Hendrik) aan Willem Momma te Koningsbergen. Saardam 11 Dec. 1699". 


Helaas valt er uit deze inhoudelijke opsomming geen reconstructie te maken van de exacte route van Lamberts' wandelingen. Kortom; de wandelingen van Gijs Stork en Floor van Spaendonck zijn dus niet de wandelingen van Lamberts zelf, maar hun eigen wandelingen geïllustreerd met Lamberts tekeningen van Amsterdamse gebouwen en stadgezichten.
Zelf schrijft Izanna Mulder daarover: "Omdat de collectie verspreid raakte over verschillende verzamelingen, zijn de wandelingen helaas niet meer precies te reconstrueren. Ook van de tekst is slechts een fragment bewaard gebleven. De titelbeschrijving in zijn catalogus, waarbij hij bijvoorbeeld van de Westermarkt naar de Dam wandelt 'zonder Steenen Sluizen over te gaan', maakt echter wel nieuwsgierig" (blz. 11). Maar hoe zit het dan met de uitgestippelde wandelingen die op de tentoonstelling waren te zien? Ik sprak daarom ook even met Erik Schmitz die de tentoonstelling maakte (en die ik al dertig jaar ken). Erik vertelde me dat het reconstructies zijn op basis van Lamberts tekeningen, de genoemde publicaties, enkele bewaard gebleven fragmenten van de beschrijving bij de wandelingen en wat anderen daar later over schreven. Al met al te weinig om waarheidsgetrouwe reconstructies te maken. 

Zijn reactie bevestigde mijn vermoeden dat ik met mijn speurneus goed werk had gedaan. Inmiddels had ik namelijk een uitgebreid verslag gevonden van Lamberts tweede wandeling.


Ik vond het terug in de kortstondig verschenen: "Nieuwe Amsterdamsche Mercurius, of maandboekje voor de hoofdstad" (Amsterdam, 1847, blz. 398 t/m 402). De auteur is onbekend; we komen alleen te weten dat hij een lezer was die meende dat het niet ongepast was om het verslag ter plaatsing in te zenden. Alvorens over te gaan tot een beschrijving van de wandeling schreef hij de volgende korte inleiding:
"Het is 10 à 12 jaar geleden, dat ik in eene der gewone vergaderingen van het Amsterdamsch Eerste Departement der Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen met veel genoegen van den Heer G. Lamberts gehoord heb eene, door hem, zoo hij het noemde, Berijmde Historische Wandeling door deze Stad, en wel van het Koningsplein naar den Heiligeweg, zonder steenen sluizen over te gaan. - Hoe vreemd deze opgave ons ook scheen, werd deze wandeling met veel genoegens gehoord. - Het onderwerp was eenvoudig en zeer onderhoudend; men kon den spreker als het ware van huis tot huis vergezellen, elke straat of gracht, langs welke hij ons voerde, kenden wij; daarbij was dezelve doorvlochten met vele historische bijzonderheden van de vroegere gelegenheid van dit gedeelte der stad en met dikwerf luimige of pikante aanmerkingen. - Bij het vernemen van dit nieuwsoortig onderwerp, eene wandeling van het Koningsplein naar den Heiligeweg met vermijding van steenen sluizen, meende ik den te nemenen weg dadelijk gevonden te hebben, doch hier en daar werd ik in mijne verbeelding door een steenen sluis verhinderd, en toen de spreker een aanvang maakte met zijn onderwerp, was ik geheel gehoor. Ik heb, te huis gekomen, daarvan het een en ander opgeteekend, naderhand de wandeling zelve gedaan, en mij veel deswegens herinnerd, welke herinneringen ik thans wilde mededeelen".

Vervolgens geeft hij een uitvoerige beschrijving van de route en bezienswaardigheden die Lamberts hem had getoond. Vanwege het belang van zijn verslag en voor wie het in zijn geheel wil nalezen heb ik de desbetreffende vijf pagina's gefotografeerd en onderaan dit artikel opgenomen. Het origineel kan worden geraadpleegd op het Amsterdams Stadsarchief (Bibliotheek, nr. 15030, nr. 467). 

Daarmee is - ruim anderhalve eeuw later - duidelijk wat de precieze route was van Lamberts' tweede wandeling van het Koningsplein naar de Heilige weg "zonder steenen sluizen over te gaan". Voor mijn trouwe bloglezers (waaronder zich vast en zeker ook fervente stadswandelaars bevinden!) heb ik alvast dit routekaartje gemaakt (dat - net als bij alle andere illustraties - eenvoudig is te vergroten door het aan te klikken).


De routebeschrijving hierbij (van A naar B) is als volgt: Koningsplein - westzijde Singel (Bloemenmarkt) naar de Munt - Regulierbreestraat - Botermarkt (Rembrandtplein) - Halvemaansteeg (over de houten Halvemaansbrug) - Kloveniersburgwal (oostzijde) - Nieuwmarkt - Kloveniersburgwal (westzijde) - Oude Manhuispoort - Oudezijds Achterburgwal naar de houten Stoofbrug (Brug 214) - Stoofsteeg - Oudezijdsvoorburgwal - over de houten Lombardsbrug (Lommertbrug) - Enge Lombardsteeg - Nes - Langebrugsteeg over de houten Langebrug (Donderbrug) - Rokin - Olieslagersteeg - Heiligeweg - Singel. 

