vrijdag 29 mei 2015

Bibliofilie aan de wand


De zomerboekenmarkten in Amsterdam zijn weer gestart.
Afgelopen zondag, 24 mei, begon ik de zonovergoten dag met een fietstocht van tien kilometer van mijn huis naar mijn moeder die pal achter de Vrije Universiteit woont. Ik parkeerde mijn fiets bij haar in de kelder en liep vervolgens direct daarna de resterende vijf kilometer naar de Dam, waarmee ik maar wil zeggen dat er niets mankeert aan de conditie van deze bibliofiel!

Een boekenmarkt loop ik altijd een paar keer op en af.
De eerste keer scannen en praatjes maken met o.a. Vincent Zwiggelaar, die mij een serieuze indrukwekkende veilingcatalogus in handen drukte en (drs.) Jacqueline Lensink van het Groningse antiquariaat Digitalis die ik alleen nog maar van Twitter kende.


Mijn eerste vangst waren vijf nieuwe boeken van uitgeverij Vantilt voor veertig euro.
De dag begon goed, maar zwaar beladen!
Mijn tweede aanwinst lag verstopt tussen rijtjes boeken van diverse afmetingen en met diverse onderwerpen. Het is een fraai exemplaar van het grof antisemitische boekje van prof. dr. August Rohling (1839-1931): “Talmud-Jude” (Leipzig, 1890), met een inleiding van Édouard Drumont (1844-1917) en vertaald door Carl Paasch (1848-1915).
Ik betaalde er slechts vijf euro voor en dat is zeker tien keer te weinig!
Deze ooit spraakmakende uitgave had allang voor meer verkocht moeten zijn maar ik vermoed dat de Duitse taal een barrière is. De titel is nog wel duidelijk en maakt nieuwsgierig maar vervolgens zullen veel geïnteresseerden snel afhaken omdat ze de tekst gezet in Gotische drukletters (Duitse Fraktur) onvoldoende beheersen.
Niet deze bibliofiel dus.


We komen nu bij mijn derde vondst.

Van de zaken die tijdens mijn lagere schooltijd (vermoedelijk) bepalend waren voor mijn latere liefde voor het vak geschiedenis behoren de schoolplaten van Johan Herman Isings (1884-1977).
In mijn bibliotheek staat al sinds hun verschijning de vijfdelige serie “Gulden Sporen” (Groningen, 1975) met veertig schoolplaten en toelichting naast de onlangs verworven - en bijzonder goed leesbare - biografie van Jan A. Niemeijer: “J.H. Isings, historieschilder en illustrator” (Kampen, 2000).

Historische schoolplaten en -wandkaarten hebben wel een relatie met de wereld van het bedrukt papier maar zijn toch ook een heel apart verzamelgebied. Ik ben geen verzamelaar van schoolplaten maar mag die kramen gevuld met nostalgie en jeugdsentiment graag besnuffelen en ben dan weer even een jochie in de schoolbanken.
Bij de kraam van E. Wisselo ontwaarde ik tussen de stapels vooraan een bijzondere afbeelding met voorbeelden van oud drukwerk. De eigenaar rook een klant en waarschuwde me dat er ook nog een tweede schoolplaat was met voorbeelden van Middeleeuwse handschriften.
Ik heb niet veel verstand van de materie maar wel een goede neus en ik vermoedde dat dit bijzondere exemplaren waren die je niet gauw een tweede keer zult tegenkomen.
Over de prijs werden we het snel eens. Vijfendertig euro voor bibliofilie aan de wand is niet veel geld.


Eindelijk thuisgekomen met deze omvangrijke vondst, verpakt in een grote vuilniszak, begon wat altijd na een vondst begint. Wat heb ik nou eigenlijk gekocht?
Verzamelaars van oude schoolplaten zijn er te kust en te keur en er zijn diverse goed gedocumenteerde websites, zoals hier en hier, waar je informatie kunt vinden.
Er is zelfs een website met schoolplaten uit verschillende Europese landen die bedoeld zijn voor het vak geschiedenis. De afgebeelde platen zijn afkomstig uit de collecties van ‘Denmark’s Paedagogiske Bibliothek’ (National Library of Education, Denemarken), ‘Forschungsstelle: Schulwandbild, department of the University of Würzburg’ (Duitsland ) en het Nationaal Onderwijsmuseum in Rotterdam).


