Posts tonen met het label Ewoud Sanders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ewoud Sanders. Alle posts tonen

vrijdag 26 januari 2018

Deus damnet me..., S.N. de D..., G.v.d.!

Excusez les mots, beste lezers, maar ruim een week geleden las ik op het webmagazine Cultureel Brabant (CuBra) een inspirerend stukje van Ed Schilders uit 2002: "Jubileum: 'Godverdomme' 100 jaar geen doodzonde", geïllustreerd met diverse uitgaven uit zijn collectie. Het gaat over de bekende vloek, vaak afgekort tot 'G.v.d.' en is beslist de moeite van het lezen waard. Ruim daarvoor had ook Ewoud Sanders al eens aandacht besteed aan deze vloek in: "God verdoeme mij" (NRC, 22 december 1997) en "Het GVD-woord" (NRC, 10 september 1998).

Bij het lezen van deze stukjes moest ik meteen denken aan mijn doos met modern bibliofiel margedrukwerk waarin ook een exemplaartje zit van "Vloekzang" (Utrecht, 1989) gedrukt bij de Bucheliuspers in een oplage van 133 genummerde exemplaren (ik heb nummer 47). Het is een gedicht (tevens letterproef), zestien regels lang, van Erich Wichman (1890-1929) dat uitsluitend bestaat uit het woord 'godverdomme' en variaties daarop. Volgens de Nederlandse Poëzie Encyclopedie gaat het echter om een vervalsing van de Bucheliuspers. Kortom, het gedicht is niet van Wichman en de inleiding niet van Hans van Straten (1923-2004).


Terug naar het artikel van Ed Schilders waarin het gaat over de felle moraaltheologische discussie die begin vorige eeuw plaats vond over ‘de grote Hollandsche vloek' (godverdomme of 'G.v.d.', in het Latijn 'Deus damnet me’ en in het Frans ‘Sacre Nom de Dieu’).
Aan de redemptorist en moraaltheoloog Josephus Antonius Aertnijs (1828-1915) komt de eer toe destijds de knuppel in het Katholieke hoenderhok te hebben gegooid met zijn revolutionaire publicatie: "De imprecatione Deus damnet me. Dissertatio theologica et apologetica." (Galopiae [Gulpen], 1902), waarin hij stelde dat het gebruik van 'godverdomme' geen doodzonde is.


Zijn mening leidde destijds tot de publicatie van verschillende curieuze uitgaven die vaak in het Latijn en in een beperkte oplage verschenen. Behalve theologische scherpslijperij zat er ook een taalkundig aspect aan. Was G.v.d. een zelfvervloeking (afgeleid van 'God verdoem mij') of een vervloeking van God (afgeleid van 'God [ik] verdoem u'), en in welke gemoedstoestand en met welke intentie werd het gebruikt?

Die obscure brochures verdwenen toen vooral in priester- en kloosterbibliotheken om pas decennia later weer op te duiken na de het overlijden van 'zijne weleerwaarde' of de opheffing van het klooster en de (uit)verkoop van de kloosterbibliotheek.
Voer voor oplettende bibliofielen zoals Ed Schilders die van dergelijke rariora houden!
"Ik kon ze niet laten liggen. Elke keer als ik ze tegen kwam in een antiquariaat of bij de uitverkoop van een kloosterbibliotheek kocht ik ze: theologische traktaatjes over de vraag of 'godverdomme' nu wel of geen doodzonde is. Meestal zijn het brochures die nooit in de handel zijn gebracht maar die gedrukt werden voor moraaltheologen. Ze zijn ook bijna allemaal geschreven in het Latijn".

Neem bijvoorbeeld de uitgave: "Dissertatie Theologica de blasphemia Neerlandica..." (Tilburg, 1902) geschreven door de Tilburgse kapucijner pater Walterus van Moerkapelle, kloosternaam van L.A. Ruigrok (1857-1920). Hij was tevens auteur van de enige Nederlandstalige bijdrage aan deze polemiek, getiteld: “Colloquium doctum over den Grooten Hollandschen Vloek“ (Tilburg, 1905). Een opmerkelijke uitgave die niet in de handel verscheen ('Eigendom van den Schrijver') en opgezet is in dialoogvorm.