En tot besluit wil ik tegen u en speciaal Gijs en Floor zeggen: loop eens een echte wandeling van Lamberts!





vrijdag 13 oktober 2017

Een oude gewoonte


Op de laatste antiquarenbeurs in het Marriott Hotel heb ik vooral veel gekeken en gepraat.
Gekocht heb ik niets... hoewel...
Ik sprak even met Arine van antiquariaat Van der Steur en sprak af dat ik haar zou mailen met wat vragen.
Eén daarvan was de vraag of zij beschikten over het portret van Willem Bilderdijk (1756-1831) door Jan Hulstkamp (1759-1786) uit 1786, met gedicht van Jan Willem Kumpel (1757-1826) wiens lot zo dramatisch verbonden was met Bilderdijk! Het antwoord was positief, er waren zelfs meerdere exemplaren, en één daarvan kwam mijn kant op.
Inmiddels heb ik het portret ontvangen en toegevoegd aan mijn bijzondere exemplaar van "Mijn Verlustiging" (Leiden/Amsterdam, 1781), waarover ik hier schreef. Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik dat wel vaker doe met portretgravures en daarom leek het me aardig daarover iets meer te vertellen.

Anders dan vrijwel alle moderne industrieel vervaardigde uitgaven van tegenwoordig was het oude (met de hand vervaardigde) boek nooit standaard.
Tekst, illustraties en band waren aparte onderdelen met hun eigen vaklieden (drukker, graveur, binder). Illustraties werden bovendien door uitgevers vaak gebruikt voor verschillende titels. Daarom vinden we bijvoorbeeld portretten uit Jakobus Kok: “Vaderlandsch Woordenboek” (Amsterdam, 1785-1799) ook terug in de "Vaderlandsche Historie..." van Jan Wagenaar (1709-1793).
Een goed voorbeeld van een uitgave die in tal van variaties door de uitgever werd aangeboden (en dan nog door de koper zelf kon worden aangevuld en verrijkt zoals u verderop kunt lezen) is de achttiende eeuwse Amsterdamse stadsgeschiedenis van Jan Wagenaar.

Uitgever en koper bepaalden dus uiteindelijk hoe een boek er kwam uit te zien. Het verrijken van boeken door het toevoegen van (extra) portretten, kaarten of afbeeldingen is in de boekenwereld en bibliofilie een oude gewoonte (NB. lees ook mijn: "Een boek naar eigen smaak").
Engelse boekenvrienden praten dan over een ‘grangerized copy’ naar James Granger (1723-1776) en sommige van zijn navolgers als de Britse Alexander Meyrick Broadley (1847-1916), wiens rijke bibliotheek tal van boeken kende voorzien van honderden extra illustraties, waren daar bepaald handig in!

Voorbeelden van oude uitgaven die door een vorige (vaak de eerste) eigenaar werden verrijkt bevinden zich ook in mijn collectie.

Een zeventiende eeuws voorbeeld is het ingekleurde portret van Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) door Reinier van Persijn (ca. 1614-1668), naar een schilderij van Joachim von Sandrart, en met een latijns gedicht van Casparus Barlaeus). Het werd door een vorige bezitter toegevoegd aan de eerste druk van: "Neederlandsche Histoorien, Sedert de ooverdraght der Heerschappye van Kaizar Karel den Vyfden, op Kooning Philips zynen zoon" (Amsterdam, 1642). Bijzonder is dat het contemporain door een goede 'afsetter' werd ingekleurd (let op de glanseffecten in de zwarte mantel en de roze wangetjes!) en dat is iets dat je eerder en vaker tegenkomt bij oude topografische kaarten en historieprenten.

Een ander achttiende eeuws voorbeeld in mijn boekenkast is een los vierde deel (groot folio) van de eerdergenoemde stadsbeschrijving van Jan Wagenaar. Behalve de gebruikelijke platen heeft de koper vier grote portretgravures en acht historieprenten vooral met betrekking op gebeurtenissen in 1787 extra laten inbinden. Verschillende daarvan heb ik eerder besproken zoals het portret van de dappere burger-kapitein Abraham Valentijn uit 1787, het portret van de Amsterdamse burgervader mr. Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) en vier afbeeldingen (proefdrukken) van de beruchte begrafenis van de Oranjegezinde Doelist Daniel Raap in 1754.


Maar zoals ik in de inleiding al schreef voeg ik dus ook zelf regelmatig portretten toe aan mijn oude boeken. Dat kan op verschillende manieren.
Bijvoorbeeld; het portret van Jan Fredrik Helmers (1767-1813) door Philippus Velijn (1787-1836), dat ik kocht voor mijn bijzondere uitgave van de "Hollandsche natie in zes zangen" (Den Haag, 1812), is als apart blad tussen de blanco bladen van het voorwerk gezet (met behulp van wat boekbindersstijfsel).
Datzelfde lukte mij met het portret van Adriaan Kluit (1735-1807) niet!
Het formaat van zijn: "Historia Critica Comitatus Hollandiae et Zeelandiae ab Antiquissimis Inde Deducta Temporibus” (Middelburg 1777-1782)", waaraan ik het toevoegde, is immers veel groter dan de portretgravure van Ludwig Gottlieb Portman (1772-1828). Daarom zit zijn portret geplakt op de binnenzijde van het voorplat.


