Posts tonen met het label Huwelijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Huwelijk. Alle posts tonen

donderdag 28 mei 2026

Het kalligrafisch talent van Christiaan Sepp Jansz.


De familienaam Sepp roept bij veel liefhebbers van oude natuurhistorische prachtuitgaven warme gevoelens op. Wie van hen kent niet de serie "Nederlandsche vogelen..." (Amsterdam 1770-1829, vijf delen) en "Flora Batava..." (Amsterdam 1800-1934, 28 delen), om maar eens twee uitschieters te noemen. Ook onder historisch cartografen geniet de familie faam als uitgever van verfijnde landkaarten, met de "Nieuwe Geographische Nederlandsche Reis- en Zak-Atlas" (Amsterdam, 1773) als bekend voorbeeld.
Dat het werk van Sepp ook vandaag de dag nog zeer geliefd is, blijkt uit de facsimile uitgaven die op de markt zijn gebracht. Zo verschenen bij de Belgische uitgeverij Lannoo, in samenwerking met de Koninklijke Bibliotheek (in 2014 en 2023) beide natuurhistorische prachtwerken opnieuw op de markt.


De drijvende kracht achter de oorspronkelijke uitgaven — die thans antiquarisch vrijwel onbetaalbaar zijn — was Johan (Jan) Christiaan Sepp (1739-1811). Deze veelzijdige ondernemer was naast boekhandelaar, ook een kundig natuurvorser. Net als zijn vader Christiaan Sepp (1710-1775), die oorspronkelijk uit het Duitse Goslar kwam, beschikte hij bovendien over kunstzinnige talenten als tekenen en graveren. Over de schitterende natuurhistorische en cartografische werken die zijn boekhandel uitgaf is al veel geschreven; dat behoeft hier geen herhaling.

Johan (Jan) Christiaan Sepp (Anoniem. Collectie Rijksmuseum Boerhave)

Ik moet bekennen dat ik als bibliofiel verzamelaar nooit een uitgesproken liefhebber van natuurhistorische uitgaven ben geweest, mijn passie ligt bij geschiedenis en topografie. Toch vond ik in mei een handschrift dat nauw verbonden is met deze beroemde uitgeversfamilie en dat ik - ondanks de grote naam van Sepp - voor een betrekkelijk bescheiden bedrag kon verwerven.

Het is een bruilofts- of huwelijksgedicht van negen ongenummerde bladzijden (23 cm. x 19 cm). In de zeventiende - en achttiende eeuw waren dergelijke gelegenheidsgedichten een wijdverspreid fenomeen binnen hogere sociale kringen, zoals de regentenstand en de gegoede burgerij. De inhoud was gebonden aan strikte literaire conventies; zo bevatten de verzen steevast lofzangen op de deugden van het bruidspaar. Alhoewel dergelijk efemeer drukwerk in grote hoeveelheid is gemaakt, is veel daarvan in de loop der tijd verdwenen. Sommige bruilofts- of huwelijksgedichten die bewaard bleven, getuigen van grote luxe: ze werden gestoken in prachtig bedrukt sits- of sierpapier, andere werden gebonden in kostbare leren banden, rijkelijk bestempeld en soms voorzien van fraai geborduurde sluitlinten.
Wat dat betreft oogt mijn aanwinst in zijn eenvoudige papieren omslag wat eenvoudig. Desondanks is het uniek want het werd volledig gekalligrafeerd en geïllustreerd met twee grisaille-tekeningen

Dit eerbetoon werd geschreven voor het zilveren huwelijk van Jan Christiaan Sepp en Wichertje Wichers Kruys (1755-1823), die in 1773 in het huwelijk traden. Samen kregen zij elf kinderen, maar opmerkelijk genoeg was het niet één van hen die zijn artistieke talenten botvierde. De maker was Christiaan Sepp Jansz. (1773-1835), de oudste en enige overlevende zoon uit Jan Christiaans eerste huwelijk met Sara Focking (1745-1773).
Zijn kalligrafische huzarenstukje (in diverse rijmschema's) was waarschijnlijk een gift aan zijn vader en stiefmoeder, ter herinnering aan hun zilveren huwelijksdag. Ik geef het hier pagina voor pagina weer.