Maar hoe ik ook zocht, geen spoor van mijn Duitse schoolplaten, noch in online collecties noch bij online handelaren. Dat ze Duits waren bleek wel uit de verklarende teksten bij de illustraties maar nergens vond ik een uitgeversadres.
Op de achterzijde staat bij de ene plaat op een wit plakkertje: “Zur erfindung der buchdruckerkunst” en bij de ander: “Mittelalterliche Handschriften”. Ook trof ik daar het stempel aan van de Amsterdamse 'Van Baerleschool, Ruysdaelstraat' (nr. 69), een openbare school voor ULO, gebouwd in 1903. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was daar de ‘Deutsche Oberschule’ gevestigd en het lijkt mij waarschijnlijk dat mijn schoolplaten in die periode naar Nederland zijn gekomen.


Na veel Googelen/Googlen (u weet, ik ben onderzoeksmatig van aard) vond ik mijn schoolplaten eindelijk terug in de verzameling van het Saarländisches Schulmuseum in Ottweiler. Ze zijn beiden: “Schulwandbild aus der Serie ‘Ad. Lehmann's kulturgeschichtliche Bilder’” en ruim een eeuw geleden gemaakt bij de ‘Leipziger Schulbilderverlag von F.E. Wachsmuth’. Dankzij de gevonden gegevens vond ik uiteindelijk ook het exemplaar (met voorbeelden van de boekdrukkunst) in de collectie van Tresoar.
Zoals uit de gevonden documentatie en foto's blijkt staan titel en uitgeverijgegevens wel degelijk op de voorkant onderaan. Toen mijn schoolplaten naar Nederland kwamen waren ze echter al minstens dertig jaar oud. Ze zijn uiteindelijk langs de rand voorzien van een nieuwe brede witpapieren strook en een bruinlinnen stootrand. Daarmee verdwenen ook enkele onderschriften bij illustraties.
Jammer, maar schoolplaten (en -wandkaarten) werden nu eenmaal langdurig intensief gebruikt en ook toen al werd er weinig zachtzinnig omgegaan met de aanwezige leermiddelen ten behoeve van het aanschouwelijk onderwijs.
Oude schoolplaten (en -wandkaarten) vertonen daarom vrijwel altijd gebruikssporen en komen maar zelden in uitmuntende conditie op de markt. Net als bij oude boeken geldt ook hier; hoe zeldzamer, hoe meer je kunt (en vaak moet) toegeven op de conditie!
Het boekenmarktseizoen is wat mij betreft nu al geslaagd. Alleen nog een mooi plekje vinden voor deze twee bijzondere bibliofiele 'school-wand-platen'. En dan maar kijken en genieten, daar kan geen digibord tegenop!

vrijdag 15 mei 2015

Embedded


Met de invasie van Irak in 2003 werd het publiek wereldwijd getrakteerd op een nieuwe term in de journalistieke berichtgeving; ‘embedded journalism’. Journalisten, burgers, die - gebonden aan diverse voorwaarden en ingebed tussen zwaar bewapende militaire eenheden - direct verslag deden van de acties aan de frontlinie.

De term mocht dan compleet nieuw zijn, een geheel nieuw verschijnsel was het allerminst.
Oorlog is zo’n beetje de moeder van de journalistiek. De oudst bekende (Nederlandse) courantiers Broer Jansz. (1580-1652) en Caspar van Hilten (?-1628) waren hun journalistieke loopbaan als oorlogscorrespondent gestart.