Dat laatste deed ik ook met het portret van Robert Hennebo (1685-1737) door Christian Friedrich Fritzsch (1719-voor 1774) dat ik toevoegde aan de "Verzamelde dicht-werken van Robert Hennebo” (Diverse plaatsen, 1767), waarover u hier kunt lezen. Dit portret werd destijds los verkocht voor zes stuivers, “Om door de liefhebbers by de GEDICHTEN en SCHIM van HENNEBO te kunnen gevoegd worden” (Leydse courant van 6 mei 1767). Een oude gewoonte dus, dat toevoegen van portretten!


Een portret dat nadrukkelijk wél voor een specifieke uitgave werd vervaardigd is de afbeelding van Johannes Florentius Martinet (1729-1795) door Reinier Vinkeles (1741-1816) uit 1778. Op de gravure is rechtsboven 'IV.D. Pl.7' te zien. Het is een verwijzing naar het vierde deel (plaat 7) van zijn “Katechismus der natuur" (Amsterdam 1778-1779). Ik plaatste mijn exemplaar in zijn "Huisboek voor vaderlandsche huisgezinnen” (Amsterdam, 1793), zoals u hier kunt lezen.


Twee publicaties in mijn bibliotheek waarover ik nog niet schreef maar waaraan ik ook auteursportretten toevoegde zijn:
A. De afbeelding van Mr. Jacobus Scheltema (1767-1835) in 1818 gegraveerd door Jacob Ernst Marcus (1774-1826) aan zijn: "Geschied- en Letterkundig Mengelwerk" (Amsterdam, 1818-1836) en:
B.  De afbeelding van Simon Styl (1731-1804), door eerdergenoemde Reinier Vinkeles, aan: "De opkomst en bloei der vereenigde Nederlanden" (Amsterdam/Harlingen, 1778). 


En nu dus, als voorlopige laatste, Bilderdijk.
Wederom Bilderdijk moet ik zeggen, want het is mijn tweede portret van deze 'gefnuikte arend' dat ik aan een oude uitgave toevoeg. Zoals ik in: "Collectievorming" beschreef heb ik een ander Bilderdijk-portretje, gegraveerd in 1819 door Hendrik Willem Caspari (1770-1829), geplakt in zijn vroeg negentiende eeuwse bewerking van: “Joannes Antonides v.d. Goes, Gedichten, met ophelderende aanteekeningen” (Leiden, 1827-1836).


Dat portretje zou trouwens, evenals vele andere portretten van Bilderdijk, bepaald misstaan hebben in zijn erotische debuut "Mijn Verlustiging". Wat mij betreft kwam alleen het portret van Jan Hulstkamp daarvoor in aanmerking al was het maar omdat Bilderdijk dit portret typeerde als; "een Wildeman, het dolhuis uitgevlogen".
Bilderdijks weinig vleiende opmerking werkte voor mij natuurlijk als een aanbeveling! Immers; alleen die Bilderdijk schreef erotische poëzie en niet de man die we op talrijke andere portretten zien als geleerde advocaat, gezaghebbend taalkundige of eerzaam schrijver.


Hieruit blijkt wel dat ik niet elk portret zo maar aan een uitgave toevoeg. Het moet zoveel mogelijk contemporain zijn en gevoelsmatig ‘passen’. Zo heb ik nog geen auteursportret kunnen plaatsen in mijn exemplaar van: "Gedichten, van J. Antonides vander Goes” (Amsterdam, 1685).
Niet omdat de afbeelding van Antonides van der Goes niet verkrijgbaar is, vooral de prent gegraveerd door Pieter van Gunst (ca. 1659-1731) is antiquarisch ruim voorradig, maar omdat ik uitsluitend de afbeelding gegraveerd door Jacobus Gole (1665-1724) vind passen. Alleen dat portret komt nog wel eens voor in eerste druk uit 1685 terwijl het portret door Van Gunst pas verschijnt in de derde druk van al zijn gedichten (1714)

Het toevoegen van extra illustraties aan oude boeken, waaronder portretten, mag dan een oude gewoonte zijn; ik ken (nog) geen andere bibliofiele medeverzamelaars die doen wat ik doe. U wel?

vrijdag 2 januari 2015

Contact


Het afgelopen jaar werd ik voor twintig euro eigenaar van ‘Walters Scott’s Werken’ in tien delen uitgegeven door de gebroeders E. & M. Cohen. De uitgeversfamilie Cohen is mij niet onbekend, er staat meer van hen bij mij in de kast waaronder een aardig boekje met de geschiedenis van hun uitgeverij tussen 1824 en 1951 getiteld: “De zolders kraken!”. Daaruit blijkt vooral hoe enorm groot en divers hun fonds ooit was.

Op zoek naar wat meer informatie over mijn aanwinst maakte ik destijds contact met Hans Cohen, een nazaat en verzamelaar van Cohen-uitgaven, die op slechts enkele minuten afstand van mij woont.
Ik bewonderde zijn collectie maar was natuurlijk vooral nieuwsgierig naar zijn Walter Scott uitgaven. Die zijn namelijk vaker, in verschillende series en banden, bij Cohen verschenen. We waren het er al gauw over eens dat de tiendelige ‘rode serie’ de oudste moet zijn.