1. De zorgvuldig getekende titelpagina vermeldt binnen een sierkader in fraaie letters: 
"By gelegenheid der Vijf en Twintig Jaarigen Bruijloftsdag, van myne waarde & geliefde Ouderen Die Verscheenen is den VIden en Gevierd den IXden December, Anno MDCCXCVIII. Worden deeze volgende Blyken van Dankbaare Hoogachting met Eerbied opgedragen door Hunnen Liefhebbende en Oudste Zoon.", (later?) gesigneerd: 'C. Sepp Jansz.'.


2. "By gelegenheid der Vijf en Twintig Jaarigen Bruyloftsdag, van myne waarde & geliefde Ouderen.

Wanneer 't aandagtig Oog, op't Menschlijk leeven ziet,
En op het Wisslend Lot, dat ons deez' Aarde bied;
Dan moet een Zilver Feest, ons Hart verwondring baaren.
Den snellen Stroom des Tijds, die onophoud'lijk vloeijd,
Die alles met zig voerd, die zelfs de Eeuwen boeijd,
Schonk aan Uw Echt den reeks van Vijf en Twintig Jaaren.

Toen Gij Uw Huwelijkse zon vol Vrolijk, klimmen zag,
Hoe diep was toen 't geheim of Gij deez Bruijlofts-dag?
Omringd van zoveel Kroost, te zaamen zoud beleeven?
Dan hoe ook 't woen des Tijds verganglijkheeden zaaijd.
Hoe ook den Schigt des Doods, in 't Menschlijk leeven maaijd;
Uw wierd, O' dierbaar Paar, ook deezen Dag gegeeven. 


3. Een Talrijk Huijsgezin, Een waarde Vriendenrij,
Zit met genoegen aan, verheugd zig aan Uw zij'',
Hoe Schoon is dit Tafreel van 't zalig Huwlijks-leeven.
Geluk met deezen dag, door d'almagt Uw bereid,
Hij rekke Uw Levens draad, Hij schenke Uw zaligheid
En doe Uw in zijn Gunst naar hooger Feest-dag streeven.


4. Aan Myn Waarde Vader in't Byzonder.

Mijn Vader Uw bekroonde Echt,
Doet thans mijn dicht-vuur tint'len, vloeijen,
De Krans voor Hart en Hand gevlegt,
Mogt Vijf en Twintig Jaaren groeijen.
Geluk met zo veel Zegening,
Hoe dankbaar ziet Herinnering
Op 't Pad van d' afgeloopen Kringen,
Schoon soms de toekomst Zorgen baard,
Gods Gunst, die op het Menschdom staard,
Zal ook in verd'ren Loop, Uw Liefderijk omringen.

Zaagt Gij Uw eerste Huwelijks-band,
Door d' IJzre Arm des Doods verbreeken?
Daar Telgen uit dien Echten-stand,
Ook voor zijn wreeden Dolk bezweeken.
De Alwijsheid, die in d' Eeuwen ziet,
Verliet ook toen Uw toestand niet,
Maar zag vol Liefde, en Goedheid neder;
Uw Ega steeg bij haar gezin,
Den blijden zaal'gen Hemel in,
En Gij ontfingt een Gade, en Ik een Moeder weder.


5Hoe dankbaar slaat het zuchtend Hart!
Voor zo veel Troost, bij 't angstigst treuren,
Mogt Gij na zulk een Fellen Smart,
Het Hoofd weer vrolijk opwaards beuren?
Thans zij mijn Dank Uw toegewijd
Die mijne Jeugd, met Zorg, en Vlijt:
Aan 't Snoer der Deugd hebt willen binden,
Uw zij, O' dierbre Man, het Loon;
Van een volmaakter Huwelijks-Kroon,
Van een vol zaalgen Echt, van 't Lot der Deugdgezinden.

Nu ziet Gij vrolijk om Uw heen,
Mijn Kroost, Uw dart'lend tegen treên,
Mijn Kroost, uit Uwen Stam gesprooten.
Hoe streelend is die Aardsche Vreugd,
Daar zij het Ouder-Hart verheugd,
En 't waar genoegen kan vergrooten.
Uw Leeven zij nog lang gespaard,
Zo doen Uw Telgen op deez Aard'',
Uw reeds een Bron van Heil ontspringen,
En smaak in 't eijnd de groote Schat,
Die d' Eeuwigheid in zig bevat,
Waar't ongestoordst Geluk, Uw eijnd'loos zal omringen.


