Posts tonen met het label Amstelveen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Amstelveen. Alle posts tonen

vrijdag 3 oktober 2025

'Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen'


Onlangs kon ik via Marktplaats voordelig een zeer curieuze uitgave bemachtigen. Het gaat om de serie: "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" (Embden [Amsterdam], 1748-1754).
Ik ben deze titel in de loop der jaren regelmatig tegengekomen op beurzen, markten en veilingen, vaak een los deeltje of meerdere, maar zelden compleet. Telkens als ik er dan in bladerde verwonderde ik mij over deze vreemde uitgave, zijn merkwaardige samenstelling, inhoud en illustraties.
Het "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" past in het rijtje: "Nederduitsche en Latynsche keurdichten" (Rotterdam, 1710) en het meer bekende "Groote tafereel der dwaasheid" (Amsterdam, 1720). Het zijn compilaties van (al dan niet eerder verschenen los efemeer) drukwerk, die hun ontstaan danken aan maatschappelijke onrust of economische en/of politieke instabiliteit. De teksten in het praaltoneel zijn ongepolijst en direct. Ze vertegenwoordigen de mening van het gepeupel. Straattaal en vloekwoorden zijn eerder regel dan uitzondering. Juist dat maakt de inhoud zo interessant en bijzonder tegelijk.

We weten dat het praaltoneel niet in het Duitse Embden werd "gedrukt voor de liefhebbers" maar in Amsterdam bij Gerardus van Hattum (die ook uitgaf onder het pseudoniem J. de Vries, Deventer). Van Hattum was als boekdrukker/-handelaar slechts enkele jaren actief en in zekere zin is het praaltoneel - zeker qua omvang - zijn opus magnum. In de Short-Title Catalogue Netherlands (STCN) worden slechts 25 uitgaven (meest anoniem verschenen) aan hem toegeschreven. Het ligt voor de hand dat het fictieve impressum van het praaltoneel te maken heeft met de inhoud van deze serie; een compilatie van honderden - op enkele na - anoniem verschenen anti-orangistische teksten. Vele daarvan waren al eerder afzonderlijk verschenen als paskwil (schotschrift of smaadschrift) en sommige waren zelfs verboden en vernietigd!
De uitgever zelf was ook niet van onbesproken gedrag en een kleurrijke figuur; "Van Hattum was een geval apart. Die behoorde tot de clientèle van de in 1748 in ongenade gevallen familie Six. In de jaren vijftig (van de 18de eeuw) waren bij hem tal van geschriften verschenen waarin zowel de hervormde kerk als de doelisten het hadden moeten ontgelden. Inmiddels was zijn rol uitgespeeld, want als homoseksuele en dus chantabele kroongetuige had Van Hattum zijn voornaamste tekstschrijver, de politieke pamflettist Jacob Baroen, achter de tralies geholpen. Een nauwgezette reconstructie van Van Hattums betrekkingen met de overheid en haar vertegenwoordigers zou licht kunnen werpen op heel wat zaken die tot nog toe verborgen zijn gebleven. Helaas wilde men dat nu juist voorkomen. [-] Van Hattum is als het ware in het niets verdwenen, alsof hij behoedzaam uit het zicht is geloodst" (Ton Jongenelen in: "De waarneming als constructie. Sodomie en rechtsvervolging in Amsterdam in de achttiende eeuw" in: "Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman", jaargang 21 (1998)).

Volgens de bekende 19de eeuwse antiquaar Frederik Muller (1817-1881) was bovengenoemde Baroen de grote man geweest achter het praaltoneel. "Het zeer bekende Praaltooneel van Neerl. Wonderen, 7 dl., dat in de jaren 1748 tot 53 dikwijls zal vermeld worden, is volgens een oude bij mij berustende Confessie in HS (handschrift), geschreven of verzameld en uitgegeven door zekeren Jac. Baroen te Amst., die in 1757 ook heeft geschreven en in het geheim bij F. Houttuyn en K.v. Tongerloo (2 Doopsgezinde boekverkoopers) heeft uitgegeven: 'De Deïst vermeerderd' wat toen ter tijd scherpelijk vervolgd is" (in: "Nederlandse Historieplaten", Amsterdam 1876/1877, deel II, blz. 172, nr. 3948).


Het praaltoneel verscheen in een maatschappelijk onrustige periode waarin de spanningen tussen Prinsgezinden en Patriotten toenamen. Dit leidde tot landelijke onlusten zoals in Amsterdam waar in 1748 de pachtersoproer uitbrak en de Doelistenbeweging zich politiek roerde.
De eerste vier delen van het praaltoneel zagen het licht in dat 'wonderjaar', vervolgens verscheen deel V in 1753 en deel VI in 1754.
Deze zes delen bevatten allemaal een Franse titelpagina, een verklaring van de allegorische titelprent, de allegorische titelprent zelf en de typografische titelpagina in zwart en rood. Van deel I bestaat een variant met een andere titelpagina uitgegeven in 1748, evenals van deel II (1749) en deel III (1751). Deel IV werd heruitgegeven in 1754. Na afronding van deel VI verschenen nog een prent en twee publicaties. De prent draagt de titel "Vergadering der Patriotten op de groote burgerzaal in de Cloveniers doelen te Amsteld. in Aug. Ao 1748" en moest worden geplaatst in deel II (NB. deze afbeelding komt voor in meerdere contemporaine publicaties!). 


De twee stukjes moesten worden gebonden achter deel VI. Beide vormen ze het 'zevende deel', dat geen aparte titelpagina heeft (allegorisch noch typografisch) zoals de voorgaande zes delen. Het gaat om: "Het gedrag der stadhoudersgezinden, verdedigt door Mr. A.v.K. rechtsgeleerde" en "Het stadhouderschap wettiger gehandhaafd en de Doelistery-gezinden kragtiger verdedigd als door Mr. A.v.K.", inclusief het verbod op deze twee publicaties uit 1754.
In de pamflettencatalogus van W.P.C. Knuttel worden ze beide genoemd onder nr. 18414 en 18415. Bij het eerste nummer schreef Knuttel: "Door mr. Elie Luzac. Met het volgende werd het den 15 mei te Amsterdam vóór het stadhuis publiek verbrand. Een premie van F. 3000 werd uitgeloofd voor den ontdekker van den schrijver, drukker of verspreider der beide paskwillen. In Amsterdam schreef men beide pamfletten aan de Doelisten toe. Het werd in 1783 herdrukt".
Deze serie bevat overigens veel meer verboden publicaties, zoals in deel II (blz. 153): "De weergalooze Amsterdamsche Kiekkas..." (Knuttel nr. 18033) en in deel IV (blz. 153) het beruchte: "Kort en beknopt Hollands Vraagboekje ten dienste van allen, die hun geluk zoeken te bevorderen, door ware Doelistery waardoor de Staat ontroerd en de Prins misleid word" (destijds ook wel de catechismus der Doelisten genoemd).

Bij diverse paskwillen is de tekst voorzien van voetnoten waarin gebruikte pseudoniemen en spraakmakende kwesties nader worden verklaard. Op die manier werden specifiek lokale schandaaltjes en rellen ook voor lezers elders begrijpelijk.
In de zes delen worden talrijke politieke tegenstanders gefileerd, met name de Amsterdamse Oranjegezinde porseleinverkoper Daniel Raap (1703-1754). Zozeer zelfs dat Knuttel in zijn pamflettencatalogus kon schrijven: "De meeste der hier volgende gedichten over Raap en zijn begrafenis zijn opgenomen in Dl. VI van het 'Dichtkundig Praal-tooneel van Neerlands wonderen'" (bij nr. 18421).


