Posts tonen met het label Sierpapier. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sierpapier. Alle posts tonen

dinsdag 1 oktober 2019

Vaarwel Minotaurus


Op een zonovergoten vrijdag 20 september bezocht ik de Amsterdamse Spui boekenmarkt. Ik vond er niets van mijn gading, maar sprak er onder andere met Aad van Maanen over zijn nieuwe blog "Boekhandelsetiketjes, een reis langs Nederlandse boekhandels" en met mijn passerende blogredacteur Reinder Storm over zijn succesvolle: "De geschiedenis van Nederland in 100 oude kaarten" (Lannoo, 2019), waarvan inmiddels toch zo'n 19.000 exemplaren (vier drukken) zijn verschenen.

Vervolgens slenterde ik via boekhandel Scheltema op het Rokin naar Jos Albers op het Waterlooplein. Daar trof ik in eerste instantie niet Jos maar Nol Sanders aan, medelid van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen. Ik had hem al een tijdje niet gezien en we spraken over bibliofiele koetjes en kalfjes toen hij mij plots mededeelde dat boekhandel Minotaurus per 1 oktober zijn deur zou gaan sluiten. In Minotaurus (in de Sint Antoniesbreestraat 3-D) heb ik, alweer lang geleden, Nol voor het eerst ontmoet. Gedurende achtentwintig jaar, tussen 1988 en 2016, was hij daar de 'uitbater'.


Nog maar een decennium geleden waren er in Amsterdam twee boekhandels die zich specialiseerden in bijzonder bibliofiel margedrukwerk, maar na het sluiten van Nijhof & Lee in de Staalstraat in 2010 en een kortstondig bestaan daarna in afgeslankte vorm in de receptieruimte van bijzondere collecties van de UVA (thans Allard Pierson) had Minotaurus het rijk alleen.
Daaraan komt nu definitief een einde. De teloorgang van de Minotaurus boekwinkel, 'voor het langzame boek: bibliofilie, boekverzorging, boekgeschiedenis en typografie' is volgens ingewijden met name te wijten aan internet. Steeds vaker werden bijzondere uitgaven en bibliofiele pareltjes direct bij de drukker/uitgever besteld. De winkel werd voor tal van margedrukkers als afzetkanaal gewoonweg te marginaal.


Erg jammer dus, maar Nol had nog wel een opwekkende mededeling. Tot de sluiting gold er een korting van 50 % op alle boeken in de winkel. Dat was natuurlijk niet tegen dovemansoren gezegd!
Na een half uurtje nam ik afscheid en stiefelde richting Minotaurus waar Hans van Daalen, de huidige, tevens laatste beheerder van Minotaurus, met wat hulp van anderen druk bezig was de resterende winkelvoorraad te inventariseren. De duurste (kunstenaars)boeken waren al naar het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuyper gebracht maar desondanks trof ik nog heel veel lekkers aan.


Het eerste boek dat ik uit het schap trok was "De arte et libris. Festschrift Erasmus 1934-1984" (Amsterdam, 1984). Eén van de 550 exemplaren, uitgegeven door de befaamde antiquaar Abraham Horodisch (1898-1987) van Erasmus antiquariaat en boekhandel Amsterdam. Kennelijk een exemplaar dat na het verlaten van de drukpers in een stil hoekje was gelegd want de uitgave (met stofomslag en los ingevoegd prospectus) verkeerde in smetteloze staat. Het boek kostte destijds een fortuin; maar liefst tweehonderdzestig gulden en is thans antiquarisch nog steeds niet goedkoop. Vijftig procent uitverkoopkorting reduceerde het totaalbedrag tot een luttele € 12,- euro en dat is bijna gratis voor dit werk, dat ik ooit overwoog te kopen voor het vijfvoudige!


De volgende twee uitgaven lagen in de vitrinekast en zijn beiden niet lang geleden verschenen bij mijn favoriete margedrukker De Carbolineum Pers. Naast (dure) handgezette en gedrukte uitgaven geeft die ook (goedkopere) digitaal geproduceerde, maar goed verzorgde, boeken uit waarvan ik in februari nog de uitgave kocht van O. Uzanne: "Bibliofiele verhalen. Gekozen, vertaald en toegelicht door Frans Willem Verbaas. Met pentekeningen van Stijn Felix" (Kalmthout, 2018). 
Die staat in mijn bibliotheek nu naast de bibliofiele heruitgave van: J. Goudswaard (1870-1959): "Uit het leven van een boekenleurder" (Kalmthout, 2017) met een uitgebreid en lezenswaardig nawoord van boekengoeroe P.J. Buijnsters. De oorspronkelijke uitgave van Goudswaard verscheen in 1915 (en daarvan bezit ik, zoals de foto laat zien, ook een exemplaar). Mijn bibliofiele heruitgave draagt nummer 12 (van de tweede serie van vijftig genummerde exemplaren). Daarnaast kocht ik de uitgave van J.-K. van West (1889-1969): "De opvoeding van de bibliofielen. Kanttekeningen van een boekbinder" (Kalmthout, 2018). Mijn exemplaar is nummer 33 (in kartonnen band) van de eerste druk van zestig genummerde exemplaren.


Samen, voor nog geen € 24,- euro, gingen ze in mijn tas. Tot slot kocht ik ook een boekje dat ik niet lang geleden via Boekwinkeltjes had willen bestellen en dat nu voor het grijpen lag en wel de uitgave van H. Liebaers (1919-2010): "Meestal in opdracht. Brusselse kant-tekeningen van een bibliothecaris" ('s-Gravenhage/Antwerpen, 1982). Liebaers was hoofdconservator van de Belgische Koninklijke Bibliotheek van 1956 tot 1974 en zijn avonturen in - en herinneringen aan de boekenwereld vormen aangename lectuur voor elke bibliofiel.


