Posts tonen met het label Brittenburg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brittenburg. Alle posts tonen

vrijdag 11 december 2020

De geboorte van Laurens Janszoon Coster


Elke bibliofiel kent wel boeken die hij/zij ooit aan zijn bibliotheek zou willen toevoegen. Boeken waar hij/zij verlangend naar heeft gekeken of verlekkerd in heeft gebladerd. Boeken waarop hij/zij wel eens heeft geboden (maar net te laag) of waarvoor er op dat moment even geen financiële ruimte was.
Van dat wensenlijstje - met belangrijke boeken die ik ooit nog eens zou willen bezitten - kan ik er weer één afstrepen...
Op de novemberveiling van Burgersdijk & Niermans (veiling 352) werd een exemplaar aangeboden van: "Batavia. In qua praeter gentis et insulae antiquitatem, originem, decora, mores, aliaque ad eam historiam pertinentia declaratur quae fuerit vetus Batavia…" (Lugduni Batavorum [Leiden], 1588) geschreven door Hadrianus Junius (1511-1575).
Ik bood en kreeg het toegeslagen voor € 300,- euro (exclusief veiling- en verzendkosten).


Mijn nieuwe aanwinst is blijkens het ex-libris, afkomstig van J.W. Six van Vromade (1872-1936), wiens bijzonder rijke bibliotheek in de jaren dertig van de vorige eeuw werd geveild.
In de veilingcatalogus staat inderdaad deze uitgave vermeld (Deel 1, blz. 130, kavel 760), maar de (band)beschrijving komt - vreemd genoeg - niet overeen met mijn exemplaar, gebonden in een contemporaine perkamenten spitselband (met ‘overlapping vellum’). 


Dat het gaat om een uitgave in het Latijn, een taal die ik op enkele begrippen, woorden en zinnen na niet beheers, is geen enkel probleem. Er bestaat immers een uitstekende integrale hertaling van, geschreven door Nico de Glas (1940-2017): "Holland is een eiland. De Batavia van Hadrianus Junius (1511-1575)" (Hilversum, 2011). Die kocht ik er uiteraard meteen bij, via Boekwinkeltjes, net zoals ik destijds de moderne uitgaven kocht van Helmer’s: “De Hollandsche Natie” (Nijmegen, 2009) en Van der Goes’: “Ystroom” (Hilversum, 2015).


Mijn aanwinst uit 1588 is niet bijzonder zeldzaam (zoals ook blijkt uit het aantal bewaard gebleven exemplaren in de STCN). Regelmatig duiken er exemplaren op in het veilingcircuit. Desondanks (en ondanks internet) is het wel altijd een prijzig boek gebleven.
Deze uitgave werd gedrukt en uitgegeven bij het Leidse filiaal van de beroemde Antwerpse drukker Plantijn, dat onder leiding stond van zijn schoonzoon Frans van Ravelingen (1539-1597). Saillant detail; niet bij alle exemplaren is de plaatsnaam ‘Lugduni Batavorum’ onder het drukkersvignet gezet (bij mijn aanwinst wel).

Junius (rector van de Latijnse school in Haarlem en geneesheer) werd in zijn tijd alom beschouwd als de grootste Hollandse geleerde van zijn generatie.
Zijn 'Batavia' is feitelijk het eerste deel (de inleiding) van een reeks van drie boeken die hij van plan was te schrijven over de geschiedenis van Holland. Hij volgde daarmee zijn klassieke voorbeeld Tacitus (ca 56 - ca. 117 v. Chr.) die volgens hem de "De origine et situ Germanorum" (de 'Germania') had geschreven als inleiding op zijn "Historiae". De opdracht voor zijn geschiedwerk ontving Junius in 1566 van de Staten van Holland op voorspraak van Willem van Oranje. Historische en politieke ontwikkelingen leidden ertoe dat de Staten hun opdracht introkken en Junius een afkoopsom van driehonderd gulden ontving. Het werk bleef liggen en de "Batavia", die rond 1569 werd geschreven (en voltooid in 1570), zou pas na de dood van Junius verschijnen dankzij de inspanning van Janus Dousa (1545-1604).


