Posts tonen met het label Van der Steur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Van der Steur. Alle posts tonen

vrijdag 12 maart 2021

Amsterdam volgens Urbaen


In 1873 en 1874 verscheen in het maandblad: "Het Leeskabinet. Mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen" (Amsterdam, 1834-1903) een serie artikelen onder de titel: "Kijkjes in de hoofdstad" geschreven door ene 'Urbaen'. Achter dit pseudoniem ging de in Nieuwer-Amstel geboren Martinus Kalf(f) (1847-1898) schuil die een gepassioneerd liefhebber was van de geschiedenis van de hoofdstad. Kalf(f) werd later redacteur van "'t Handelsblad" en wist wel hoe je smakelijke stukjes moest schrijven...


"Een eindje verder staat insgelijks een afstammeling van Mozes, die een 'onverbreekbaar middel' aanbiedt, om alle gebroken porselein, glas en aardewerk te lijmen. Hij doorspekt zijn aanprijzing met allerlei uitheemsche woorden, en menige huismoeder, wijzende hoe zij de kanten van het gebroken voorwerp slechts heeft te 'besmeren' met een weinig van het lijmpoeder opgelost in water, smeert hij alvast een pakje gemalen krijt aan. Van klagen heeft hij nooit last; want niemand wil om zulk een bagatel weten, dat hij bedrogen is.

Alweer iets verder staan de nakomelingen van het uitverkoren volk met oudroest en nieuw ijzerwerk, zuur en eieren, schrijfbehoeften, kramerijen, kleedingstukken en honderden zaken meer. Als een der belangrijkste en uitgebreidste winkelgelegenheden, komen de boekenstalletjes in aanmerking, die dagelijks, uitgenomen Zon- en Feestdagen, aanwezig zijn. Op de weekmarkt vooral zijn ze rijk voorzien, inzonderheid van bijbels en kerkboeken, die de buitenlui altijd met graagte verslinden. De meesten dier zogenaamde 'boekenjoden' houden er tevens winkels op na en zijn zeer welvarend. Met een weinig overleg, komt men gewoonlijk goed bij hen terecht. Zij overvragen naar gelang zij hun kooper al of niet bij de pinken achten, maar meestal kan men toch meer dan driederden afdingen. Als men ze uit hun luim wil helpen, moet men ze geven wat ze eischen; want dan hebben ze spijt tot over hun ooren, van niet meer te hebben gevraagd." ("Kijkjes in de Hoofdstad; XVI. De Botermarkt").

De historische 'kijkjes' van Kalf(f) "meestal in den vorm van luchtige en vluchtige causerieën" werden geschreven in een tijd dat de stad zijn vleugels uitsloeg en buiten de 19de eeuwse grachtengordel tot ontwikkeling kwam. "Niet alleen zijn talrijke gemeenschapswegen, met fraaie bruggen, aangelegd en zijn ontelbare huizen opgetrokken, maar geheele kaden, straten en wijken zijn in aanbouw; terwijl gelijktijdig twee prachtige Roomsche kerken, in dertiende-eeuwsch-Gothieken stijl, uit de grond zijn opgerezen". Grootse plannen (Plan van Van Niftrik, later Plan Kalff) en veranderingen dus; ook op het gebied van de infrastructuur, zoals het verdwijnen van het open havenfront door de gedeeltelijke demping van het IJ, ten behoeve van de aanleg van een spoorweg en de bouw van een nieuw centraal personenstation (Station Amsterdam Centraal).


De stukjes van Kalf(f) bleken mateloos populair bij het grote publiek. Ze werden gezocht, verzameld en gebundeld. Een dergelijke particuliere verzamelbundel, gebonden in bruin halflinnen band met gemarmerde platten, kocht ik onlangs bij het Haagse antiquariaat Arine van der Steur. Mijn aanwinst bevat alle eenentwintig stukjes met de illustraties die in 1873 in "Het Leeskabinet" verschenen. Bijna de volledige serie, op zes na die in 1874 verschenen, maar in ieder geval uitgebreider dan de verzamelbundel die te raadplegen is via Google.
Die heeft, opmerkelijk genoeg, een identieke boekband maar bevat alleen de eerste zeventien afleveringen. Alle in 1874 verschenen stukjes kunt u overigens hier lezen. 