Daarnaast zijn - als politieke rode draad - een aantal officiële publicaties van overheidswege opgenomen. 
- In deel I (blz. 219) de 'Propositie' van Willem IV, een voorstel voor belastinghervormingen (d.d. 25 juni 1748).
- In deel II (blz. 184) het: "Billyk verzoek der Amsteldamsche Burgery, aan zyne Doorlugtige Hoogheid op nieuw voor te stellen", (blz. 187) plus enkele vervolgstukken en (blz. 213) de: "Sententie tegens Harmen Coops Fledderus binnen Steenwyk" (d.d. 24 april 1749) alsmede enkele vervolgstukken.
- Deel III (blz. 71) de: "Sententie by den Ed. Hove Provinciaal van Utrecht, den 8 Augustus 1748. gepronuncieerd en geëxecuteerd jegens Willem Cornelisz. van Claveren, alias Dikke Willem, en Marrigje Willems, alias Lange Marie" (d.d.10 augustus 1748) en (blz. 78): "Request van de Gedeputeerden van Haarlem, die op de Gevangen Poort in 's Hage zyn in Verschering genomen" (d.d.2 januari 1750).
- Deel IV (blz.32) de publicatie van de Staten van Holland over het afleggen van de eed door wijnkopers plus enkele vervolgstukken (blz. 67 en 68). Vervolgens (blz. 129) een publicatie van de stad Rotterdam naar aanleiding van de plundering van het huis van de wijnkoper Gerrit Hagedoorn (d.d. 18 augustus 1751). Tot slot (blz. 159) een publicatie van de stad Amsterdam tegen lasterlijke paskwillen met name het godslasterlijke paskwil verschenen onder de titel: "Kort en beknopt Hollands Vraag-boekje" (niet gedateerd, maar van 8 september1751).
- Deel VI (blz. 295) een publicatie van de stad Amsterdam tegen paskwillen (d.d. 28 januari 1754), een Placaat van de Staten van Holland en West-Friesland tegen paskwillen (d.d. 7 maart 1754) en tot slot een Placaat van de stad Amsterdam tegen de eerdergenoemde twee publicaties die samen het 'zevende deel' vormen van het praaltoneel (d.d. 14 mei 1754).

De allerlaatste pagina van de serie is een "Berigt aan de liefhebbers", over de eerdergenoemde nagekomen prent en twee stukjes plus (verso) een lijst van illustraties voor de boekbinder. Enkele illustraties komen voor in zowel de pamflettencatalogus van Knuttel (met het begeleidend paskwil) als in Frederik Muller's "Nederlandse historie platen".
De meeste zijn uitvouwbaar en doen wonderlijk primitief aan. Ze zijn geen van alle gesigneerd. Frederik Muller spreekt over slechte kopieën en dat klopt.
Neem bijvoorbeeld de prent voorin deel IV: "Ter nagedachtenisse van de inhuldiging zijner doorl. Hoogheid Willem Karel Henrik Friso als Marquis van Vere en Vlissingen". Het origineel linksonder is gesigneerd onder de prent ("S. Fokke inv. et fec. 1751." en "F. Houttuyn excudit."). De - overigens redelijk geslaagde - kopie rechtsonder niet.


Het praaltoneel is al met al een rommelige uitgave, gedrukt op matig papier. De titelpagina van deel IV bijvoorbeeld is gedateerd 1748 maar de opgenomen teksten lopen door tot ver in 1753! De bladwijzers achterin rammelen; ze zijn onvolledig of geven een weinig informatieve omschrijving/titel. Zo kan het gebeuren dat je bij het collationeren verschillende verrassingen tegenkomt. Bijvoorbeeld in deel VI (blz. 42) waar een grafschrift staat voor Daniel Raap in de vorm van een acrostichon dat niet in de bladwijzer wordt vermeld. Een ander voorbeeld is een prent ("Raap uyt gely door een Predikant na de Galg met eenig ander bywerk") plus de voorafgaande uitleg, die kennelijk later is toegevoegd (Deel IV tussen bladzijde 160 en 161). Dat is niet alleen zichtbaar aan de verspringende paginanummering maar ook aan de custode ('OP') rechtsonder op de laatste bladzijde van het voorafgaande (verboden) "Kort en beknopt Hollands Vraagboekje...".


Weer een andere verrassing schuilde achter het: "Smeek-schrift aan 't Groot en Magtig Amsterdam". Er staat niet bij van wie, maar het bleek te gaan om een gedicht (uit 1753) waarin het dorp Amstelveen zicht richt tot zijn grote buurman de stad Amsterdam.
De volledige titel luidt: "Smeekschrift aan het groot en magtig Amsteldam opgedragen door het klein en nedrig Amstelveen" (Deel V, blz. 232). Hierin vraagt het dorp ootmoedig om bestrating van een belangrijke verkeersader, de Amstelveenseweg tussen het dorp en de stad Amsterdam. Omdat dit gedicht in de lokale geschiedenis van mijn woonplaats totaal onbekend is geef ik het hier volledig weer.


Het direct daaropvolgend keer-dicht "Nihil of nul op 't request van het klein en nedrig Amstelveen gegeeven als uit naam van het magtig Amsteldam" (blz. 236) maakt korte metten met dit verzoek.
Wat denkt dat armzalige Amstelveen wel? Wat kost dat wel niet? Bovendien is het alleen maar om de Fransche Schouwburg aan de Overtoom (afgebrand in 1754), die ten nadele is van de Stadsschouwburg op het Leidseplein, beter bereikbaar te maken. "De Fransche Dichtkonst, of de Schouburg op de Overtoom, welke door onze Eygen Inboorlingen wordt ten toppunt gevoerdt, waar door de Amsterdamsche Schouburg een inmportant verlies komt te leyden, en weeuw en wees 'er de smerte komt van te gevoele" (voetnoot blz. 244). Destijds ging een gedeelte van de inkomsten van de schouwburg naar de stadswezen en weduwen. De bestrating van de Amstelveenseweg kon wel wachten en pas in 1810 wordt gesproken over de 'nieuwe straatweg' tot aan het dorp Amstelveen.


Tot slot bevat deel VI van het praaltoneel twee bijzondere paskwillen in de vorm van satirische begrafenisbriefjes. Bijzonder omdat ze door hun oblong vorm en inhoudelijke opbouw echte begrafenisbriefjes imiteren. Vooral in de periode 1780-1790 is dergelijk drukwerk verschenen. Enkele zitten ook in mijn collectie en zullen ter sprake komen in mijn volgende blog: "Satirische begrafenisbriefjes uit de Patriottentijd".

vrijdag 23 december 2022

Brandspuit-penningen van de Overtoom, Nieuwer- en Ouder-Amstel


Perkamentus antiquarius doet af en toe het tweede deel van zijn 'nom de plume' eer aan en koopt dan iets wat niet van papier is noch bibliofiel, maar wel antiek en/of van (lokaal) historisch belang. 
De laatste keer was dat een eind 17de -, begin 18de eeuwse geelkoperen onderwijsplak waarover u meer kunt lezen in: "'Ten eersten sal hy hebben een fraeye hantplacke'". Ditmaal gaat het om drie 18de eeuwse brandspuit-penningen; een van Nieuwer-Amstel (Amstelveen), een van Ouder-Amstel en een exemplaar van de Overtoom, die plotseling samen op Marktplaats werden aangeboden. 

Let wel brandspuit en niet brandweerpenningen, omdat er toen nog niet zoiets als een georganiseerde brandweer in loondienst bestond. De brandspuit werd bediend door een aantal daartoe aangewezen burgers/inwoners van de stadswijk of het dorp; de spuitgasten ('geaffecteerden'). Die spuitgasten waren in het bezit van brandspuit-penningen die feitelijk presentie-penningen waren. Daarnaast was het een legitimatiebewijs vergelijkbaar met de (ambachts)gilde-penning. Werden de spuitgasten opgeroepen voor een brand dan leverden ze hun penning ter registratie in bij de brandmeester of deponeerde deze in een collectebus bij (en soms aan) de spuit. De spuit(en) die het eerst bij de brand arriveerde(n) kregen vaak een premie. Op ongeoorloofde absentie stond een boete.