6. Aan Myne Geliefde Moeder in't Byzonder.

Daar thans Uw Echt
Heeft afgelegd
Ruim Vijf en Twintig Kringen
Zo wil mijn Geest
Uw Zilver Feest
Met Dankbaarheid bezingen

Dit Vrolijk Uur
Doet 't Liefde-Vuur
In mijne Borst ontsteeken
Ja deeze Stond
Doet mijne Mond
Van waare Erkentnis spreeken

Zaagt Gij mijn Jeugd
Haar grootste Vreugd
Een dier'bre Moeder derven?
Zag ik het Licht,
Toen mijn Gezicht,
Ook zag mijn Voedster sterven?


7. Dit was mijn Lot
Maar; dank zij God!
Zijn Raad had Hulp gevonden,
Er wierd een Vrouw,
Door nieuwe Trouw,
Aan't Vader-Hart verbonden.

Zo zag ik weer,
Gelijk wel-eer,
Een lieve, en trouwe, Hoeder,
Gij wierd, Vriendin!
In vollen Zin,
Mij dus ten Tweede-Moeder.

Uw Vlijt en Zorg,
Was mij ten Borg,
In 't klimmen mijner Jaaren,
Hoe bleef Uw Deugd,
Mijn ted're Jeugd,
Voor Ramp, of Leed, bewaaren.

Ja menigmaal,
Heeft Uwe Taal,
Mij voor gevaar beveiligd.
Uw Naam, O' Vrouw,
Blijft met Uw Trouw,
Altoos voor mij geheiligd.


8. Hebt Gij verrigt;
Een's Moeders Pligt?
Welk denkbeeld voor mijn Zinnen!
Die weldaad wagt,
Dat mijn Geslagt,
Uw Kinderlijk zal minnen.

Uw zij het Loon,
Dat Uwen Zoon,
Steeds voor Uw af zal smeeken,
Zo zal Uw Hart,
Bevrijd van Smart:
Een waar genoegen kweeken.

Tot dat den Tijd,
Die 't Leeven slijt,
Uw Hemelwaards zal leiden,
Daar blijft met Vreugd,
Mijn's Moeders Deugd,
Uw Zusterlijk verbeiden.


9. Tot Besluit van het Voorgaande.

Zo vlogt den Tijd een Krans van Vijf en Twintig Jaaren,
Thans klinke ons Vrolijk Lied, verheugen w'onzen Geest,
Als God mijn Wensch verhoord, zal Hij Uw leeven spaaren,
Dan vieren w'ook verheugd Uw Goude Bruijlofts-Feest.

En als in't eijnd de Dood Uw van ons af moet scheiden,
Dan staar' Uw Liefd'rijk Oog, nog op Uw Kind'ren neer,
O' dan zult Gij, bij God, gezaligd, ons verbeiden,
Daar zien wij ons vereend, als Hemellingen weer."

De twee grisaille-tekeningen van Christiaan, waarschijnlijk (net als de titelpagina) pas later gesigneerd met 'C. Sepp Jz. inv.' betreffen allegorische voorstellingen. De eerste toont twee putti in een arcadisch landschap, die het bruidspaar weergeven. Achter hen staat een huwelijksaltaar met twee, door een pijl getroffen, brandende hartjes (symbool van hun vurige liefde). Vadertje Tijd, afgebeeld met vleugels en een zandloper op zijn hoofd, reikt hen een krans "voor Hart en Hand gevlegt" voor hun zilveren (25-jarig) huwelijk.
In de tweede grisaille loopt hij met de krans weg. De tijd vliedt! Ondertussen richten de twee putti hun pijlen op het gouden huwelijksjubileum (50 jaar), in het verschiet, tussen de wolken.