Totaal had mijn bezoek aan Minotaurus een uur geduurd en € 61,50 euro gekost.
Met gemengde gevoelens verliet ik het winkeltje... Vaarwel Minotaurus...
Maar niet voor lang, want enkele dagen later ontdekte ik dat ze op Boekwinkeltjes ook het bekende boek aanboden van Albert Haemmerle (1899-1976) en Olga Hirsch: "Buntpapier. Herkommen - Geschichte - Techniken - Beziehungen zur Kunst" (München, 1977). Het boek geldt als een standaardwerk op het gebied van sierpapier (waaronder marmerpapier) en antiquarisch worden er nog steeds bedragen tot € 200,- euro voor gevraagd, zoals bij antiquariaat Kok in Amsterdam. Ik ben een fan van sierpapier en heb er al eens lang geleden over geschreven in: "Boek en bom" waar het gaat over mijn door oorlogsgeweld zeldzaam geworden uitgave van: “Die Kunst des Marmorierens oder die Herstellung von Buchbinder- Buntpapieren mit Wasserfarben auf schleimhaltigen Grund” (Stuttgart, 1940), geschreven door Professor Franz Weisse (1878-1952).


Meteen stuurde ik een e-mail met de vraag of ik het boek ook online via Boekwinkeltjes tegen 50 % korting kon bestellen. Dat kon inderdaad zo berichtte Hans van Daalen mij, maar...
Bij afhalen gold in de laatste openingsweek een korting van 75 %!
Tja... daarover hoefde ik niet lang na te denken en bovendien zou het verzendkosten schelen. En dus - lieve lezers - haalde ik op de één na laatste openingsdag (na een korte nachtdienst te hebben gewerkt) Haemmerle's standaardwerk op voor het onwaarschijnlijk lage bedrag van € 27,50 euro.
Uiteraard kon ik mij niet beheersen beperken tot alleen dit boek en nam ik een derde fraaie bibliofiele uitgave mee van De Carbolineum Pers. Het gaat om de "Catalogus Librorum Werbrouck. Met een inleiding van Boris Rousseeuw" (Wildert, 1997). Met de hand gezet en gedrukt op geschept Zerkall-papier. Fraaie met de hand ingekleurde initialen (nummer 18 van de vijftig Arabisch genummerde exemplaren). In "Gek geworden" en "Met rode oortjes" kunt u lezen over enkele andere met de hand gezette en gedrukte uitgaven van De Carbolineum Pers die in mijn bibliotheek staan en zelfs de prospectussen van deze drukker vind ik verzamelwaardig. Normaal kostte deze bibliofiele uitgave € 125,- euro, nu bleef daarvan met korting nog een schamele € 31,25 euro over. Al met al heb ik dus bij Minotaurus € 120,25  euro uitgegeven maar dat had zonder korting € 358,- euro geweest!


Als u dit leest is de winkel voorgoed gesloten. Jammer maar helaas...
Alles wat de afgelopen weken tijdens de uitverkoop niet werd verkocht is overgenomen door antiquariaat Kok in Amsterdam. Die partij bevat o.a. nog een aantal exemplaren van Haemmerle's standaardwerk. Ben benieuwd wat Kok er voor gaat vragen...

vrijdag 15 september 2017

Zelf dokteren; de volgende stap...

In mei 2013 schreef ik "Zelf dokteren" dat zich, volgens mijn blogstatistieken, nog steeds mag verheugen in een grote populariteit.
Zoals bekend komen niet alle oude boekjes en brochures ongeschonden tot mij (of tot u!).
Elke nieuwe aanwinst wordt thuis eerst gecontroleerd op scheuren, vlekken en andere kleine eenvoudige defecten die ik vervolgens zelf herstel. Met de simpele tips die ik destijds gaf in "Zelf dokteren" kan iedere leek die handig is zonder risico's aan de slag.

Ik klungel niet graag aan oude boeken en daarom moet bij de aanschaf altijd de kwaliteit leidend zijn en niet de vraagprijs. Anders gezegd; ik betaal liever wat meer voor een goed exemplaar dan heel weinig voor hetzelfde boek met talrijke defecten.
Mijn volgende stap in het 'zelf dokteren' liet ik over aan het toeval en dat confronteerde mij een paar weken geleden met een nieuwe aanwinst waarvan de boekband uit elkaar lag. Nu werd me duidelijk wat mijn volgende stap zou zijn. Ik zou voor het eerst proberen een boekbandje compleet te renoveren. Hieronder beschrijf ik mijn werkwijze.
Doe er uw voordeel mee... of niet!

De uitgave waar het om gaat is vrij zeldzaam maar kostte me nog geen veertig euro.
De titel is: "Liefdadigheid te Amsterdam. Overzigt van al hetgeen er in Amsterdam wordt verrigt ter bevordering van de stoffelijke, zedelijke en godsdienstige belangen, voornamelijk der minvermogenden en behoeftigen. Uit echte bronnen bijeengebragt door N.S. Calisch". (Amsterdam, 1851). Nathan Salomon Calisch (1819-1891) was een onderwijzer en journalist die verschillende lexicografische werken uitgaf.
Wie het dagelijks leven van de onderste bevolkingslagen in de hoofdstad in de eerste helft van de negentiende eeuw goed wil leren kennen (van de 225.000 inwoners in Amsterdam in 1850 waren er ruim 60.000 afhankelijk van bedeling!) is Calisch boek een ware 'fundgrube'.
Hij geeft een gedetailleerd, vaak historisch, overzicht van honderden particuliere en gemeentelijke (liefdadigheids)instellingen. Vele hadden een vroeg negentiende eeuwse oorsprong, andere waren toen Calisch zijn boek schreef nog maar net begonnen. Het merendeel is inmiddels uit het collectief geheugen verdwenen. Zijn publicatie bevat behalve een titelillustratie (het Nieuwe Werkhuis, thans dr. Sarphatihuis in de Roeterstraat 2 te Amsterdam) diverse tabellen waarvan enkelen uitslaande.