Tot de journalisten reken ik ook de tekenaars (en later fotografen en cameramensen) die het conflict niet in woord maar in beeld trachten te vangen. Een vroeg Nederlands voorbeeld daarvan is Johan Fabricius (1899-1981) wiens boek: “De oorlog van de kleine paardjes” (Amsterdam, 1975) ik onlangs in mijn kringloop tegenkwam. Het beschrijft zijn verblijf gedurende de Eerste Wereldoorlog als ‘kriegsmaler’ bij een Oostenrijks regiment, het 2de Bosnisch-Herzegowinische Infanterie-regiment dat op de Fontana Secca in de Venetiaanse Alpen in stelling lag. Een relatief weinig bekend maar licht verteerbaar verhaal dat ik iedereen kan aanbevelen.

In mijn collectie zitten een paar oude en bijzondere uitgaven geschreven door 'embedded' journalisten van ‘De Standaard’ (Hesseling), ‘Het Volk’ (Santcroos) en ‘De Telegraaf
(Sand). Het zijn alle drie kleurrijke verslagen van bijna een eeuw geleden.
Ons land was toen (nog) niet in oorlog met een buitenlandse mogendheid maar intern op politiek en sociaaleconomisch terrein waren er grote problemen en tegenstellingen. De frontlinie lag niet ver weg maar dichtbij in de volkse achterbuurten van de grote stad en de vijand, dat waren geen zwaar bewapende soldaten maar de (Amsterdamse) zedenverwildering, slechte volkshuisvesting en welig tierende misdaad.
Hun ervaringen leverden thans gezochte antiquarische lectuur op en het lezen daarvan is nog steeds een feest.
Onze maatschappij is inmiddels zo veranderd dat de verhaaltjes met voorbeelden van 'onzedelijk gedrag‘ en ‘zware misdaad’ nu bij velen eerder tot een schaterlach leiden dan gefronste wenkbrauwen. Dat zal met de verhalen van Santcroos over de erbarmelijke huisvesting in ‘volklogementen’ anders zijn. De schrijnende hygiënische en sociale omstandigheden van toen zullen de lezer van nu eerder doen verbazen en soms verbijsteren, want zo erg als destijds is het al lang niet meer.


Het oudste boekje is dat van Joh. J. Hesseling: “Licht in nacht. Van den arbeid in duister Amsterdam” (Amsterdam, 1917) met een fraaie illustratie vol symboliek van Joh. Visser. Het gaat over de strijd van de christelijke Nederlandse Middernachtzending Vereniging (afdeling Amsterdam) tegen onzedelijk gedrag (zoals prostitutiebezoek) en alcoholisme. Samen met enkele ‘broeders’ dook Hesseling donker Amsterdam in, zoals ook Prinses Beatrix bijna vijftig jaar later deed met ‘majoor’ Bosshardt (1913-2007), maar dan zonder vermomming.
De middernachtzendelingen, broeders en zusters, opereerden vanuit hun verenigingsgebouw ‘Welkom’ (Warmoesstraat 15). Ze zwierven door Amsterdam, nodigden uit voor samenkomsten in ‘Welkom’, deelden stichtelijke blaadjes uit, postten bij bordelen en 'verdachte' huizen en spraken hoerenlopers en jonge paartjes aan op vermeend onzedelijk gedrag.