Volgens de krantenadvertenties verschenen de eerste afleveringen hiervan, a tien cent, begin 1893. Een compleet boek, gebonden in rood linnen ‘prachtband’, kostte toen één gulden veertig. De hele serie in één keer kopen voor slechts tien gulden was voordeliger.
Dat lijkt weinig geld maar voor menig arbeider destijds was tien gulden het gemiddelde weekloon en waren de boeken dus onbereikbaar.

Ik kocht de set enerzijds omdat ze in uitstekende staat verkeerde, redelijk was geprijsd en overvloedig geïllustreerd met houtgravures uit de oorspronkelijke Engelse uitgave, anderzijds omdat ik als jochie aan de buis gekluisterd zat als een piepjonge Roger Moore weer eens verscheen in de rol van de koene ridder Ivanhoe (Ivanhoeeeeee…!) en ik het gelijknamige boek nu wel eens wilde lezen.


Er is nog een boekje uit de serie dat mijn aandacht trok. Het is “De Oudheidkenner”. Daarin staat een specifiek tekstgedeelte dat mij erg aanspreekt en dat ik al lang geleden op het spoor kwam dankzij een andere uitgave in mijn bibliotheek en wel het schaarse boekje van G.D.J. Schotel (1807-1892) getiteld: “Leven, gedrukte werken en handschriften van Cornelis van Alkemade en Pieter van der Schelling” (Breda, 1833).
Op het titelblad staat het volgende citaat:

“Het eene einde der kamer was geheel bezet met boekenkasten, veel te klein voor het aantal der daarin geplaatste boekdeelen, die daarom in twee en drie reijen achter elkander gedrongen stonden, terwijl tallooze anderen over den vloer en op de tafels, tusschen een mengelmoes van landkaarten, teekeningen, parkementsnippers, bundels papieren, stukken van oude wapenrustingen, zwaarden, dolken, helmen en Bataafsche schilden verstrooid lagen. –
De vloer was, zoowel als de tafel en elke stoel, door dezelfde zee van Oudheden overstroomd. – Het viel niet gemakkelijk, dwars door dezen verwarden boel den weg naar eenen stoel te vinden, zonder over eenige folianten te struikelen, of nog veel meer gevaar te loopen van het een of ander stuk Romeinsch of Oud-Hollandsch vaatwerk om ver te loopen. –“


Slechts twee woorden uit de oorspronkelijke tekst - schreef Schotel eronder - werden door hem veranderd. In mijn Cohen uitgave zijn de passages gemakkelijk terug te vinden (blz. 23/24) omdat er een aardige illustratie van de beschreven kamer bij staat (blz. 22).
Zo kan ik zien dat hij ‘Hooglandsche schilden’ veranderde in ‘Bataafsche schilden’ en oud ‘Engelsch’ aardewerk in ‘Oud-Hollandsch’ vaatwerk.
Ik wil het Schotel graag vergeven. De hoofdpersoon in zijn boek was immers niet de Engelse oudheidkenner Jonathan Oldenbuck van Monkbarns maar de Hollandse antiquarius Cornelis van Alkemade (1654-1737) en zijn schoonzoon Pieter van der Schelling (1691-1751). Liefhebbers van het oude boek zullen hun meest bekende uitgave, de driedelige: “Nederlands Displegtigheden” (Rotterdam, 1732-1735) wel kennen.

Van Alkemade en Van der Schelling waren beiden verzamelaars van oudheden; antiquarii in de breedste zin van het woord en ze schreven en publiceerden over hun bevindingen. Om hen en het kunst- en rariteitenkabinet van Hollandse oudheden dat ze opbouwden te karakteriseren gebruikte Schotel dit fragment uit “De Oudheidkenner” op het titelblad van zijn uitgave.


Een treffende omschrijving en raak gekozen want daarin herken ik ook mijzelf en mijn wereldje.
Als ik van achter mijn PC en toetsenbord omhoog kijk zie ik mijn collectie Brunssums/Schinvelds proto-steengoed van rond 1300, een mensenschedel uit de zeventiende eeuw en een grote haaienkaak met messcherpe tanden uit Zuid-Frankrijk.
Links van mij op de grond staan ingelijste oude landkaarten, plattegronden en afbeeldingen uit de 17de t/m de 20ste eeuw. Rechts van mij op de oude kindercommode een boekenpers kopieerpers, twee koperen olielampen en een koperen scheerbekken uit de negentiende eeuw. Iets verder een beeldje van Laurens Janszoon Coster.
Op de venterbank ligt van alles wat; een oefenhandgranaat, een replica van een Romeinse olielamp uit Xanten, de schijf van Phaistos meegenomen van Kreta, de teddybeer uit mijn peutertijd en een grote roestige nagel van de beruchte Dodenspoorlijn meegenomen uit Thailand. Op mijn bureau liggen stapels oude en nieuwe boeken waaronder de exemplaren waarover ik nu schrijf, en rechts en achter mij staan propvolle boekenkasten met drukwerk uit vijf eeuwen.