In de 'Vaderlandsche Letteroefeningen' van 1852 verscheen een bespreking van zijn uitgave waaruit blijkt dat het boekje destijds vierenhalve gulden kostte, een niet gering bedrag als we bedenken dat bijvoorbeeld een metselaar toen ongeveer één gulden twintig per dag verdiende!
Een bibliotheekstempel op de titelpagina verraadt dat mijn exemplaar een doublet (dubbel exemplaar) is uit de 'Bibliotheek Amsterdam'. Het boekje werd gebonden in een eenvoudige negentiende eeuwse halflinnen band met grauwgrijze kartonnen platten.

De rug van de band zit vast(geplakt) op het nog stevige boekblok. Opnieuw inbinden, een vak apart, is dus niet nodig. Het voorplat is losgekomen van de rug en het achterplat zit nog net vast met twee touwtjes.
Ik besloot om het voor- en achterplat met een strook lichtbruin boeklinnen over de oude halflinnen rug geplakt vast te zetten en daarna beiden kartonnen platten aan de buitenzijde met origineel negentiende eeuws marmer te beplakken. Vervolgens zou ik aan de binnenzijde de strook omgeslagen linnen van de rug en de rand sierpapier van de platten wegwerken door een nieuw zuurvrij blad papier te plakken op de 'paste-down endpaper' (het gele blad links dat vast zit op de binnenzijde van de platten) en het gele blad rechts, de 'free endpaper', die komt voor de eerste 'Franse' titelpagina).
Op die manier wordt meteen de aansluiting van de platten op het boekblok aan de binnenzijde hersteld. Tot slot zou ik de hoeken van de platten met linnen te bekleden.

Een professioneel boekbinder en restaurator die ik raadpleegde over mijn voorgenomen handelwijze schreef mij: "Als het mijn boek zou zijn zou ik geen sierpapier op de platten plakken. Verder zou ik afhankelijk van het gebruik (weinig of veel) van dit boek de voor- en achterplatverbinding herstellen met dik Japans papier of parachutelinnen. Dit is beide sterk en dun. Ikzelf zou de oude rug laten zitten. Een inkeping maken onder de vastzittende rug en in het plat (met een scherpe scalpel) en dan in die inkeping een stukje verbindingsmateriaal lijmen. Je behoudt dan dus de originele kaft. De buitenkant van de kneep moet je dan sluitend maken met op kleur gemaakt Japans papier".
Zijn oplossing is professioneler en streeft naar het zoveel mogelijk behouden van de originele band en het oorspronkelijke karakter van het boek. Voor 'dokterende' amateurs op dit gebied (en daartoe reken ik mijzelf) lijkt het mij echter een stuk moeilijker uitvoerbaar dan wat mij voor ogen stond. Toegegeven; mijn werkwijze gaat meer de kant op van een 'nieuwe' band, ook al gebruik ik oud marmer, en daarom praat ik ook liever over renoveren en niet over restaureren! 

Mijn eerste stap was materiaal halen bij de firma Vlieger in Amsterdam. Ik kocht daar wat zuurvrij papier voor het herstel van de binnenkant en twee kleuren boekbinders-linnen (wordt verkocht per halve meter) voor de rug. Totaal was ik ongeveer zestien euro kwijt.
U zit hier welke materialen en gereedschap ik gebruikte.

Ik begon met het verlijmen van een strook boekbinderslinnen van 30 cm. bij 9 cm. over de oude rug (en ter weerszijde ca. 2.5 cm. over de platten) en liet dat twee uur drogen. Het boekje is maar 20 cm hoog, maar de flappen aan de boven- en onderkant werden nadat ze waren ingeknipt teruggeslagen naar de binnenzijde en met boekbinderslijm vastgezet op de binnenzijde van de platten. Ook in het midden zorgde ik ervoor dat het strookje iets uitstak boven het oorspronkelijke bandje want ook daar wilde ik het linnen over de oorspronkelijke rug terugslaan, zodat er uiteindelijk niets meer zichtbaar is van de oude rug.

Vervolgens smeerde ik het voor en achterplat in met boekbindersstijfsel (Let op! Boekbinderslijm laat zich vrijwel niet meer corrigeren! Bij boekbindersstijfsel is het loshalen en verschuiven veel makkelijker) en beplakte ik beiden met origineel negentiende eeuws handmarmer. Daarna liet ik dat even een uurtje drogen.

De volgende stap was het handmarmer om de platten terugslaan en de strook aan de binnenzijde vast zetten met boekbindersstijfsel. Drogen... Vervolgens plakte ik aan de buitenzijde op het voor en achterplat (schuin) op elke hoek een stukje boekbinderslinnen van 4 cm. bij 4 cm.


Ik knipte er hoekjes uit en sloeg de driehoekige flapjes terug naar binnen om ze vast te zetten met boekbinderslijm.
Daarna plakte ik het kleine strookje boven- en onderaan de rug vast. Voor het aandrukken is een vouwbeentje erg handig! De buitenkant is nu vrijwel klaar!

Aan de binnenzijde van de platten wil ik de zichtbare restanten boekbinderslinnen van de rug en het handmarmer van de platten bedekken met een vel papier dat ik over het oorspronkelijke gele papier ('paste-down endpaper' en 'free endpaper') plak met boekbindersstijfsel. Daarmee verstevig ik meteen de aansluiting van de platten op het boekblok aan de binnenzijde. Ik had daarvoor twee stroken nodig van 19.5 cm. hoog en ongeveer 24.5 cm. lang. Eerst sausde ik het plat en de 'free endpaper' in met boekbindersstijfsel.

Hierna plakte ik de strook eerst op het plat! Mocht de strook wat te lang of te kort zijn dan kun je de 'free endpaper' altijd nog op maat bijknippen!
Het meeste werk is nu gedaan. Het boek voelt vochtig aan en om het kromtrekken van de platten te voorkomen stapelde ik er tot slot wat boeken op uit mijn bibliotheek om het op de huiskamertafel onder druk langdurig te laten drogen. Zo af en toe controleerde ik even of er geen bladen aan elkaar plakten.

