Posts tonen met het label Jan Fokke. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jan Fokke. Alle posts tonen

vrijdag 24 augustus 2018

Het 'gemack' van het achtste wereldwonder

"Het enige waar ik minder blij mee ben is het moderne bandje" mompelde ik, terwijl antiquaar Max van Til naar het potloodprijsje van zestig euro keek.
"Geef maar veertig!".
Aangenaam verrast aarzelde ik geen moment over dit koopje en zo werd ik eigenaar van niet één maar twee vroeg negentiende eeuwse uitgaven, samengebonden in een later zwartlinnen band met op de rug het originele rode titelschildje waarop in gouden letters staat: "Fokke, Stadhuis en de Waag".

De titel suggereert één publicatie maar het gaat niet alleen om twee verschillende uitgaven maar ook om twee verschillende auteurs!
Het eerste boekje: "Geschiedkundige beschrijving van het vermaarde stadhuis van Amsterdam", (Amsterdam, 1808) werd geschreven door Jan Fokke (1742-1812).
De tweede uitgave: "Historie van de waag te Amsterdam" (Amsterdam, 1808) is van zijn (half)broer Arend Fokke Simonsz. (1755-1812). Dat beiden uitgaven in hetzelfde jaar verschenen is - anders dan hetzelfde jaar waarin beiden overleden - geen toeval!


In 1808 immers verruilde Hollands eerste KoningLodewijk Napoleon Bonaparte (1778-1846) zijn paleis in Utrecht aan de Wittevrouwenstraat (nog voordat de verbouwingen daar gereed waren) voor het Amsterdamse stadhuis.
"Daar het zijne Majesteit de Koning van Holland behaagd heeft Amsterdam voor zijne zetelstad te kiezen, konde men tot hoogstdezelfs verblijfplaats aldaar, geen luisterrijker, en met de koninklijke waardigheid meer overeenkomend gebouw vinden dan het alomberoemde Stadhuis, binnen de voornoemde stad", schreef Jan Fokke in zijn voorwoord.

Die functieverandering van publiek bestuursgebouw naar privé woonpaleis zorgde vooral binnen voor een complete transformatie. Buiten vonden slechts twee gezichtsbepalende aanpassingen plaats. Aan de voorzijde werd een houten balkon gebouwd dat in 1937 werd vervangen door de huidige (kleinere) stenen variant. Daarnaast besloot de nieuwe 'Konijn van Olland' dat de oude stadswaag uit 1565 (gemoderniseerd in 1775) tot de grond toe moest worden afgebroken om zo het plein te vergroten en uitzicht te krijgen op de vismarkt aan het Damrak (waar thans de Bijenkorf staat).

De sloop, aanleiding voor de tweede uitgave, was nog in volle gang toen het boekje van Arend Fokke Simonsz. verscheen. In zijn voorwoord schreef hij: "Historie van de Waag, dat is, verhaal van al, wat tot deszelve eenige betrekking heeft, trachten bij een te verzamelen, en zouden gaarne, zoo de ter uitgave bepaalde tijd toegelaten hadde te wachten tot de Grondsteen of eerste steen opgegraven ware, het opschrift derzelve insgelijks medegedeeld hebben; doch de onzekerheid, of men wel tot de diepte graven zoude, waar die zich bevindt, en of die dus wel, bij deze gelegenheid, voor het licht zoude verschijnen, heeft ons doen besluiten, om de uitgave van dit werkje daardoor niet verder te vertragen".


Eén van de uitvouwbare illustraties bij de beschrijving van het stadhuis door Jan Fokke is een plattegrond van het gebouw dat ontworpen werd door architect Jacob van Campen (1596-1657) en in 1655 werd opgeleverd. Door zijn imposante verschijning, reusachtige burgerzaal en het overvloedig aanwezige beeldhouwwerk kreeg het stadhuis van Constantijn Huygens (1596-1687) de eretitel van ''s Werelds Achtste Wonder'.
Het meest wonderlijke van dat achtste wereldwonder is in de geschiedenis van dit gebouw het minst belicht. Ik heb het over de 'gemakken' oftewel toiletten.