De achttiende eeuwse conventies schreven een dergelijk kunstzinnig eerbetoon vrijwel dwingend voor, inclusief de voordracht door Christiaan Sepp Jansz. op de feestdag zelf.
Het moet voor zowel het jubilerende echtpaar als voor Christiaan een emotioneel moment zijn geweest.
Zijn eigen moeder, Sara Focking, was, zo lezen wij, kort na zijn geboorte in het kraambed overleden, waarna Wichertje Kruys de moederlijke taken vrijwel direct en met verve had overgenomen. Dat zij zeer geliefd was bij haar (stief)kinderen blijkt niet alleen uit dit gedicht maar ook uit een uitgave die kort na haar dood verscheen: "Ter nagedachtenis van Jan Christiaan Sepp en Wichertje Wichers Kruys" (z.p., 1823), waarin zij uitvoerig wordt gememoreerd, ondermeer met een "Uitboezeming" van Christiaan Sepp Jansz. 
Hoewel Christiaan ook enige tijd bij zijn vaders boekhandel betrokken was lag zijn talent meer op het vlak van de schone kunsten, met name taal en letteren. Dit gekalligrafeerde huwelijksgedicht voor zijn ouders is daar een fraai voorbeeld van.

vrijdag 26 april 2019

Het huwelijksformulier van Mulisch uit 1795


Op 3 december 1971 werd in Amsterdam het huwelijk gesloten tussen Harry Mulisch (1927-2010) en Sjoerdje Woudenberg. Voor Harry had het allemaal niet gehoeven en "ook van Sjoerdje hoefde het niet, maar ik vond dat ik nu maar eens de consequenties moest nemen. Niet uit burgerlijkheid, maar uit een soort van rituele bezegeling".
Het werd een historisch ritueel maar of het allemaal wel rechtsgeldig was gegaan daar had hij zo zijn twijfels over. "Overigens heeft Han Lammers mij getrouwd volgens het trouwformulier van de Bataafse Republiek. Dat heeft namelijk een veel vrijgevochtener tekst dan dat van nu. De vrouw hoeft daarin niet ondergeschikt te zijn aan de man. Dat formulier heeft hij uit de archieven opgesnord en op die tekst zijn wij getrouwd. Het huwelijk is dus misschien helemaal niet geldig" (uit: M. Mathijsen: "Het voorbestemde toeval. Gesprekken met Harry Mulisch" (Amsterdam, 2002, blz. 125).


Heeft Mulisch een kopie van zijn historische trouwformulier gekregen?
Wie weet, maar het is hem wel bijgebleven want jaren later zou hij tekstgedeelten ervan verwerken in zijn boek: "De ontdekking van de hemel" (Amsterdam, 1992). Uit de citaten, in het hoofdstuk 'De bruiloft', blijkt overigens (dankzij een overgenomen spelfout) dat bij zijn eigen huwelijksvoltrekking het exemplaar is gebruikt dat thans (of ook) in de collectie van het Rijksmuseum ligt.

De Bataafse Republiek die tussen 1795 en 1806 bestond zorgde voor een aantal grote politieke en staatsrechtelijke veranderingen maar ook op het gebied van de mensen- en burgerrechten werden voor het eerst uitgangspunten geformuleerd en op papier gezet. Eén van de veranderingen was de invoering van een "Formulier, zoals het by het Trouwen op het Huis der Gemeente te Amsteldam, sedert de heuchlyke Revolutie van den 19 January 1795, in gebruik is" (Amsterdam, 1795). Huwelijken werd voordien, behalve in de kerk, voltrokken voor de schepenbank op het stadhuis en volgens de geldende regelgeving of het desbetreffende egt-regelement. Na de Bataafse omwenteling werd op 19 januari 1795 de schepenbank opgeheven. Voortaan werden huwelijken voltrokken voor het 'Comité van Justitie'.


Enkele weken geleden kon ik een origineel Bataafs trouwformulier via Marktplaats bemachtigen voor nog geen tien euro en dat is (veel te) weinig geld voor dergelijk zeldzaam efemeer drukwerk.
De uitgave, die voorkomt in Frederik Muller 'Nederlandse Historieplaten' (nr. 5334), zal mogelijk ook nog wel in enkele archiefbewaarplaatsen te vinden zijn, maar in online openbare collecties vond ik maar twee exemplaren. Eén Groningse variant (dat zich thans in de Koninklijke Bibliotheek bevindt, zie ook de STCN) en de eerder gemelde Amsterdamse uitgave in de collectie van het Rijksmuseum.
Het Groningse exemplaar, dat in navolging van Amsterdam werd gebruikt en vermoedelijk pas werd gedrukt na oktober 1796, lijkt meer op een pamflet, telt vijf bladzijden, en is hier te bekijken op Google Books. Het is een echte overheidsuitgave zonder franje.

