Posts tonen met het label Antiquariaat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Antiquariaat. Alle posts tonen

donderdag 23 april 2026

De sprekende Duivekater

De Leidse bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina Keizerswaard (schilderij van Jan Havicksz. Steen, 1658). Rechtop tegen de muur een rijkversierde duivekater.

Bij het doorsnuffelen van de website van antiquariaat Goltzius kwam ik een opmerkelijk manuscript tegen getiteld: "De Duivekater. - het Brood, sprekende ingevoerd". De auteur, die ondertekende met de initialen GVV, schreef het bijna twee eeuwen geleden op, in december 1828. Het is een half vel papier, 8º (formaat 29.9 cm. breed en 19 cm. hoog), dubbelgevouwen, met het watermerk van Van der Ley., een van de oudste papierfabrikanten in de Zaanstreek (*). Op de eerste twee bladzijden staat een gedicht in een duidelijk leesbaar handschrift van in totaal 48 dichtregels (28 recto en 20 verso, exclusief titel, signatuur en onderschriften). 


Wie er schuil gaat achter GVV bleef lange tijd onduidelijk. Uiteindelijk zou het onderzoek naar de papierfabrikant Van der Ley het raadsel oplossen! Op de website van de Historische Vereniging Koog-Zaandijk wordt in de rubriek 'Achter de deur' (onder Zaandijk) ook de geschiedenis uit de doeken gedaan van het pand Lagedijk 96 (aan de Zaan direct tegenover de Zaanse Schans). De bouwer daarvan was de papiermaker Aris van der Ley (1707-1800). In 1776 trad bij hem zijn veertienjarige aangetrouwde neef in dienst; Jan (Adriaansz.) van Vleuten (1762-1835). Hij erfde van oom Aris in 1800 de papiermolen. Voor de geschiedenis van de Zaanstreek was Jan een belangrijk nauwgezet chroniqueur (er is een straat naar hem vernoemd). Hij heeft een schat aan historische gegevens achtergelaten in de vorm van notities en dagboeken die de gehele periode vanaf de Bataafse Republiek, de Franse Tijd en verder beslaan (zie hier, nr. 385). Hij was bovendien burgemeester van Zaandijk en in 1788 medeoprichter en secretaris van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, departement Koog Zaandijk. In 1784 trouwde hij met Aagje Jansdr. Honig (1762-1807). Het doopsgezinde echtpaar kreeg vijf kinderen: Maartje, Guurtje, Adriaan, Lijsje en Trijntje.
En daarmee belanden we bij de hoogstwaarschijnlijke schrijfster van dit gedicht: Guurtje van Vleuten (1786-1865). Een geletterde welopgevoede dame, in goede doen, die nimmer zou trouwen en samen met haar eveneens ongehuwde zuster Trijntje na haar vaders dood in het ouderlijk huis bleef wonen. De zussen bleken niet alleen erfgenamen van zijn bezit, maar ook van zijn intellectuele nieuwsgierigheid: zij zetten de uitgebreide annotaties in vaders notitieboeken voort tot aan de dood van Trijntje in 1868 (**).

Guurtje van Vleuten (foto: St. Archief Honig(h)).

De Zaanse duivekater ('deuvekater'), een zoet wit vloerbrood, behoort samen met bijvoorbeeld de Deventer Koek en de bruine kroeg tot het Nederlands immaterieel erfgoed. Over dit bijzondere feestbrood is al een en ander geschreven, zowel over zijn etymologie en geschiedenis, als receptuur. 
Ik las ergens dat vooral begin negentiende eeuw het zogenaamde katerbrood mateloos populair moet zijn geweest, maar vond niet direct historische bronnen die dat beeld bevestigen. Honderd jaar later, rond 1900, komt met name bakker Anton Kroes daarmee in het nieuws. Zijn bakkerij ‘De Duivekater’ was tot 1974 gevestigd op de Nieuwendammerdijk 301 (Amsterdam-Noord). Hij heeft zijn specifieke receptuur voor duivekater later verkocht zodat de befaamde 'Kroes Duivekater' nog steeds verkrijgbaar is.


Betrouwbare bronnen voor de Zaanse geschiedenis, folklore en tradities verschenen vanaf het midden van de 19de eeuw, zoals het werk van de historicus Jacob Honig Janszoon (1816-1870) en dat van de taalkundige Gerrit Jacob Boekenoogen (1868-1930). Vooral Boekenoogens: "De Zaansche volkstaal. Bijdrage tot den kennis van den woordenschat in Noord-Holland" (Leiden, 1897) bevatte waardevolle informatie voor dit artikel. 
In Noord-Hollandse archieven en bibliotheken online vond ik geen andere voorbeelden van vergelijkbare (gelegenheids)poëzie. Vrijwel zeker is dit het oudst bekende gedicht over deze Zaanse broodspecialiteit. Het handschrift is daarom als unieke vroege bron voor de Zaanse volkscultuur van cultuurhistorisch belang. Omdat het nimmer in druk is verschenen geef ik de tekst hier integraal weer, voorzien van noten met mijn op- en aanmerkingen (onderaan). 


Manuscript (recto).

"De Duivekater. - 
het Brood, sprekende ingevoerd (1)

------------------------------------------

Wel Duivekaters dat heet reizen (2)
In't hartje van de winter tijd, (3)
En dat, om Rotterdam te toonen,
Hoe ik worde aan de Zaan bereid. 4)
In grote hitte pas geboren,
Moest ik al schielijk in de kou,
(Ik) lag juist van 't zweet erg (nog) uit te dampen, (5)
En hoopten men mij sparen zou,
Maar, 't was voort! voort! in open water
Hij moet gauw scheep naar Rotterdam, (xx)
Ik weet niet hoe ik mij gevoelde,
Toen ik zoo eenklaps buiten kwam,-
'k Ben dan behouden aangekomen,
Wat wacht mij hier? een blij genot?
Heb ik te hopen, of te vrezen?
Ach! - overdenk ik zelf mijn lot
Dan is voor mij geen heil te wachten,
Al kom ik in de beste kast,
Al worde ik nog zoo lief bejegent,
Nog zoo zorgvuldig opgepast,
Mijn aanzien, ja, kon 't langst dan duren,
Maar, al waardeerd men mij zeer hoog,
'k Heb eindlijk toch deez schimp te vrezen,
'Gij wordt zoo Duivekaters droog' - (6)
Krijg ik mijn woonplaats in een kelder, (7)
Dan staan ik voor een uitslag bloot,
Dat 'k (hun) hen, die 'k eerst moogt welkom wezen
Een afschrik word, o bittre nood"

xx. "Gezonden volgens vroeger afspraak en beloften aan
goede vrienden aldaar" (8)


Manuscript (verso).

"Wat is er dan van mij te wachten? (voor mij te wenschen?)
Terug te keeren naar de Zaan?
Dat baat mij niks, 'k weet, mijn bestemming
is, kort na 't worden te vergaan. -
Wil dan genadig met mij handlen,
Neem 't scherp niet dagelijks in uw hand, (9)
Dan heb ik, ach! zoo veel te lijden,
Neen, maak mij liever snel van kant -
Hier mee, zult gij mij gunst betonen,
Neem éénmaal 't mes slechts voor mij op
Schenk mij wat koemelk tot verzachting,
Berei mij, zoo gij lust, tot sop - (10)
Eet dan, mij arme mij arme Duivekater
Met boter, zuiker en kaneel, (11)
Kunt gij mij alzoo smakelijk vinden?
Help mij dan spoedig door de keel,
Vind gij mij duivekater lekker,
'k Heb niet vergeefs de reis gedaan,
Wanneer gij slechts niet gaat vergeten,
Hoe 't Kersgebak is, aan de Zaan. (12)

GVV 

December 1828

Vroeger was aan de Zaan algemeen het gebruik op Kersdagsmiddags (13)
te eten brood en melk bereid genaamd sop, of brood sop. Het word (14)
nog door velen gedaan, en hier voor werd beregen brood bezonder (15)
bestemt. - (naams oorsprong onbekend). - (16)


De Zaanse duivekater.