De 'Batavia' van Junius was de eerste omvangrijke Noord-Nederlandse chorografie die in druk verscheen. Daarmee ligt het boek aan de basis van veel geschiedenisboeken die in mijn bibliotheek staan en geschreven zijn door verschillende historici na hem, zoals Petrus Scriverius (1576-1660) en Gerard van Loon (1683-1758). Junius was nog een echte humanist en werd ook wel de tweede Erasmus genoemd. Zijn boek is dan ook doortrokken van de klassieke geest en getuigt van Junius' belezenheid. Dat blijkt vooral uit een vermoeiend groot aantal aanhalingen, uitweidingen en verwijzingen naar de klassieke oudheid waarmee het verhaal werd doorspekt. Het ontleent zijn mythische status vooral aan wat op bladzijde 255 staat geschreven over de uitvinding van de boekdrukkunst in Holland. Een verhaal dat zorgde voor een historische controverse en een eeuwenlang durende discussie. 
Junius was niet de eerste die de boekdrukkunst een Hollandse oorsprong gaf. Al vóór hem waren er auteurs geweest die dat deden zoals in: “Die Cronica van der hilliger Stat van Coellen” (Keulen, 1499), maar Junius was wel de eerste die daarbij een naam noemde; “LAVRENTIVS Ioannes cognomento AEdituus Custósve”...


Laurens Janszoon Coster was volgens Junius 128 jaar daarvoor (1441) op het idee gekomen… “Eens was Coster aan het wandelen in het bos buiten de stad (burgers die de tijd hebben, doen dat vaak, na het eten of op feestdagen). Het begon ermee dat hij van beukenschors lettervormen ging snijden, die hij daarna in spiegelbeeld, zoals bij een zegelafdruk, op papier afdrukte. Zo produceerde hij voor de aardigheid een paar versregels die een leermiddel konden zijn voor de kinderen van zijn schoonzoon”. De Coster-legende begonnen bij Hadrianus Junius, leidde tot eeuwenlange felle discussies, een standbeeld in Haarlem en zou pas eind negentiende eeuw definitief worden beslecht door ‘Coster-moordenaar’ Antonius van der Linde (1833-1897) in “De Haarlemsche Costerlegende wetenschappelijk onderzocht” (’s-Gravenhage, 1870). 

Junius was ook de eerste Hollandse historicus die zijn uitgave voorzag van illustraties van Romeinse oudheden die bij Katwijk werden gevonden rondom de legendarische Brittenburg. Deze afbeeldingen, inclusief een plattegrond van de Brittenburg, zouden na hem nog eeuwenlang worden gebruikt in tal van andere geschiedkundige publicaties, zoals de uitgave die ik besprak in "De steen van Veleda" en de: "Beschrivinge van Out Batavien met de Antiquiteyten van dien" (Amsterdam, 1646) van Petrus Scriverius.


Met zijn verhaal over de uitvinding van de boekdrukkunst heeft Junius niet alleen een bijdrage geleverd aan onze boekgeschiedenis maar en passant ook aan de boekwetenschap. In zijn relaas over de ontdekking door Coster in Haarlem en de eerste voortbrengselen van de nieuw uitgevonden kunst gebruikt hij (op blz. 256) de term 'incunabula' (wiegedruk). Dat is bijna een eeuw eerder dan wat hierover wordt beweerd in de online-etymologiebank en door dr. J.A. Brongers in diens: "Boekwoorden woordenboek" (Amersfoort, 2011). Nog steeds wordt de term 'incunabel' gebruikt voor boeken gedrukt vóór 1 januari 1501.