Er ontbreekt nog één afwerkpuntje, een titelschildje.
Ik knipte uit het grote vel dat ik voor de binnenzijde gebruikte een A4-tje. Vervolgens oefende ik op normaal papier wat met diverse lettertypen. Eenmaal tevreden drukte ik af op mijn zelf geknipte vel en plakte het titelschildje op de rug. Klaar! Het boek moet nu de komende paar dagen onder druk even goed uitdrogen. Ik zette het klem in een rijtje boeken in mijn bibliotheek.

En? Wat vinden jullie van het resultaat? Ik ben in ieder geval heel tevreden.
Algemene tip; werk geduldig en werk schoon!


donderdag 1 september 2016

Wat kost een kleine collectie?


Wie regelmatig mijn blog leest weet inmiddels wel dat ik over een flinke boekencollectie beschik. Daarin bevinden zich diverse kleine deelcollecties, want mijn interesse als antiquarius is breed. Waaruit bestaat zo’n deelcollectie?
Het is vaak een mix van enkele pièces de résistance (origineel werk, eerste drukken etc), wat gerelateerde ephemera (portretgravures, ansichtkaarten etc.) en secundaire literatuur (boeken over het onderwerp). Stel u wilt ook een kleine collectie opbouwen wat kost dat dan? Tja,… wat kost een kleine auto?

Het hangt natuurlijk van af van je budget, maar het heeft ook alles te maken met geduld, toeval en (veel) snuffelen.
Als antiquarius en bibliofiel kan ik verschillende voorwerpen, boeken, brochures en ephemera bedenken die ik ooit nog eens graag zou kopen en verzamelen. Ik ben dus altijd alert en sla toe zodra de juiste gelegenheid zich voordoet.


In: “Daarvan kon BB alleen maar dromen” en “Een addendum” heeft u kunnen lezen hoe ik een kleine maar fijne Helmerscollectie bijeenbracht die – alles bij elkaar – ongeveer driehonderd euro heeft gekost. Dat is dan inclusief de laatste aanvulling van een paar maanden terug; een schaars exemplaar van de “Verkorte Schooluitgave van Helmers’ Hollandsche Natie met aanteekeningen voorzien ten dienste van het Middelbaar en Lager Onderwijs” (Zaandam, 1897), door C. van der Zeyde.

Maar misschien houdt u niet van Helmers? Best mogelijk, geen enkele bibliofiel is perfect…
Houdt u van jenever?


Ik heb zelden sterke drank in huis en jenever heb ik vroeger vooral met Cola gemixt. Desondanks heb ik drie weken geleden weer eens een flesje jonge 'genever' van Zuidam gekocht. Kostte - op een cent na - € 11,- euro.
U vraagt zich af wat dit nog met (oude) boeken heeft te maken? Welnu, het begon allemaal met toeval…

Op Marktplaats vond ik enige tijd terug de “Verzamelde dicht-werken van Robert Hennebo” (1767) dat volgens het impressum in verschillende plaatsen door diverse boekverkopers werd verkocht. Het boekje kostte toen achttien stuivers.


Bijgebonden in dit exemplaar zit; “De schim van Robert Hennebo, aan den oordeelkundigen verzaamelaar van zyne dichtwerken en vers burleske” (Snaakenburg, z.j. (1767)) geschreven door de fictieve boekverkoper Fenix Sondergaa.
Die uitgave verscheen weliswaar apart maar was volgens de Leydse courant van 25 maart 1767; “gedrukt met dezelve Letter en op hetzelve Formaat van de uitgegeeven Gedichten om by dezelve te kunnen worden gevoegd”. Kostte destijds zeven stuivers. Ik bood en betaalde er met veel liefde vierenzestig euro voor en dat is zeker niet (te) veel.


Over de roemruchte Robert Hennebo (1685-1737), die in zijn tijd als zwerver, soldaat, herbergier, toneelspeler, speculant, vertaler en dichter bepaald geen onbesproken reputatie had, is veel te vertellen en ook al veel geschreven.
Meest bekend werd Hennebo met zijn “Lof der Jeneever” (Amsterdam, 1718). Dit gedicht bestaat uit twee delen. Deel één bevat 243 verzen en is opgedragen aan de inwoners van vijf jeneversteden; Schiedam, Keulen, Weesp, Amsterdam en Rheinberg (niet ver van Nijmegen) en ‘aan alle moutwijn- en jeneverstokers, kopers en verkopers in ‘t groot en klein’.
Deel twee (262 verzen) werd opgedragen aan de rivier de Amstel, Amsterdam en zijn inwoners.
Nota bene: het gedicht is voor de geschiedenis van Amsterdam niet zonder belang!
Het bevat namelijk één van de oudste vermelding van de Jordaan, de roemruchte Amsterdamse volksbuurt in de schaduw van de Westertoren.


Onder andere André Hanou (1941-2011) heeft over de naamsoorsprong van de Jordaan geschreven in het Maandblad Amstelodamum (Jrg. 1981, nr. 2, blz. 38/39).

Hennebo’s gedicht over Hollands volksdrank nummer 1 (ieder jaar drinken Nederlanders nog ruim 15 miljoen liter jenever!), is vaak heruitgegeven en zelfs in 1950 op muziek gezet door de Haagse componist Bernhard van den Sigtenhorst Meyer (1888-1953). Blijkens de krantenberichten veroorzaakte e.e.a. destijds nog een politieke rel.


In mijn bibliotheek staan twee moderne uitgaven van ‘Lof der Jenever’, één door Ad Donker uitgeverij (Bilthoven/Antwerpen, 1939, opnieuw uitgegeven in 1964) met het portret van Hennebo en de ander uitgegeven door Váva (Utrecht, 1978) in een oplage van 500 exemplaren.
Deze heruitgaven zijn voor enkele euro’s per stuk antiquarisch ruim verkrijgbaar al wordt de laatste wel steeds schaarser, zeker met het zakje waarin 45 losse jenevermerken zitten om in te plakken! Ik betaalde ooit via Boekwinkeltjes drieëntwintig euro voor beiden.