Wat schuilt er toch achter al die verzameldrift?
Welnu, ik denk dat wij antiquarii een extra zintuig hebben dat ons in staat stelt contact te maken zodra we een historisch object in handen krijgen, of dat nou een oude munt, kleitablet of een boek is. Contact waarmee?
Contact met de geschiedenis. Contact met de wereld waaruit het komt, het verhaal er achter en een sterk besef van de tijd die is verstreken sinds het werd gemaakt. Antiquaar Phillip J. Pirages brengt dat mooi onder woorden in zijn videopresentatie: “An Introduction to Antique Books” (deel 1 van 4) als hij het heeft over de redenen waarom mensen verzamelen.


Dat is mooi, hoor ik u denken, maar in deze materialistische crisistijd is de onvermijdelijke vraag; ‘wat levert het op’?
Welnu beste lezers, bij mij in ieder geval geen financiële maar wel geestelijke rijkdom.
Contact met het verleden maakt jezelf nietig, zeker naarmate het object ouder is.
Het doet je de vergankelijkheid, de betrekkelijkheid van alles beseffen. Het levert, op zoek naar achtergrondinformatie, kennis op. Kennis verrijkt en als je het tot slot ook nog leuk vindt om, zoals ik, de opgedane kennis met anderen te delen dan levert dat weer nieuwe perspectieven op en … contact!

Ik wens al mijn lezers een voorspoedig en contactrijk 2015!

vrijdag 21 november 2014

Een boek naar eigen smaak


Vroeger was alles beter…

Neem nou boeken.
Ze werden ambachtelijk met de hand gedrukt met diverse lettertypen en verlucht met gravures door echte kunstenaars. Als je veel geld had kon je die bovendien laten inkleuren door een ‘afsetter’. Je kon het boek in folio krijgen of in quarto, op goedkoop papier of dik luxe papier, met extra illustraties of zonder. Je kon ze ongebonden kopen met papieren omslag of laten inbinden in leer, halfleer, perkament of gewone kartonnen platten, al dan niet met sierpapier beplakt. Keuze zat.

Tegenwoordig koop je een massaproduct waarbij je – als je veel geluk heb – alleen kunt kiezen tussen een ingebonden exemplaar met harde kaft of een gelijmde met softcover. That’s it!
Dikke kans dat je boek krap een jaar later in de ramsj opduikt of tweedehands bij bol.com voor een fractie van het bedrag dat je er voor moest neerleggen.
En over honderd jaar laten de bladen los en verkruimelen tussen je vingers vanwege de slechte lijm en papierkwaliteit.
Nee…, vroeger was alles beter.


Natuurlijk! Je kunt met je nieuwe boek naar een boekbinder gaan, de kaft laten verwijderen en het boekblok vervolgens laten zetten in een andere band naar keuze. Handiger is het (maar niet altijd mogelijk) om bij de drukker een ongebonden/ongesneden exemplaar vers van de pers te bestellen en dat vervolgens te laten inbinden.
Dat heb ik een keer gedaan bij uitgeverij De Buitenkant bij het verschijnen van: “Uit de Schaduw” (Amsterdam, 2011), het jubileumboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen. Natuurlijk heb ik daarnaast ook een genummerd exemplaar gekocht maar die losse katernen bestelde ik destijds met het idee om ze ooit nog eens te laten binden in een perkamenten band. Ooit…


In het antiquariaat en het tweedehands circuit kom ik regelmatig boeken tegen die door hun voormalige eigenaar zijn veranderd naar hun persoonlijke smaak. Meestal gaat het dan om een afwijkende boekband. Over particuliere boekbanden heb ik twee keer eerder geschreven. De eerste keer in: “Nieuw maatpak voor Frederik Muller” en de tweede keer in: “Boekverbeteraar”. In het eerste artikel was ik zelf de opdrachtgever en in het tweede artikel een beroemde bibliofiele lekkerbek.
Mocht u overigens een fervent liefhebber van boekbanden zijn dan kunt u uw hart ophalen bij het Belgisch-Nederlands Boekbandengenootschap.


Een enkele keer is behalve de band ook de inhoud veranderd.
Op de Haagse boekenmarkt kocht ik jaren terug voor een paar euro de vierdelige set: “Het leven van onze voorouders” (Amsterdam, z.j. ca. 1900) geschreven door Mr. N. de Roever en voortgezet door Dr. G.J. Dozy.
Niet omdat de inhoud of de particuliere banden nou zo spectaculair waren, integendeel! Bijzonder in dit geval was dat de overijverige eerste eigenaar de boeken had voorzien van (zelf?) getekende landkaarten, genealogische diagrammen en aantekeningen. Geen prutswerk maar fraaie toevoegingen zoals u aan de hand van de collagefoto kunt zien.
Dat ‘verrijken’ van boeken met extra platen e.d. kwam vroeger vaker voor. In Engelse boektermen praten we dan over een ‘grangerized copy’ naar James Granger ( 1723-1776).