Mijn exemplaar, een enkelzijdig bedrukt klein foliovel, is uitgegeven door de Amsterdamse boekhandelaar Jan Verlem (1750-1823). Die had als Patriot en verkoper van het anti-Orangistische: "Het leven van Willem den V" (Duinkerken, 1791) gevangen gezeten van september 1791 tot januari 1795. Bij thuiskomst trof hij zijn vrouw en winkel in de Warmoesstraat in erbarmelijke toestand aan maar kennelijk kon hij nog in hetzelfde jaar drukken, uitgeven en verkopen.
Verlem's formulier verschilt op enkele punten met het exemplaar in de collectie van het Rijksmuseum, dat een ander sierkader heeft en anoniem werd uitgegeven. Behalve het ontbreken van de drukfout 'dem' i.p.v. 'den' in de cursieve aanhef, zijn er ook twee tekstverschillen; 'uitzichten' i.p.v. 'inzichten' in de tweede regel van de tekst en bijna onderaan staat direct onder 'Geeft elkander de rechter hand' niet tussen haakjes: '(Men trekt de Handschoene uit en geeft de bloote hand.)'.
De thans twee bekende Amsterdamse exemplaren - met hun sierrand - zullen wel met name zijn bedoeld als koopwaar voor aanstaande huwelijkspartners of als geschenk aan de jonggehuwden ter herinnering aan hun heugelijke echtvereniging.

maandag 10 december 2012

Echt egt-reglement


Op Marktplaats werd voor slechts drie tientjes aangeboden het: “Echt-Reglement. Over de Steden, ende ten Platten Lande, in de Heerlijckheden, ende Dorpen staende onder de Generaliteyt” (Den Haag, 1664). Ruim driehonderd jaar oud drukwerk verkrijgbaar voor de prijs van een modern boek vind ik nog altijd iets verbazingwekkends.
Natuurlijk weet ik ook wel dat dergelijk drukwerk antiquarisch goed verkrijgbaar is. Er zijn in de 17de eeuw talloze overheidsbepalingen gedrukt en slechts enkele zijn bijzonder. Ook dit reglement is volop terug te vinden in de Short Title Catalogue Netherlands (STCN), zowel onder ‘Egt-‘ als ‘Echt-Reglement’. Wat het ‘Echt-Reglement’ speciaal maakt is dat, eeuwen later, de weerslag ervan nog steeds belangrijk is voor iedereen die onderzoek doet naar zijn familiegeschiedenis in het Limburgse gebied voor 1800.


Dat uitpluizen van je familiegeschiedenis, ‘stamboomonderzoek’ oftewel genealogie lijkt typisch een bezigheid voor na je pensionering (als je die tenminste haalt!) maar voor mij ligt het alweer enig tijd achter me.Vooral tussen 1989 en 2002 was ik erg actief en wist ik al gauw door te dringen tot het midden van de 17de eeuw alwaar ik belandde in het Limburgse dorp Schinveld (thans gemeente Onderbanken).
Ter illustratie van al die dorre geboorte-, doop-, huwelijk- en overlijdensdata was ik ook een verwoed verzamelaar van ‘Limburgensia', boeken over de geschiedenis van Limburg, m.n. de oostelijke mijnstreek (Heerlen, Brunssum, Nieuwenhagen, Schinveld) en het grensgebied met Duitsland (Heinsberg, Gangelt, Aken). Onmisbaar was het door Régis de La Haye geschreven boek: “Limburgse voorouders. Handleiding voor genealogisch onderzoek in Limburg” (Maastricht 2005). Uiteraard komt daarin (blz. 121 t/m 125) ook dit ‘Echt-Reglement’ ter sprake maar waar ging dat nou precies over?