Noten.

(*) Tot diep in negentiende eeuw was origineel zeventiende eeuws papier gemaakt door Van der Ley beschikbaar (zie hier, nr. 498).
(**) Guurtje van Vleuten hield wel van dichten. Aan haar wordt ook een verslag op rijm toegeschreven van een reisje dat zij in 1808 met familie maakte naar Dordrecht (zie hier, nr. 478).

1. 'het Brood'. Het woord werd ook als krachtterm gebruikt zoals in de eerste dichtregel.
Het sprekend opvoeren van een brood c.q. duivekater is een retorische stijlfiguur waarbij een afwezig, overleden of imaginair persoon, abstract begrip of levenloos object wordt voorgesteld als een sprekend wezen ('Prosopopoeia').
2. 'Wel Duivekaters'. Deksels, drommels, potjandorie! ('Wat Duivekater', is een bastaardvloek)! 'Duivekaters!' is een van de 385 unieke krachttermen uit het repertoire van Kapitein Haddock in de strips "De avonturen van Kuifje" (Hergé).


'dat heet reizen'. Met de nadruk op 'dat' is wellicht een knipoog naar de bij duivekater cruciaal lange voorrijs van het brooddeeg.
3. 'winter tijt'. Duivekater werd als delicatesse- of feest-brood behalve tijdens de Paasdagen ook in de periode tussen Sint-Nicolaas en Driekoningen gegeten.
4. 'aan de Zaan'. Kennelijk genoot de Zaanse duivekater toen al enige faam en stond de Zaanstreek bekend als producent van deze broodspecialiteit. Overigens bestaan er verschillende vormen en varianten zoals de Zaanse duivekater met een rechte, langgerekte vorm en voorzien van een 'Franse knip' bovenop. Ook kennen wij de Broekse duivekater, uit Broek in Waterland, herkenbaar aan een Chinese ruitvorm, de Nieuwendamse duivekater afkomstig uit Nieuwendam met de vorm gebaseerd op een scheenbeen en tot slot de krentenkater, een variant, vaak gevonden in Roelofarendsveen, met een vorm die verwant is aan de Nieuwendamse duivekater. Uit deze zin blijkt overigens ook dat de Rotterdamse bakkers geen duivekaters volgens Zaans recept bakten (vermoedelijk in het geheel geen duivekater!).
5. De oorspronkelijke zin was dus: "Lag juist van 't zweet erg uit te dampen" en werd: "Ik lag juist nog uit te dampen". Deze aanpassing evenals die in de eerste zin op de versozijde en enkele andere kleine correcties doen vermoeden dat het hier om een afschrift/kladversie gaat (zie ook noot 8).
6. 'Gij wordt zoo Duivekaters droog'. Zo droog als een duivekater klinkt bijna als een gezegde, maar verwijst vermoedelijk naar het vroegere gebruik om de duivekater eerst een paar dagen te laten besterven alvorens te consumeren. De duivekater werd dan na een dag of vijf in dunne plakken gesneden en kon worden gedoopt in thee of melk. 
7. Het bewaaradvies voor de duivekater is nog steeds 'droog' bewaren (bijvoorbeeld in een kast, zie regel 18 (recto): 'in de beste kast', en dus niet in een vochtige kelder!
8. Deze toevoeging/verklaring onderaan suggereert dat het om een persoonlijk (gelegenheids)gedicht gaat dat samen met de desbetreffende duivekater werd verstuurd, bijvoorbeeld per trekschuit. Dit gedicht kan dan een afschrift zijn, bewaard door de afzender ter herinnering. De duivekater was destijds nog een specifiek streekproduct. Tegenwoordig is de duivekater vrij algemeen bekend en zelfs een bescheiden exportproduct. Bakkerij 'De Duivekater' in Purmerend bakte en verkocht er rond december (2019) meer dan 6000 en verstuurde o.a. naar Engeland, Canada, en Australië. 
9. ''t scherp', het mes.
10. 'Sop' of soep (zie ook noot 14).
11. 'Met boter, zuiker en kaneel'Boter en suiker, en vooral kaneel waren destijds luxeproducten.
12. Zie ook noot 3. Hier wordt specifiek naar de Kerstperiode verwezen. Het gedicht is ook gedateerd "december 1828". De winter van 1828/1829 was streng en een voorbode van de uiterst strenge winter het jaar daarop.
13. 'Kersdagsmiddags'. Volgens de taalkundige G.J. Boekenoogen was broodpap het middagmaal op tweede Kerstdag ("De Zaansche volkstaal. Bijdrage tot den kennis van den woordenschat in Noord-Holland" (Leiden, 1897, blz. 144/145, 'Deuvekater').
14. 'Sop, of brood Sop'. Het eten van 'sop' c.q. broodpap, gemaakt van duivekater, met Kerstmis is dus een oud gebruik. In Noord-Hollandse dorpen riep de jeugd met Kerstmis: "Kerstdag – Lukas II – Sop!", verwijzend naar het Lucasevangelie dat tijdens de kerkdienst werd voorgelezen, waarna thuis de sop op tafel kwam (in Jo. de Vries (red.): "Los en Vast" (Leiden, 1876, blz. 396).


15. 'beregen' of besprenkeld (met in dit geval koemelk).
16. '(naams oorsprong onbekend)'. De naamsoorsprong (etymologie) is sindsdien verschillende malen onderwerp van nader onderzoek geweest. Lees meer over de duivekater hier, hier en hier). Ook culinair historica Lizet Kruyff (die zo vriendelijke was om het concept van dit blog door te lezen) heeft in december 2008 op haar weblog drie stukjes geschreven over de duivekater.

vrijdag 28 november 2025

Satirische begrafenisbriefjes uit de Patriottentijd


Ik was op weg naar de Summerschool in het Allard Pierson Museum en passeerde antiquariaat Brinkman op het Singel waar Frank zojuist de stoep had geschrobd. Volgens mijn horloge had ik nog voldoende tijd en daarom besloot ik om even binnen te wippen voor een praatje en te kijken of er nieuwe aanwinsten op de planken stonden. In de kleine wandvitrine met glazen schuifdeurtjes ontwaarde ik een fraai geperst zwartlinnen bandje waarvan de platten met sierkaders in goud waren bedrukt en het boekblok aan alle zijden was verguld. Een presentexemplaar?

Het bleek te gaan om twee ingezonden antwoorden op een prijsvraag die werd uitgeschreven door de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels ('de vereniging met de lange naam'), naar aanleiding van haar vijfentwintigjarig bestaan.
De eerste geschreven door de Haagse uitgever Koenraad Fuhri (1814-1858): "Adres aan de boekverkoopers in Nederland" en de tweede door zijn Amsterdamse collega Johan Hendrik Gebhard (1809-1884): "Beschouwing van de vraag der Vereeniging 'Bestaat er verval of kwijning in den Boekhandel?'" (Amsterdam, 1846). Fuhri won en Gebhard kreeg een eervolle vermelding, maar dit terzijde.

Ik bladerde en las wat en ontdekte aan het einde van de bijdrage van Fuhri een ongewone bijlage (G) bestaande uit facsimile's van twee achttiende eeuwse satirische pamfletten.
De ene getiteld: "Lees-Cedul om in staatsie en goede ordre te volgen het Lyk van Wylen den door Schrik Versturven Heere [...] De Ouderwetse Nederlandsche Patriot" (z.p., z.j. [1781]) en de ander in de vorm van een eenzijdig bedrukt oblong begrafenisbriefje: "In 's Gravenhage, Anno 1781. Tegens Maandag, den 31sten December, werdt UE: ter begravinge verzogt, met het zoo ongelukkig door de Schrik van een Advertentie van den 17den Dito, gesneuvelde lyk van De Ouderwetsche Nederlandsche Patriot, [...]" (z.p., z.j. [1781]).