Mijn laatste aanwinst in dit kader is wat spectaculairder. Het is meteen een goed voorbeeld van de ‘kringloopse boekenwijsheid’ die zich beperkt tot het nakijken van de prijzen op internet. In het desbetreffende boek zat namelijk een kopie van de boekensite Antiqbook waarop bij drie verschillende antiquaren een ‘vergelijkbaar’ exemplaar werd aangeboden van ‘datzelfde’ boek: “Kunst en maatschappij van William Morris”
(Amsterdam, 1903). Niet dus…


“Kunst en maatschappij van William Morris” is een vrij kostbare uitgave die destijds werd vormgegeven door Sjoerd de Roos (1877-1962) en in twee uitvoeringen verscheen, zoals de krantenadvertentie laat zien.
Alhoewel het boek antiquarisch regelmatig wordt aangeboden en dus niet zeldzaam is moet u voor een mooi exemplaar in een blauw linnen band al gauw rekenen op € 150,- a
€ 200,- euro en voor één van de 200 genummerde exemplaar in een perkamenten band op een vraagprijs rond de € 400,- tot € 500,- euro.

Blijkens het ex-libris aan de binnenzijde van het voorplat stond het exemplaar dat ik in mijn kringloop vond ooit in de kast van ene J. Krull. Ik vermoed dat het gaat om de drukker J. Krull die tijdens het interbellum verbonden was aan de Amsterdamse grafische school te Amsterdam.
Zijn Mijn exemplaar zit in een particuliere halfleren band met groene sierpapieren platten.
De smaakvolle rugversiering is evenals de titel in goud uitgevoerd. Het boekblok is niet afgesneden (non rogné) behalve de kopsnede die goudverguld is en bovendien geciseleerd.

Het belang van deze uitgave ligt volgens boekhistoricus Ernst Braches vooral in de verzorging van het innerlijk van het boek en daar is in dit geval iets vreemds mee aan de hand.
Elementen als de afwijkende papierkwaliteit naast de zeven reproducties (van boeken gedrukt op de befaamde Kelmscott Press) komen overeen met die van een luxe uitgave. Een ontbrekend element is het ingeplakte blad met een boeknummer. Het is dus niet één van de 200 genummerde exemplaren.


Tijdens een vergelijking met één van de 200 genummerde exemplaren in perkamenten band bij antiquariaat Brinkman vielen direct twee dingen op. Allereerst zijn alle illustraties op een andere plaats dan gebruikelijk ingebonden. Ronduit verrassend was de ontdekking dat bij vier van de zeven illustraties de verklarende tekst of de sierelementen (kleine Maltezer kruizen) op de verso zijde ontbreken en dat bij één illustratie de tekst op de verso zijde een zeer opvallende zetfout bevat (‘Begipagia’ i.p.v. ‘Beginpagina’).

Deze bevindingen doen vermoeden dat de eigenaar zijn exemplaar destijds heeft samengesteld uit restanten die bij de drukker overbleven.
Die restanten bestonden uit een complete set tekstkaternen (mogelijk een zogenaamd uitschotexemplaar) en drukproeven van de illustraties.
Door het inbinden van deze elementen in een smaakvolle particuliere band creëerde Krull een uniek exemplaar in uiterlijk en inhoud. Een boek naar eigen smaak in optima forma.

woensdag 9 april 2014

Oud geld


Regelmatig gaan wij naar Utrecht om wat te wandelen.
Puur jeugdsentiment want mijn grootouders van moeders kant hebben hier een halve eeuw gewoond in de wijk Oog in Al. De auto parkeren we daar altijd gratis in de Mozartlaan om zo door het park Oog in Al te lopen richting de puinhoop die de Utrechtse binnenstad door sloop, verbouwing en nieuwbouw nu is.
Het is een route vol jeugdherinneringen waaronder de oude Koninklijke Nederlandse Munt, een Rijksmonument gebouwd tussen 1903 en 1911, die we over de negentiende eeuwse Muntbrug heen en terug passeren.


Net als mijn moeder kan ik nog steeds feilloos herhalen wat daar boven een van de deuren in steen is uitgehouwen en net als haar horen mijn huisgenoten mij daar telkens hetzelfde versje reciteren als we het gebouw naderen;

“Het geld hier uit metaal verkregen
Zy nooit ten vloek doch steeds ten zegen”.

In een min of meer ver verleden heb ik van alles verzameld waaronder natuurlijk ook munten en penningen.
In laatjes, hier en daar, zwerven daarvan nog de restanten. Een luciferdoosje met wat ondefinieerbare kleine Romeinse en Griekse muntjes, ooit gekocht op Kreta toen ik daar begin jaren tachtig op vakantie was, een collectie Nederlandse geld vanaf 1948, geërfd van mijn grootvader (van vaders kant), wat zilveren tientjes, wat herdenkingsmuntjes, een pot met centen en een losse 18de eeuwse VOC duit, ooit zelf opgegraven.
Numismatiek vind ik vind nog steeds interessant maar mijn voorkeur gaat uit naar historische penningen die geen deel uitmaakten van het betaalverkeer.


Eigenlijk is dit een kort vervolgstukje op de “De verzamelaar(s)” dat ik in november 2011 schreef. Dat ging over de eerste handleidingen voor jonge verzamelaars die na 1880 verschenen bij A.W. Sijthoff in Leiden.