De ‘Verzamelde dicht-werken’ bevat twee anonieme illustraties met verklarend gedicht.
De eerste (“Dus leeft men na den dood“) bij de ‘Rouw-klacht’ is een afbeelding van het thans verdwenen Karthuizer kerkhof in Amsterdam.
De ander (“Utile & Dulce”) bij ‘Lof der Jenever’ toont een arcadisch berglandschapje ‘Ceres heiligdom’ met een jeneverrivier, ‘fluvius Juniperinus’! De in beide gedichten genoemde ‘Ridder Jazon’ is natuurlijk; "De Autheur, in dien tyd Hospes in 't Gulde Vlies tot Amsteldam, befaamd door 't prepareren van Roosbief, Taelingen en Cotteletten"!


Het portret van Robert Hennebo “konstig in het Kooper gegraveerd” naar een tekening van Jan Wandelaar (1690-1759) ontbrak in mijn exemplaar van de 'Verzamelde dicht-werken'.
Daarvan bestaan twee vrijwel identieke varianten. Eén door Jacob Houbraken (1698-1780) en de ander door Christian Friedrich Fritzsch (1719-voor 1774).
Het portret (van Fritzsch) werd destijds, net als ‘De Schim van Robert Hennebo’, los verkocht voor zes stuivers, “Om door de liefhebbers by de GEDICHTEN en SCHIM van HENNEBO te kunnen gevoegd worden” (Leydse courant van 6 mei 1767).


Dus… op zoek naar een ‘Fritzsch’ exemplaar dat ik – toeval bestaat niet - op veilingsite Qoop voor maar negen euro tegenkwam! Ik heb het, zoals met vele anderen portretten ook is gebeurd (zie hier), in mijn ‘verzamelde dicht-werken’ geplakt.

Het portret van Houbraken is ouder. Dat komt namelijk ook al voor in twee eerdere uitgaven van de ‘Rouw-klacht’ en ‘Lof der Jenever’, één uit 1723 (de 2e druk, ‘Gedrukt voor den Autheur’) en de ander uit 1735 (de 3e druk). De laatste verscheen bij Pieter Aldewereld in Amsterdam en was een ‘bestseller’ (lees zijn advertentietekst!).


Thans is deze uitgave erg schaars. Twee exemplaren bevinden zich in Nederland (BC/UVA en de Bibliotheek van Rotterdam), een derde ligt in de Londense British Library. Een vierde exemplaar – voor zover bekend het enige in privebezit – bevindt zich in mijn bibliotheek. Ik betaalde er bijna € 163,- euro voor bij antiquariaat Van der Steur; geen koopje!


De uitgave door Aldewereld moet één van die uitgaven zijn waarover de voorrede in de ‘verzamelde dicht-werken’ meldt: “men zag, dat zijne werken zeer gezogt waren, en op de Auctien veel geld golden, in zoverre dat men voor het kleine werkje, waarin de Rouwklacht van Veenhuizen en de Lof der Jenever, drie a vier Dukaaten besteeden dorst; een bewijs dat men’s Dichter verdiensten wel kende”.

Omdat ik - tot slot - ook wel iets meer wilde weten over deze achttiende eeuwse praatjesmaker en zijn “Lof der Jenever” kocht ik via Bol.com voor vijftien euro de publicatie van Gerard Schelvis en Kees van der Vloed: “Jenever en wind. Leven, werk en wereld van Robert Hennebo (1686-1737)”, (Hilversum, 2008).
Het is een vlot leesbaar boekje dat de veelzijdigheid van deze avonturier goed beschrijft met talrijke verwijzingen naar archiefbronnen, een literatuurlijst en – niet onbelangrijk! - een overzicht van alle uitgaven van Hennebo’s werken.


Hoe ziet mijn kleine collectie er nu uit?
- Flesje Zuidam jenever bij mijn lokale slijterij € 11,-
- De ‘Verzamelde dicht-werken’, inclusief ‘De Schim van Robert Hennebo’ (1767) via Marktplaats € 64,-
- De ‘Rouw-klacht’ en ‘Lof der der Jenever’ (editie 1735 met portret van Houbraken) via antiquariaat Van der Steur € 163,-
- Originele portretgravure door Fritzsch via Qoop, € 11,-
- 2 x ‘lof der Jenever’, moderne heruitgaven via Boekwinkeltjes € 23,-
- Via Bol.com de biografie van Robert Hennebo; ‘Jenever en wind’, € 15,-


Twee (eigenlijk drie) achttiende eeuwse uitgaven, twee verschillende originele portretgravures, twee moderne heruitgaven, een naslagwerkje en een flesje jenever (optioneel natuurlijk!).
Voor deze kleine collectie betaalde Perkamentus nog geen € 290,- euro (inclusief alle verzendkosten!). Of dat (te) veel of weinig is laat ik graag over aan uw oordeel, waarde lezer. Ik ben in ieder geval blij met mijn Hennebo-Jenevercollectie.
Proost!

vrijdag 21 november 2014

Een boek naar eigen smaak


Vroeger was alles beter…

Neem nou boeken.
Ze werden ambachtelijk met de hand gedrukt met diverse lettertypen en verlucht met gravures door echte kunstenaars. Als je veel geld had kon je die bovendien laten inkleuren door een ‘afsetter’. Je kon het boek in folio krijgen of in quarto, op goedkoop papier of dik luxe papier, met extra illustraties of zonder. Je kon ze ongebonden kopen met papieren omslag of laten inbinden in leer, halfleer, perkament of gewone kartonnen platten, al dan niet met sierpapier beplakt. Keuze zat.

Tegenwoordig koop je een massaproduct waarbij je – als je veel geluk heb – alleen kunt kiezen tussen een ingebonden exemplaar met harde kaft of een gelijmde met softcover. That’s it!
Dikke kans dat je boek krap een jaar later in de ramsj opduikt of tweedehands bij bol.com voor een fractie van het bedrag dat je er voor moest neerleggen.
En over honderd jaar laten de bladen los en verkruimelen tussen je vingers vanwege de slechte lijm en papierkwaliteit.
Nee…, vroeger was alles beter.