Die heb ik ook! - dacht ik - en tegelijkertijd vroeg ik mij af wat ze in dit boekje deden...
Om maar met het laatste te beginnen. Fuhri beschrijft op bladzijde 12, 41 en 42 de prullen die in het vorige tijdvak (de 18de eeuw) verschenen en hoe hij daarvan eens zestig pakketten tegenkwam. "Eene baal niet te tillen", van geschiedkundige, staatkundige, godsdienstige stukken, paskwil- en twistgeschriften uit de periode 1778-1793 afkomstig uit de nagelaten bibliotheek van de jurist Daniël François (1781-1840), die op 21 september 1840 in Den Haag werd verkocht bij Thierry en Mensing.
"Gij klaagt over blaauwboekjes en twistgeschrijf, waardoor gij uwe handel vaak onteert ziet; maar het tijdperk, uit hetwelk 'onze voornaamste firma's ontsproten', was daarin zoo rijk, dat gij, als ge toen geleefd hadt, niet zoudt gezegd hebben, dat de Boekhandel verviel, maar dat die ten grave gedaald was. Ik heb het u reeds gezegd; ik zag eens zestig pakken daarvan bijéén, als het resultaat van vijftien jaren (*); ik zag ze zoo vuilaardig, persoonlijk en gemeen, dat onze minste stalletjes-man er zich nu voor schamen zou". En in een noot (*) daaronder: "Maar de boekhandel van het hier behandelde tijdvak geneerde zich toen vrij algemeen met de uitgave van zulke hatelijke en zoutelooze libellen, als waarvan ik er u hier een doe kennen. Hartstogt gaf ze in de pen, winzucht deed de uitgaaf ondernemen, en het kan niet missen, of onder zulk eene gesteldheid van zaken moest de solide Boekhandel wel treuren". De facsimile's dienden dus als voorbeelden van afkeurenswaardig drukwerk dat in grote hoeveelheden in de 18de eeuw (maar ook daarvoor al) was verschenen.

Ik pakte mijn telefoon erbij om het facsimile van het begrafenisbriefje te vergelijken met mijn exemplaar. Onder de aanwinsten van januari 2023 vond ik die terug. Nu werd meteen duidelijk dat ze inhoudelijk verschillend waren. Plots herinnerde ik mij dat ik mijn aanwinst op de dag dat ik het op de Spui boekenmarkt had gekocht aan Joanna (Frank's compagnon) had laten zien. Ik vertelde Frank dat we hadden gelachen om de pamflettist die over een onuitputtelijke hoeveelheid scheldnamen en beledigingen bleek te beschikken. En passant had Joanna toen opgemerkt dat zij toevallig ook zo'n quasi begrafenisbriefje te koop hadden!
Frank, die had geluisterd, ging meteen op zoek in zijn database. Inderdaad... en niet veel later stond ik met hun exemplaar in mijn handen en konden we constateren dat die in ieder geval wel identiek was aan het facsimile. Ik besloot om beide (boekje en begrafenisbriefje) te kopen om er eens nader onderzoek naar te doen.


Begrafenisbriefjes werden in de achttiende eeuw direct na een overlijden door aansprekers rondgebracht bij familie en vrienden aan de hand van 'leesceelen'. Dat zijn rollen, soms wel enkele meters lang, met de namen van allen die voor de begrafenis werden uitgenodigd.
In de 17de, 18de en 19de eeuw moeten er vele honderdduizenden begrafenisbriefjes zijn gedrukt. Zoveel dat in Amsterdam de stedelijke overheid verordonneerde dat voor elke honderd er één gulden aan het aalmoezeniersweeshuis moest worden betaald met een minimum van drie gulden. Bovendien werd in 1676 bepaald dat het formaat van het begrafenisbriefje niet groter mocht zijn dan een 'quarto ordinaris schrijfpapier' (oblong, ca. 25 cm breed en 20 cm hoog).
Ze kenden een redelijk gelijkvormige inhoud. De kop vermeldde plaats, datum en jaar. Vervolgens in groot kapitaal de naam van de overledene al dan niet met zijn beroep, soms bijnaam en eventuele kwalificaties. Tot slot het adres (sterfhuis) waar men zich verzamelde voor de uitvaart en naar welk kerkhof het lichaam werd gedragen. Een enkele keer veroorloofd men zich bij dergelijk drukwerk frivoliteiten zoals een bericht op rijm.
Satirische begrafenisbriefje in de achttiende eeuw verschenen vooral tussen 1780 en 1790 toen de politieke spanning tussen Prinsgezinden en Patriotten toenam. Ze imiteren met hun vormgeving de werkelijkheid en ook de inhoudelijke opmaak sluit nauw aan bij de gebruikelijke/normale begrafenisbriefjes. Anders dan de laatste werden ze natuurlijk niet gratis verspreid, maar verkocht. Eveneens afwijkend is het feit dat ze niet alleen melding maken van de dood van personen (die soms nog niet eens overleden waren!), maar ook van 'overleden' voorwerpen c.q. kranten!

Gedurende deze periode verscheen overigens veel meer satirisch efemeer drukwerk rondom al dan niet overleden politieke tegenstanders, zowel visueel (spotprenten) als verbaal (denk aan gefingeerde testamenten, spotliedjes en kluchtspelen zoals de 'schertsbegrafenis').
Ik laat deze hier verder buiten beschouwing met uitzondering van de vaak bij het begrafenisbriefje apart verschenen opsomming/beschrijving van alle deelnemers aan de begrafenisstoet (veelal 'lees-cedul' genoemd). Daarmee kon de satire en hoon worden doorgetrokken naar andere politieke tegenstanders die in relatie stonden met de overledene.


Dat begrafenisbriefje en cedul vergelijkbaar zijn blijkt uit het feit dat beide soms hetzelfde 'echtheidsteken' droegen (zoals een gefingeerd heraldisch wapen). Dit is bijvoorbeeld het geval bij nummer 1 (2) en 3 in de onderstaande lijst. Ook komt het voor dat op het cedul wordt verwezen naar het begrafenisbriefje (zoals bij nr. 4 in de lijst, hieronder afgebeeld).


Dergelijke beschrijvingen van de begrafenisstoet waren destijds zeker niet algemeen gebruikelijk. Ze verschenen vrijwel uitsluitend na het overlijden van hooggeplaatste personen soms zelfs als boek, uitbundig geïllustreerd en met uitvoerige beschrijvingen van de uitvaartstoet. Een mooi voorbeeld hiervan is de uitgave die verscheen na het overlijden van Willem IV van Oranje-Nassau (1711-1751): "Lyk-staetsie van zyne doorluchtigste hoogheid den heere Willem Carel Hendrik Friso, prince van Orange en Nassau" ('s Gravenhage, 1755).

Aan de hand van gegevens uit de STCN, de pamflettencatalogi van W.P Knuttel en L.D. Petit alsmede enkele andere online bronnen kon ik het volgende overzicht maken van satirische begrafenisbriefjes verschenen tussen 1781 en 1787 (plus eventueel 'cedul'). 
Compleet zal dit overzicht vermoedelijk niet zijn. Daarbij moet worden opgemerkt dat dergelijk efemeer drukwerk niet alleen grotendeels is verdwenen maar zich bovendien ook vaak bevindt in (familie)archieven die nog niet zijn ontsloten zoals (bijzondere) bibliotheekcollecties door de STCN. Antiquarisch worden ze maar zeer zelden aangeboden. Toevallig kon ik - terwijl ik dit blog schreef - nummer 3 (met cedul) bemachtigen bij antiquariaat Goltzius in Lisse.