Daaronder bevond zich ook een uitgave geschreven door mr. Ch. M. Dozy (1852-1901) over het verzamelen van munten en penningen. Anders dan oorspronkelijk de bedoeling van de uitgever was, is de handleiding van Dozy weinig gericht op ‘de jonge verzamelaars’ maar het onderwerp werd door hem wel in een historische en internationale context geplaatst. Eerder verschenen boekjes zoals dat van G. van Orden (1774-1854): “Handleiding voor verzamelaars van Nederlandsche Historiepenningen” (Leiden, 1825) beperkten zich nog volledig op het becommentariëren en aanvullen van Nederlandse uitgaven die op dat gebied in de eeuwen daarvoor waren verschenen zoals van Frans van Mieris (1689-1763), Pierre Bizot (1630-1696) en Gerard van Loon (1683-1758).

Dozy's handboek (uit 1884) ontbrak destijds nog aan mijn collectie maar u weet inmiddels wel hoe dat bij boekenjagen gaat. Met geduld, toeval en veel 'online' snuffelen vond ik uiteindelijk toch de originele zeldzame uitgave bij een antiquariaat voor slechts vijftien euro. Veel bedenktijd had ik niet nodig.
Dozy’s: “Het verzamelen van munten en penningen, Handboek tot het aanleggen van eene munt- en penningverzameling” (Leiden, z.j.) zit, zoals u op de foto’s kunt zien, nog in zijn oorspronkelijke papieren omslag met op de achterzijde reclame waaruit blijkt dat een aantal verzamelonderwerpen uit Winkler’s “Handboek voor den Verzamelaar” ook los verkrijgbaar waren.


Toen ik de website van de Koninklijke Bibliotheek raadpleegde kwam ik er achter dat zij niet over een origineel exemplaar van Dozy’s handboek beschikken maar over een herdruk. Die – ook al schaarse - herdruk was een initiatief van boekbinder A.J. (Dries) Jannink uit Zuidlaren (Drenthe). Met enige moeite kon ik Dries traceren en vroeg hem om inlichtingen. Zijn heruitgave van Dozy, zo vernam ik, verscheen rond 2002 in een oplage van circa twintig exemplaren en verkocht voor vijfentwintig euro per stuk.
Hij had wel meer oude numismatische werken opnieuw uitgegeven, vertelde hij, zoals de serie van de beroemde numismaat Pieter Otto van der Chijs (1802-1867). Bij het noemen van die naam ging bij mij een belletje rinkelen. Had ik daar ook niet iets van staan in mijn bibliotheek?

En inderdaad. Wat verloren tussen andere uitgaven vond ik P.O. van der Chijs: “De munten der voormalige graafschappen Holland en Zeeland…” (Haarlem, 1858). Een los deel uit een serie van negen delen, dat ooit behoorde tot de collectie Oldenbroek. Het is geen kostbaar origineel exemplaar maar een herdruk van ruim veertig jaar geleden uitgegeven door Holleman Munten (Overdinkel, 1973). Trouwens, ook die Holleman uitgave is, compleet of per deel, inmiddels aardig prijzig geworden.


Toen ik weer terugkeerde naar de website van de Koninklijke Bibliotheek om te zien wat zij in huis hebben zag ik dat ook hiervan alleen een herdruk beschikbaar is, niet van Holleman maar van - jawel! - Dries Janink.

maandag 21 november 2011

De verzamelaar(s)

De verzamelaar anno 2011 heeft het maar makkelijk.
Jong en oud kan zich aansluiten bij verenigingen.
Op haast elk gebied zijn er interessante handleidingen en/of specifieke publicaties en het regent het hele jaar door kleine en grote verzamel(aars)beurzen.
De meeste verzamelaars beschikken over voldoende vrije tijd en geld en dankzij internet is de hele wereld jachtterrein geworden en kan een collectie snel worden opgebouwd en uitgebreid.

Dat alles schoot door mijn hoofd bij het doorbladeren en lezen van het “Handboek voor den verzamelaar. Een praktisch boek, leerende het aanleggen, in orde maken en onderhouden van alle soorten van verzamelingen” (Leiden, 1880), geschreven door Tiberius Cornelius Winkler (1822-1897), die vanaf 1864 conservator was van Nederlands eerste en oudste museum; het Teylers museum in Haarlem.

Het boekje verscheen destijds bij de gerenommeerde Leidse uitgever A.W. Sijthoff in afleveringen en omvat zeven delen; (I) De kever-, vlinder- en rupsenverzameling, (II) De planten-, varens-, mos-, korstmos-, paddestoel- en bladerverzameling, (III)
De mineralenverzameling, (IV) De schelpenverzameling, (V) De schedelverzameling, (VI) De eierenverzameling en (VII) Het aquarium, terrarium en insectarium.
Allemaal traditionele verzamelgebieden waarvan de objecten tot in de 18de eeuw vaak werden opgeborgen in het naturaliënkabinet om mee te pronken.


Feitelijk was dit de eerste verzamelaars handleiding voor jongens jongeren die in Nederland is verschenen. Winkler’s handboek is thans gezocht maar zeker in goede staat, schaars en duur goed. Op de afgelopen Dordtse boekenmarkt zag ik voor het laatst een exemplaar liggen in originele uitgeversband. Het was duidelijk intensief gebruikt en dat is niet zo verwonderlijk want ik vermoed dat veel jonge verzamelaars van toen met het boek in de hand de natuur introkken om hun collectie te starten. Goed voor de verzameling, niet zo goed voor het boek. Desondanks werd voor dit exemplaar toch nog honderd vijftig euro gevraagd.