Zoo loopen we dan langs den Admiraal de Ruyterweg en den Haarlemmerweg, naar het eerste doel van den tocht, de Slatuintjes; door die typische, smalle begroeide laantjes, welke de herinnering levendig houden aan de dagen toen de Amsterdammers nog meer van ‘’n kuiertje’ hielden en we nog niet ‘allemaal op de fiets’ zaten.
Nu moet gij niet gelooven, dat ge op deze slingerpaadjes, met kneuterige warmoezerijen aan den eenen en ’n schilderachtig uitzicht, over de landerijen, op de stad aan den anderen kant, geen menschen meer aantreft. Weet ge wie ge hier bijvoorbeeld veelvuldig passeert? Vrijende paartjes!
” (-).
Neen, hoor, bij verreweg de meesten verloopt de vrijerij hier ‘in alle eer en deugd’. Maar…. Maar…. Als zoo de schemering op de dreven daalt, gebeurt ’t wel eens, dat we bij zoo’n enkel spannetje iets verdachts opmerken in houding of gebaar en dan kunnen we door ’n gemoedelijk woord wel eens veel voorkomen: u voelt wel, hoe meer voorkomend onze arbeid wezen kan, des te beter. Toch bieden we al dien ‘kirrende tortels’ ’n tractaat aan van gewoon evangeliseerende strekking. Tenzij we 'iets merken’. Voor zulke gevallen bewaren we ’n bijzonder geschrift in onze binnenzak” (Blz. 35/36).
Ik vermoed dat menig zendeling tegenwoordig met blauwe ogen zou thuiskomen maar toen liep het eigenlijk nooit uit de hand.


Erg zeldzaam is de brochure van Is. Santcroos Dlz. (1894-1945): “In en om volkslogementen. Zwerftochten van een journalist met een rechercheur” (Amsterdam, 1920) en fraai geïllustreerd door L.J. Jordaan (1885-1980). Ze verscheen in een tijd dat de volkshuisvesting hoog op de politieke agenda stond zoals blijkt uit de vele krantenartikelen die daarover in Delpher te vinden zijn.
Santcroos ging onder begeleiding van een politiecontroleur (en vaak in het holst van de nacht) langs diverse Amsterdamse logementen. Weliswaar waren er volkslogementen voor elke portemonnee maar verreweg de meesten werden bewoond door de laagste sociale klassen.
Santcroos zag vervuilde kleine kamertjes met meerdere stapelbedden voor bedelaars, schoenpoetsers, straatventers, orgeldraaiers, scharensliepen, Chinezen, kolonialen, verarmde gezinnen en bejaarden.
Volkslogementen worden wel gezien als de voorganger van de hedendaagse instelling voor opvang van dak- en thuislozen al waren er verschillende die slechts in naam een logement waren maar in werkelijkheid gelegenheid tot prostitutie boden. Vooral de hygiënische omstandigheden waren er verschrikkelijk en besmettelijke ziekten tierden er welig.


Santcroos bezocht de volgende ‘holen’; ‘De Posthoorn’ in de Nes, ‘Oost-Indië’ in de Pieter Jacobdwarsstraat (zie bovenstaande krantenbericht uit 1920), de ‘Stad Amsterdam’ op de Kromboomsloot, ‘De Kroon’ in de Laurierstraat, een naamloos logement in de Anjelierstraat, ‘De drie Kronen’ in de Haarlemmerhouttuinen (“het vroeger beruchte etablissement van ‘Tante Mie’”), ‘De oude Wijnberg’ in de Warmoesstraat, ‘De Nieuwe Karseboom’ aan de Korte Prinsengracht, het logement van ‘Kleine Ko’ op de Achterburgwal en ‘Long Fah’ en ‘Kwong Tai’ in de Chinezenwijk. Genoemd worden voorts de logementen ‘Transvaal’ en ‘Het Vosje’ op de Noordermarkt.
In een er van, een logement in de Koestraat, kwam hij de bekende straatfiguur Dionisius Reynen (1881-1926) tegen. Een bedelaar zonder benen (die verloor hij op achtjarige leeftijd onder de stoomtram), en op zijn vaste standplaats het Damrak beter bekend als ‘de man op het krukje’.


Over het boekje van J.C.E. Sand (1888-1936): “De ratten van Amsterdam. Schetsen uit misdadig Amsterdam” (Amsterdam, 1922), heb ik al eerder geschreven. Het bevat verschillende aardige illustraties van O. Geerling. Ook de afbeelding op de omslag is beslist geslaagd al staat er foutief ‘J.C.L. Sand’ in plaats van 'J.C.E. Sand’.
Net als zijn collega Santcroos werd Sand begeleid door de politie en wel door een Amsterdamse inspecteur; “Mag ik u m’n vriend Walden even voorstellen? Ik noem hem maar Walden, omdat zijn kop me levendig herinnert aan dien van den hoofdpersoon van den politiefilm The mysterious Band” (Blz. 4). Sand deed niet alleen verslag van de acties maar nam er zelfs af en toe actief aan deel. Zijn beschrijvingen zijn kleurrijk en soms heel herkenbaar.