"Tony - Wat denkt U van den Belgischen vloek G.v.d.?
Wout - Dat hij van den Hollandsche geheel en al verschilt.
Tony - Zoo! Waarom?
Wout -Omdat hij in België eene geheel andere beteekenis heeft dan in Holland, zoowel krachtens de woorden of taalkundig, als krachtens de algemeene opinie van 't volk".

Wout is overduidelijk Walterus en die blijft (en bleef) bij zijn mening dat het gebruik van 'godverdomme' een doodzonde is. Werd daar door onze zuiderburen zo anders over gedacht?
In ieder geval wel door de Belgische redemptorist E. Brahms. In 1904 verscheen van hem een uitgebreide dissertatie: "Dissertatio de formula 'G.v.d.', Deus damnet me" (Amsterdam, 1904). Hij kwam tot de conclusie dat het gebruik van 'godverdomme' geen doodzonde was. Ter bekrachtiging bevatte zijn uitgave een herderlijk schrijven ('monitum') in het Latijn en Nederlands van de aartsbisschop van Mechelen, Petrus Lambertus Goossens (1827-1906), met de volgende inhoud:

"Op bevel van Z.E. den Cardinaal Aartsbisschop, overeenstemmende met al de Hoogeerweerde Bischoppen van België, moeten wij u de volgende korte, maar zeer gewichtige onderrichting voorlezen. Luistert aandachtig.

Alle geloovige Christenen, inzonderheid ouders, meesters en allen die gezag voeren, worden dringend verzocht uit al hunne krachten met hunne Priesters te willen medewerken tot uitroeiing van godlastering, verwensching, ja zelfs gebruik van grove woorden, die daarmee eenigszins gelijkenis hebben. 
Immers zulke taal is onteerend, niet alleen voor een Christen, maar zelfs voor elk welopgevoed mensch. Intusschen is het nochtans hoogst noodig goed onderscheid te maken tusschen spreekwijzen, die ware godslastering bevatten, en menige andere, die, in den echten zin der woorden, geene eigenlijke blasphemie of godslastering zijn, maar door misverstand als zulks aangenomen worden.
Sommigen meenen ten onrechte, dat men door zekere vlaamsche spreuk de verdoemenis wenscht aan God, daar de beteekenis der woorden inderdaad is, dat God hunzelven de verdoemenis overzende. Die woorden beteekenen door henzelven geene godslastering maar wierden eertijds gebruikt als eed met verwensching; en daar deze verwensching meestal niet gemeend is, zal die spreuk bijna altijd van doodzonde vrij zijn, alhoewel zij heel onbetamelijk is en min of meer zondig volgens de omstandigheden.

Vermijdt dan, Beminde Christenen, dergelijke spreuken, maar vlucht vooral met afschrik de ware godslastering, 't is te zeggen alle woorden, die de goddelijke Majesteit beleedigen; belet ook zorgvuldig zulk groot kwaad bij allen, die van u afhangen. Nochtans, wij herhalen het, maakt wel onderscheid tusschen spreuken, die geene godslastering bevatten en ware godslastering; in twijfel gaat bij uwe biechtvaders te rade, om niet uit valsch geweten te zondigen, noch het geweten van anderen in dwaling te brengen".

Van Brahm's dissertatie verscheen overigens vier jaar later nog een "Editio altera aucta et recognita" in een zeldzame Franse editie getiteld: “De formula S.N. de D.” (Lutetiis Parisiorum [Parijs], 1908).
Deze uitgave verschilt inhoudelijk op veel punten en bevat bovendien een uitgebreide inleiding door J.E. Hizette, professor in de moraaltheologie op het grootseminarie (Notre-Dame) in Namur. Daarin wordt ook verwezen naar een Franstalige bijdrage aan deze discussie van P.L. Manise: "A propos de blasphème. Étude de quelques lucutions françaises prétendument blasphématoires" (Rome/Tournai, 1908).