Wie de plattegrond uit mijn boekje goed bekijkt, ziet in de vier hoeken van het stadhuis een klein kamertje (bij de letters G, H, M en S) met een halfronde uitsparing in het muurwerk met daarin een klein cirkeltje (klik op de afbeelding om deze te vergroten).
Ook aan de voorzijde van het stadhuis bij de trap rechts (Y) ziet u een dergelijk halfrond hokje met een zwarte punt. Voilà...
Van Campen had er van meet af aan rekening mee gehouden want ze staan ook al op het (met inkt uitgewerkte) originele bouwplan uit 1648 dat thans berust in het stadsarchief van Amsterdam. Bij de toiletvoorziening naast het trappenhuis staat bovendien ondubbelzinnig: "Portael en Gemack".


Ik neem onmiddellijk aan dat deze toiletten in eerste instantie bedoeld waren voor de talrijke stadsfunctionarissen die er destijds werkten, maar u wilt van mij wel aannemen dat ook menige bezoeker met aandrang er dankbaar gebruik van heeft gemaakt, zowel mannen als vrouwen, en van hoog tot laag.
De aanwezigheid van toiletten in publieke gebouwen, maar ook woonhuizen of paleizen, was in de zeventiende eeuw nog vrij uitzonderlijk.
Een bekend voorbeeld is het fameuze zeventiende eeuwse Franse Château de Versailles met zijn honderden kamers waaronder 226 woningen en dubbel zoveel appartementen voor tussen de 3000 en 10.000 hovelingen. Er waren in de tijd van Zonnekoning Lodewijk XIV (1638-1715) slechts 2 (twee!) kamergemakken; één voor hem en één voor de Koningin. De meeste adellijke inwoners deden hun behoeften bij hoge nood achter deuren, in een afgelegen hoekje, onder de trap (waarbij de kostbare gordijnen als toiletpapier werden gebruikt), of in de paleistuin. Op je eigen kamerpo kon natuurlijk ook, maar het gedachteloos legen van de po uit een geopend venster leidde niet zelden tot een wat ongemakkelijke kennismaking met andere passerende hovelingen.


Toen Lodewijk Napoleon in 1808 zijn paleis betrok was het ‘Cabinet de toilette’ al klaar. Het bevond zich in de zuidoosthoek van het gebouw (op mijn plattegrond G) op de plek waar vanouds al een gemak had gezeten.

Fokke overigens rept in zijn beschrijving met geen woord over de aanwezigheid van toiletten. Wel schreef hij over de hokken in de gevangeniskelder. "Alle deze hokken zijn ook nog daarenboven met bijzondere deuren afgesloten, en ieder hok is met eene kribbe en heimelijk gemak voorzien" (blz. 33). Vermoedelijk waren deze gemakken (in ieder geval deels) aangesloten op het centrale riool onder het paleis maar het is ook mogelijk dat het ging om losse poepdozen.

Losse poepdozen hebben later ook elders in het stadhuis gestaan want er is in ieder geval één tekening uit 1805 bewaard gebleven waarop een 'los secreet' staat getekend. Het gaat om een tekening van stadsarchitect Abraham van der Hart (1757-1820) met een plan tot verbouwing van de Assurantiekamer (op mijn plattegrond K).


Van hem is ook een tekening bekend met de precieze loop van het centrale riool dat liep vanaf de toen nog ongedempte Nieuwezijds Voorburgwal tot onder de noorder binnenplaats van het stadhuis. Daarop staan geen vertakkingen naar de locaties van de oorspronkelijke gemakken, die vermoedelijk allen hun eigen ‘secreetkuil’ hadden. Eén daarvan was de ‘secreetkuil’ van de latere cipierswoning (die zich in de noordwesthoek bevond, letter M op de plattegrond). Deze kreeg samen met de gootsteen in de woning rond 1800 een directe aansluiting op het riool in de Mozes- en Aaronstraat.


Een afbeelding van de halfronde ingang van dit centrale riool is goed te zien op een achttiende eeuwse gravure in een oudere beschrijving van het stadhuis (die bij de Erven J. Ratelband en Compagnie vanaf 1741 in verschillende talen verscheen). Inderdaad een flink riool, maar dat je er met een bootje in kon varen is een populair volkspraatje!

Geen van de oorspronkelijke gemakken in het stadhuis bleef bewaard. Bij de talrijke verbouwingen en restauraties ging de aandacht niet bepaald uit naar het behoud van de 'kleinste kamertjes' en daarmee verdween precies datgene wat ons Amsterdamse stadhuis in de zeventiende eeuw zo wonderlijk modern had gemaakt.
Zijn sekseneutrale toiletten!

vrijdag 28 oktober 2016

Vier onbekende proefdrukken


Mijn vierdelige uniform in perkament gebonden beschrijving van Amsterdam (in folio) door Jan Wagenaar (1709-1773), waarover ik al eerder schreef, is één van mijn favoriete topstukken in mijn ‘private library’.