Het is niet de eerste keer dat ik dergelijke penningen tegenkom. In 1994 kocht ik al eens een exemplaar van Nieuwer-Amstel, gevonden in een weiland in Diemen en niet veel later een exemplaar van Ouder-Amstel op een verzamelaarsbeurs in Amstelveen (gevonden op Amstelveens grondgebied). Ik maakte er tekeningen en een beschrijving van voor: "Amstelveen in Vuur & Vlam 1792-1992" (Amstelveen, 1992. Historisch cahier nummer 1 van de Vereniging Historisch Amstelveen (VHA) en het verenigingsblad van de VHA: "Amstel Mare" (Jrg. 5, nr. 1, maart 1994). Beide exemplaren zouden zich thans in de collectie van deze lokaal historische vereniging moeten bevinden maar helaas deelde men mij onlangs mee dat die van Ouder-Amstel niet meer aanwezig is...


Brandspuit-penningen van grote steden zoals Amsterdam (met vanaf 1684 zestig wijken en nog veel meer brandspuiten) zijn niet zeldzaam en duiken regelmatig op bij veilingen en verzamelbeurzen. Soms afkomstig uit oudere collecties, maar ook wel als bodem (metaaldetector) vondsten. Mijn Amsterdamse brandspuit-penning van wijk 59 (het gebied rond de Amstelkerk, waar ook de brandspuit stond) kocht ik via een veiling voor € 61,20 euro (inclusief veiling- en verzendkosten). Het Amsterdam Museum beschikt over een zeer uitgebreide collectie penningen van diverse Amsterdamse stadswijken, maar ook over enkele zeldzamere exemplaren van omliggende ambachtsheerlijkheden en dorpen.

De onderzoeksmogelijkheden die internet tegenwoordig biedt brachten mij ertoe om mij opnieuw te verdiepen in deze materie. Wat is er feitelijk bekend over de brandspuit-penningen van Nieuwer-Amstel, Ouder-Amstel en de Overtoom uit (numismatische) literatuur en archieven? Liggen er exemplaren in openbare collecties en zo ja, hoeveel ongeveer en waar? Wat is er bekend over de gebruikte inscripties en afkortingen op de brandspuit-penningen, zijn er verschillende penningen binnen één gebied? Welke relevante stukken met betrekking tot mijn onderzoeksgebied bevinden zich in de oude archieven? Zijn er wellicht voorzichtig conclusies te trekken of komen we tot nieuwe inzichten? Werk aan de winkel dus.

LITERATUUR

Mijn onderzoek startte thuis in mijn bibliotheek en achter de PC. Ik vond al gauw een paar interessante uitgaven en literatuurverwijzingen. Bijvoorbeeld in de catalogus die verscheen bij de "Historische Tentoonstelling van Amsterdam gehouden in de Zomer van 1876" (Amsterdam, 1876, blz. 40). Daarin staan tientallen beschreven exemplaren; de meeste afkomstig uit de omvangrijke verzameling van kunsthandelaar en veilinghouder mr. Jeronimo de Vries (1776-1853). 


Daarnaast zijn er enkele numismatische uitgaven waarnaar vaak wordt verwezen, bijvoorbeeld: J. Dirks: "De Noord-Nederlandsche Gildepenningen, wetenschappelijk en historisch beschreven en afgebeeld door..." (Haarlem, 1878. Aanhangsel II, blz. 386).
Van de in Dirks besproken brandspuit-penningen van Nieuwer-Amstel (met een exemplaar gelijk aan de mijne) en Ouder-Amstel zijn begin jaren dertig in Amsterdam de gietmallen teruggevonden door gemeentelijk numismaat W.K.F. Zwierzina (Zie zijn artikel: "Gietmodellen van gilde- en brandspuitpenningen". In: "Amstelodamum: orgaan van het Genootschap Amstelodamum". Vol. 19 (1932), p. 73-75). Onbekend is waar deze gietmallen zich thans bevinden.
Ook lezenswaardig is L. Minard-Van Hoorebeke: "Description de Méreaux et jetons de présence, etc. des Gildes et Corps de Métiers, eglises, etc." (Gand, 1878, blz. 74-76, met exemplaren van Nieuwer- en Ouder-Amstel).
Daarnaast zijn via Google(Books) eenvoudig verwijzingen te vinden naar exemplaren in oude veiling- en tentoonstellingscatalogi. Het probleem van vrijwel al deze 19de eeuwse publicaties is dat de beschreven brandspuit-penningen vaak spoorloos zijn. De huidige locatie (collectie) is onbekend en er zullen in de tussentijd ook wel penningen verloren zijn gegaan.

Die onbekende huidige locatie geldt helaas ook voor de afgebeelde brandspuit-penningen in twee meer recente publicaties. Het gaat om P. Knijnsberg: "Brandspuitpenningen" (Amstelveen, 1986) en M. Nuijttens: "De brandspuitpenningen voor de Noord- en Zuidelijke Nederlanden" (Zegem, 1994).
Vooral Knijnsberg's publicatie, een kopie, uitgegeven in eigen beheer is moeilijk te vinden. Gelukkig beschikt de bibliotheek van de Nationale Numismatische Collectie (NCC), in beheer bij De Nederlandsche Bank (DNB) over een exemplaar en was de beheerder mij uiterst behulpzaam met het sturen van de PDF-files van beide publicaties. De uitgave van Knijnsberg bevat zestig afbeeldingen van Nederlandse brandspuit-penningen (meestal van beide zijden) zonder verdere toelichting. Vijf daarvan hebben betrekking op ons onderzoek. 


De uitgave van Nuijttens, met eveneens vijf exemplaren die ons interesseren (feitelijk vier, want één staat ook in Knijnsberg), doet niet veel meer. Na een kort voorwoord in maar liefst tien talen passeren in alfabetische volgorde tientallen afbeeldingen van Nederlandse en 'Belgische' brandspuit-penningen, soms met een korte toelichting. Ondanks hun onbekende huidige locatie heb ik toch al deze brandspuit-penningen uit Knijnsberg en Nuijttens aan het eind van mijn inventarisatie opgenomen omdat het interessante aanvullende informatie oplevert (en dat geldt ook voor enkele penningen in particulier bezit die ik aantrof op een Belgische website). 

INVENTARISATIE 

Bij het maken van deze inventarisatie heb ik mij geconcentreerd op de brandspuit-penningen van Nieuwer-Amstel (NA), Ouder-Amstel (OA) en de Overtoom (OT) die ik online kon traceren en lokaliseren in openbare/toegankelijke collecties. 
Een bijzonder vruchtbaar uitgangspunt bij de samenstelling bleek de Collectie Nederland. Die bevat honderden voorbeelden uit diverse openbare collecties met exemplaren uit de 17de t/m de 20ste eeuw van diverse steden en dorpen. In enkele gevallen had ik vervolgens contact met de desbetreffende conservatoren voor aanvullende gegevens. Voor hun vriendelijke medewerking ben ik ze dankbaar. In de hiernavolgende lijst treft u het resultaat van mijn zoektocht aan (klik eventueel op de hyperlink voor een afbeelding en aanvullende informatie).  

Collectie Perkamentus antiquarius (3 x).

NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?), boven de spuit: 39.

OA    Boven de kroon: W(ijk) 2.

OT    Voorzijde: OVERTOOM, onder de naam N(ummer) 2, boven de spuit: 48. 