Geïnspireerd door het stukje van Ed begon ik mijn zoektocht naar deze rariora en zo kwam ik op Boekwinkeltjes tot mijn verrassing terecht bij antiquariaat ‘Ed Schilders en Co.’

G.v.d..., het zal toch niet, dacht ik! Het was echter wel zo...
Ed is er wel klaar maar mee, maar ik (nog) niet en daarom besloot ik vier uitgaven van hem over te nemen voor mijn bibliotheek (alleen de Franse editie van Brahms kocht ik bij antiquariaat De Lezenaar in Hasselt).
Weer een bijzondere deelcollectie voor mijn bibliotheek en opnieuw een voorbeeld dat een kleine maar fijne verzameling niet veel geld hoeft te kosten.

"Gelukkig zijn er boekengekken als ik die zulke boekjes niet kunnen laten rusten", schreef Ed, en hij heeft helemaal gelijk. Ik ben er één van!

vrijdag 27 november 2015

Woordenboeken uit mijn kringloop


Woordenboeken behoren tot de categorie boeken die het niet gaan redden.
Talloze exemplaren verdwijnen in de vuilnis- of papierbak. Voor sommigen is het weggooien van boeken nog net een stap te ver (en gelukkig maar!). De lokale kringloopwinkel is dan vaak de ‘next best’ dumpplek.

Ik merk dat aan mijn eigen kringloopwinkel. De stroom woordenboeken is onafzienbaar en ze worden vaak voor enkele euro’s nog flink verkocht. Zo staat er altijd wel een exemplaar van Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, beter bekend onder de naam ‘de Dikke Van Dale’.
Daar hebben we allemaal wel een editie van thuis staan (of gehad).

Wellicht zal het u verbazen, maar ik koop in mijn kringloop (en eigenlijk alleen maar daar) nog regelmatig woordenboeken, jawel!
Bijvoorbeeld de drie bijzondere herdrukken van uitgeverij Verba zoals die van de eerste echte Van Dale uit 1872 (Hoevelaken, 1992) voor € 2,50 euro.
Uiteraard "Woordenschat" (Hoevelaken, 1993), waarvan ik ook een origineel bezit zoals u hier kunt lezen en tot slot: "Boeven & Gabbertaal" (Soest, 1999).
De laatste twee titels voor € 2 - euro per stuk. In deze drie uitgaven zit bovendien een lezenswaardige inleiding door Ewoud Sanders.

Waar ik mij vooral over verbaas is de diversiteit aan bijzondere & ongebruikelijke woorden woordenboeken die ik in mijn kringloop tegenkom voor diep gedaalde prijzen. Bijvoorbeeld het Bargoens woordenboek van drs. E. Endt, dat ik overigens alweer jaren geleden kocht in de reguliere boekhandel.


Geheel nieuw voor mij was het "Woordenboek van platte taal" (Den Haag, 2007) geïllustreerd met een alfabet door Jacques Tange. Voor € 2,- euro kon ik het niet laten staan en verhuisde het linea recta naar mijn bibliotheek.
En zo kwam ik in de loop der tijd ook de volgende drie woordenboeken tegen voor telkens € 1,50 euro per stuk. Het "Soldatenwoordenboek" (Amsterdam, 1995), "Het eerste Nederlandse Studentenwoordenboek" (Amsterdam, 1991) en J. Vandaal’s "Vandalismen >>schertswoordenboek<<" (Baarn, 1986).
Ook leuk en voor nog minder meegenomen (€ 1,- euro) is: "Woorden van de Duivel" (Alphen a/d Rijn, 1993). Het is een bloemlezing uit het (enige) verboden Nederlandse woordenboek van Adriaen Koerbagh (1633-1669) "Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet..." (Amsterdam, 1668) door Ewoud Sanders.