Enkele jaren later, in 1652, verscheen de tweede druk van de 'Batavia' in Dordrecht (in duodecimo formaat), met een fraai gegraveerd portret door Theodorus Matham (1606-1660) en daaronder een gedicht van Petrus Scriverius.
Het leek mij passend om ook aan mijn nieuwe aanwinst een portretgravure toe te voegen. Via antiquariaat Goltzius (Ard van der Steur) kocht ik één van de oudst bekende afbeeldingen van Junius, voor het eerst uitgegeven door Philip Galle (1537-1612) in: "Virorum doctorum de disciplinis bene merentium effigies XLIII" (Antverpiae [Antwerpen], 1572). Deze portretgravure van 'Hadrianvs Ivnivs Hornanvs' wordt daarom vaak aan Galle toegeschreven maar wie goed kijkt ziet verschillen. De Latijnse (lof)spreuk is duidelijk gekopieerd inclusief de katernsignatuur uit het boek van Galle (B4)!
Thans wordt deze anonieme losse gravure toegeschreven aan Willem (van) de Passe (1598-1637), rond 1620. Inmiddels werd dit portret van Junius toegevoegd aan zijn 'Batavia'; een oude gewoonte...

vrijdag 18 oktober 2013

De steen van Veleda


Mijn oude in perkament gebonden 17de en 18de eeuwse boeken bevatten voornamelijk Nederlandse geschiedenis, met de nadruk op Holland. Enkele zijn geïllustreerd en het is opvallend hoe vaak dezelfde illustraties voorkomen in de diverse uitgaven.

Tot de meest gekopieerde illustraties behoren ongetwijfeld die van de ruïnes van de Romeinse (?) vesting Lugdunum Batavorum, beter bekend als de Brittenburg, en de diverse vondsten die men aan deze plek toeschreef. De ruïnes, in zee voor de kust bij Katwijk, die in de zestiende eeuw een aantal malen zichtbaar waren moeten destijds sterk tot de verbeelding hebben gesproken. De bekende cartograaf Abraham Ortelius (1527-1598) maakte er afbeeldingen van waarvan de kaart in Lodovico Guicciardini’s “Beschryvinghe van alle de Nederlanden” een van de meest bekende is.

Van archeologie in moderne zin was destijds nog geen sprake. Het was feitelijk schatgraven en het draaide meer om de objecten dan om de vondstomstandigheden.
Het ontbrak in die tijden aan wetenschappelijke methoden, kennis en techniek en dat werkte vergissingen, vervalsingen en fantasie in de hand. Een mooi voorbeeld trof ik aan in de folio-uitgave van het boek van Gerard van Loon (1683-1758) met de lange titel: “Aloude Hollandsche histori der Keyzeren, Koningen, Hertogen en Graaven welken, sedert de komst der Batavieren in het thans genaamde Holland tot de herstelling van ’s Graaven Florents den Eerstens Zoon aldaar het Hooggebied gehad hebben. Beweezen en bevestigd door de woordlyke getuygenissen van zoodaanige Schryvers, welke in en naast die tyden geleefd hebben, als de beschreeven zaken zyn voorgevallen en voorts nog versierd en opgehelderd met de noodige Landkaarten, Geslachtlysten, Keyzer- en Koninglyke Penningen en veelvuldig andere Gedenkstukken, in die overoude tyden gemaakt” (’s Gravenhage, 1734). Over deze uitgave heb ik al eens eerder geschreven en toen een andere historische vergissing aangestipt.


Het boek zit vol kaarten waarop ook regelmatig het ‘Huys te Britte’ figureert en de cartouches met kaarttitel en maten zijn overdadig gestoffeerd met de diverse vondsten (zoals sleutels, beelden, munten, dakpannen en keramiek) die daar zouden zijn gedaan. Een fraaie paginagrote afbeeldingen zit tussen folio 154 en 155. De eigenlijke vondst, een “Roode Gebakke Tegel”, is daar met een zwierige strik aan een forse nagel opgehangen tegen een antieke afgebrokkelde muur met een druk bevaren Noordzee op de achtergrond. Een niet te missen verwijzing naar zijn herkomst!