Voorzijde (NA / OT / OA)

Achterzijde (NA /OT /OA)

Collectie VHA / Amstelveen (1 x).

NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?). 

OA    Boven de kroon W(ijk) 1. NB. Niet meer aanwezig in de collectie!


Collectie Museum Amstelland / Ouderkerk (1 x).

OA    Boven de kroon: W(ijk) 2.


Collectie Fries Museum / Leeuwarden (9 x).

N14219  NA    Op de spuit: Broeder Schap (Letters ingegraveerd. Politieke leuze, na 1795).
N14220  NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?).
N14221  NA    Op de spuit: KS (Letters ingegraveerd. Kleine Spuit?), boven de spuit:
N. 33 (draagoog).
N14222  NA    Op de spuit: D. UNIE (Letters ingegraveerd. Politieke leuze, na 1795).
N14223  NA    Op het wapenschild: W(ijk) 5, N6, boven de spuit: 65.
N14224  NA    Op het wapenschild: W(ijk) 8, op de spuit: GP (Letters ingegraveerd. Grote Pomp?)

N14230  OA    Boven de kroon: W(ijk) 2.
N14231  OA    Boven de kroon: W(ijk) 3, boven de spuit: 16.

N14232  OT    Voorzijde: OVERTOOM, onder de naam N(ummer) 2, boven de spuit: 60.

Collectie Amsterdam Museum / Amsterdam (10 x).


PB82      NA    Op het wapenschild: W(ijk) 8, op de spuit: CP (Letters ingegraveerd. Centrale Pomp?).
PB83      NA    Op het wapenschild: W(ijk) 5, N6, boven de spuit: 88.
PA1075  NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?).
PA1076  NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?).
PA384    NA    Op de spuit: WS (Letters meegegoten. Water(spuit) Sloten?).
PA385    NA    Op de spuit: KS (Letters ingegraveerd. Kleine Spuit?), boven de spuit: N. 34 (draagoog).
PA386    NA    Op de spuit: D. UNIE (Letters ingegraveerd. Politieke leuze, na 1795), boven de spuit: 5.
PA387    NA    Op het wapenschild: W(ijk) 5, N6, boven de spuit: 40.
PA388    NA    Op de spuit: Broeder Schap (Letters ingegraveerd. Politieke leuze, na 1795).

PB84      OA    Boven de kroon: W(ijk) 3, boven de spuit: 44.


Collectie Teylers Museum / Haarlem (1 x).

TMNK 05570  OA    Boven de kroon: W(ijk) 2. 

Collectie Geldmuseum (2 x).
In 2013 sloot het Geldmuseum zijn deuren. De collectie berust thans bij De Nederlandsche Bank (DNB).

GP-00320  NA    Op het wapenschild: W(ijk) 5, N6, boven de spuit: 58.

GP-00324  OA    Boven de kroon: W(ijk) 3.

Collectie van Museum Gouda (1x).

Nr. 57252  NA    Op de spuit het jaartal 1753, boven de spuit 4.


Op de Belgische website 'Loden penningen-Méreau' kwam ik nog de volgende vier penningen tegen (in particulier bezit):

NA    Op de spuit 27, boven de spuit 30.
NA    Op de spuit: KS (Letters ingegraveerd. Kleine Spuit?), boven de spuit:
N. 12 (draagoog).

OA    Boven de kroon W(ijk) 1.

OT    Voorzijde: OVERTOOM, onder de naam N(ummer) 2, boven de spuit: 48.

NB. Een derde NA-exemplaar dat op deze website wordt omschreven als een (nota bene) 19de eeuwse brandspuit-penning van Nieuwer-Amstel wijkt zo af van de gebruikelijke vormgeving dat het m.i. vrijwel zeker gaat om een andersoortige penning.

In: P. Knijnsberg (5 x).

NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?), boven de spuit: 59 (blz. 2, nr. 6).
NA    Op het wapenschild: W(ijk) 5, N6 (blz. 17, nr. 6).

OA    Boven de kroon: W(ijk) 3, boven de spuit: 46 (blz. 3, nr. 8).
OA    Boven de kroon: W(ijk), nummer onleesbaar (blz. 18, nr. 8).

OT    Onder de naam N(ummer) 2 (blz. 17). 

In: M. Nuijttens (4 x). 

NA    Op de spuit: HWO (Letters meegegoten. Hulp Waterspuit Overtoom?), boven de spuit: 59 (blz. 32 bovenste afbeelding). NB. deze wordt ook al door Knijnsberg gesignaleerd)
NA    Op de spuit: KS (Letters ingegraveerd. Kleine Spuit?), boven de spuit: N. 8 (draagoog, blz. 32 onderste afbeelding).

OA    Boven de kroon: W(ijk), nummer onleesbaar (blz. 34).

OT    Onder de naam N(ummer) 2 (blz. 35).
OT    Onder de naam N(ummer) 2, boven de spuit: 34 (blz. 43).
Nuijttens weet niet goed raad met deze penningen. Hij classificeert ze zowel onder Overtoom Oostzaandam (blz. 35) als onder Westzaandam-Overtoom (blz. 43). Straks meer daarover.


CONCLUSIES EN OPMERKINGEN

De slangenbrandspuit van Jan van der Heyden (1637-1712) werd pas in het laatste kwart van de 17de eeuw in Amsterdam geïntroduceerd (Het boven dit artikel geplaatste exemplaar bevindt zich in het Brandweermuseum Hellevoetsluis). Ze waren duur, vereisten instructies, bediening en regelmatig onderhoud. Met uitzondering van de Amsterdamse Overtoom zullen de omliggende dorpen en ambachten daarom pas in de loop van de 18de eeuw over een dergelijke - destijds moderne - brandspuit hebben beschikt. De door mij bestudeerde brandspuit-penningen zijn allemaal te dateren tussen circa 1690 en 1810.
Naar latere brandspuit-penningen, meestal geslagen (en met ingegraveerde inscripties), heb ik niet gezocht. Alle exemplaren die ik vond zijn gegoten van een messing, brons-/(geel) koperlegering. Exemplaren van edelmetaal (er bestaan bijvoorbeeld enkele fraaie zilveren Amsterdamse voorbeelden, zoals het hieronder getoonde exemplaar uit 1770) zijn mij voor wat betreft de Overtoom, Nieuwer- en Ouder-Amstel onbekend. 


Alle brandspuit-penningen zijn rond en ongeveer even groot (3.9 tot 4.2 cm.) en dik (3 tot 5 mm.). De brandspuit-penning van Nieuwer-Amstel (met op de spuit HWO) is het grootst (en dikst) en bovendien opvallend fijn gedetailleerd. Zo is bijvoorbeeld goed zichtbaar dat het wapenschild op deze penning een kaderlijn heeft die niet te zien is op veel andere exemplaren. Daaruit trek ik de conclusie dat er van de brandspuit-penning van Nieuwer-Amstel tenminste twee verschillende afgietsels in omloop waren.
Zowel de brandspuit-penning van de Overtoom als van Ouder-Amstel zijn veel grover uitgevoerd.

De brandspuit-penningen vertonen aan de voorzijde plaats- en locatiegegevens in de vorm van:
- Een wapenschild (NA).
- Een wapenschild plus plaatsnaam (OA).
- Plaatsnaam plus nummer (OT). 
Op de achterzijde staat een afbeelding van een draagbare brandspuit (zonder wielen/wagentje) met daar omheen een in zijn staart bijtende slang (Ouroboros).