Ook op den hoek van de Stormsteeg bevindt zich een soort ‘Beurs’ van ongure elementen van het mannelijk en vrouwelijk geslacht. Nu en dan gaan ze een ‘glaasie zoet’ in een of andere kroeg drinken en als ze zich vervelen gaan ze ‘het koper pesten’, d.i. de politie treiteren. Een ander verschijnsel op den ‘dijk’ is de man, die splinternieuwe fietsen tracht te verkoopen. In een kring omringt het publiek hem. In werkelijkheid is het rijwiel niet nieuw, maar samengesteld uit onderdeelen van gestolen karretjes, alles netjes gemoffeld en opgepoetst. Iemand uit het publiek doet een bod. Dat is de handlanger, die den kooplust van het publiek probeert aan te wakkeren” (Blz. 57).

Ach ja….fietsendiefstal…., toen nog een beschrijving waard, haalt tegenwoordig het nieuws niet meer. Amsterdam, criminaliteit, zedenverwildering, prostitutie, drankmisbruik, dak- en thuislozenopvang. Het is er allemaal nog, maar dan anders. Zelfde decor, andere hoofdrolspelers.


vrijdag 1 mei 2015

Curiositeiten van allerlei aard (deel 2)

In het antiquarisch circuit ben ik “Curiositeiten van allerlei aard” regelmatig tegengekomen.
Vaak overviel me dan een gevoel van verwarring. Soms waren het genummerde boekjes met één onderwerp en soms waren het verzamelbundels (met datum en jaar op de voorkant), waarin schijnbaar volstrekt willekeurig enkele curieuze onderwerpen waren opgenomen. Verschillende deeltjes ingebonden in een particuliere band (zoals het exemplaar hier links) vond ik ook. Kennelijk was de serie op verschillende manieren uitgegeven; genummerde boekjes (themanummers) en verzamelbundels.
Maar hoeveel delen waren er van elk verschenen en wat zat er achter die verwarrende opzet van de verzamelbundels?
Ik had geen idee!

Dankzij het boek van ‘M’ over d’Ablaing en de firma R.C. Meijer weet ik nu dat er vierenveertig nummers verschenen waarvan twaalf dubbelnummers (op blz. LVIII/LIX staat een overzichtslijstje).
De boekjes met telkens één onderwerp verschenen in klein octavo (ruim 10 x 16 cm; vaak bijgesneden tot 10 x 15 cm.) en zitten in een blanco omslag. Op de rug staat de titel, het serienummer en de prijs.
Op de voorzijde staat bovenaan in kleine letters: “Curiositeiten van allerlei aard” en het serienummer. De titel en de naam van de uitgever zijn in rood gedrukt. Op de achterkant staat uitgeversreclame van de firma Meijer. Ze zijn niet geïllustreerd en tellen 48 bladzijden, de twaalf dubbelnummers 96 bladzijden (exclusief een blad met de franse titel, verso de reeds verschenen titels, en de titelpagina).