Natuurlijk! Je kunt met je nieuwe boek naar een boekbinder gaan, de kaft laten verwijderen en het boekblok vervolgens laten zetten in een andere band naar keuze. Handiger is het (maar niet altijd mogelijk) om bij de drukker een ongebonden/ongesneden exemplaar vers van de pers te bestellen en dat vervolgens te laten inbinden.
Dat heb ik een keer gedaan bij uitgeverij De Buitenkant bij het verschijnen van: “Uit de Schaduw” (Amsterdam, 2011), het jubileumboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen. Natuurlijk heb ik daarnaast ook een genummerd exemplaar gekocht maar die losse katernen bestelde ik destijds met het idee om ze ooit nog eens te laten binden in een perkamenten band. Ooit…


In het antiquariaat en het tweedehands circuit kom ik regelmatig boeken tegen die door hun voormalige eigenaar zijn veranderd naar hun persoonlijke smaak. Meestal gaat het dan om een afwijkende boekband. Over particuliere boekbanden heb ik twee keer eerder geschreven. De eerste keer in: “Nieuw maatpak voor Frederik Muller” en de tweede keer in: “Boekverbeteraar”. In het eerste artikel was ik zelf de opdrachtgever en in het tweede artikel een beroemde bibliofiele lekkerbek.
Mocht u overigens een fervent liefhebber van boekbanden zijn dan kunt u uw hart ophalen bij het Belgisch-Nederlands Boekbandengenootschap.


Een enkele keer is behalve de band ook de inhoud veranderd.
Op de Haagse boekenmarkt kocht ik jaren terug voor een paar euro de vierdelige set: “Het leven van onze voorouders” (Amsterdam, z.j. ca. 1900) geschreven door Mr. N. de Roever en voortgezet door Dr. G.J. Dozy.
Niet omdat de inhoud of de particuliere banden nou zo spectaculair waren, integendeel! Bijzonder in dit geval was dat de overijverige eerste eigenaar de boeken had voorzien van (zelf?) getekende landkaarten, genealogische diagrammen en aantekeningen. Geen prutswerk maar fraaie toevoegingen zoals u aan de hand van de collagefoto kunt zien.
Dat ‘verrijken’ van boeken met extra platen e.d. kwam vroeger vaker voor. In Engelse boektermen praten we dan over een ‘grangerized copy’ naar James Granger ( 1723-1776).

Mijn laatste aanwinst in dit kader is wat spectaculairder. Het is meteen een goed voorbeeld van de ‘kringloopse boekenwijsheid’ die zich beperkt tot het nakijken van de prijzen op internet. In het desbetreffende boek zat namelijk een kopie van de boekensite Antiqbook waarop bij drie verschillende antiquaren een ‘vergelijkbaar’ exemplaar werd aangeboden van ‘datzelfde’ boek: “Kunst en maatschappij van William Morris
(Amsterdam, 1903). Niet dus


Kunst en maatschappij van William Morris” is een vrij kostbare uitgave die destijds werd vormgegeven door Sjoerd de Roos (1877-1962) en in twee uitvoeringen verscheen, zoals de krantenadvertentie laat zien.
Alhoewel het boek antiquarisch regelmatig wordt aangeboden en dus niet zeldzaam is moet u voor een mooi exemplaar in een blauw linnen band al gauw rekenen op € 150,- a
€ 200,- euro en voor één van de 200 genummerde exemplaar in een perkamenten band op een vraagprijs rond de € 400,- tot € 500,- euro.

Blijkens het ex-libris aan de binnenzijde van het voorplat stond het exemplaar dat ik in mijn kringloop vond ooit in de kast van ene J. Krull. Ik vermoed dat het gaat om de drukker J. Krull die tijdens het interbellum verbonden was aan de Amsterdamse grafische school te Amsterdam.
Zijn Mijn exemplaar zit in een particuliere halfleren band met groene sierpapieren platten.
De smaakvolle rugversiering is evenals de titel in goud uitgevoerd. Het boekblok is niet afgesneden (non rogné) behalve de kopsnede die goudverguld is en bovendien geciseleerd.

Het belang van deze uitgave ligt volgens boekhistoricus Ernst Braches vooral in de verzorging van het innerlijk van het boek en daar is in dit geval iets vreemds mee aan de hand.
Elementen als de afwijkende papierkwaliteit naast de zeven reproducties (van boeken gedrukt op de befaamde Kelmscott Press) komen overeen met die van een luxe uitgave. Een ontbrekend element is het ingeplakte blad met een boeknummer. Het is dus niet één van de 200 genummerde exemplaren.


Tijdens een vergelijking met één van de 200 genummerde exemplaren in perkamenten band bij antiquariaat Brinkman vielen direct twee dingen op. Allereerst zijn alle illustraties op een andere plaats dan gebruikelijk ingebonden. Ronduit verrassend was de ontdekking dat bij vier van de zeven illustraties de verklarende tekst of de sierelementen (kleine Maltezer kruizen) op de verso zijde ontbreken en dat bij één illustratie de tekst op de verso zijde een zeer opvallende zetfout bevat (‘Begipagia’ i.p.v. ‘Beginpagina’).

Deze bevindingen doen vermoeden dat de eigenaar zijn exemplaar destijds heeft samengesteld uit restanten die bij de drukker overbleven.
Die restanten bestonden uit een complete set tekstkaternen (mogelijk een zogenaamd uitschotexemplaar) en drukproeven van de illustraties.
Door het inbinden van deze elementen in een smaakvolle particuliere band creëerde Krull een uniek exemplaar in uiterlijk en inhoud. Een boek naar eigen smaak in optima forma.

vrijdag 25 juli 2014

Zand erover


Antiquaar Jos Wijnhoven uit Deventer is iemand die ik graag mag; vriendelijk, deskundig en nooit te beroerd om een praatje te maken. Zijn handelswaar overstijgt het gebruikelijke niveau en noopt altijd tot een uitvoerige verkenning.
Op een Amsterdamse boekenmarkt leverde dat laatst een intrigerende publicatie op van de gereformeerde predikant W.A. Ockerse (1760-1826): “Het begraven der dooden buiten de kerk en stads poorten aangeprezen in eene leerrede…” (uitgegeven bij Lodewyk van Es in Amsterdam, 1808).