De huidige provincie Limburg bestaat pas sinds 1839. Voor die tijd was het Limburgse land lange tijd een politieke lappendeken. In de zeventiende eeuw behoorde bepaalde gedeelten dankzij veroveringen in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tot de ‘Generaliteitslanden', viel onder ‘Staats’ bestuur, omdat ze direct werden geregeerd door de Staten-Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het Katholieke geloof werd daar onderdrukt en vele pastoors moesten zelfs uitwijken of onderduiken.

In deze delen gold sinds 18 maart 1656 het ‘Echt-Reglement’ waarbij bepaald werd dat eenieder wettelijk moest trouwen, ofwel ten overstaan van de gereformeerde predikant, ofwel te overstaan van de schepenbank (-). Deze verordening leidde ertoe dat veel huwelijken in die periode tweemaal zijn geregistreerd. Illegaal voor ‘mijnheer pastoor’ en legaal, want verplicht, voor de predikant. Juist die laatste inschrijvingen zijn genealogisch heel interessant. Ze bevatten vaak (veel) meer informatie om de eenvoudige reden dat ‘Hollandse’ predikant, anders dan de lokale pastoor, zijn trouwlustigen niet kende. Kortom elke familievorser checkt in deze periode zowel de Rooms-katholieke als Protestantse huwelijksregisters.


In de vijfennegentig artikelen van dit reglement wordt verder tot in detail uitgelegd hoe de formaliteiten rond het huwelijk moesten plaatsvinden. Verder lezen we over het verbod van huwelijken tussen familieleden, met minderjarigen of ongedoopten.
Over het verbod om te trouwen met ‘Melaetsche’, Joden, heidenen en ‘Mahumetanen’. Over valse huwelijksgeloften, scheiding van tafel en bed en hertrouwen, over het ontvoeren van bruiden, het defloreren van ‘eerbare’ dochters, bijslaap, concubinaat, koppelarij, overspel en het weren van ‘Bordeelen, Hoer-huysen Mot-ende Ravot-huysen’. En hoe zat het met hertrouwen omdat je echtgenoot, op zakenreis, wat al te lang wegbleef? Lees artikel negentig.

woensdag 6 april 2011

Oud papier


Ik handel in oud papier” zei de marktkoopman toen ik een aantal vondsten uit de dozen afrekende. “Mooi, ik verzamel oud papier”.
De wereld zit soms simpel in elkaar.
Het ‘oud papier’ waarover we spraken zat verspreid in diverse bananendozen. Veelkleurige mappen waarop met zwarte stift de inhoud kort stond omschreven; ‘reclames’, ‘brochures’, ‘rekeningen’, ‘briefhoofden’, ‘krantenknipsels’ en meer van dergelijk efemeer drukwerk, waarover ik eerder heb geschreven. Het meeste spul was van rond 1900.


Het is heerlijk snuffelen en puur schatgraven. Voor een paar euro wordt je eigenaar van regelrechte unica. Een mooie vondst ditmaal, voor slechts acht euro, was een prachtig 125 jaar oud geïllustreerd gelegenheidsgedicht aan “W. Krabbendam en Mevrouw E.M.H. Krabbendam-Robert ter gelegenheid hunner 12 ½ jar. Echtvereeniging” op 16 december 1886. Het is een goed bewaard gebleven groot vel papier (53 cm. breed en 41.5 cm. hoog) in blauw bedrukt met een levensschets van de bruidegom als stripverhaal. Ik zou zeggen kijk en lees zelf (klik op de illustraties voor een vergroting).


Wat de hoofdpersonen betreft kon ik in mijn luie stoel via internet achterhalen dat Wouter Krabbendam (1850-1925) een Amsterdams notaris was die in 1874 huwde met Elisabeth Maria Hendrika Robert. Zijn portretje vond ik in de collectie van het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) in Den Haag, waar in de collectie familieadvertenties tot 1970 meer genealogisch feitenmateriaal te vinden is.

woensdag 22 april 2009

Huwelijksaanzoek


Worden er nog dames ten huwelijk gevraagd? Wie o wie…? Ik ben nooit verder gekomen dan een verloving (inmiddels bijna 25 jaar geleden). De meerwaarde van het huwelijk is mij altijd ontgaan, zeker gezien onze tegenwoordige tijd met zoveel andere mogelijkheden van samenzijn.