De titels (onderwerpen) zijn:
1. Canards, 2. Zonderlinge Advertentiën, 3. Curieuse Documenten, 4. Anecdoten,
5. Drukfouten, 6/7. Koopjesgevers, 8/9. Geheimzinnige Personen, 10. Flaters in en over Boeken, 11. Zonderlinge Testamenten, 12/13. Het Toneel, 14. Van den Kansel,
15. Geestige Gezegden, 16. Voorbeelden van verstrooidheid, 17. Vreemde eigenschappen van Menschen (Personen), 18/19. Letterkundige Kunststukjes. Poëzie, 20. In de Gerechtzaal, 21. Hoge Ouderdom, 22/23. In de Schouwburgzaal, 24/25. Curieuse Gebruiken, 26. Letterkundige Kunststukjes. Proza, 27. Grote Gevolgen van kleine Oorzaken, 28. Letterkundige Bedriegerijen, 29/30. Zonderlinge Strafbepalingen, 31. Op de Planken, 32/33. Rare Snaken, 34. Een paar Staatsstukken, 35/36. Dwergen, 37. Grafschriften, 38/39. Haar en baard, 40. Op de planken (Vervolg en Slot), 41/42. Hofnarren, 43/44. Oud Nieuws.
Deel 45/46 Oud Nieuws (vervolg) werd aangekondigd en was in bewerking maar is nimmer van de pers gerold. Totaal verschenen dus 32 boekjes.


Met de uitgave van verzamelbundels is de firma Meijer waarschijnlijk al eerder begonnen.
Deze boekjes zitten in een grijs papieren omslag. Op de voorzijde staat bovenaan met grote letters “Curiositeiten van allerlei aard” en daaronder – met uitzondering van de eerste bundel - een datum (altijd de eerste van de maand plus het jaar).
Het formaat is klein octavo, ca. 11 x 17 cm., maar vaak zijn ze bijgesneden tot 10 x 15 cm. Elke verzamelbundel telt 48 bladzijden genummerd 1 t/m 48 of 49 t/m 96 en bevat zes verschillende onderwerpen (van elk acht bladzijden).

Een onderwerp komt voor in zes bundels (6 x 8 = 48 blz.) of - bij dubbelnummers - twaalf bundels (12 x 8 = 96 blz.). In elke bundel begint het onderwerp op een andere bladzijde.
Bijvoorbeeld ‘Flaters in en over boeken’ (10) vinden we in bundel 2 op blz. 9 t/m 16 vervolgens in bundel 4 op blz. 1 t/m 8, in bundel 5 op blz. 25 t/m 32, in bundel 6 op blz. 17 t/m 24, in bundel 8 op blz. 33 t/m 40 en in bundel 9 op blz. 41 t/m 49 (inclusief de titelpagina met een overzicht van de verschenen titels op de verso zijde).
Zo uitgegeven bestond de mogelijkheid om “desverkiezende elke rubriek later afzonderlijk met doorlopende paginatuur” te laten inbinden. 


Verspreid over drie jaar verschenen er in totaal zesentwintig bundels, waarvan ik er drieëntwintig bezit. Van de in 1874 verschenen nummers ontbreken in mijn collectie nog 14 (augustus), 15 (september) en 16 (oktober).

1. No.1 (1 juli 1873), met een gedeelte van de nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 6/7
2. 1 augustus 1873, met een gedeelte van de nrs. 2, 3, 5, 6/7, 10, 11
3. 1 september 1873, met een gedeelte van de nrs. 1, 5, 11, 12/13, 14, 15
4. 1 oktober 1873, met een gedeelte van de nrs. 2, 3, 10, 11, 12/13, 14
5. 1 november 1873, met een gedeelte van de nrs. 10, 11, 12/13, 16, 17, 21
6. 1 december 1873, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 10, 12/13, 14, 21, 26

7. 1 januari 1874, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 11, 12/13, 16, 20, 26
8. 1 februari 1874, met een gedeelte van de nrs. 5, 6/7, 10, 12/13, 16, 21
9. 1 maart 1874, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 10, 11, 15, 22/23, 26
10. 1 april 1874, met een gedeelte van de nrs. 2, 5, 8/9, 16, 18/19, 22/23
11. 1 mei 1874, met een gedeelte van de nrs. 14, 16, 21, 22/23, 17, 26
12. 1 juni 1874, met een gedeelte van de nrs. 2, 3, 14, 22/23, 16, 20
13. 1 juli 1874, met een gedeelte van de nrs. 14, 8/9, 1, 4, 16, 22/23
14. 1 augustus 1874 
15. 1 september 1874
16. 1 oktober 1874
17. 1 november 1874, met een gedeelte van de nrs. 1, 8/9, 15, 20, 24/25, 26
18. 1 december 1874, met een gedeelte van de nrs. 8/9, 6/7, 12/13, 18/19, 22/23, 24/25