De dood, tradities en gebruiken rondom begraven en begraafplaatsen, interesseren mij wel, zeker in de vorm van oud drukwerk. Bovendien bevat deze uitgave, naast de bijzonder lezenswaardige leerrede die met tal van destijds actuele voorbeelden en argumenten is omkleed, ook waardevolle historische informatie in zes bijlagen, waarover straks meer.

Thuisgekomen heb ik mijn nieuwe aanwinst eerst eens goed bekeken. Ruiken, kijken, bladeren is vaak mijn volgorde.
Allereerst de band. In dit geval een simpel rood gespikkeld sierpapieren omslag met op de rug een handgeschreven titeletiketje (‘Ockerse over het begraven’). De omslag voelt dik aan, als karton, en dat komt omdat ze in feite uit twee op elkaar geplakte bladen bestaat.
Aan de binnenzijde van het voorplat is een rechthoekige moet (afdruk) zichtbaar. Kennelijk werd ter versteviging een (oud) bedrukt vel papier hergebruikt en tegen het sierpapier geplakt. Toen ik de omslag tegen fel licht hield werd een afbeelding zichtbaar met hier en daar nog wat leesbare tekst. Het gaat om de afdruk van een gravure uit 1781 door Pieter Wagenaar jr. (1747-1808) van de zinnebeeldige graftombe voor schout-bij-nacht Willem Krul (1721-1781).


Het papier van deze niet geïllustreerde (octavo) uitgave vertoont in enkele hoeken een watermerk, helaas te weinig om het nader te kunnen duiden. Vervolgens bestudeerde ik het titelblad waar staat dat het gaat om een ‘nieuwe uitgaaf’. Dat wekt bij mij meestal achterdocht! Dergelijke standaardkreten op oud drukwerk vallen nog wel eens in de categorie ‘liegen dat het gedrukt staat’ en dat is ook hier het geval, zo bleek al gauw.

Op zoek naar een eerdere uitgave raadpleegde ik de STCN en inderdaad in 1792 verscheen het boekje voor het eerst bij G.T. van Paddenburg en zoon in Utrecht. Via Delpher is een krantenadvertentie uit 1792 te vinden waarin hij de publicatie aankondigde (a 13 stuivers). Trouwens ook van de ‘nieuwe uitgaaf’ (a 12 stuivers) in 1808 vond ik een krantenadvertentie.


Toen ik vervolgens de originele uitgave uit 1792 bekeek werd me al gauw duidelijk dat de custoden, paginanummering en vingerafdruk identiek zijn aan de uitgave van 1808.
Het enige nieuwe blijkt de titelpagina! Die had in 1792 bovendien een bedrukte verso zijde met handtekening van de auteur. Kortom, dit is een typisch voorbeeld van een zogenaamde titeluitgave. Kennelijk lag er nog een onverkocht stapeltje boekjes uit 1792 in 1808 op de plank. Daaruit werd het oude titelblad verwijderd (het cancellandum) om plaats te maken voor een nieuw (de cancellans).


Uniek was deze praktijk zeker niet. Het gebeurde veel vaker met restpartijen en met deze uitgave kon dat ook prima. De maatschappelijke discussie over het begraven buiten de kerk was goed op gang gekomen in de tweede helft van de achttiende eeuw en zou tot in de 19de eeuw voortduren. Pas in 1869 kwam er met de eerste Begrafeniswet een einde aan het begraven in de kerk (met uitzondering van leden van het Koninklijk Huis).

Ockerse schreef zijn leerrede op verzoek van het stedelijk bestuur van Wijk bij Duurstede.
Het stadsbestuur wilde zo haar inwoners via hun geestelijk leidsman voorbereiden op het voornemen om het begraven in (en om) de kerk te verbieden en de lijken voortaan ter aarde te bestellen op een algemene begraafplaats buiten de stadsmuren

Een belangrijk motief was de toenemende aandacht en zorg voor de volksgezondheid.
In en rond de kerken(en) was het overvol. Ziekte epidemieën zorgden regelmatig voor een welhaast onverwerkbare vloed aan lijken. Ondertussen groeide de stedelijke bevolking, nam de gemiddelde welvaart toe en werd de druk op de kerk als begraafplaats alsmaar groter.

De armen lieten zich vanouds begraven rondom de kerk maar rijke stinkerds inwoners kozen een plek in de kerk (liefst zo dicht mogelijk bij het altaar). Kerkgraven waren soms wel vijf lagen diep (maar bevatte door regelmatig 'schudden' vaak de stoffelijke resten van talrijke individuen). Altijd lag er wel één graf open, soms meerdere, in afwachting van een begrafenis terwijl ondertussen de gewone kerkdiensten plaatsvonden. “Ik kan U – schrijft Ockerse - bij eigen ervaring verzekeren, dat er meermalen in de Zomer een rottige stank door dit gebouw zweeft, en het is mij gebeurd, dat ik, wanneer ik bij toeval een geopend graf op eenigen afstand voorbij ging, de Kerk, wegens den walglijken reuk, die mij om ’t harte sloeg, spoedig moest verlaten” (blz. 38).
Bovendien “het breeken der zarken, en de gestadige verzakkingen van de vloer” brachten kostbare verhogingen en vernieuwingen van de kerkvloer met zich mee, ook in Wijk bij Duurstede waar de laatste herstelling uit 1760 dateerde en in 1792 nog steeds liep!