Toen ik deze set van een particulier kon kopen verkocht ik mijn driedelige uitgave gebonden in half leer (in folio), maar behield ik een los vierde deel (groot folio, in half leer) dat ik ooit separaat had gekocht. Het vierde deel verscheen anoniem, vele jaren na de dood van Jan Wagenaar, maar tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat de auteurs Jan Fokke (1742-1812), zoon van de bekende tekenaar en graveur Simon Fokke (1712-1784), en Jacobus Kok (1734-1788) zijn.
Beiden waren ook al verantwoordelijk voor een ander ‘allernoodzaaklykst werk’; het “Vaderlandsch Woordenboek”.

Ik bewaarde dit losse deel niet alleen omdat de daarin gebruikelijk aanwezige stadsgezichten uitzonderlijk schoon en fraai bewaard zijn gebleven maar ook omdat er diverse grote portretten en interessante historieprenten extra zijn bijgebonden. Daarvan heb ik er al een paar eerder besproken zoals u hier en hier kunt lezen.
Toen ik onlangs daarin wat bladerde viel mijn oog op een blad (tussen blz. 226/227) met vier gravures die de tumultueuze gebeurtenissen verbeelden rond de begrafenis van de Amsterdamse Oranjegezinde Doelist Daniel Raap (1703-1754).


De vier prenten zijn op één blad afgedrukt en nog niet losgesneden van elkaar. Geheel onderaan het blad staat in cursief twee maal “proefdruk”.
De term ‘proefdruk’ kom je wel vaker tegen in de prenthandel en verdient een korte toelichting.

Proefdruk. Druk door de kunstenaar gemaakt vóór de voltooiing van de plaat ter controle van zijn vorderingen. Zeldzaam, dus gezocht. Daarom drukte men in de 18e eeuw grote aantallen prenten met de vermelding ‘proefdruk’ voordat het opschrift of de titel op de plaat waren aangebracht” (In: “Het prenten-ABC. Termen en begrippen uit de prentkunst in het kort verklaard” (z.j./z.p. uitgave Rijksmuseum Stichting/Rijksprentenkabinet, educatieve dienst, blz. 25).


En in het bekende handboek van John Carter & Nicolas Barker: “ABC for book collectors” (New Castle/London, 2004) lezen we daarover:

A term used to describe proofs of engravings, etc., taken (sometimes on special paper) before the addition of caption, imprint, date or other matter, while the engraved design was in its freshest state.
Of the more ambitious illustrated books of the late 18th and early 19th centuries there was sometimes a special issue, at considerably advanced price, with the tekst on large or fine paper and ‘proof impressions of the plates’. These would often be proofs before letters
” (blz. 178).

Terug naar mijn boek en blad.
De vier afbeeldingen zijn Romeins genummerd. Onder de twee maal gedateerde prentjes staan drie namen. Die van de tekenaar Simon Fokke, ‘ad. viv. del. 1754’, de uitvoerder/opdrachtgever voor de prent, zijn zoon: Arend Fokke Simonsz. (1755-1812), ’exudit’ (de broer van de eerdergenoemde Jan Fokke!) en de graveur: Cornelis Brouwer (1731/1735-1803), ‘sculp. 1786’. Ze stellen voor:

I. Tumult op de Dam (Amsterdam) bij de begrafenis van Daniël Raap. De lijkbaar van Raap wordt vernield.

II. Onrust voor - en vernielingen aan het huis van de overleden Daniël Raap, voormalig voorman van de Doelisten, aan de Vijgendam in Amsterdam.

III. De kist met het stoffelijk overschot van Daniël Raap wordt ‘s nachts in het geheim naar de Oude Kerk in Amsterdam gebracht om begraven te worden. In alle haast is de kist verkeerd om gelegd, met het hoofd bij het achtereinde van het paard!

IV. Nachtelijke begrafenis (04.00 uur!) bij toortslicht van Daniël Raap in de Oude Kerk te Amsterdam (graf in de Elisabeth Gavenkapel, nr. 44).