De in "Het Leeskabinet" verschenen serie is de bron voor de later verschenen gebundelde uitgaven van Kalf(f) en veel van wat werd beschreven vinden we (soms letterlijk) terug in: "Amsterdam in plaatjes en praatjes" (Amsterdam 1876, herdrukt in 1878) en "In 't hartje der stad. Oud en nieuw Amsterdam" (Amsterdam, z.j. [1880]), een premie-uitgave van de "Amsterdamsche Courant" (met lithografieën van Johan Braakensiek). Dit kopieer- en plakwerk geldt nadrukkelijk niet voor de gelithografeerde afbeeldingen van Amsterdam.
Die zijn in elke uitgave weer anders en geven een mooi beeld van de sfeer in de hoofdstad aan het einde van de negentiende eeuw. Vreemd genoeg vond ik een aantal daarvan - waaronder de in dit stukje getoonde illustraties - niet terug in de beeldbank van het stadsarchief Amsterdam.


Kalf(f) behoort met zijn 'Amstelodamica' tot de negentiende eeuwse stadsbeschrijvers van Amsterdam maar is veel minder bekend dan zijn tijdgenoot Jan ter Gouw (1814-1894), die altijd bereid was om Kalf(f) van informatie te voorzien en hem zei: "Je weet net genoeg van Amsterdam om te begrijpen, dat je er niets van weet".
De sfeervolle schetsen van Kalf(f) zijn nog steeds de moeite waard om gelezen te worden en ze geven, naast bekende historische gegevens, regelmatig bijzondere informatie over zijn eigen tijd, die weer niet in andere bronnen is terug te vinden. Bovendien vind ik zijn onderwerpskeuze soms verrassend. Wie anders heeft er zo uitvoerig geschreven over 'De Viadukt' (het spoorwegviaduct tussen de huidige Buiten Oranjestraat en de Grote Bickerstraat) met het aangrenzende landhoofd, bestaande uit 75 penanten en 72 overwelfde openingen, (thans 'Tussen de Bogen') dat de Staatsspoorweg in 1870 liet aanleggen aan de westkant van het Centraal Station? Waar anders vinden we een sfeervol schetsje (met afbeelding!) van ''t Hol', een sloppenbuurtje hartje centrum iets ten noorden van de Nieuwe Kerk waar iedereen tante Piet kende, "een figuur van acht koppen"?


Bijlage: Overzicht van de historische schetsen en afbeeldingen (lithografieën) verschenen in "Het Leeskabinet". 

In 1873:

I. De Schouwburg
II. De Omnibus
III. Eene nieuwe Schilderijzaal
IV. Het Vondelpark
V. Het Paleis voor Volksvlijt
VI. De Viadukt
VII. De Beurs
VIII. Arti et Amicitiae
IX. De IJzeren Kapel
X. De Dam 
XI. Het Paleis
XII. De Handelmaatschappij
XIII. De Nederlandsche Bank
XIV. Het Oostindische Huis
XV. Het Grootboek (St. Jorishof)
XVI. De Botermarkt
XVII. De Nieuwmarkt
XVIII. Het Zeemanshuis
XIX. Zeemanshoop  
XX. Het Post- en Telegraafkantoor
XXI. De Schreierstoren


De afbeeldingen, twee op één bladzijde, zijn alle (m.u.v. nummer acht) van lithograaf C.C.A. Last (1808-1876) en gedrukt door steendrukkerij P. Blommers in Den Haag). Ze tonen:

  1. De viaduct van den Staatspoorweg (Doorgang vóór de Bikkerstraat) / Gezicht op den Viaduct en het Landhoofd
  2. Het Paleis / De Beurs
  3. De Handelmaatschappij / De Nederlandsche Bank
  4. De Waag (Nieuwe Markt) / Rembrandt (Botermarkt)
  5. Arti et Amicitiae / Paleis voor Volksvlijt
  6. Het Zeemanshuis / Zeemanshoop
  7. Het Post- en Telegraafkantoor / De Schreierstoren
  8. Uitslaande afbeelding (facsimile) van het tolprivilege van Graaf Floris de V, uit 1275
In 1874 verschenen in "Het Leeskabinet" nogmaals zes stukjes die, wonderlijk genoeg, niet zijn genummerd XXII t/m XXVII maar XX t/m XXV!:

XX. De Westermarkt 
XXI. De Lieve Vrouwenkerk 
XXII. Het Trippenhuis (NB. foutief genummerd XVI)
XXIII. Felix Meritis 
XXIV. Het Binnen Gasthuis
XXV. Het Werkhuis

Met afbeeldingen van:
  1. De Westerkerk / Onze Lieve Vrouwekerk
  2. Het Trippenhuis / Felix Meritis
  3. Het Gasthuis / Het Werkhuis

woensdag 26 mei 2010

Ad vivum fecit 1816

Ik heb al eerder geschreven over mijn verre oud-grootvader, de kunstgraveur Jan Willem (Jean Guillaume) Caspari (1779-1822). Onlangs werd ik benaderd door het Haarlems antiquariaat Van der Steur met de mededeling dat zij een originele tekening in huis hadden, vervaardigd door zijn broer Hendrik Willem Caspari (1770-1829). Of ik interesse had?

Tja…, feitelijk verzamel ik uitsluitend het werk van JW maar aangezien het hier ging om een originele tekening en Hendrik Willem toch familie is van en regelmatig samenwerkte met zijn broer Jan Willem, had ik wel interesse.
Zo werd ik de nieuwe eigenaar van een fraaie kleine portrettekening van (papiermaat) 11,5 bij 8 cm. Het is volgens een potloodaantekening op de achterzijde een afbeelding van D. van Coppenaal, onder het ovaal gesigneerd en gedateerd H.W. Caspari ad viv. fec. 1816.

Volgens het “Biographische woordenboek der Nederlanden” van A.J. van der Aa was Dirk van Coppenaal: “een niet onverdienstelijk dichter, die in 1837 te Amsterdam overleed. In het Jaarboekje van de kunst en wetenschap bevorderende Maatschappij aldaar, waarvan hij lid was, vindt men van hem, jaargang 1819, twee stukjes, die niet kwaad zijn”.
Hoe Van der Aa aan deze gedeeltelijk onjuiste informatie kwam is mij een raadsel. Feit is dat er in Amsterdam in 1837 géén Dirk van Coppenaal overleed.
Wel verscheen er begin dat jaar in de krant een overlijdensadvertentie van de op 16 december 1836 overleden Daniel van Coppenaal (volgens de aangevers 'directeur van een brandwaarborgmaatschappij'). Hij werd op 19 februari 1777 in Amsterdam geboren als zoon van de doopsgezinde grutter Hermanus van Coppenaal en Janneke Bavink Jacobs. Daniel staat, ditmaal met de juiste geboorte- en overlijdensdatum, in Pieter A. Scheen’s: “Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1950”. Hij schilderde en tekende dus maar was ook bekend als dichter en lid van de Kunst en Wetenschap bevorderende Maatschappij V.W. Een groot oeuvre heeft deze ongehuwd overleden kunstenaar echter niet nagelaten en er is helaas maar weinig van hem bekend

Ik twijfel er niet aan of zijn portret werd getekend als voorstudie voor een gravure.
Die zou prima hebben gepast in de reeks bekende gravures van Nederlandse dichters, zoals mijn portretje van Elias Anne Borger (gepubliceerd in de ‘Nederlandsche Muzenalmanak’). Ook zijn portret werd eerst getekend (‘delineavit’) door H.W. Caspari en vervolgens gegraveerd (‘sculpsit’) door zijn broer J.W. Caspari.

H.W. Caspari heeft meer van dergelijke portretjes in een ovaal getekend. In de collectie van het Stadsarchief Amsterdam zijn er in de beeldbank, tussen de andere tekeningen van zijn hand, nog vier te vinden o.a. die van de dichter, letterkundige en boekverkoper Arend Fokke Simonsz. (1755-1812). Opvallend is wel dat Caspari zijn portretjes vrijwel nooit dateerde.