Winkler’s handboek was geen uitgesproken kinderboek ook al richt hij zich in zijn voorwoord tot ‘de jonge lezers van dit boek’. In zijn biografie over uitgever Sijthoff noemt, de in de boekenwereld bekende, R. van der Meulen het: “een eigenaardige uitgaaf, die, hoewel voornamelijk voor de jeugd bestemd, toch ook personen van elke leeftijd goede diensten kan bewijzen”. Mogelijk daarom werd het geen bestseller. Er verscheen maar één editie en het restant daarvan lag een paar jaar later voor spotprijzen in de ramsj zoals blijkt uit diverse krantenadvertenties.

Helemaal begrijpen doe ik dat niet, want Winkler’s boek is boeiend geschreven en bevat sfeervolle en instructieve illustraties. Deze waren overigens, samen met het idee voor deze uitgave, overgenomen van de Duitse uitgeverij Velhagen & Klasing. Bij hen verscheen enkele jaren eerder: “Das Buch der Sammlungen. Praktische Anleitung zum Anlegen, Ordnen und Erhalten aller Arten von Sammlungen, überhaupt zur Unterstützung naturwissenschaftlicher und geschichtswissen-schaftlicher Liebhabereien.
Für die deutsche Jugend
” (Bielefeld/Lpz., 1873).
In Duitsland kende het boek wél een redelijke mate van populariteit gezien de verschillende bijgewerkte edities die tot 1890 verschenen. Er verscheen ook een Engelse vertaling: “The Home Naturalist; With Practical Instructions for Collecting, Arranging and Preserving Natural Objects” (Londen, ca. 1880).


Van alle illustraties geniet die van ‘de verzamelaar’ tegenover de titelpagina wellicht de meeste bekendheid.
De zonderlinge wat verstrooide figuur met zijn insectenhoed doet ons meer denken aan Mijnheer Prikkebeen dan aan een adolescent uit de beoogde doelgroep. Dat was toen ook al zo en daarom gaf de schrijver in zijn voorwoord een uitvoerige verklaring, typisch voor zijn tijd: “Wat ’n rare vent! Zult gij misschien zeggen. Raar, ja zeker, raar wil zeggen zeldzaam, het is het fransche woord rare, dat wij in onze taal hebben overgenomen, maar daaraan de betekenis hebben gegeven van wonderlijk. Raar of zeldzaam is het zeker dat een oude heer zich zóó wil opschikken. En toch….. ik wensch u toe dat gij eens zulk een ‘rare oude heer’ moogt worden. Immers als gij zóó wordt, zijt gij ten 1sten oud, en dus niet jong gestorven, wat een geluk is. Ten 2den hebt gij nog krachten genoeg om tochtjes naar buiten te maken, en zijt gij dus niet zwak of gebrekkig, maar gezond, wat ook een geluk is. Ten 3den hebt gij lust om de natuurlijke historie van dieren en planten te bestudeeren, en hebt gij dus uwen geest geoefend in aangenamer en zielverheffender bezigheden, dan, bij voorbeeld, coupon-knippen. Ten 4den hebt gij tijd om verzamelingen aan te leggen en te onderhouden, en dus geen zorgen voor het dagelijksche brood, en dat alles is ook een geluk. Als ik u dus toewensch eenmaal zulk een rare oude heer te worden, wensch ik u geluk, en dat zult gij mij zeker niet kwalijk nemen.”.

De titelprent wordt voorafgegaan door een paginagrote vooraankondiging van de uitgever dat er al een vervolg op de pers lag.
Het ging om een deel geschreven door de Amsterdamse stadsarchivaris Mr. N. de Roever Az. (1850-1893): “Het verzamelen van Handschriften. Handboek voor het aanleggen van eene verzameling van handschriften” (Leiden, z,j,). Het zou evenals dat van Winkler een ‘praktisch boek’ worden ‘voor jongelui bewerkt’.
Uiteindelijk verscheen het samen met: “Het verzamelen van zegels. Handboek voor het aanleggen van eene zegelverzameling” (Leiden, z.j.). Bovendien verscheen vrijwel gelijktijdig het door zijn Leidse collega Mr. Ch. M. Dozy (1852-1901) geschreven: “Het verzamelen van munten en penningen. Handboek tot het aanleggen van eene munt- en penningverzameling” (Leiden, z.j.).

Hoe interessant ook, men kan toch nauwelijks volhouden dat deze verzamelgebieden voor Nederlandse jongens jongeren van toen makkelijk toegankelijk waren. De door Sijthoff geformuleerde termen ‘praktisch’ en ‘voor jongelui bewerkt’ komen in de titel niet meer terug en terecht want de inhoud is, anders dan Winkler’s boek, nog maar weinig op deze doelgroep gericht.

Het zal dan ook geen verwondering wekken dat ook van deze verzamelaars handboeken maar één editie verscheen die al spoedig in de ramsj lag, naast het boekje van Winkler. De delen van De Roever worden antiquarisch nog wel eens aangeboden maar dat van Dozy’s moet vrij zeldzaam zijn (er verscheen een herdruk in 2005) en daarom ontbreekt het nog in mijn collectie. Tips aan deze verzamelaar zijn welkom!