Wat de uitgave van Ockerse extra interessant maakt zijn de bijlagen B, C, D en F met beschrijvingen van de eerste algemene begraafplaatsen die eind 18de eeuw buiten verschillende steden zijn aangelegd. Deze bestaan nog steeds en liggen in Scheveningen (1778), Oud-Zuilen (1782), Tiel (1786) en Diemerbrug (1791). Wijk bij Duurstede zou pas in 1828 volgen.
Daarnaast bevat bijlage E het programma van het Tiels genootschap ‘Ter Navolging’ dat zich beijverde algemene begraafplaatsen buiten kerken en steden in heel Nederland in te voeren en waarvan Ockerse natuurlijk lid was.
Bijlage A tenslotte en het ‘Nabericht’ handelen over de grafkapel van Joan Derk baron van der Capellen tot den Pol (1741-1784). Deze edelman gaf immers het gewenste voorbeeld met zijn particuliere buitengraf (dat in 1788 met buskruit werd opgeblazen)! Overigens was hij niet de eerste noch de enige van goede komaf die hierin een voorbeeldfunctie vervulde.

Zo bevindt zich op de gesloten oude begraafplaats ’Gedenk te Sterven’ in Diemen het graf van de ‘Batavische en menschlievende’ jonkvrouwe Catharina Maria Best (1740-1782). Op de grote zerk staat:

Zij wier verheven geest,
Geduurende haar leven, 
Den minsten sterfling stof 
Tot klagen heeft gegeven
Verkoos, op dat haar lyk 
Ook niemand nadeel gav’, 
Van kerkelijken praal 
Dit kerkhof tot haar graf.


dinsdag 22 mei 2012

Boek en bom

De vijanden van het boek zijn talrijk. Vuur, water, gas en hitte, stof en verwaarlozing, onwetendheid en schijnheiligheid, de boekenwurm en ander ongedierte, boekbinders, verzamelaars (!), bedienden en kinderen. Zij allen worden door Blades al in de negentiende eeuw genoemd in “The enemies of books”.

Maar de grootste ramp (voor mens en boek), zo lezen we in Büch's honderd jaar later verschenen “Boekenpest”, is oorlog. Het boek als oorlogsslachtoffer.
De bibliofiel die hierin het hoofdstuk leest “gebombardeerde boeken” moet welhaast ernstig getraumatiseerd raken als hij/zij zich het onvoorstelbaar aantal boeken probeert voor te stellen dat tijdens de Tweede Wereldoorlog voor altijd verloren ging. Dan heb ik het niet alleen over talloze grote Duitse bibliotheken zoals de Staatsbibliotheek van Hamburg waar 625.000 boekbanden verloren gingen, waaronder talloze zeldzame en kostbare werken. Het verlies van privébibliotheken, groot en klein, moet even enorm zijn geweest. Bekend Nederlands voorbeeld is de ondergang van de privébibliotheek (9.000 banden) van de priester en kenner van het oude boek Bonaventura Kruitwagen (1874-1954) bij het bombardement op Rotterdam in mei 1940.

Onlangs vond ik tot mijn verrassing bij een Duits antiquariaat een exemplaar van het boekje van Professor Franz Weisse (1878-1952) getiteld “Die Kunst des Marmorierens oder die Herstellung von Buchbinder- Buntpapieren mit Wasserfarben auf schleimhaltigen Grund” (Stuttgart, 1940). Weisse was in het vooroorlogse Duitsland een bekend kunstboekbinder en marmeraar. Tot 1907 was hij leraar in Elberfeld en van 1907 tot 1942 professor aan de ‘Hansischen Hochschule für bildende Künste' van Hamburg.


Ik ben wel een fan van marmerpapier.
Het zit vaak in verschillende fraaie kleuren en patronen verwerkt als schutblad in mijn oude en bibliofiele uitgaven of als omslag van pamfletten.
Iedereen met interesse hierin kan ik het goed verkrijgbare en betaalbare boekje aanraden van J.F. Heijbroek en T.C. Greven: “Sierpapier, Marmer-, brocaat en sitspapier in Nederland
(Amsterdam, 1994). Informatief en smaakvol uitgegeven (in oblong formaat) met een drietal unieke monsters bakmarmer (blz. 85).

Het boekje van Weisse is – zoals u hieronder ziet -  bijna vierkant (20 x 21 cm.), bevat 45 bladzijden en is een uitvoerig fotografisch beeldverslag van het marmerproces in negentig foto’s. Alle exemplaren van de oplage werden voorzien van een telkens andere smaakvolle gemarmerde omslag.
In 1980 verscheen hiervan een Engelse vertaling “The art of marbling”, in een oplage van driehonderd exemplaren, met veertien unieke gemarmerde voorbeelden van Richard J. Wolfe. Wie op zoek gaat naar een exemplaar zal al gauw ontdekken dat het boekje van Wolfe nog steeds makkelijk verkrijgbaar is maar twee tot vierhonderd euro kost.


In plaats daarvan heb ik, met liefde, nog geen negentig euro (inclusief verzendkosten) uitgegeven voor het boekje van Weisse. Het origineel is namelijk vele malen zeldzamer en wie op internet de omschrijving bij het boekje van Wolfe leest komt bij de diverse aanbieders steevast het volgende zinnetje tegen: “Most copies of the original Die Kunst des Marmorierens were destroyed in a World War II bombing raid”. En zo is het.


Ook het boekje zelf getuigt van de zware bombardementen op verschillende Duitse steden.
In mijn exemplaar trof ik het originele inlegvel aan dat werd toegevoegd door de ‘Buchbinder-Innung Lübeck’: "Dieses Fachbuch wurde zum Aufbau unserer, durch einen Angriff englischer Flieger in der Palmsonntagnacht vom 28. zum 29. März 1942 auf unser altes und ehrwürdiges Lübeck, vernichteten Fachschule vom Verleger Max Hettler gestiftet.” Nadat 1.8 ton aan landmijnen de daken had vernietigd maakten 25.000 brandbommen een vuurzee van die prachtige middeleeuwse Hanzestad Lübeck.

Hoeveel exemplaren van Weisse's boekje bombardement en vuurstorm overleefde is mij onbekend. Eén daarvan mag Perkamentus koesteren. Geen brandvlekje te bekennen en in uitstekende staat…