Verder komen voor:
I. Op de voorzijde: een wijknummer. Van de brandspuit-penningen van Nieuwer-Amstel zijn alleen penningen met de wijknummers 5 en 8 overgeleverd. Deze penningen dateren vermoedelijk uit het laatste kwart van de 18de eeuw. Waren er penningen met andere wijknummers in omloop? Het 'register civique' van 1811 (enkele decennia later) vermeldt voor Nieuwer-Amstel weliswaar 10 wijken (waaronder zich ook de Overtoom bevond) maar het lijkt mij onwaarschijnlijk dat er dus ook 10 brandspuiten waren. Vermoedelijk stonden in wijk 5 en 8 de twee achttiende eeuwse brandspuiten en zijn er geen brandspuitpenningen met andere wijknummer.
Het 'register civique' van Ouder-Amstel geeft geen wijkindeling. Van Ouder-Amstel zijn uitsluitend penningen met de wijknummers 1, 2 en 3 bekend (en uit niets blijkt dat er meer wijknummers in omloop waren). 
II. Op de achterzijde: het persoonlijk/unieke nummer van de spuitgast (boven de spuit).
Men nummerde in de loop der tijd en bij verandering van spuitgast(en) gewoon door. Overigens werd één brandspuit bediend door een team van ongeveer 40 personen. Dit verklaart de (soms) hoge nummering.

Daarnaast zien we op de penningen:
III. Meegegoten onveranderlijke gegevens/afkortingen zoals de naam 'OUDER-AMSTEL' plus de wijkaanduiding boven de kroon, de (veel voorkomende) afkorting 'HWO' en 'WS' op die van Nieuwer-Amstel alsmede de naam 'OVERTOOM'/'N2' op de Overtoomse brandspuit-penning. Van penningen uit andere plaatsen zijn voorbeelden bekend met meegegoten specifieke (spuitgast)taken zoals: 'AANDEBAK', 'SLANGLIJDER', 'AANDEPYP', 'AN.D ZUYGPOMP' en 'AAN VOERDER'.
IV. Overige (later aangebrachte) inscripties. Daartoe behoren bijvoorbeeld de politieke leuzen; (2 x) 'Broederschap' en (2 x) 'D. UNIE' ('De Unie'). De eerste is ontleend aan het Frans revolutionaire motto: 'vrijheid, gelijkheid, broederschap', dat na de bezetting van de Nederlanden door Frankrijk in 1795 zijn intrede deed. De tweede - uit dezelfde periode - verwijst naar het Unitarisme, een politieke stroming ten tijde van de Bataafse Republiek. Beide leuzen stonden ook op de brandspuit zoals blijkt uit een - in het oud archief van Nieuwer-Amstel - teruggevonden brief van brandmeester Dirk van Dam uit 1801. Deze penningen dateren dus uit het laatste decennium van de 18de eeuw. Van alle bekende Nederlandse brandspuit-penningen zijn er slechts een paar met een (ingeslagen) jaartal.
Eén daarvan is een exemplaar (NA) met op de spuit 1753, uit de collectie van het Museum Gouda.

ARCHIEF NIEUWER-AMSTEL

Het oud archief van het Ambacht Nieuwer-Amstel, met het Archief van de Ambachten Rietwijk, Rietwijkeroord en Rietwijkeroorderpolder (Stadsarchief Amsterdam, inv. nr. 5501) is helaas grotendeels verloren gegaan. Twee archiefnummers m.b.t. de brandweer resteren. Archiefnummer (238) bevat - in chronologische volgorde - de volgende keuren, bekendmakingen en 'ampliaties (aanvullingen/uitbreidingen) daarop.


1. "Nadere Ampliatie op de Brand-Keure (van 1 januari 1700) aan den Overtoom". Artikel 1. "Dat vermits nu een tweede Brandspuyt aangekoft is / de manschap tot beheering van dezelve twee spuyten zal worden vergroot / ende daar toe door Brandmeesteren aangestelt 80 man / ende die te verdeelen zodanig als Brandmeesteren raadzaam vinden en ordonneeren zullen" (1723).
2. "Ampliatie van de Keure en Ordonnantie op het Brand-Gereedschap aan den Overtoomze Weg" (1738)
3. "Keure en Ordonnantie op het blussen van brand, bergen der brandspuijt en gereedschappen daar toe behoorende Aan de Overtoomsche Weg" (1751). Handgeschreven keur waarin aan het eind verwezen wordt naar een eerdere keur met betrekking tot dit onderwerp van 11 december 1696.
4. Keur en ordonnantie met betrekking tot de inzet van extra brandspuiten van elders (m.n. van de stad Amsterdam) bij brand (1764).
5. "Keure en Ordonnantie op 't blussen van Brand, bergen der Brandspuyten en Gereedschappen daar toe behoorende, voor zoo verre het Jan Hanssen, Nieuwe Thuyn, Wenslouwer en Weespaaden, mitsgaders nog een kleyn paadje daar by geleegen, is concerneerende" (1783).
6. "Brand-Keure voor het dorp Amstelveen" (1792).
7. "Brand-Keure voor den Overtoom in Wyk 10, als meede aan de Slooter Zyde in Wyk 2" (1796).


8. Notificatie dat de functie van opper-brandmeester (behorende tot de taken van de schout) voortaan zal worden waargenomen door de tijdelijk president der Municipaliteit (= Burgemeester) tevens civiele aanklager (1798).
9. Notificatie op de voorgaande met betrekking tot het hatelijk en ongepast protest van enkele brandmeesters op deze 'heilzaame schikking' (1798).
10. "Extract uit het Register der Resolutien, van den agent van Inwendige Politie en toezicht op den staat van Dyken, Wegen en wateren der Bataafsche Republyk" (1798).
11. Notificatie waarin de brandmeesters van wijk 9 en 10 worden ontheven van hun post omdat zij weigeren de president van de Municipaliteit te erkennen als opper-brandmeester (1799).
12. Notificatie over het verzet van de brand- en wachtmeesters van wijk 9 en 10 alsmede enkele ingezetenen van die wijken over de voorgaande notificatie (1799).
13. Notificatie dat diegenen die betrokken zijn bij de brandspuit zijn vrijgesteld van dienst bij de gewapende burgermacht (1801).
14. Notificatie met gedeeltelijke herroeping van het voorgaande (1801).
15. "Generaale Brandkeure voor de gemeente van Nieuwer-Amstel" (Amstelveen, 1801).
Geeft in artikel 12 (blz. 14) belangrijke inlichtingen over de inscripties op de brandspuit penningen.
"En zal aan ieder van de geäffecteerdens (spuitgasten) gegeeven worden een exemplaar van dit Reglement, en een koperen Penning met Dorps Wapen en Nommer van de Wyk, aan de eene zyde daar op uitgebeeld, hebbende aan de andere zyde het Nommer, waarby de geäffecteerde op de Brandlyst bekend staat, en eene Brandspuit voor die tot de groote Pomp behooren, het woord kleine pomp voor die aan de kleine Pomp, het woord Slanghouder voor de Slanghouders, en het woord Agterslang voor die daar by behooren, om die tot een teken van haar Ampt, om by Brand door de bezetting te geraaken, te vertoonen, welke Penningen zy by verhuizinge, of dat elders heen voor langere tyd, op de vaart gaan, aan de Brandmeesters wederom zullen moeten geeven, op verbeurte van 25 stuivers, en die dezelve zullen komen te verliezen, zullen verbeuren zes stuivers, waar voor hun een nieuw zal worden gegeven".
16. Proclamatie van de municipaliteit aan de inwoners van wijk 3 en 4 over het nog steeds ontbreken van een brandspuit voor hun wijk (i.v.m. de hoge kosten) (1803).
17. Notificatie over vervanging van het 4de, 5de en 6de artikel (in deel II) van de generale brandkeur uit 1801 (1806).