De vier prenten zijn evenals de voortekening voor deze serie (uit de Collectie/Atlas Louis Splitgerber) terug te vinden in de beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam.

Voor historieplaten raadpleeg ik altijd het bekende naslagwerk van Frederik Muller: “Nederlandse Historieplaten”, waarvan ik de herdruk in cassette door Nico Israël bezit (Amsterdam, 1970). Muller geeft bijzonder uitvoerige informatie over deze vier prentjes (nr. 4057).

Zo weet hij te vertellen dat ze illustratiemateriaal waren voor: “De Vaderlandsche Historie in themata” (Amsterdam, 1783), waarvan de auteur ‘de geestige schrijver en vurig patriot’ Arend Fokke Simonsz. was. Deze populaire uitgave telde in ieder geval zes herdrukken (1786, 1788, 1796, 1801, 1816 en de laatste in 1825) met een telkens toenemend aantal illustraties. Ondanks de talrijke herdrukken is een compleet exemplaar van deze uitgave behoorlijk schaars.


Deze informatie was mij wel bekend maar onbekend, en belangrijker voor mijn verhaal, is zijn slotopmerking met betrekking tot de proefdrukken voor deze uitgave.

Voorts zijn bij dit No., gevoegd 3 folio vellen, waarop 11 (nog niet van elkander gesneden) plaatjes in 12°, in allereersten proefdruk voor alle letter, allen door S. Fokke, doch waarvan slechts 6 tot deze Vaderl. Hist. in them. behooren en 5 tot eenen roman van dien tijd. Deze afdrukken zijn zóó fraai dat de latere afdrukken in de Vad. Hist. er bijna niet uit te herkennen zijn; deze 6 plaatjes zijn namelijk: die over de voorvallen op 1779 29 dec., 1780 20 mei, 1783 Afvuring voor v.d. Capellen, 1790 10 Aug. en 2 van veel vroegere jaren”.

Samen met mijn vier - voor Muller onbekende proefdrukken - zijn er nu dus tien proefdrukken bekend van illustraties voor “De Vaderlandsche Historie in themata”.
Perkamentus zoekt ondertussen gewoon verder...

dinsdag 6 juli 2010

Oud nieuws


De onvolprezen website van de Koninklijke Bibliotheek met historische kranten (zie 'Delpher' in de rechterkolom onder 'Bibliofiele links') is beslist de moeite van een bezoekje waard.
Zo vond ik in de Groninger Courant van 5 juni 1801 mijn “Vaderlandsch Woordenboek”, door Jacobus Kok en Jan Fokke, in de ramsj bij de gezamenlijke boekverkopers in Groningen.
Het was me al eerder opgevallen dat mijn exemplaar op dik en erg stevig papier was gedrukt. Uit de bovenstaande advertentie aan de 'boekminnaar' en 'Nederlander' blijkt waarom. Het is een set op ‘best’ papier, die bijna een kwart in prijs duurder was dan een set gedrukt op ‘ordinair’ papier.


Nu we toch over dit eind 18de eeuwse woordenboek hebben. Zo af en toe blader en lees ik wat in deze prachtuitgave. Inspiratie opdoen voor dit weblog. Twee opmerkelijke stukjes wil ik u vooralsnog niet onthouden. Dat over slaven dat voorkomt in de beschrijving van Suriname (blz. 89, deel 28) en het curieuze stukje over Jannetje Theunis (deel 3 ‘byvoegzels’, blz. 320). Wordt vervolgd!

donderdag 1 april 2010

Een 'allernoodzaaklykst werk'


Ik wist dat ze kwamen, maar het was toch spannend, toen de deurbel ging en UPS voor de deur stond met twee dozen uit Brussel (totaal zestien kilo), van veilinghuis ‘The Romantic Agony’.