1. De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (1781). Knuttel nr.19891. Cedul 19892. De begrafenisstoet telt 14 deelnemers. De Encyclopedie Nederlandstalige Tijdschriften geeft uitgebreide informatie over deze krant.


2. De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (1782). Knuttel nr. 20267. Cedul 20268. Anders dan bij nr. 1 gaat het hier feitelijk om een uitnodiging voor de uitvaart-diensten!


3. Johan Barueth (1708-1782). Vurig Orangistisch predikant. Knuttel nr. 20244. Cedul 20245. Zijn begrafenisstoet telt 22 deelnemers.


4. De 's Gravenhaagsche alias Hof Courant (1783). Knuttel nr. 20438. Cedul 20439. Uitvoerige informatie over deze krant wordt gegeven door mr. W.P. Sautijn Kluit in: "Mededeelingen gedaan in de vergaderingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1874-1875". De begrafenisstoet telt 65 deelnemers. Nummer 55 is "W. v. Bilderdijk, J.U. candid te Leyden".

5. Pierre Frederik Gosse(n) (1751-1826). Knuttel nr. 20440. Cedul 20441. Haags courantier. Hij was uitgever-distributeur van de nrs 1 t/m 17 van De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (zie nr. 1 en 2). De daaropvolgende nummers 18 t/m 27 verschenen bij de Rotterdammers Charles Richard Hake & Lambert Bennet. Op het begrafenisbriefje nr. 2 worden de laatsten genoemd onder hun verbasterde namen 'Haalna' en 'Goednet'. Bij Gosse verscheen eveneens de 's Gravenhaagsche alias Hof Courant (nr. 4).

6. Hendrik Kannegieter Jansz. (1722-1783). Knuttel nr. 20540. Cedul 20541. Orangist en oud-doelist (1748). Overigens verscheen van zijn politieke medestander Christiaan Teepken (17..-1748) al veel eerder een dergelijk begrafenisbriefje (Knuttel 18077.a.) evenals van Daniël Raap (1703-1754), Knuttel nr. 18422 en 18423. De tekst van het briefje van Teepken is later opgenomen in de serie: "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" (Emden, 1748-1754, deel II, blz. 237). Twee satirische begrafenisbriefjes van Raap zijn hierin als facsimile opgenomen (deel VI).


7. De Diemer of Watergraafsmeersche Courant (1783). Niet in Knuttel. Cedul (Amsterdam, 1783) in Petit nr. 7194. Voor informatie zie de Encyclopedie Nederlandstalige tijdschriften.

8. Nikolaas Francois Hoefnagel (1735-1784). Patriotische querulant en pamflettist. Niet in Knuttel. Exemplaar uit 1784 in Utrechts archief (signatuur: PK: VII D I nr. 22).

9. Ludwig Ernst van Braunschweig-Wolfenbüttel (1718-1788). Militair in stadhouderlijke dienst, besturend voogd van Willem V tot 1766. Knuttel nr. 20787. Cedul 20788.
De begrafenisstoet telt 12 nummers.

10. Kees Salm (Frederik III van Salm-Kyrburg 1745-1794). Militair in stadhouderlijke dienst, bevelvoerend verdediger van Utrecht. Knuttel nr. 21634. Cedul 21634 (zie voetnoot). De begrafenisstoet telt 32 nummers. Gedrukt naar aanleiding van zijn smadelijke vlucht op 15/16 september 1787 uit Utrecht bij het naderen van de Pruisische troepen.


Opmerkelijk is dat de helft van bovenstaande lijst (nrs. 1 t/m 5) wordt toegeschreven aan de politieke pamflettist Nikolaas Francois Hoefnagel (1735-1784) over wie de Nederlandse literatuurhistoricus Andre Hanou (1941-2011) veel heeft geschreven. Hoefnagel is daarmee de onbetwiste specialist in dit genre. Hij kreeg na zijn dood - heel toepasselijk - een koekje van eigen deeg.

vrijdag 3 mei 2024

Het gewraakte verbeterblad


Mijn laatste bezoekje aan de vrijdagse boekenmarkt op het Amsterdamse Spui, eind april, leverde niets op. Meestal maak ik daarna nog even een boekenrondje. Eerst langs de Athenaeumboekhandel op het Spui, dan snuffelen tussen de ramsj bij Scheltema op het Rokin, wat eten bij De Hapjeshoek op Metrostation Waterlooplein, ff langs De Slegte in de Vijzelstraat en - alvorens daar de metro naar huis te nemen - koekeloeren bij de stadsboekwinkel in het Amsterdamse stadsarchief. Ditmaal begon ik echter bij antiquariaat Brinkman. Daar gluurde ik eerst wat door de zijruiten in de Raamsteeg naar de uitgaven voor de ramen en vervolgens keek ik wie er achter het bureautje zat.


Ik ontwaarde ditmaal Joanna Rozendaal, Frank's charmante en ijverige compagnon, met wie ik voor het laatst in oktober vorig jaar sprak tijdens de Amsterdam International Antiquarian Book Fair, in de sfeervolle Zuiderkerk. Ik besloot daarom even bij te kletsen en meteen te vragen naar wat er in de tussentijd vers was binnengekomen.
Het daaropvolgende half uurtje vulde zich dus met een geanimeerd gesprek over onze boekenpassie terwijl ik hier en daar boeken van de plank trok, bepotelde, en tussen stapeltjes en in dozen snuffelde. De achterwand c.q. showwand bevatte ditmaal veel Nederlandse literatuur, met name poëzie uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw in diverse banden. Vondel, Poot, Van Winter en Van Merken, Bilderdijk en ook... Jan Fredrik Helmers (1767-1813).


Zodoende vond ik andermaal diens klassieker uit de Nederlandse letterkunde: "De Hollandsche Natie" (Den Haag, 1812). Een eerste druk, gebonden in een laat negentiende eeuwse bruine halflinnen band met groen/zwart gemarmerde kartonnen platten.
Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik hier een kleine Helmers-collectie heb staan met als parel op de kroon een eerste druk met het zeldzame (tweede) verbeterblad waarop een voetnoot staat (zie de illustratie hieronder). Ik schreef er uitvoerig over in: "Daarvan kon BB alleen maar dromen".


Zoals bekend doorstond Helmers' oorspronkelijke magnum opus - waaraan hij tien jaar had gewerkt - niet de politieke censuur van de Franse bezetter. Zelfs nadat drie censors het manuscript hadden doorgevlooid en de uitgave eindelijk in december 1812 in een oplage van 1300 stuks verscheen, ontdekte het hoofd van de 'Direction générale de la police en Hollande', P.E. Devilliers du Terrage (1774-1858) nog enkele ontoelaatbare dichtregels. Alleen door het wegsnijden van het oorspronkelijke blad 55/56 en het plaatsen van een verbeterblad met toelichting kon de uitgave door de beugel.
De opdracht daartoe kwam bij de Haagse uitgever rijkelijk (te) laat binnen; begin maart 1813. Helmers was net ter ziele en van de 1300 exemplaren in het magazijn van Johannes Allart waren er inmiddels 1032 naar diverse boekhandels in het land geëxpedieerd en 18 aan particulieren verkocht. Het verbeterblad kon zodoende alleen aan de resterende 250 exemplaren worden toegevoegd.
De uitgever protesteerde, de auteur was overleden, en daarom voegde hij aan het verbeterblad op eigen initiatief een verantwoording toe in de vorm van een 'NB' met de tekst: "Deze Nota is na het overlijden van den Schrijver, op last van de Generale Directie over den Boekhandel te Parijs, geplaatst. De Lieutt. Colonel Inspecteur van den Boekhandel C. von Römer.". Eigenlijk was dit 'NB' nog gevaarlijker dan de versregels waar het om draaide.
Een handvol exemplaren moet met deze - voor de Franse overheid compromitterende - voetnoot zijn verspreid alvorens het werd opgemerkt en verboden. Opnieuw werd een verbeterblad gedrukt met dezelfde toelichting maar ditmaal zonder het 'NB'.