Archiefnummer 239 bevat de al eerdergenoemde brief uit 1801 van Dirk van Dam, die al twee jaar fungeert als brandmeester "in de brandspuijt genaamt de Unie in Weyk 11" (bij het 'Jan Hansenpad', tegenwoordig Jan Hanzenstraat). 


ARCHIEF OUDER-AMSTEL

Rijker is het Archief van het Ambacht en Plaatselijk Bestuur van Ouder-Amstel (Stadsarchief Amsterdam, inv. nr. 5500). Vooral nr. 122. 'Stukken betreffende de brandspuiten en de bemanning 1761-1805' geeft een goed inzicht in de Ouder-Amstelse brandbestrijdings-organisatie in de tweede helft van de 18de eeuw. Het bevat een dossier uit 1767 met betrekking tot de aanschaf van twee nieuwe brandspuiten voor bijna 2400 gulden. Daarin is te lezen dat er een spuit stond in Duivendrecht en een spuit in het dorp Ouderkerk (wijk 1). Tevens blijkt hieruit dat na aankoop van de nieuwe spuiten de oude dorpsspuit niet werd afgedankt maar gereviseerd ten behoeve van de wijk De Ronde Hoep (en geplaatst bij de Stokkelaarsbrug). In het kostenoverzicht voor de nieuwe brandspuiten staat ook een post: "aan Gellius Spies (geelgieter) voor 317 Kopere brandspuijt-penningen". 


Enkele bewaard gebleven bemanningslijsten van Ouder-Amstelse brandspuiten uit diezelfde tijd geven een indruk van het aantal man dat bij één spuit betrokken was. Bijvoorbeeld voor wijk 1 (het dorp Ouderkerk): 
1 Generale brandmeester, tevens voor wijk 2 (Jacob Boekweit, de dorpsschout),
4 Brandmeesters met 1 assistent,
1 Pijphouder met 4 assistenten tevens slang-houders,
2 Lantaarndragers,
1 Uithaalder en lapzakdrager met 1 assistent,
19 man aan de perspomp,
7 man aan de waterpomp,
1 Rollezer met 1 assistent.

DE OVERTOOM

Volgens de Amsterdamse stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773) bezat Nieuwer-Amstel twee brandspuiten die ten dienste stonden van dit uitgestrekte ambacht en: "Aan den Overtoom, staan 'er ook twee, die, door de Ambagten van Nieuwer-Amstel en Slooten, in gemeenschap, onderhouden en gebruikt worden". Dat blijkt ook uit de archivalia waaronder een: "Brand-keure voor den Overtoom in Wyk 10, als meede aan de Slooter Zyde in Wyk 2" (1796).


Dit gemeenschappelijke gebruik van blusmiddelen bleef bestaan tot begin 19de eeuw, zoals blijkt uit artikel 8 (deel II, blz. 11) van de "Generaale Brand- en Wagt-Keure, voor de gemeente Sloten, Sloterdyk, Osdorp en de Vrye Geer" (Amsterdam z.j. [1815]). "Ingevalle er buiten deze Gemeente brand mogt zyn ontstaan zullen de Brandmeesters zich derwaarts niet mogen begeven, dan op hooge order van den Opper-Brandmeester dezer Gemeente. Hiervan word uitgesloten de spuit van den Overtoom, die in de verplichting blyft, volgens oude overeenkomst, om zich onder Nieuwer-Amstel ingeval van noodzakelykheid ter assistentie derwaarts te mogen begeven". 

De brandspuit-penning van de Overtoom verdient extra aandacht. Een overtoom is een scheepsoverhaal en daarvan waren er verschillende in Holland.


Alleen P. Knijnsberg schrijft de penning toe aan de Amsterdamse Overtoom, zonder uit te leggen waarom.
J. Dirks classificeert de penning onder Westzaan-Overtoom (blz. 387). M. Nuijttens weet het niet zeker en zet de penning daarom onder zowel Westzaandam-Overtoom als Overtoom Oostzaandam. 
Noch Dirks, noch Nuijttens geven daarvoor argumenten. Mogelijk kenden ze de Amsterdamse Overtoom niet of namen ze aan dat die onder de stad Amsterdam viel. Nuijttens toeschrijving aan Westzaandam-Overtoom - waarvan geen 18de eeuwse brandspuit-penning bekend is - baseerde hij vermoedelijk op het bestaan van een 19de eeuwse penning (1829) met het opschrift: "Brandspuit Westzaan Overtoom" (bladzijde 43, onderaan). Indien onze Overtoom penning op deze overhaal betrekking heeft waarom zou er dan alleen 'Overtoom' op de penning staan en niet zoals bij het exemplaar uit 1829 'Westzaan Overtoom'?
Ook de toeschrijving aan Overtoom Oostzaandam (waar de Oostzaner-Overtoom, thans Oostzanerwerf lag) is problematisch. Van de Oostzaner-Overtoom is namelijk wel een 18de eeuwse brandspuit-penning bekend met aan de voorzijde de karakteristieke drietandige vork (greep) uit het oude wapen van Oostzaan (en aan de achterkant de gebruikelijke afbeelding van een brandspuit). Indien onze 'Overtoom' penning betrekking zou hebben gehad op de aldaar gelegen scheepsoverhaal dan zou dit symbool uit het oude wapen beslist op de penning hebben gestaan.

Zijn er argumenten te vinden voor een definitieve toeschrijving van deze brandspuit-penning aan de Amsterdamse Overtoom (die nimmer over een eigen heraldisch wapen heeft beschikt)?
Ik denk van wel. Knijnsberg, Dirks en Nuijttens geven namelijk geen verklaring voor N2 onder de naam Overtoom op de penningen en juist deze twee elementen bij elkaar leiden tot een oplossing.
We hebben al gezien dat Amsterdam binnen zijn stadsmuren zestig wijken had, op de brandspuit-penningen aangeduid met een W plus het desbetreffende wijknummer. Rondom Amsterdam - buiten de stadsmuren en Singelgracht - lagen echter als een buffer ook nog enkele zogenaamde buitenwijken, genummerd 1 t/m 5.
Van deze buitenwijken (met vanaf 1789 hun eigen brandkeur) zijn twee brandspuit-penningen bewaard gebleven (1 en 4. NB. 2 en 5 staan vermeld in de eerdergenoemde catalogus uit 1876). Daarop staat geen W(ijknummer) maar een N, de eerste letter van Nummer, gevolgd door een cijfer plus een B (van Buitenwijk). Bijvoorbeeld: Nº1·B zoals op de penning van buitenwijk 1 hieronder.


De Overtoom lag in buitenwijk nummer 2 (N2!), zoals blijkt uit een publicatie uit 1829 (blz. 21/22), waarin de grens van deze buitenwijk aldus wordt beschreven; "De oude Wetering, van de Weteringspoort tot tegen over (de herberg) Stadlander, van daar, dwars door de Schagerlaan tot aan de Scheidpaal, staande aan den Heiligeweg (de Overtoom!); van dezen het Buiten-Gasthuis achterom, tot aan het Bolwerk Osdorp; voorts de Singel van dit Bolwerk af tot aan de Weteringspoort; en alles wat tusschen deze opgenoemde grenslijn is begrepen".
De jurisdictie van de stad Amsterdam over de Overtoom strekte zich uit tot de 'scheidpaal' (de 100 gaardenpaal) op ongeveer 370 meter vanaf de Singelgracht (1 roede was 3.68 meter). In dat gedeelte (aan het begin van de Overtoom bij Amsterdam) heeft ook de stadsspuit (Nº2·B) gestaan. Het overige gedeelte van deze langgerekte, industrierijke wijk behoorde tot de jurisdictie van het ambacht Nieuwer-Amstel.