Wat exotischer maar niet minder smakelijk is de “Dictionary of the vulgar tongue” (Illinois 1971), een pocketuitgave “unabridged from the original 1811 edition with a foreword by Robert Cromie” die ik graag voor € 1,50 euro overnam.
Mijn laatste aanwinst op dit gebied is de schaarse uitgave van Barentz: “Woordenboek der Engelsche Spreektaal, Anglicismen en Americanismen. Slang, Cant, Colloquialisms and Idiomatic phrases” (Amsterdam, 1895).
Alle destijds minder geschikt geachte woorden en uitdrukkingen in een apart woordenboekje “als supplement op alle Engelsch-Nederlandsche Woordenboeken”.
Een prachtboek voor maar € 5,- euro dat doorgaans voor bedragen ruim boven de honderd euro in het antiquariaat wordt aangeboden. Ik heb het met veel plezier blad voor blad gelezen en me geen moment verveeld!


Nou hoop ik alleen nog op een onverwachts rendez-vous met het woordenboek van J.G.M. Moormann (1889-1974): “De geheimtalen” (Zutphen 1932-1934) dat in 2002 werd heruitgegeven en aangevuld onder redactie van Nicoline van der Sijs. Geduld, toeval en blijven snuffelen dus!
Ik weet wel, veel staat tegenwoordig ook online, maar ja, je bent bibliofiel of niet.

vrijdag 29 augustus 2014

Boeken die het niet (gaan) redden

Ik heb het hier en daar wel eens vaker gehad over ‘boeken die het niet (gaan) redden’.
Woordenboeken, telefoonboeken, encyclopedieën, archiefinventarissen etc., vroeger vaak gewaardeerde naslagwerken en soms prijzig bovendien worden zijn steeds meer ingehaald door de digitale revolutie. Digitaal zijn ze makkelijk te corrigeren en aan te vullen en veel gebruiksvriendelijker dan hun papieren broeders en zusters.
De papieren variant belandt in de ramsj, de kringloop of nog vaker; de papiermolen.

Er blijven natuurlijk altijd verzamelwaardige uitzonderingen. Oude seriewerken zoals mijn achtendertigdelig “Vaderlandsch Woordenboek” (Amsterdam, 1785-1799) van Jacobus Kok (1734-1788) zijn van blijvende waarde en dat geldt ook voor schaars geworden jongere uitgaven als “Woordenschat. Verklaring van woorden en uitdrukkingen” (’s-Gravenhage, 1899).
Ik heb de facsimile (Uitgeverij Verba, Hoevelaken, 1993) en het gehele woordenboek staat ook online maar desondanks heb ik destijds actief gezocht naar een origineel van het “het leukste woordenboek van de negentiende eeuw” (citaat van Ewoud Sanders) voor mijn bibliotheek. Toen ik een mooi exemplaar voor een relatief laag bedrag kon kopen heb ik mijn bibliofiele begeerte losgelaten.
Hebzucht Begeerte in combinatie met de kans op ‘een koopje’ zijn meestal de belangrijkste reden om toe te happen.


Wat ‘koopjes’ zijn? Dat is persoonlijk en daarom moeilijk te definiëren
Zodra ik een mooie uitgave (die ik vaak al enige tijd op het oog heb) voor minder dan de helft kan krijgen dan in het antiquariaat wordt gevraagd, ben ik geïnteresseerd. Ik vergelijk dan ook regelmatig de prijzen op diverse websites, de boekenmarkt en in het antiquariaat al blijft de kwaliteit (en niet de lage prijs) leidend.

Het maakt mij op zich niet zo heel veel uit of een naslagwerk al online te raadplegen is. Een goed voorbeeld daarvan is mijn ‘Knuttel’ pamflettencatalogus, met ex-libris van Ger Brouwer (1919-2005). De "Catalogus van de pamfletten-verzameling berustende in de Koninklijke Bibliotheek. (1486-1853)" (‘s Gravenhage 1889-1920). Toen zich alweer enige tijd terug de kans voordeed om dit exemplaar voor wat zakgeld op het Amsterdamse Waterlooplein kopen heb ik niet geaarzeld.

Een ander motief, vrijwel altijd in combinatie met ‘voor (te) weinig geld’, kan antiquarische zeldzaamheid zijn. Om die reden kocht ik destijds de ‎”Catalogus van de tractaten, pamfletten, enz. over de geschiedenis van Nederland, aanwezig in de bibliotheek van Isaac Meulman” (Amsterdam, 1866-1868).
Een schaarse uitgave, genummerd en op naam van een bekend antiquaar. Voor enkele euri’s onweerstaanbaar papier.