Toen ik deze afbeelding voor het eerst zag wekte die muurachtergrond bij mij de illusie dat het hier ging om een flinke terra sigillata plaquette van zo’n twee bij één meter. Niets is minder waar. Zoals te lezen valt in de tekst eronder ging het om een roodgebakken tegeltje met een lengte van vijf en halve duim (ca. 14 cm.) en hoogte van vier duim (ca. 10 cm.). Niet alleen vele malen kleiner dan de zandsteenblokken waarmee men in de Klassieke Oudheid muren bouwde maar zelfs kleiner dan de meeste moderne bakstenen. Volgens van Loon was het bijzondere object in het bezit van Leidse hoogleraar Sigbert, ook wel Siwart, Haverkamp (1684-1742). De tegel zou de gevangenneming van Veleda door de Romeinen afbeelden. Zij was een zieneres van een Germaanse stam (de Bructeren) en voorspelde volgens de Romeinse historicus Tacitus de overwinning van de Bataven op de Romeinen in 69 na Christus.

Vruchteloos zocht ik destijds het internet af naar meer informatie, in de verwachting en hoop dat deze bijzondere plaquette tegenwoordig ergens in een museum zou liggen. Ik vond niets en mijn belangstelling werd pas weer hernieuwd met de aanschaf van de uitgave van Hendrik van Wijn (1740-1831): “Huiszittend leeven. Bevattende eenige mengelstoffen over afzonderlijke en, voorheen, weinig of niet bewerkte onderwerpen, betreklijk tot de letter-, historie- en oudheid-kunde” (Amsterdam, 1801-1812).
Het eerste deel van Van Wijn’s publicatie bevat namelijk een kleine studie naar deze zogenaamde ‘steen van Vel(l)eda’ (blz. 517 t/m 533) inclusief een fraaie afbeelding van een soortgelijke vondst, een “Roode mopsteen. Gevonden op een zandplaat in de Rivier de Waal, beneden Nymegen”.
De frappante gelijkenis tussen de voorstelling op deze steen en die op de steen afgebeeld bij Van Loon zal u onmiddellijk opvallen.


Dat deze objecten Oud-Romeins waren werd door Van Wijn sterk betwijfeld op verschillende gronden. De afgebeelde figuren deden hem 'onromeins’ aan betreffende hun kleding, hoofddeksels en haardracht. Bijval ontving hij van de Leidse hoogleraar Jona Willem te Water (1740-1822) en de dichter en kenner van de Klassieke Oudheid Jacob Hendrik Hoeufft (1756-1843).
De eerste verhaalde van de vondst van dergelijke stenen in een zeer oude schoorsteen bij Wijk bij Duurstede, de ander had een aantal overeenkomstige stenen met Bijbelse voorstellingen gezien in de collectie van de jezuïetenpater Jozef Ghesquière (1743-1827) in Antwerpen. Daaronder zat er één met een afbeelding identiek aan de afgebeelde steen bij Van Loon.
Niet de heidense Veleda zou op de steen staan maar de kuise Susanna die valselijk beschuldigd van ontucht door de profeet Daniël werd vrijgesproken (Daniël, apocrief hoofdstuk 13). Haar belagers werden vervolgens gestenigd en we zien dan ook een klein ventje afgebeeld dat gedienstig klaarstaat met een mandje stenen. Van Wijn kwam tot de conclusie dat de stenen een Christelijke voorstelling hadden, van na 1500 moesten zijn en dat; “met hoedanige soort van steenen de Voorouders de Muuren en bijzonder de Schoorstenen (welker binnen randen men nog wel, in ouderwetsche Huizen, met gebeelde tegelen van allerleie soort gedekt ziet) zullen opgepronkt hebben”.


Van Wijn had natuurlijk gelijk. De Romeinse steen bij Van Loon is een zestiende eeuwse haardsteen (Antwerps type) die nimmer kan hebben behoord tot de strandvondsten gedaan bij de restanten van de Brittenburg. Bij archeologische opgravingen - met name in steden - worden wel vaker haardstenen gevonden. De foto hierboven toont een exemplaar identiek aan de steen afgebeeld bij Van Loon uit de ruime collectie haardstenen van het Museum Rotterdam. Een ander, eveneens identiek exemplaar, bevindt zich in de collectie van de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek waarover u kunt lezen op Librariana, het weblog van Hans Krol. Pikant detail; ook die werd in 1939 in eerste instantie voor Oud-Romeins aangezien.