Het exemplaar dat ik bij Brinkman in de hand hield bevatte het eerste gewraakte verbeterblad met het 'NB'! Met een triomfantelijk glimlachje schoot mij de conversatie te binnen die ik rond 2016 voerde op de Spui boekenmarkt met Marinus van Hattum. Van Hattum promoveerde in 1994 op Helmers en geldt als kenner en fervent verzamelaar van zijn werk.
Toen ik hem destijds trots vertelde over mijn bijzondere aanwinst en dat ik uiteraard bleef zoeken naar een exemplaar met de nog wat zeldzamere 'NB' verantwoording wenste hij mij volharding en veel succes. "Ik heb er zelf ook maar één!", grijnsde hij... 


In 2015 betaalde ik voor mijn bijzondere aanwinst bij het Zwolse antiquariaat de Zilveren Eeuw van Rob de Bree - met vriendenkorting - honderdveertig euro.
De aanwezigheid van een verbeterblad is bepalend voor de waarde van de eerste druk die in het antiquariaat - hoewel steeds schaarser geworden - afhankelijk van de staat en de band voor enkele tientjes kan worden gekocht.

Met het Helmers-boekje in de hand ontspon zich een discussie met Joanna over diens 'Hollandse Natie'. Joanna had mij erop gewezen dat de allegorische titelgravure in dit exemplaar weliswaar aanwezig was maar dat de zes platen, voor elke zang één, ontbraken.
Ik vertelde haar dat die 'ontbrekende' platen helemaal niet in de eerste druk horen zaten.
Die verschenen namelijk pas in 1815 en konden door de bezitters van een van de eerste drie drukken in hun exemplaar worden bijgebonden. Het exemplaar bij Brinkman was dus zoals uitgegeven en wel degelijk compleet. Wist zij van de geschiedenis rond het verbeterblad dan met die zeldzame voetnoot? Tja... dat was niet opgemerkt en daarom ook niet in de catalogusbeschrijving opgenomen... Maar over de prijsjes in de boeken bij Brinkman kan in principe niet worden gesoebat (ook niet door de uitbater...) en dus kon ik het voor het potloodprijsje aanschaffen. En zo, beste lezers, verliet ik een klein uurtje later de winkel met Helmers in mijn jaszak voor - geloof het of niet - twintig euro...


NB. Mijn Helmerscollectie bevat nu v.l.n.r. (bovenste rij): de eerste druk (1812) met het eerste verbeterblad, de eerste druk (1812) met het tweede verbeterblad, de vierde druk (1817) in originele blauw kartonnen uitgeversband (dit is de eerste editie die standaard verscheen 'met platen'). V.l.n.r. (onderste rij): de zesde druk (1822) in originele geel kartonnen uitgeversband (de zogenaamde 'pocketeditie'), de eerste (verkorte) schooluitgave voor het middelbaar en lager onderwijs (1897), in originele papieren uitgeversomslag, en de laatst verschenen moderne uitgave (2009).

donderdag 23 november 2023

'Uit het leven van Koning Gorilla', een onbekende editie


"'D'r was eens een koning Gorilla genaamd
Een prachtexemplaar van een koning
Hij was om zijn zuipen en vloeken befaamd
Hij had zich nog nooit om z'n ondeugd geschaamd
En vreesde voor straf noch onttroning
Dat monster verkoos zich een Duitse prinses
Beroemd door talenten en gaven
Als eega, maar hij sloeg haar meer met de fles
Dan zich aan haar deugden te laven
Terwijl hij zijn huwelijkse plichten vergat
Zocht hij in bordelen verstrooiing
O, wat een pracht van een koning was dat
O, wat een pracht van een koning"
(P. de Ruijter: "Het lied van Koning Gorilla").

Alweer zes jaar geleden beschreef ik in: "Vissen achter het net, naar Willem en Jet" hoe ik een zeldzaam schotschrift tegen Koning Willem I kocht bij antiquariaat Boek en Glas en dat completeerde door op zoek te gaan naar de daarbij behorende litho via een verlopen advertentie op Marktplaats. In de inleiding bracht ik toen het wellicht bekendste en meest beruchte Oranjeschotschrift uit onze vaderlandse geschiedenis ter sprake: "Uit het leven van Koning Gorilla".


Dit anoniem verschenen pamflet gericht tegen Koning Willem III (1817-1890), verscheen voor het eerst in Den Haag in 1887. Het is lange tijd toegeschreven aan S.E.W. Roorda van Eysinga (1825-1887), maar waarschijnlijk door meerdere personen samengesteld.
De uitgave bleek bijzonder populair, alleen al in dat jaar moeten er vele duizenden exemplaren van zijn verschenen. 
Wie uitgebreid wil kennisnemen van de geschiedenis van dit pamflet, zijn bronnen, inhoud en de verschillende edities die tot ver in de twintigste eeuw zijn verschenen verwijs ik graag naar de uitgebreide studie van Boudewijn Sirks (DBNL). Van het pamflet zijn thans de volgende edities bekend:

A. "Uit het leven van Koning Gorilla". B. Liebers (Den Haag, z.j.), 24 p. Verschenen in 1887.
B. "Uit het leven van Koning Gorilla" (Z.p., z.j.), 16 p. Verschenen in 1887.
C. "Uit het leven van Koning Gorilla" (Z.p., z.j.), 12 p. Verschenen in 1887.
D. "Uit het leven van Koning Gorilla". K.A. Bos (Amsterdam, 1897), 16 p. Herziene uitgave.
E. "Uit het leven van Koning Gorilla". D. Wehrens (Middelburg, 1907), 16 p.


F. "Uit het leven van Koning Gorilla". Nieuwe uitgave. De Vrije boek- en brochurehandel (Rotterdam, 1966), met een toelichting door Hans Jar, 38 p.
G. "Uit het leven van Koning Gorilla". In: "Gandalf" 17 (Amsterdam, 1967). Een fotomechanische herdruk van B.
H. "Uit het leven van Koning Gorilla". In: "Hop hop hop, hangt de socialisten op!", ‘een documentaire over het opkomende socialisme in de jaren tachtig’, samengesteld door Leonard de Vries, Polak & Van Gennep (Amsterdam, 1967), p. 202-217. Herdruk van D.
I. S.E.W. Roorda van Eysinga: "Uit het leven van Koning Gorilla". Met annotaties van Boudewijn Sirks (z.p. (Bombay), 1987).
J. "Uit het leven van Koning Gorilla". In: "Willem III: Koning Gorilla", met een inleiding door Dennis Bos, Uitgeverij Aspekt B.V. (Soesterberg, 2002).

Onlangs struikelde ik op Marktplaats over een onbekende Middelburgse uitgave die ik voor een paar euro kon bemachtigen. Mijn aanwinst (16 p. formaat 20.1 cm. x 13 cm.) zit in een verschoten roodkleurige papieren omslag met op de voorzijde behalve de titel en een titelvignet ook rechtsboven de vermelding: "prijs 5 cent" en onder het vignet het impressum: "P. Botbijl, Schuitvlotstraat N163, Middelburg, 1912". Linksboven werd de brochure gestempeld: "verzameling D. Wijnbeek". David Wijnbeek uit Zwolle (1915-1975) bezat ooit het grootste particuliere archief met betrekking tot het huis van Oranje.