Dat geldt ook voor de twee telefoongidsen (1941 en 1952) van mijn woonplaats die ik ooit kocht. Oude telefoongidsen, adresgidsen en gemeentegidsen zijn schaars goed geworden.
Jaarlijks verscheen wel een nieuwe editie en werd de oude naar de prullenbak verwezen. Vooroorlogse exemplaren zijn kostbaar, latere uitgaven beter betaalbaar.
Ze zijn leuk en informatief voor genealogen en lokaal historici mede omdat tot begin jaren zeventig veel informatie werd vermeld die later door privacywetgeving verdween (denk aan beroepsvermelding).


Een andere reden om een ‘waardeloos’ naslagwerk toch te kopen kunnen bijzondere eigendomskenmerken zijn zoals exemplaren met opdracht, gesigneerd, een dure ‘custom made’ boekband of een bekend/bijzonder ex-libris.
Een goed voorbeeld daarvan is mijn uitgave van de: “Beschrijving van den Atlas van Amsterdam van Louis Splitgerber” (Amsterdam, 1874). Als catalogus en ingang op diens collectie in het Amsterdamse Stadsarchief volstrekt gedateerd en waardeloos maar bijzonder door de handgeschreven opdracht met signatuur van deze befaamde verzamelaar.


Of ik nog actief naar bepaalde naslagwerken zoek?
Toen een bekend antiquaar enige tijd terug ging verhuizen en een groot deel van zijn handbibliotheek moest loslaten stelde hij mij de vraag of ik niet ergens - tegen een vriendenprijs - interesse in had.
Ik kon slechts twee naslagwerken bedenken die ik wel zou willen hebben.
De eerste, om zijn iconische status onder antiquaren en bibliofielen, is de vijfde en meest complete druk van J. Ch. Brunet: “Manuel du Libraire et de l‘amateur de livres”, inclusief supplement en geografische index, negen delen (Parijs, 1860-1880). Een klassieker, maar meer om te lezen en te bladeren bij de open haard, met een sigaar en een glas wijn dan om echt te gebruiken.

Bij de tweede, het magnum opus van L.G. Saalmink: “Nederlandse bibliografie 1801-1832” (Houten, 1993) ligt het anders.
De eerste decennia van de negentiende eeuw zijn een interessant tijdvak in de boekenwereld. Het is een overgangsperiode van het handmatig gedrukte en – gebonden boek naar het industrieel vervaardigde boek. Voor drukwerk van vóór 1800 raadpleeg ik veelvuldig de STCN en voor drukwerk van na 1832 is er (eveneens online) Brinkmans Cumulatieve Catalogus van Boeken. Voor de periode daartussen echter is er alleen de monumentale driedelige uitgave van Saalmink (en die staat niet online).
Het bibliografisch belang van Saalmink, die een overzicht geeft van de 32.000 boeken, pamfletten, gelegenheidsdrukwerken e.d. die tussen 1801 en 1832 verschenen, kan moeilijk worden overschat. (Lees maar eens de ‘himmelhoch jautzende’ recensie die Ewoud Sanders op 2 april 1994 in het NRC schreef).
Het persoonlijk bezit ervan leek mij erg handig bij het schrijven, verzamelen en gesnuffel naar publicaties uit die periode.


Brunet heb ik nog steeds niet (er moet wat te wensen overblijven) maar Saalmink is onlangs tot mij gekomen en dat voor het lachwekkende bedrag van honderd en één euro. Antiquarisch liggen de prijzen tussen de drie- en negenhonderd euro en laatst zag ik nog een los eerste deel te koop voor honderd vijftig euro!
En dan te bedenken dat deze uitgave in 1993 nog twee en twintig honderd (Fl. 2.200,-) ouderwetse guldens moest kosten!
Teloorgang...

maandag 26 mei 2014

De jus van de stad


Perkamentus bezocht afgelopen zondag (25 mei) de Amsterdamse boekenmarkt op de Dam. Behalve snuffelen en sneupen was ik er vooral vanwege de presentatie van het nieuwe boekje van Ewoud Sanders: “De handel en wandel van de boekenjood. Over vermaarde, vergeten en fictieve straatboekhandelaren”, (Heemstede, 2014).