Zoals uit de archivalia blijkt had de Amsterdamse Overtoom met zijn kruitmolens, katoendrukkerijen, herbergen, opslagloodsen en zijn gecompliceerde historische/juridische verhoudingen al aan het einde van de 17de eeuw een eigen brandspuit. Ik vermoed dat de brandspuit-penning van de Overtoom bij de eerste brandspuit(en) heeft behoord die daar in dienst kwam(en). In de loop van de 18de eeuw kwamen er brandspuiten bij, zoals de spuit die volgens Wagenaar werd gedeeld door het ambacht Nieuwer-Amstel en het ambacht Sloten en die bleef klaarstaan: "om zich onder Nieuwer-Amstel ingeval van noodzakelykheid ter assistentie derwaarts te mogen begeven" (Vandaar dat ik de afkorting HWO op de Nieuwer-Amstelse brandspuit-penning heb geïnterpreteerd als 'Hulp Waterspuit Overtoom').  


TOT SLOT

Er is maar weinig onderzoek gedaan naar brandspuit-penningen. Een kort algemeen artikel werd gepubliceerd door J. Herweijer: "Brandspuitpenningen" (In de "Muntkoerier", oktober 1985, blz. 22/23). Daarnaast was - voor zover mij bekend - slechts drie keer eerder een penning uit een bepaalde stad onderwerp van studie. Eind 19de eeuw publiceerde Jhr. mr. M.W, Snoeck: "Eenige opmerkingen omtrent de ‘s-Hertogenbossche Brandspuitpenningen" en "Nog iets over de ‘s-Hertogenbossche Brandspuitpenningen" (In: "Tijdschrift van het Nederlandsch Genootschap voor Munt- en Penningkunde...", 5de jrg. 1897, blz. 39 t/m 43 en 6de jrg. 1898, blz. 48 t/m 54).
In 1987 beschreef N.L. Arkesteijn: "De Delftse brandspuit-penningen" (in: "De Beeldenaar", tweemaandelijks tijdschrift voor numismatiek en penningkunst (11de jrg. nr. 4, blz. 147 t/m 152) en in 1988 verscheen in hetzelfde blad: "De Goudse brandspuit-penningen" (13de jrg. nr. 1, blz. 246 t/m 247) van H.J. van der Wiel. De laatste twee zijn in PDF-formaat te raadplegen via de website van "De Beeldenaar".

Naschrift

Inmiddels verscheen een uniek standaard- en naslagwerk: "Brandspuitpenningen in de Lage Landen" (Heritage Auctions Europe, IJsselstein, 2025), n.a.v. een onderzoek uitgevoerd door twee leden van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Munt- en Penningkunde (Allex Kussendrager en Wiebe Nijlunsing). Perkamentus werkte hieraan mee en de informatie in dit blog is grotendeels overgenomen. Dankzij hun onderzoek doken er ook nieuwe brandspuit-penningen op, die mij tijdens het schrijven van dit blog, onbekend waren. Zo blijkt er een zilveren exemplaar te bestaan van de Nieuwer-Amstelse brandspuit-penning HWO! Ook bestaat er een exemplaar van de Overtoom brandspuit-penning met N.1! Daarmee vervalt mijn argumentatie dat N2 een verwijzing naar het (Amsterdamse) buitenwijknummer zou zijn (al blijft de toewijzing van deze penning aan de Amsterdamse Overtoom overeind!). Het blijkt te gaan om het spuitnummer (er waren immers volgens Wagenaar ook twee brandspuiten voor de Overtoom, naast de 'HWO-spuit'). 

vrijdag 18 februari 2022

Knorhanen en kalfskop, de volkspoëzie van Jan de Regt


"Al waar de klok des Mans niet anders slaat dan wyn,
En 's Vroutjes uurwerk staat op geld in Thee verspillen,
Daar wordt de broek te klein, tot dekzel voor de billen,
En' keursje veel te kort, om eerelyk te zyn".

Toen ik op een regenachtige vrijdag - en voor het eerst dit jaar - in Amsterdam de kraam van antiquariaat Klikspaan besnuffelde kwam ik twee oude drukken in perkament tegen die mij voor een vriendenprijsje werden aangeboden. Ik heb er niet lang over hoeven nadenken. Wat kocht Perkamentus? 
Ten eerste de bekende uitgave van Johan van Heemsker(c)k (1597-1656): "Batavische Arcadia" (Amsterdam, 1662/1663). Van deze oermoeder der Nederlandse arcadia's - zoals de Zaanlandse (1658), Dordrechtse (1662), Walcherse (1715) en Amstellandse Arcadia (1737) - verschenen tot ver in de 19de eeuw meer dan tien edities. Anders dan de latere uitgaven zijn de 17de eeuwse edities van de "Batavische Arcadia" niet geïllustreerd en in kleine formaten uitgegeven (12º en klein 8º). Ook worden ze antiquarisch minder vaak aangeboden. Mijn aanwinst, de eerste editie die in klein octavo (8º) verscheen, werd fraai gebonden in 'overlapping vellum' en bevat tekstgedeelten gedrukt met lettertjes van slechts twee millimeter hoog!


De tweede - eveneens in perkament gebonden - is: "Jan de Regts Mengel-dichten, Gezangen en Kluchtspel De Nacht-Wachts" (Amsterdam, 1723). Deze uitgave verscheen voor het eerst in 1709 en moet vrij populair zijn geweest. Zozeer zelfs dat uitgever Johannes Oosterwijk op 15 juli 1711 in de "'s Gravenhaegse courant" waarschuwde voor roofdrukken: "dewyl eenige baetzoekende menschen dezelve stuks wyze en vol fouten op slegt papier hebben nagedrukt, en langs de straet doen venten gansch tegen des Autheurs wil en oogmerk". Het boekje werd in 1718 herdrukt en nogmaals in 1723 ("alsoo de voorige Exemplaaren seer wel syn verkocht geweest"), maar nu bij de boekverkoper Marten Schagen. 
Tien jaar later in 1733 verscheen volgens de Short Title Catalogue Netherlands (STCN) de derde druk, evenals in 1779 (waarmee het jaar daarop in diverse kranten werd geadverteerd als 'de vierde' druk). Alle edities bevatten drie (titel)gravures van Jacobus Schijnvoet (1685-1733).
Zo overbekend als de eerste dichter (en zijn uitgave) voor mij is, zo totaal onbekend was voor mij de tweede.


Die onbekendheid maakte mij nieuwsgierig en toen ik wat bladerde en las werd ik aangenaam getroffen door de volkse, bij tijd en wijle platte poëzie van Jan de Regt (1665-1715), nog los van zijn onverwachte onderwerpskeuze en de raakvlakken die ik vond met mijn interessegebied; de geschiedenis van Amsterdam/Amstelland.


Portretten van Jan de Regt zijn mij niet bekend. Het enige portret dat er van hem was maakte ooit deel uit van het Panpoëticon Batavûm maar is helaas verdwenen. Biografische bronnen zijn schaars en vermelden slechts enkele bijzonderheden. Jan de Regt werd geboren in Amsterdam en groeide op in de Jordaan. Hij behoorde nimmer tot de dichtende elite en schreef (volgens zijn voorrede in de 'Mengel-dichten') ook niet om den brode: "daar tot mijnent de schoorsteen niet van en rookt ". 
Documenten uit het Stadsarchief Amsterdam laten zien dat hij poorter werd in 1694 en 'koopman' was (al weten we niet waarin) en dat hij - slechts vijftig jaar oud - ongehuwd (als 'Jongman') overleed in de Sint Jansstraat, een nauwe zijstraat van de Warmoesstraat, hartje Amsterdam.