19. 1 januari 1875, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 8/9, 12/13, 18/19, 22/23, 24/25
20. 1 februari 1875, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 8/9, 12/13, 18/19, 22/23, 24/25
21. 1 maart 1875, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 8/9, 12/13, 18/19, 22/23, 24/25
22. 1 april 1875, met een gedeelte van de nrs. 24/25, 22/23, 6/7, 18/19, 8/9, 12/13
23. 1 mei 1875, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 8/9, 12/13, 18/19, 22/23, 24/25
24. 1 juni 1875, met een gedeelte van de nrs. 15, 26, 4, 17, 24/25, 3
25. 1 juli1875, met een gedeelte van de nrs. 20, 4, 17, 26, 5, 24/25
26. 1 augustus 1875, met een gedeelte van de nrs. 1, 3, 4, 15, 18/19, 20

Alleen de eerste verzamelbundel is genummerd ‘No. 1’, alle anderen niet.
Wanneer verscheen ‘No. 1’?
Achterop staat onder ‘Aan den lezer!’ 1 mei 1873 maar op de achterzijde van de volgende verzamelbundels staat dat de eerste van 1 juli 1873 is.
Dat laatste lijkt gezien de daaropvolgende maandelijkse verschijning te kloppen.

Het ziet er naar uit dat alleen de eerste zesentwintig onderwerpen in een verzamelbundel zijn uitgegeven.
In dat geval bestaan van de titels 27 t/m 43/44 alleen de genummerde boekjes (themanummers).

Op de achterzijde van elke verzamelbundel staan de al verschenen titels, een enkele keer wijkt de titel af. Dat met ‘Advertentiën’, ‘Documenten’ en ‘Verstrooidheid’ de nummers 2, 3 en 16 wordt bedoeld is vrij duidelijk, maar dat geldt niet voor ‘Antipathie’ en ‘Voor de Balie’ waarmee respectievelijk ‘Vreemde eigenschappen van Menschen’ (17) en ‘In de Gerechtzaal’ (20) worden aangeduid.


In vrijwel alle verzamelbundels zit achterin uitgeversreclame; ‘Extrait du Catalogue de la Librairi R.C. Meijer’ (gedrukt op een andere goedkopere papiersoort). Titel en inhoud verraden dat d’Ablaing vooral Frans georiënteerd was en Nuijs bevestigt dat ook.
d’Ablaing schreef meer fransch dan hollandsch, reeds als knaap vinden wij fransche aantekeningen, overgeschreven fransche verzen enz., fransch was de taal van d’Ablaing. Engelsch werd niet veel gebruikt, althans niet in correspondentiën en aanteekeningen, maar dat d’Ablaing die taal machtig was, getuige zijn tegenwoordigheid als afgezant van de Hollandsche Vrijdenkers op hun congres te Londen (1857) gehouden. Duitsch daarentegen werd zelden door hem gesproken noch geschreven, hij hield eenvoudig niet van Duitschland” (blz. XVIII).

Korte aandacht verdient de reclamebijlage in de verzamelbundel van 1 mei 1874; “ouvrages neerlandais, la plupart au rabais”. Wat vooral opvalt is dat veel van de aangeboden Nederlandse boeken ruim honderd jaar oud zijn met als duurste hoogtepunt een eenenvijftig-delige uitgave van Isaac Tirion: “Tegenwoordige staat van alle volkeren (1731-1795)”!


Nu we wat meer weten over de uitgever, de vorm en de opzet van “Curiositeiten van allerlei aard” gaan we in het volgende, derde deel, nader in op de curieuze inhoud van deze serie. Die is namelijk beslist de moeite waard!