Altijd leuk om te zien hoe een concept, waaraan ik mocht bijdragen, uiteindelijk wordt geboren en vormgegeven. Wat dat betreft ben ik bijzonder tevreden met Ewouds keuze voor een mooi gebonden uitgave, omdat het onderwerp dat verdient. Blij met mijn gesigneerde presentexemplaren maakte ik van ons een ‘selfie’.

Als er één onderwerp is dat bij uitstek behoort tot de bibliofiele en boekhistorische canon dan is het wel de ‘boekenjood’. Zelf heb ik er ook al eens over geschreven zoals u hier kunt lezen en ook mijn Engelstalige lezers hebben in “Holy Ground” kennis gemaakt met de Amsterdamse ‘book Jew’.


De geschiedenis van de ‘Boekenjood’ is taalkundig interessant en historisch erg boeiend. Er is bij mijn weten geen andere geloofsgroep waarvan zoveel woordsamenstellingen bestaan. Dan denk ik niet alleen aan verdwenen beroepsaanduidingen als ‘boekenjood’, ‘zuurjood’, ‘sinaasappeljood’ en ‘voddenjood’ (slechts vier van de ruim tachtig!) maar ook aan de smakelijke ‘jodenkoek’, het scheldwoord ‘kankerjood’ en de Amsterdamse ‘jodenhoek’ als geografische duiding.

Het woord ‘boekenjood’, waarvan de discriminerende connotatie pas na de Tweede Wereldoorlog extra werd gevoeld, duikt op in 1841 en is tot ongeveer 1950 in ruim honderd bronnen te vinden. Dat is niet veel maar het woord behoorde vooral tot de dagelijkse straattaal net als het beroep behoorde bij de straathandel en zijn sociale status bij het straatleven.

Dat straatleven van 1850 tot de Tweede Wereldoorlog kunnen wij ons niet meer voorstellen omdat het totaal verdwenen is. Wie iets wil proeven van de sfeer, de romantiek, de ellende, de humor en vooral de bittere armoe en sociale ongelijkheid van toen, moet de boeken van Justus van Maurik (1846-1904) lezen. Geen ander schrijver heeft het Amsterdamse straatleven van eind 19de eeuw in al zijn facetten zo indringend beschreven als deze sigarenfabrikant.
Op de volksuitgave in mijn bibliotheek van zijn populaire serie novellen die eind 19de eeuw verscheen bij Van Holkema & Warendorf (Amsterdam) staat niet voor niets de op de Dam werkende Joodse straatfiguur Isaäk de schoenpoetser. Van Maurik is ook de auteur van “Toen ik nog jong was” (Amsterdam 1901), één van mijn laatste aanwinsten en een pareltje in de schaarse literatuur over het volkse straatleven, de straathandel en de talloze historische typetjes die daarin figureerden.


“Bekende straattypen waren tusschen de spelende jeugd altijd te vinden en vooral de blikken Dominee kwam met kermis eensklaps tevoorschijn, na soms maanden lang onzichtbaar te zijn gebleven. Hij was een allerzonderlingste verschijning, een man met een ascetisch voorkomen, lang grijs haar en een sterk Willemstraatsch accent. Meestal liep hij op klompen, soms op één klomp en één schoen – waarschijnlijk al naar gelang hij verstrooid was of niet – of de ‘geest’ had in de meerdere of mindere mate. Behalve een stok, die hem een steun, maar ook een wapen was nu en dan, droeg hij een zakbijbel, een pak tractaatjes en den blikken trommel met obliën mede, waaraan hij zijn bijnaam dankte.