Honderd vijftig jaar geleden was het huwelijk nog een bloedserieuze zaak. Mijn overgrootouders hebben wat dat betreft niet veel keus gehad. Niks samenhokken; trouwen was de boodschap.

De 19de eeuw was een standenmaatschappij en dus diende men zich wel zeer bewust te zijn van zijn stand. De burger Jan Salie die even op de knieën gaat voor zijn aanstaande bruid om vervolgens de wederzijdse ouders te confronteren met een fait accompli was kansloos. Zijn voornemen diende hij vooreerst schriftelijk aan te kaarten en nadrukkelijk niet bij de aanstaande teerbeminde maar natuurlijk bij haar vader!
Ai!, haar ouwe heer... Lastig, lastig... Gelukkig kon Jan in deze gevoelige zaak beschikken over een handig hulpmiddel en wel het "Nieuw brievenboek voor iedereen bevattende eene menigte voorbeelden van brieven, welke in het dagelijksch leven te pas komen. Benevens voorbeelden van Requesten, Contracten, Telegrafische berigten, Advertentien, enz. enz. Een handboek tot eigen oefening" (A. van Loon. Tiel ca. 1862).
Hiermee was deze bloedserieuze aangelegenheid in een wip geklaard en kon de aanstaande schoonpapa de volgende indrukwekkende brief tegemoet zien.

"Hooggeachte Heer!
Het is reeds geruime tijd geleden, dat wij met elkander kennis maakten, en ik durf vertrouwen, dat Gij geene reden hebt, om aan mijne fatsoenlijkheid, noch aan mijne soliditeit te twijfelen.
Ik handel als opregt man, als man van eer, en kan mij daarom beroemen mijne zaken op eenen goede voet gebragt te hebben. Maar nu heb ik eene wakkere levensgezellin noodig, en ik zou mij gelukkig achten, die in Mejufvrouw Susanna, Uwe oudste dochter, te vinden. Ik heb haar toen wij onlangs in den tuin van onzen Vriend S. waren, mijnen wensch te kennen gegeven; zij scheen mij niet ongenegen, maar wees mij op haren Vader. Een uitzet wordt door mij niet begeerd, want ik heb dien, Gode zij dank niet noodig en wordt onze echt met kinderen gezegend, ook dan zullen wij in staat zijn, hen ruimschoots te verzorgen.
Ik verzoek U dus, Hooggeachte Heer, mij Uwe dochter ten huwelijk te geven: wees verzekerd, dat zij in mij een goed echtvriend zal hebben. In afwachting van gunstig antwoord blijf ik,

Hooggeachte Heer!

Ued. Dienstwillige dienaar Jan Salie"
.


Kijk, daar kun je mee voor de dag komen al weet ik wel zeker dat je met zo’n brief vandaag de dag meer indruk zou maken.
Behoorde men tot de stand van de aanzienlijke burgers, zeg maar de gegoede middenstand, dan was een zakelijk briefje aan de aanstaande nog wel mogelijk. Laten we eens kijken naar het briefje van Hendrik Braaf.

"Mejufvrouw!
Zodra ik de eer had met U kennis te maken, rees dadelijk bij mij de vurige wensch op, met U voor altijd door de heiligste banden vereenigd te worden. Wanneer Gij mij Uwe liefde onverdeeld kondet en wildet schenken, zou ik mij hoogst gelukkig rekenen. Terwijl ik Uwe hand vraag, stel ik het mij tot pligt, U te zeggen, dat mijn vermogen mij in staat stelt, U bij eene reeds goed ingerigte huishouding, een aangenaam, een onbezorgd leven te beloven. Ik maak alleen aanspraak op Uwe beminnenswaardige persoon. Uwe liefde is mij meer waard dan alle rijkdom. Beslis over mijn geluk of ongeluk. Mogt Uw antwoord gunstig zijn! Gij zoudt daardoor mijn hart met de levendigste vreugde vervullen, want niemand kan U meer eeren en beminnen, Mejufvrouw, dan

UwelEd. Dienstv. dienaar en vriend Hendrik Braaf".


Prachtig, prachtig! Een brief waarvoor elke (19de eeuwse) vrouw onmiddelijk zou vallen. Mijn dochter is pas zeven. Voorlopig dus geen brief voor mij...