Eindelijk heb ik dan kunnen bemachtigen waarnaar ik al zolang op zoek ben; een complete serie (tweede druk) van Jakobus Kok: “Vaderlandsch Woordenboek” (Amsterdam, 1785-1799). Een achttiende eeuwse monsterproductie die feitelijk geen woordenboek is maar een encyclopedie.
De rij boeken is bijna twee meter lang, bestaat uit 38 delen in 8˚ (inclusief drie supplementdelen), werd stevig ingebonden in fraaie halfleren banden met vergulde titelschilden en telt bijna 13.000 pagina’s informatie, gedrukt op dik papier. Uit het collationeren bleek mij dat de boeken nauwelijks zijn gelezen, voor sommige prenten zaten nog blanco schutblaadjes en ik kwam zelfs nog een achttiende eeuws briefje tegen met aantekeningen.
Tekenaar Jacobus Buys (1724-1801) en graveur Reinier Vinkeles (1741-1816) zorgden - naast een frontispice - voor alle 58 paginagrote portretgravures en 80 paginagrote historieplaten. Daarnaast zitten er verspreid in de eerste 15 delen 48 meest uitvouwbare tabellen (voornamelijk 'tafels' van adellijke geslachten). 'Last but not least' zitten in mijn exemplaar ook de zeven grote uitvouwbare contemporain gekleurde kaarten van de Republiek der Verenigde Nederlanden (bestaande uit de provincies: Friesland, Gelderland, Groningen, Holland, Zeeland, Utrecht en Overijssel). De laatste twee in het supplement (deel 1) dat verder geheel zonder illustraties is.


Een complete set van de tweede druk bleek antiquarisch niet eenvoudig te vinden. Vooral de provinciekaarten ontbreken vaak geheel of gedeeltelijk (en zijn niet altijd ingekleurd).
Ze waren destijds optioneel en prijzig. Ook de drie supplementdelen ontbreken nogal eens.

De eerste druk van dit “voor ieder Vaderlandminnende Nederlander allernoodzaaklykst Werk” startte in 1780 bij uitgever Johannes Allart onder de titel: “Vaderlandsch, geschied-, en aardrijks-, geslacht- en staatkundig woordenboek; in zig vervattende, de oude en hedendaagse kerkelijke en waereldlijke geschiedenissen der Verenigde Nederlanden, en onderhoorende landschappen; beschrijvingen van steeden, dorpen, aanwas, lotgevallen en voorregten, enz. enz. als mede levensverhaalen, van alle vermaarde mannen en vrouwen”. Nadat er twaalf delen waren verschenen veranderde de boektitel in: “Vaderlandsch Woordenboek”.
Volgens Frederik Muller’s ‘Nederlandse Historieplaten’ verschenen de eerste delen zonder platen bij de schrijver, boekverkoper in de Bantammerstraat te Amsterdam.
Na de publicatie van deel twaalf startte er echter een tweede druk, die wel helemaal was geïllustreerd. In het voorbericht schreef Kok hierover:
Uit de afgifte van dit eerste Deel, zal ieder kundig Leezer zien, dat door mij kosten noch moeite gespaard zijn, om een werk van die waardij zo wel uitgevoerd ten voorschijn te doen komen als mooglijk is, en, door de bijgevoegde Plaaten en Pourtraiten, wel is waar, kostbaarder, maar ook tevens luisterrijker en interessanter te maken”. Een flink aantal platen en portretten werd overigens ook als illustratie gebruikt in uitgaven van de historicus Jan Wagenaar.

De auteur, Jacobus Kok (1734-1788), was een Amsterdamse boekhandelaar, “een minder sierlijk Schrijver, dan vlijtig naspoorer van ’s Lands Geschiedenissen, met naame ook van zijne Geboortestad, waar in hij, met onvermoeiden vlijt, veele jaaren werkzaam was” zo lezen we in zijn eigen ‘woordenboek’ (supplement deel 3)! Kok heeft zijn arbeid niet kunnen afmaken. In deel 19 deelt de uitgever mee dat hij overleed “onder het afdrukken van dit Deel, en naa dat hij het, op de vier laatste bladzijden na, geheel ter Drukperse hadt vervaardigd”. De serie werd echter voortgezet door etser, tekenaar, schrijver en dichter Jan Fokke (1742-1812).