Op de steigers, op de stoepen, of midden op straat, verzamelde hij jeugd en ouderdom om zich heen, maakte ruimte met zijn stok, ging midden in den kring staan en begon met een gebed. Daarna hield hij een soort preek over ‘de verdorvenheid des vleesches, de verkankering des gemoeds en de gifplanten der zonden die op de mesthoopen der menschenzielen ontspruiten. Hij wees op de Genade, de barmhartigheid en de reinwassching door ’t bloed…. En eindigde met obliën te verkoopen. – Lekkere, varse, zelver gebakken obliën!
Lukte de negotie, dan zei hij tot de koopers een zalvend: ‘Dankie wel hoor! Dat ’s Heeren zegen op u daal’! Maar als het Debiet onder nul bleef – en de jongens hem in de maling namen, zwol de toornader op zijn voorhoofd, zijn mond vertrok zich nijdig en tusschen de enkele stompjes tand, die hem nog trouw waren gebleven, door siste hij zijn belagers de woorden: ‘Amalekieten, Philistijnen, Edomieten… krengekoppen’ toe!
Dan ging hij verder, scheldend en razend, totdat ‘de Geest’ eensklaps weer over hem vaardig werd en hem deed staan, terwijl hij zich op de borst slaande, uitriep: ‘O, Heere! Heere! Wees mij arme zondaar genadig… oblië-en! Varse, lekkere 
oblië-en!” (blz. 51/52).


Figuren als de blikken Dominee waren er legio. Op deze, ruim een eeuw geleden verstuurde kaart ‘Amstel’s Oude Garde’, staan er een paar. Straatmuzikanten als Joedele Saar, de Japaneesjes en blinde Dirk de fluitist. Liedjesverkopers als Meyer de rijmer en Haantje Pik maar ook kleine zelfstandigen als Joseph de schoenpoetser (bij De Munt).
Scharrelaars die probeerden te overleven samen met ‘porsters’, ‘snorders’, ‘bruggentrekkers’, ‘standwerkers’ en ‘boekenjoden’.
Ze vormden de jus van de stad maar de wereld waarin ze leefden en werkten is verdwenen. Wat rest zijn verhalen die het verdienen om gelezen te worden. Jus, maar dan gestold in boekjes als “De handel en wandel van de boekenjood”.

zaterdag 1 februari 2014

Van A tot Z


Op de valreep, oudejaarsdag 2013, leverde tante Post nog een dik boek af, goed verpakt in twee noppenfolie enveloppen. Voorzichtig knipte ik het pak open en hield een originele uitgave in mijn handen van de “Woordenschat. Verklaring van woorden en uitdrukkingen” (’s-Gravenhage, 1899).

Eerst bewonderde ik even de fraaie band. Geen gewone linnen band met alleen in de hoeken reliëfdruk maar een luxe band met leren rug, linnen platten en reliëfdruk over het hele vlak. Vervolgens opende ik het boek, rook er aan en bladerde er wat in.
Die typische geur van negentiende eeuws 'kantoorpapier' is toch heel anders dan de geur van zeventiende eeuws lompenpapier. Rokeriger en pikanter.
De herkomst van dit exemplaar wordt verraden door een ex-libris, voor- en achterin, met de tekst: “Legaat Telenga. Onvervreemdbaar. N.V. Telenga’s Drukkerij”. Dat wil zeggen onvervreemdbaar tot de crisis toesloeg. Telenga Media ging begin vorig jaar failliet maar wellicht werd het boek daar al eerder uit de bibliotheek ontvreemd….


Woordenschat van Taco H. de Beer (1838-1923) en dr. E. Laurillard (1830-1908) staat terecht bekend als “het leukste woordenboek van de negentiende eeuw”. Het boek is een aangename combinatie van een woordenboek en encyclopedie, met talloze boeiende en verrukkelijke lemma’s.
Ewoud Sanders schreef er een lezenswaardig en uitvoerig artikel over dat als inleiding werd opgenomen bij de facsimile uitgave die in 1993 bij uitgeverij Verba in Hoevelaken verscheen. Die facsimile, goed verkrijgbaar en betaalbaar, kan ik iedere boekenliefhebber aanraden.
De originele uitgave voor bibliofiele lekkerbekken als Perkamentus ook, maar die is schaars en prijzig. Tot slot, voor wie niet van boeken houdt maar van informatie vergaren. De hele Woordenschat, inclusief inleiding door Ewoud Sanders, is in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) opgenomen.