Noch in de collectie in het Stadsarchief Amsterdam noch bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag is een portretgravure van D. van Coppenaal, al dan niet door een Caspari, bekend. Ook in de bekende portrettencatalogi van Frederik Muller en Van Someren komt een afbeelding van hem niet voor en dus zal het wel bij deze unieke 'naar het leven' getekende afbeelding zijn gebleven.
Nu nog een fraai, liefst vroeg negentiende eeuws, lijstje zien te vinden of toch maar in een blauwe zuurvrije envelop laten?

dinsdag 14 april 2009

Graveur Jan Willem Caspari (1779-1822)

Als klein kind tekende ik graag (dinosaurussen, kastelen, stripfiguren enz.). Het is echter nooit een hobby geworden zoals bij mijn vader. Die heeft een tijd lang veel getekend maar ook gefotografeerd en geschilderd (vooral natuurtafereeltjes a la Rien Poortvliet).
Zijn teken-, schilder en fotowerk heeft op verschillende verkoopexposities gehangen. Waar komt dat talent vandaan, zo vroegen wij ons weleens af. Toen ik mij twintig jaar geleden ging verdiepen in de geschiedenis van onze familie werd die vraag voor mij beantwoord. Mijn overgrootmoeder Sophia Geertruda Caspari (1875-1966) bleek een kunstzinnige overgrootvader te hebben gehad (genealogisch mijn oud-grootvader) die van beroep graveur was.

Beroemd is hij niet geworden deze Jan Willem (Jean Guillaume) Caspari. Hij werd in Amsterdam gedoopt op 25 november 1779 en overleed daar, net geen 43 jaar oud, op 10 september 1822. Zijn broer Hendrik Willem (1770-1829) was eveneens kunstgraveur en werkte soms met hem samen. Hendrik Willem liet een vrij groot oeuvre na, Jan Willem iets minder. Beiden worden genoemd in het 'Biographisch woordenboek van Noord Nederlandsche Graveurs' (F.G. Waller, heruitgave 1974) en natuurlijk in 'Nederlandse Beeldende kunstenaars 1750-1950' van P.A. Scheen (1969).

Als bibliofiel (en genealoog) werd het mijn heilige plicht om (zoveel mogelijk) origineel graveerwerk van deze kunstzinnige voorvader in handen te krijgen. Dat bleek niet al te makkelijk, hij was immers niet beroemd en vrij jong gestorven. Eerst moest ik vaststellen wat er bekend was over zijn oeuvre. Met behulp van de 'Beschrijvende catalogus van 7000 portretten van Nederlanders en van buitenlanders, tot Nederland in betrekking staande' van de befaamde Frederik Muller (heruitgave 1972) en het aanvullende vervolg daarop door Van Someren ('Beschrijvende catalogus van gegraveerde portretten van Nederlanders'. 1888) kon ik vaststellen dat hij in ieder geval een kleine dertig portretten van tijdgenoten had gegraveerd, alsmede een prachtige zeldzame gravure van de 110 jarige Jacob Janse (1698-1808), naar een tekening van B.C. van Ranswijk, uitgegeven door H. van Aken te Zaandam.


De portretjes (stippelgravures) zijn destijds vaak gebruikt als illustratie in bijvoorbeeld de literair belangrijke 19de eeuwse Nederlandsche Muzenalmanak. Ik bezit er inmiddels drie. Het gaat om de afbeeldingen van de Nederlandse dichter E.A. Borger, Dominee J. Scharp en de Haagse predikant B. Verweij. Leuk is dat alle drie zijn gegraveerd ('sculp.') door J.W. Caspari naar schilderijen van zijn broer H.W. Caspari ('pinxit').

In 2007 vond ik wat bijzonders bij mijn lijfantiquariaat Van der Steur in Haarlem. Een boekje van Anna Maria Moens getiteld: 'Tafereelen van eene christelijke opvoeding, in briefwisseling tusschen moeder en dochter. Vertaald uit het Engels. Benevens brieven aan Emilia' (1822). Wat deze moralistische beschouwing in briefvorm, deels door Moens uit het Engels vertaald, deels door haar zelf geschreven, voor mij zo bijzonder maakt is dat de titelgravure alsmede de vier paginagrote illustraties zijn gegraveerd door Jan Willem Caspari. Geen portretjes ditmaal maar tafereeltjes. Dat kon ik voor zestig euro toch niet laten liggen.