Over de Middelburgse uitgever P. Botbijl (waarschijnlijk de politiek actieve metselaar Pieter Bernardus Botbijl, 1889-1953) vond ik maar weinig persoonlijke gegevens terug. Kennelijk dreef Botbijl vanaf 1912 een Socialistische boek- en brochure-handel, waar je ook terecht kon voor schrijfbenodigdheden en ansichtkaarten.
Dankzij Delpher vond ik diverse krantenadvertenties waarin hij zijn politiek sterk gekleurde uitgaven aanbood. Dat zijn 'opruiende' antiklerikale (en tegen het koningshuis gerichte) koopwaar niet bij iedereen in de smaak viel blijkt wel uit een redactioneel stukje in: "De Morgenpost" van 15 juni 1909.


Overigens wordt uit zijn advertenties niet altijd duidelijk wat nu precies door hem zelf werd uitgegeven en wat hij via andere uitgevers doorverkocht. WorldCat kent van hem maar drie uitgaven die - zo blijkt uit de krantenadvertenties - speciaal werden aangeboden aan colporteurs. Het gaat om de volgende titels:

1. T. Boot: "Een bouquetje roode rozen: een bundel vrijheidszangen en gedichten" (Middelburg, 1910).
2. J. Most (vertaald uit het Duits): "De godspest eene besmettelijke ziekte, door de doctoren weinig bestudeerd, door de geestelijkheid verspreid" (Middelburg, z.j. [1910]).
3. B. Rothman(n) (vertaling G. Rijnders): "De zeven doodzonden der maatschappij" (Middelburg, z.j. [1912).


Regelmatig adverteerde hij in: "De Toekomst; socialistisch weekblad voor Zeeland en Westelijk Brabant" dat tussen 1893 en 1923 verscheen. Ook zijn advertentie voor: "Uit het leven van Koning Gorilla" vond ik daarin terug. 


Ik heb natuurlijk mijn nieuwe aanwinst vergeleken met het exemplaar van de Middelburgse uitgave van Wehrens uit 1907, aanwezig in de collectie van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (I.I.S.G.) in Amsterdam. Beide waren immers ook verkrijgbaar bij de (socialistische) "Drukkerij 'De Toekomst'", die tussen 1900 en 1920 in Middelburg zat. 


De vraag was uiteraard; 'Gaat het bij Botbijl's brochure wellicht om een titeluitgave?'.
In eerste instantie leek dat zo. Beide tellen 16 bladzijden maar alleen de uitgave van Wehrens heeft op de achterzijde van de omslag reclame staan voor: "De Toekomst; socialistisch weekblad voor Zeeland en Westelijk Brabant". Als we de tekst nauwgezet lezen blijken er hier en daar minieme verschillen te zijn. Een mooi voorbeeld is de laatste bladzijde. Hier zijn maar liefst drie verschillen zichtbaar. 


Meest opvallend is dat in Botbijl's uitgave de slot-leus: "Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap" vetgedrukt werd en zonder uitroepteken! Maar in de alinea's daarboven zijn nog twee verschillen zichtbaar. Zo staat er bij Botbijl: "...omdat hij een gekroonden Gorilla was..." (i.p.v. "gekroonde") en in de laatste alinea werd "slavenjuik" door Botbijl verbeterd in "slavenjuk".
Daaruit blijkt dat de tekst opnieuw werd gezet. Botbijl's "opnieuw verschenen" uitgave kan dus worden beschouwd als een aparte editie en worden toegevoegd aan het lijstje op Wikipedia (NB. dit is in januari 2024 gebeurd).

Lang heeft Botbijl's Socialistische boek- en brochure-handel niet bestaan. Ik vermoed slechts twee jaar. Geldgebrek?

vrijdag 20 oktober 2023

Octavius Kwarto, een ongelukkig boekverkoper


Het tijdschrift "Folium. Librorum vitae deditum" ('blad gewijd aan het boekenleven') heeft slechts kort bestaan (1951-1956) en is nog niet gedigitaliseerd. Gelukkig staat de serie voor het grijpen in de studiezaal van het Allard Pierson. Ik vond al gauw wat ik zocht, een artikel (waarvan tevens een overdruk schijnt te bestaan) van de bekende antiquaar en redacteur van Folium H.L. Gumbert (1903-1994) getiteld: "Octavius Kwarto" (1953, jrg. 3, blz. 58 t/m 64), geschreven naar aanleiding van het verschijnen van deze curieuze uitgave honderd jaar eerder.
"In de grote literaturen is het vrij gemakkelijk, tientallen en zelfs honderden titels van boeken te noemen, die het boek en de boekhandel tot motief hebben. In de Nederlandse letterkunde zijn dergelijke boeken uiterst schaars. Blijkbaar waren noch het leven van de boekhandelaar of antiquaar noch de avonturen van verzamelaars noch die der boeken zelf aantrekkelijk genoeg om tot inspiratiebronnen voor de literatuur te dienen. Reden te meer om bij de honderdste verjaardag van een dezer zeldzame Nederlandse boeken over boekhandelaren even stil te staan". 
Gumbert - 'Halu' (voor intimi) - schreef in een tijd dat er nog geen computer, internet of gedigitaliseerde bronnen waren. Sindsdien zijn er weer 70 jaar verstreken en wil ik, net als hij destijds, maar dan geïllustreerd en met hyperlink-verwijzingen stilstaan bij deze curieuze uitgave die bij veel boekenverzamelaars, antiquaren en bibliofielen bekend is. Daar is bovendien ook aanleiding voor, want ik raadpleegde natuurlijk met goede reden het artikel van Gumbert in Folium.


Net als vele andere bibliofiele verzamelaars ontvang ik regelmatig digitale nieuwsbrieven en mededelingen van diverse antiquariaten uit het binnen- en buitenland. Onlangs was dat een bericht met aanwinsten van het Groningse antiquariaat "Artistiek Bureau", gerund door Nick ter Wal. 
Tussen al dat lekkers zat ditmaal zowaar: "Octavius Kwarto. Schetsen en fragmenten vóór en achter de toonbank, Uit de nagelatene papieren van een ongelukkig boekverkooper" (Amsterdam, 1853). Het betrof een exemplaar gebonden in 20ste eeuwse privéband met behoud van het oorspronkelijke omslag uit de bibliotheek van boekengoeroe Piet J. Buijnsters (1933-2022). Bijna had ik het gekocht maar ik aarzelde omwille van de conditie versus de vraagprijs. Een andere liefhebber was sneller en zo bleef ik zitten met lege handen en een onvervuld verlangen. Toen ik echter kort daarop wederom bericht ontving van "Artistiek Bureau" waarin deze uitgave nogmaals (!) werd aangeboden, aarzelde ik geen moment. Ditmaal ging het om een goed bewaard gebleven exemplaar gebonden in een contemporain groenlinnen band (zonder het oorspronkelijke omslag), met ex-libris van A.W. Barten (1877-1959) uit wiens bibliotheek ik al eerder een zeldzaam boekje kocht.
Zo belandde deze onbereikbaar geachte bibliofiel heilige graal voor een vriendenprijsje alsnog in mijn bibliotheek. En omdat ik altijd graag mijn aanwinsten uitpluis besloot ik om - net als Gumbert destijds - opnieuw de ongelukkige negentiende eeuwse boekhandelaar "Octavius Kwarto" voor het voetlicht te brengen.