Jan de Regt schreef voor zijn plezier en zijn werk stroomt niet over van (zoals destijds gebruikelijk) versluierde allegorieën, onbegrijpelijke symboliek, Griekse muzen of Romeinse goden noch van religieus of pastoraal geneuzel. Integendeel, zijn poëzie leest vlot en zijn woordgebruik is volks, waardoor zijn werk cultuurhistorisch en taalkundig interessant is.
Zijn onderwerpskeuze is verrassend, zoals bijvoorbeeld zijn (dicht)zangen op het eten van knorhanen.... 

"Lief hebbers van de vissen,
Je komt je smaak te missen,
Wanneer je tast na baars,
Na tong en molenaars;
De schelvis is goed te eeten,
Maar lang by ons vergeten;
Want d'edle Knorhaan is;
By ons, de beste vis." (etc.).


Of een kalfskop! 

"Maakje klaar, maakje klaar;
De Kallefs kop is gaar,
Ei hoor hem eens kooken;
Mijn maaghje danst, op dat geluid;
De kop die wil de ketel uit.
Ik heb hem al gerooken." (etc.).


De populariteit van de volkspoëet Jan de Regt, die kennelijk wel van lekker eten hield, overleefde de 18de eeuw niet. Zijn naam en enkele van zijn gedichten worden in de 19de eeuw nog sporadisch genoemd maar in de moderne literatuurgeschiedenissen die sindsdien verschenen is geen spoor van hem terug te vinden, ook niet in de meest actuele "Geschiedenis van de Nederlandse literatuur", die tussen 2006 en 2017 in tien delen bij Bert Bakker verscheen. Slechts één bibliofiel, schrijver en dichter schonk in onze tijd nog aandacht aan zijn dichtkunst en wel Gerrit Komrij (1944-2012) in: "De Nederlandse poëzie in 1000 en enige gedichten" (Amsterdam, 1986-1994, 17de en 18de eeuw, deel 2, blz. 920 t/m 931).


Mijn aanwinst bevat het complete oeuvre van Jan de Regt. Dat bestaat uit verjaars-, bruiloft- en lijkdichten (die zijn omgang met de doopsgezinde gemeenschap verraden), maar ook uit bijzondere (ge)dichten - zoals zijn "Lof van Amsteldam" - en (dicht)gezangen zoals zijn "Vechtzang" of "Victory-zang over de Nederlaag der Franssen, by Oudenaarde, den 11 July 1708". Voor liefhebbers van vroege Sinterklaasvermeldingen is zijn "Sinterklaaszang aan Fillis" (blz. 73) van belang, waarmee hij bijdroeg aan de legendarische Spaanse wortels van deze goedheiligman afkomstig uit het Turkse Myra. Tevens opgenomen is zijn kluchtspel "De Nachtwachts" (met een rol voor Kaatje, een 'lichtekooi') en het gedicht "Slechten tyd", die beide ook apart op de markt zouden verschijnen. Of zijn klucht ooit is opgevoerd durf ik niet te zeggen, maar het is taalhistorisch interessant om te lezen. Ik kwam er bijvoorbeeld diverse malen het woord "nikker" (duivel/neger) in tegen, zoals in: "De nikker haal me...".
En voor diegene die nog wel eens nostalgisch willen wegdromen en denken aan 'die goede oude tijd' kan ik het lezen van De Regts "Slechten tyd" aanraden!

"In 't end, 't is ydelheid van beter tyd te droomen;
Hy is 'er nooit geweest en zal 'er ook niet komen.
Terwyl 't my wel gaat is 't, voor my, een Goeden tyd;
Een Slechten voor myn vriend, om dat hy schade lyd:
Dus, is 't een Goeden tyd en Slechten, alle dagen,
En 't gants onredelyk om zonder end te klaagen.
Geluk en ongeluk regeeren 't heele jaar;
Nu vaart den eenen wel, dan wederom den aêr;
Zo was 't voor dezen en dus zal het ook wel blyven.
't Verhaal der goudene eeuw is goed, voor oude wyven
En kinderen, of, als men 's winters by den haart
Zyn huisgenooten by den ander heeft vergaêrd,
Niet-onverhoeds op zyde, en in den slaap te raaken.
Altoos, het praatje van den Slechten tijd, myn vriend,
Heeft glad by my gedaan en schoontjes uitgediend.".


Mijn aanwinst bevat voorts een mij onbekende lofzang "Op de Hofstede genaamd het Torentje, gelegen op de Amsterveense weg" (blz. 68). In de 17de eeuw was dit: "De Plaats Roijaal", een herberg nabij de Overtoom die later als katoendrukkerij in gebruik was onder de naam "Buitendruk". In 1704 werd de drukkerij uitgebreid met woningen, een tuin en speelhuis. Volgens J.W. Groesbeek's: "Amstelveen, acht eeuwen geschiedenis" (Amsterdam, 1966, blz. 78) zou de naam pas rond 1730 veranderen in "het Torentje", maar kennelijk was die in de volksmond al veel langer in gebruik. De “Spiegel van Amsterdams zomervreugd, op de dorpen Amstelveen, Slooten, en den Overtoom” (Amsterdam, z.j. ca. 1727-1730) bevat twee afbeeldingen van deze katoendrukkerij met - boven de ingang - het karakteristieke torentje. 

"O Torentje vol weelden,
O lusthof vol geneugt;
Dat steeds myn zinne streelden,
Met gadelooze vreugd;
Bespiegel ik uw paden,
Uw veld en bloem tapyt,
En al uw boomcieraaden;
Wat maakt gy my verblyd!" (etc.).


Ook Jan de Regt had zijn idolen. Hij was een bewonderaar van de bekende knipkunstenares Johanna Koerten (1650-1715) voor wie hij twee lofdichten schreef: "Op de papiere Snykonst van Juffrou Johanna Koerten, Huisvrouw van den Heere Adriaan Blok" en: "Op haare Afbeeldinge" (blz. 49). Maar nog meer bewonderde hij Ludolph Smids (1649-1720), auteur van “Schatkamer der Nederlandsse oudheden of woordenboek, behelsende Nederlands Steden en Dorpen, Kasteelen, Sloten en Heeren Huysen, Oude Volkeren, Rievieren, Vermaarde Luyden in Staat en Oorlogh, Oudheden, Gewoontes en Lands wysen” (Amsterdam, 1711). De Regt moet - net als ik - een groot liefhebber zijn geweest van onze geschiedenis en haar historisch erfgoed, want zijn uitgave werd niet alleen tweemaal aan Smids opgedragen (door hemzelf en later "ten tweden keer" door zijn uitgever Johannes Oosterwijk) maar bevat bovendien twee gedichten aan Smids; één op zijn 'Nederlandse oudheden' en één op het onderstaande dandy-portret van Smids (door P. Schenk) waarmee De Regt - als dank - werd vereerd (blz. 50/51).


"Ik heb, geleerde man, uw beeldtenis ontfangen,
En ben voor dat geschenk, u dankbaar op het meest.
Myn oog blyft onverzaad aan 't braave konststuk hangen,
Gelyk myn ziel aan 't schoon van uw verheve geest.

't is wel getroffen; maar had ik het mogen cieren,
uw hand droeg Febus luit, uw hoofd zyn lauwerieren."

Het is dankzij zijn ‘Mengel-dichten’ dat we Jan de Regt beter leren kennen. Waarin schuilt precies het belang en de aantrekkingskracht van dergelijke, weinig verheven, volkspoëzie? Het belang is dat we daaruit - anders dan bij het verheven werk van de dichtende elite van zijn tijd – vaak veel meer leren over de taal, cultuur en zeden van het gewone volk. Door volksdichters als Jan de Regt krijgen die "kleyne luyden" een stem. Dat is wat mij zo aanspreekt in zijn oeuvre en daarin schuilt zijn aantrekkingskracht. Ook even bladeren en lezen in de interessante en verfrissende volkspoëzie van Jan de Regt? Klik hier.