Ik vraag me trouwens af wat Ewoud zelf heeft. Het origineel, de facsimile, het digitale bestand of alle drie? Ik gok op het laatste.
Afgelopen jaar ontmoette ik hem op ‘Boeken langs de Amstel’, mijn favoriete locatie voor boekenmarkten in Amsterdam georganiseerd door De Kan. Ewoud bemande zijn eigen kraam en verkocht kennelijk een mix van wat oudere boeken uit zijn eigen bibliotheek en al dan niet gratis verkregen nieuwe titels, waarschijnlijk recensie-exemplaren.
We raakten aan de praat en tot mijn verrassing bleek hij niet de boekenhater te zijn waarvoor ik hem in eerste instantie hield. Meer het type die de moderne digitale technieken optimaal wil loslaten op de informatie die in boeken, vooral naslagwerken, verscholen gaat.
Voor alle duidelijkheid; daar is Perkamentus niet op tegen. Gerustgesteld verliet ik de boekenmarkt met een gratis en uiteraard gesigneerd exemplaar van Ewoud's: “Slimmer zoeken op internet” (Heemstede, 2013).


Woordenboeken, encyclopedieën, telefoonboeken, inventarissen etc. hebben in papieren vorm hun langste tijd gehad en de meesten verschijnen allang niet meer in druk. Bovendien is veel van wat daarvan nog tweedehands en antiquarisch wordt aangeboden niet interessant.
'Oosthoek's Geïllustreerde Encyclopaedie' uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw bijvoorbeeld, zoals die bij mijn moeder staat en destijds nog uit de erfenis van haar vader werd gekocht voor tweehonderd vijftig gulden, zal te zijner tijd mijn bibliotheek niet halen. De kringloop mogelijk, maar ik vermoed nog eerder de papiermolen.

Dat neemt niet weg dat er altijd verzamelwaardige uitzonderingen zijn. Een fraai ingebonden eerste druk (1870) van de Winkler Prins Encyclopedie zou ik – tegen de juiste prijs – zeker niet versmaden. Al was het alleen maar om zijn illustraties en thans volstrekt vergeten lemma's. Dat gold dus ook voor een origineel exemplaar van “Woordenschat. Verklaring van woorden en uitdrukkingen”. Het stond al een tijdje op mijn wensenlijstje. Het is een naslagwerk dat zich zonder moeite van A tot Z laat uitlezen. Je valt van het ene curieuze wetenswaardige lemma in het andere.

Waar anders worden we geinformeerd over ‘Pil nr. 11’ (al bleef ook voor de samenstellers van de Woordenschat de herkomst onbekend). Wie was ‘Zwart Jannigje van Venendaal’ ook genaamd ‘de Vrouw Christi’? Wat betekent het Afrikaanse ‘jantje-trap-suutjies’ en wat is een ‘gejasperde jongen’ of een ‘Sequa-hoed’?
Niet zelden staat er informatie die volstrekt onvindbaar is op internet. Een voorbeeld is de beschrijving bij een thans overbekend brandblussysteem (lemma: ‘The Witten Sprinkler’). Sprinklerinstallaties bleken in Nederland “vooralsnog (8 Oct. ’98) alleen (te zijn) aangebracht in de stoomspinnerij Trente te Almelo en in ‘De Unie’, stoomrijstpellerij te Wormerveer”.


Wikipedia zegt u?
Zelfs onder de meest uitgebreide (Engelse) beschrijving van het kogelvrije vest vond ik niets over het ‘Dowe-harnas’, een “borstpantser door den kleermaker Heinrich Dowe te Mannheim in 1894 uitgevonden; een zwart stoffen vest, van voren met zwart laken en aan de achterzijde met linnen bedekt. Het pantser weegt 4 kilo, het is 3 ½ cm. dik, 50 cm. lang en 35 cm. breed en ondoordringbaar voor kogels; zoo dat de uitvinder zelf meer dan eens in het openbaar tot mikpunt van geweerkogels heeft gediend, zonder dat deze hem konden schaden” Kortom heerlijke lectuur, van A tot Z, in welke vorm dan ook.