Een van de eerste artikelen die ik via de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL) vond betrof het verslag van Frits Vlasveld van een boekenveiling die plaatsvond in december 2000 bij het bekende Utrechtse veilinghuis Beijers. Daaraan ontleen ik het volgende citaat: "Op de avond van 6 december was de veilingzaal veel minder goed bezet dan op die van de goedheiligman. Enkele curiosa vonden hun weg naar de gespecialiseerde handel, zoals de prospectus voor Het Hooglied van Salomo, geïllustreerd door B. van der Leck en P.J. Klaarhamer: f 190 (60/80).
Of het Gedenkboek Keuzetentoonstelling van Hollandsche Schilderkunst met tekst van Jan Veth en uitvoerige illustraties door A.J. Derkinderen. Dit curieuze onvoltooide werk bracht f 700 (400/600) op. Het Album Thijs Maris verkeerde niet in een perfecte staat en verwisselde daarom voor slechts f 700 (400/500) van eigenaar.
Om het merkwaardige boekje toegeschreven aan L.F.J. Hassels, 'Octavius Kwarto. Schetsen en fragmenten voor en achter de toonbank. Uit de nagelaten papieren van een ongelukkig boekverkoper' (Amsterdam 1853), werd fel gestreden. Het is uiteindelijk voor f 400 (100/120) aan een Belg toegeslagen. De in 1994 overleden veilinghouder van Beijers, H.L. Gumbert, schreef er ooit over in Folium (deel 3, p. 58-64) en noemde het één van die zeldzame Nederlandse boeken over het leven van een boekhandelaar. Een complete reeks van het tijdschriftje Folium ging overigens voor f 320 (200/240) naar een nieuwe eigenaar" ("De Boekenwereld" (2000-2001, jrg. 17, blz. 284). 

Vierhonderd gulden (excl. veilingkosten) was destijds een flink bedrag en omgerekend thans zo'n zeshonderdvijftig euro. Maar de (oude) boekenwereld was toen nog door het ontbreken van internet een stuk kleiner dan tegenwoordig en de kans op het vinden en kopen van iets merkwaardigs of zeldzaams vaak een kwestie van nu of nooit...
Bijna een kwart eeuw later is deze uitgave nog steeds een curiosum. Behalve de twee exemplaren die onlangs via antiquariaat "Artistiek Bureau" zijn verhandeld zag ik dat ook antiquariaat Fokas Holthuis in zijn catalogus 74 'Kerstlied' (december 2015) een exemplaar aanbood (nr. 62), inclusief een "overdruk van een anoniem artikel over Octavius Kwarto (1953)", ongetwijfeld het stuk van Gumbert.
Kijken we naar de grote (universitaire) bibliotheekcollecties in Nederland, waaronder de KB, dan zien we dat zij alle over een exemplaar, soms meer, beschikken. Alleen de exemplaren in het Allard Pierson, het Stadsarchief Amsterdam en het Rijksmuseum heb ik zelf in handen gehad. De laatste alweer een aantal jaren geleden toen ik met het Nederlands Genootschap van Bibliofielen een bezoek bracht aan de bibliotheek, waar onder meer een gedeelte van de collectie van antiquaar Simon Emmering (1914-1999) voor ons klaar lag. Diens verzameling, met daarin een exemplaar van "Octavius Kwarto", werd beschreven door J.F. Heijbroek in "De Boekenwereld" (2004-2005, jrg. 21, blz. 125).

Het boekje verscheen in het tweede kwartaal van 1853 bij de Amsterdamse uitgever L.F.J. Hassels. Interessant en lezenswaardig is diens vooraankondiging voor de uitgave in het "Nieuwsblad voor den Boekhandel" (3 februari 1853) die u hieronder ziet.


Wie deze aankondiging leest zal niet twijfelen of het betreft een door de uitgever fantasierijk opgetuigde mystificatie. Per testament zou hij door de overledene zijn aangewezen als uitgever van dit werk. Maar in de Burgerlijke Stand is geen overlijdensakte te vinden van "Octavius Kwarto" (een persoonsnaam die onmiddellijk doet denken aan de boekformaten octavo (8°) en kwarto (4°)). 
Bovendien bevat het testament: "bepalingen, die mij alleen betreffen, als: dat de gelden en winsten niet behoeven te strekken voor eene nablijvende weduwe of hulpelooze kinderen, maar aan mij behooren; dat de nadeelen moeten gedragen worden door mij, en niet door de confrérie". Het geheel maakt het zeer waarschijnlijk dat het boekje werd geschreven door L.F.J. Hassels zelf. Voor de pas veel later opduikende toeschrijving aan Jan David de Vries (1819-1855), alias 'Asmodée', bekend van het blad "De Hydra" en auteur van o.a.: "De verborgenheden van Amsterdam" (Amsterdam, 1844) zijn (voor zover mij bekend) geen concrete aanwijzingen, laat staan keiharde bewijzen voorhanden.
De oplage van "Octavius Kwarto" is mij onbekend, maar heel groot zal die niet zijn geweest. In een volgend bericht van Hassels in het "Nieuwsblad voor den Boekhandel" lezen we dat er al verschillende bestellingen waren en geeft hij een lijst met bijna honderd namen, onder wie enkele boekhandelaren en twee dames.


Het uitgeversrestant kwam na verloop van tijd terecht bij de Gebr. van der Post. Toen ook hun fondsrestanten eind december 1904 werden geveild bevonden zich daarin nog 31 exemplaren van "Octavius Kwarto". Best opmerkelijk, want het boekje werd op een boekenveiling in 1896 al 'zeldzaam' genoemd, een predicaat dat het sindsdien heeft behouden.

Over de (oranjekleurige) omslag en de typografie schreef Gumbert: "Meer nog dan de titelpagina weerspiegelt de omslag de smaak van de tijd: de vijf regels, die de boektitel hier beslaat, zijn uit vijf volkomen verschillende lettertypen en in verschillende corpsen gezet, plaats van verschijnen en naam van de uitgever nog weer in twee andere, zodat voor de 23 woorden van de titel zeven verschillende, gedeeltelijk bijzonder bizarre typen werden gebruikt. De onderste helft van de omslagtitel wordt door een lithographie ingenomen: de Dood heeft zeis en zandloper even terzijde gelegd om, met zijn opgeheven rechterhand op een hoge boekenstapel steunend, de linkerhand in de zij, een kijkje te nemen in het magazijn van een boekhandel" (blz. 58). De illustratie op de achterzijde van de omslag toont twee boeken.


Net als Gumbert destijds zal ik hier kort de inhoud weergeven. De uitgave (226 blz.) telt vier hoofdstukken: "Octavius Kwarto als kind" (blz. 1), "Als boekhandelaars-leerling" (blz. 43), "Louize" (blz. 89), "Als Principaal" (blz. 130). De eerste drie hoofdstukken zijn weinig interessant en in een paar alinea's samen te vatten. 
Octavius Kwarto, lezen we, werd geboren in een Zuid-Hollands dorp, in het gezin van de bloemkoolteler Nepomucenes Kwarto en Appollonia Pleunik. Hij werd vernoemd naar Gaius Octavius (Thurinus), beter bekend als Romeinse keizer Augustus. Op veertienjarige leeftijd werd hij naar A(msterdam) gezonden om bij een boekbinder in de leer te gaan. Drie jaar later werd hij boekhandelaars-leerling bij de heer B. waar hij een kamer betrekt en bevriend raakt met Philip Halster, zoon van een rijke veehandelaar met wie hij veel kattenkwaad uithaalt. Philip heeft echter geen aanleg voor de boekhandel en na een mislukt liefdesavontuur met ene Agatha besluit hij - op aanraden van zijn patroon, en op verzoek van zijn vader - weer huiswaarts te keren. Daarna raakt Octavius bevriend met Stephan, afkomstig uit Gelderland, die op het kantoor van een handelaar in koffie werkt en in de Scheepstraat woont. Als ze een keer samen naar de opera gaan ontmoeten ze daar de achttienjarige brunette Louise Koopman (Louise met een 's'!) op wie Octavius verliefd wordt. Na afloop van de voorstelling volgen ze Louise (die haar moeder jong heeft verloren en wordt vergezeld door haar vader) naar hun huis. Octavius wil graag met haar in contact komen, maar weet niet goed hoe. Op aanraden van Stephan schrijft hij haar een brief waarin hij bekendt verliefd op haar te zijn. Met zijn liefdesbrief op weg naar de brievenbus ontmoet hij Louise (die vanaf hun eerste ontmoeting ook stiekem verliefd op hem was geworden). Vader Koopman komt al spoedig achter hun verhouding en nadat hij inlichtingen heeft ingewonnen bij de werkgever, dominee en ouders van Octavius stemt hij in met hun relatie. Als Octavius drieëntwintig is en zij twintig, trouwen ze. "Papa had eene welbeklante boekhandelaarszaak voor den nieuwe schoonzoon gekocht, die met zijne jeugdige echtgenoote een fraai huis op eener der grachten betrok om voortaan onder de pompeuse firma van Octavius Kwarto, op zijnen eigenen naam, den boekhandel te drijven" (blz. 129/130). En zo belanden we bij het laatste (vierde) en eigenlijk meest interessante hoofdstuk.