Fokke lag voor de hand. Samen met Kok was hij al auteur van diverse publicaties waaronder het vervolg op Jan Wagenaar's driedelige stadsbeschrijving van Amsterdam (in folio), dat in 1788 verscheen. Naast een nieuwe auteur kon de uitgever ook beschikken over de nalatenschap van Kok. Daaruit blijkt dat Kok een voorbeeld voor ogen had toen hij met zijn reuzenwerk begon en wel de bekende tweedelige uitgave van François Halma (1653-1722): “Tooneel der Vereenigde Nederlanden, en onderhorige landschappen geopent in een Algemeen, Historisch, Genealogisch, en Staatkundig Woordenboek…” (Leeuwarden, 1725). In het ‘berigt van den uitgeever’ (deel 20) lezen we: “Hij (Kok) was bezitter, behalven andere echte Stukken, tot zijne onderneeminge dienstig, van Halma’s Toneel der Vereenigde Nederlanden. Met zeer veele moeite en nauwkeurigheid hadt hij dit verrijkt met een groot aantal nieuwe Artikelen en bijvoegzels. Van dit alles en andere papieren en aantekeningen uit ’s Mans voortreffelijke Boekverzamelinge, heb ik mij meester gemaakt, en dien ruimen voorraad mijnen Vrienden ter hand gesteld. Zij arbeiden dus met de bouwstoffen, door den voorgaanden Schrijver bij een verzameld”.


Opmerkelijk genoeg overleed ook Francois Halma voordat hij zijn boekwerk kon afmaken. Mattheus Brouërius van Nidek (1677-1742) bewerkte de letters W, Y en Z en bracht het geheel ter perse. Daarmee houdt elke vergelijking op want Kok’s: “Vaderlandsch Woordenboek” overtrof zijn voorganger(s) in omvang en diepgang verre en is nog steeds een belangrijk naslagwerk.

vrijdag 1 mei 2009

Een witte raaf

Raven zijn zwart. Een witte raaf is een afwijking, die wel zal bestaan maar zeer zeldzaam is. Ik heb er in ieder geval nog nooit één zien vliegen.

In de antiquarische boekenwereld kennen we ook witte raven. In één van zijn interessante boekstudies: "Grolier-banden in Nederland"(Haarlem 1985), schreef de bekende boekwetenschapper Prof. Mr. Herman de la Fontaine Verwey (1903-1989) over de boeken die de Franse koninklijk betaalmeester Jean Grolier (1479-1565) liet inbinden door Milanese en Parijse binders. Van alle bekende Grolierbanden zijn er slechts drie bekend die gebonden zijn in wit leer. Witte raven dus.
Nu gelden Grolierbanden als hoogtepunt in de geschiedenis van de boekbindkunst.
Ze zijn sowieso uiterst zeldzaam en - wit of niet - onbetaalbaar.

Maar er zijn ook witte raven onder boeken die niet zeldzaam en betaalbaar zijn. Ooit wel eens een oude 17de of 18de eeuwse Statenbijbel gezien in perkamenten band? Ik één keer (en geloof me, ik heb er al flink wat gezien). Een witte raaf dus.

Ander voorbeeld. Jan Wagenaar’s: "Amsterdam, in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterye, gilden en regeeringe" (Amsterdam, I. Tirion (vol. 1-2) / Yntema en Tieboel (vol. 3), 1760-1767). Wagenaar's stadsbeschrijving is er in vele soorten en maten. Wie de beschrijving erop naslaat van Wouter Nijhoff in zijn "Bibliographie van Noord-Nederlandsche plaatsbeschrijvingen tot het einde der 18de eeuw" (’s-Gravenhage 1953), kan lezen dat er exemplaren zijn in octavo, folio en groot mediaan folio. Dat er exemplaren zijn op zwaar papier en "allerbest Frans schrijfpapier", dat er exemplaren zijn met extra platen (vaak uit de stadbeschrijving van C. Commelin) en met extra portretten (door A. Houbraken). Kortom elke Wagenaar is weer anders. Een apart probleem vormt het zeldzamere vierde deel (door Jacobus Kok en Jan Fokke) dat pas in 1788 verscheen, eenentwintig jaar na het verschijnen van deel drie en vijftien jaar na de dood van Jan Wagenaar.

Een driedelige Wagenaar is zeker geen zeldzaamheid; een vierdelige wel. Driedelige Wagenaar’s worden regelmatig tegen betaalbare prijzen op veilingen aangeboden en ik ken ook diverse antiquariaten die een exemplaar hebben staan (soms meerdere tegelijk, zoals bij De Slegte in Amsterdam).
Zonder uitzondering gebonden in leer, halfleer of nog erger in moderne(re) banden.
De boekband was destijds altijd een keuze van de koper en die keuze viel kennelijk uiterst zelden op perkament. In ruim twintig jaar heb ik slechts één driedelig exemplaar gebonden in perkament gezien (en te koop) bij een Limburgs antiquariaat.
Kortom, mijn uniform in perkament gebonden vierdelige Wagenaar is een echte witte raaf.