Octavius is nu eigen baas van zijn boekwinkel en besluit om ook uitgever te worden. Vooral titeluitgaven (die hij als 'nieuwe uitgaven' op de markt brengt) komen bij hem uit. Hij wordt lid van "een gezelschap zoogenaamd ter bevordering van de belangen des Vaderlandschen Boekhandels" (lees: de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels) en viert regelmatig met collega's feestjes waarbij hij te veel wijn drinkt. Ondertussen verwaarloost hij zijn bedrijf en besteedt te weinig aandacht aan zijn vrouw. Inmiddels is hij achtendertig geworden en lopen de schulden op. Hij moet gedwongen kleiner gaan wonen en om extra inkomsten te verwerven start hij een leesbibliotheek. Daar krijgt hij de meest zotte vragen naar bepaalde boeken. Feitelijk is dit het meest interessante gedeelte van het boek (blz. 170 t/m 174) omdat hier beschreven wordt naar welke boeken en genres destijds vraag was en wij daarmee enig inzicht krijgen in de toenmalige leescultuur.


Vervolgens lezen we over mevrouw Warders, de vermogende, alleenstaande en zingende (over)buurvrouw en komt Octavius erachter dat zijn vriend Stephan - die haar bij een tante heeft ontmoet - in het geheim op haar verliefd is en haar heeft bezocht. Een huwelijksaanzoek werd echter afgewezen, want mevrouw Warders wil een man met blauwe ogen! Tot slot worden we nog geïnformeerd over Octavius als keihard en gevoelloos uitgever toen hij broodschrijvers achter de broek zat om op tijd en voor weinig geld hun kopij in te leveren. Zo wordt schrijver G. door Octavius onverwachts bezocht in zijn morsige krotwoning waar zijn vrouw ziek in bed ligt. Hij belooft Octavius om zo spoedig mogelijk te leveren en ontvangt daarvoor een klein honorarium dat gezien zijn omstandigheden te weinig is om alle nood te lenigen en dus spoedig op is. Terwijl zijn zieke vrouw thuis op hem wacht pleegt hij radeloos zelfmoord door zich te verdrinken in een gracht. Zijn vrouw ondertussen, ongerust geworden door het wegblijven van haar man, probeert ziek als zij is op te staan maar valt flauw en raakt met haar hoofd de tafel. Twee dagen later wordt het lijk van haar man gevonden en nadat zijn vrouw dat heeft vernomen overlijdt ook zij aan haar verwondingen. Octavius hoort het verhaal pas later en erkent dat de ellende die bij de schrijver werd geleden boven alle beschrijving was. Hij verwijt zichzelf niets. "Ik heb er aan gedaan wat ik konde. - Was ons publiek genegen, om de werken van Hollandsche auteurs in die zelfde mate te koopen als die van de buitenlandsche schrijvers, dan kon men meer doen en de armoede zou hier minder gezeteld zijn; maar, helaas! het is niet anders.".


De laatste jaren verlopen rustig, Octavius bezoekt regelmatig een koffiehuis waar men hem voorziet van een pijp, thee en de Haarlemsche Courant, zo gevouwen dat zijn oog meteen op de advertenties valt. "Doch in de dagen, dat het den uitgever van genoemd blad had behaagd, een ander formaat daaraan te geven en Octavius het eerste nummer, dat zoo veranderd in de wereld was gekomen, en zoo geheel in strijd met al die goede gebruiken der oude Haarlemsche courantenlezers onder zijne oogen kreeg, dacht hij dat men den draak met hem wilde steken. Hij stond op, nam zijne rotting en hoed en verdween uit het koffijhuis, waar hij nooit weder een' voet heeft gezet". 
In de lente van 184. wordt er schoongemaakt. De boeken worden afgestoft en kleine klusjes worden gedaan. "Boven in de winkel moest alleen nog een zware plank vastgemaakt worden, die vol folianten stond en onder hare zwaarte boog. De ladder werd aangebragt en met een' hamer benevens eenige spijkers gewapend, beklom Octavius hem vol moed, gewis met onbeklemder borst dan menig krijgsman, die de vijandelijke vesting bestormt. Grooter gevaar dreigde hem echter dan hij had kunnen voorzien. Eer hij geheel boven was, tuimelt de plank met al de boeken naar beneden, valt Octavius op het hoofd en brengt hem eene zeer belangrijke wonde toe; eene wonde die alle middelen door de kunst en door zijne vrouw aangewend weêrstand bood en die, gevolgd door zware koortsen, binnen vier weken een einde maakte aan zijn, in den laatsten tijd, zoo rustig en werkzaam leven".
Zijn weduwe houdt met hulp van zijn vriend Stephan en een trouwe knecht de boekwinkel nog een jaar in  stand, daarna wordt de zaak verkocht. Zij trouwt met Stephan, die zich als koopman heeft gevestigd. Stephan's oude liefde, mevrouw Warders, is ondertussen ook al gehuwd...


In het (winkelreclame)stripverhaal:"Het geheim van Gijsbrecht"
(Oisterwijk, 1994 (Jules en Ollie reeks nr. 6)) komt een boekwinkel voor
in Amsterdam Noord met de naam "Octavius Kwarto".
Tevens zien we de laatste rustplaats van onze boekenheld
met toepasselijk grafschrift...
"Hij ligt uit de band
en lijdt waterschade
maar hij vertrouwt er op
dat zijn maker
ooit een geheel herziene
en verbeterde editie
van hem zal uitgeven."
(NB. Het scenario voor dit verhaal is van 

Hiermee is het hele verhaal verteld. "Octavius Kwarto, Schetsen en fragmenten vóór en achter de toonbank. Uit de nagelatene papieren van een ongelukkig boekverkooper" is geen hoogdravende of boeiende literatuur. Gumbert schreef: “De literaire kwaliteiten van ‘Octavius Kwarto’ zijn gering: uit romantiek en sensatie gemengd met een tamelijk gewilde humor en veel sentimentaliteit ontstond een ‘zedenroman’, zoals leesbibliotheekgebruikers die honderd jaar geleden wel graag gelezen zullen hebben. Ons in 1953 kan deze roman nauwelijks nog bekoren”. Ons in 2023 ook!
Bovendien stelt het verhaal - zeker na die spannende en veelbelovende aankondiging - inhoudelijk teleur. De negentiende eeuwse boekhandel fungeert als decor (vooral in het laatste hoofdstuk) maar komt in het hele boek eigenlijk veel te weinig aan bod, laat staan dat we over de 'geheimen der Boekverkopers' worden geïnformeerd. Zijn begeerlijke status onder bibliofielen moet vooral worden gezocht in zijn (relatieve) zeldzaamheid, lees onbereikbaarheid.
"Octavius Kwarto" is nimmer heruitgegeven. Een leuk project voor de Stichting Desiderata, genootschap van boekenvrienden (die zich tot nog toe vooral concentreerde op hertalingen van buitenlandse bibliofiele uitgaven)? Ik denk van niet... Ed Schilders, alias T. de Mattos, (die zelf ook een exemplaar bezat) vond het verhaal dertig jaar geleden al verschrikkelijk slecht.