Posts tonen met het label Drukkerij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Drukkerij. Alle posts tonen

zaterdag 27 augustus 2022

Cliché voor de Klare Waarheid


Eind juli resulteerde mijn snuffelen op Marktplaats in de vondst van een bijzonder vooroorlogs (lijn)cliché. Dat was niet voor het eerst! Ruim zes jaar eerder overkwam me dat ook al en ik schreef erover in "Clichés". Ditmaal echter waren het geen kopieën die teruggingen op veel oudere afbeeldingen, maar een ontwerp speciaal vervaardigd voor een jubileumbrochure die zich ook in mijn collectie bevindt.
Al vrij snel werd ik voor veertig euro de nieuwe eigenaar van dit bijzondere drukkersreliek dat 13 cm. breed is, 18 cm. hoog en 2,2 cm. dik (inclusief het houten blokje).


Dit cliché werd gebruikt voor het drukken van de voorzijde van het: "R.K.-Gilde van de Klare Waarheid (straatsprekers) Amsterdam. Ontstaan, werk en werkwijze 1912-1926" (Amsterdam, 1926), een geïllustreerde lustrumuitgave van hun medelid, de journalist P(iet) A. Kasteel (1901-2003).
Het thans geheel vergeten Rooms-Katholiek Gilde van de Klare Waarheid werd in 1921 opgericht naar voorbeeld van het eind 1918 opgerichte Engelse 'Catholic Evidence Guild'. Het Gilde was gevestigd in Amsterdam en had op de Plantage Middenlaan zijn (vergader)zaal. Het doel van het Gilde was in zijn algemeenheid: verkondiging van de Katholieke Waarheid en het weerleggen van leugens en dwalingen over het Katholicisme.
Ze waren niet de enige geloofsverkondigers in de publieke ruimte. "Straatpredikers verrijzen als paddestoelen uit de grond, ook op de woelige Nieuwmarkt. Natuurlijk is dit ieders recht, maar men kan er dan zeker van zijn dat het spoedig spaak loopt. Straatprediking is niet ieders werk; één misgreep en je hebt een keet van jewelste! Inzonderheid de verschijning van Rome met een heel gilde lekenpredikers, 'De klare Waarheid' geheten, wekt beroering. Dit is hun bedoeling niet: het zijn trouwe borsten, die hun oprechte overtuiging propageren, het zijn ook goede collega's. Rome is echter veel meer gehaat dan wij, zij ondervinden heftige tegenstand van het publiek. Weldra zien zij zich genoodzaakt politiebescherming in te roepen. Welnu, als je in een buurt als deze met één agent begint, kun je het weldra met tien politie-mannen niet meer redden. De kans, dat er ergens een rel kan ontstaan, werkt op de Amsterdammer - ook op de fatsoenlijke - als een magneet. Hij moet er bij zijn! Zo verzamelt zich elke zaterdagavond om de stand van 'De klare Waarheid' een talrijk publiek" (N. Baas: "Marskramer van het Evangelie" (Franeker, z.j. [1959], blz. 105).
Na een wat aarzelend en tumultueus begin op de Nieuwmarkt (volgens de lustrumuitgave van het Gilde: "de Babelsche markt van Jodenkramen en religie- en ongeloofcolporteurs") vond straatprediking plaats op diverse Amsterdamse pleinen zoals het Museumplein en in stadsparken waaronder het Sarphatipark. Tot de eerste straatsprekers behoorde Johannes Josephus Hendrikus (Jos) Mineur (1887-1957), die in 1933 door het Gilde zou worden geroyeerd omdat hij openlijk uitkwam voor zijn fascistische overtuiging. Feitelijk werd daarmee de bloeitijd van het Gilde afgesloten waarin steeds vaker interne ruzies en meningsverschillen over de te varen koers en houding ten aanzien van rivaliserende straatpredikers van een andere geloofsrichting een rol gingen spelen. 
 

Tijdens de oorlog waren er geen activiteiten en daarna leidde het Gilde een kwakkelend bestaan. Toen in 1952 B. Voets tot directeur van De Klare Waarheid werd benoemd, kwam hij een keer zijn predikers tegen op de Vijzelgracht op hun 'schavotje'. "Enkele eigen supporters stonden er omheen maar geen enkele voorbijganger bleef staan luisteren. Voets vond dit nutteloos en er volgden gesprekken met het bestuur om er een einde aan te maken. Verscheidene bestuursleden waren nog tegen: men hoopte dat de terugkomst van P. Kasteel uitkomst zou brengen. Maar toen deze overging in diplomatieke dienst, vervloog deze verwachting in rook. Uiteindelijk, na heel wat argumenten, wilde men kiezen voor opheffing als de priesterdirecteur tegenover het kerkelijk gezag de volle verantwoordelijkheid aanvaardde. Dat gebeurde en zo werden door het bisdom de straatpredikers in 1956 teruggetrokken. (-) Het Gilde was geschiedenis geworden, een kleurrijk onderdeeltje van het Amsterdamse volksleven" (B. Voets: "Amsterdamse straatprediking. Verhaal van het Rooms-Katholieke gilde van de Klare Waarheid", in: "Ons Amsterdam", 1984 (36), blz. 137 t/m 140). Het archief van het Gilde/RKGK bevindt zich thans in het Nijmeegse Katholiek Documentatie Centrum (Archiefnr. 644).

De omslagillustratie is (onder het wapen van Amsterdam) gesigneerd door de kunstenaar Aug(ustinus Gerardus) van der Linde (1890-1983). Van der Linde was een leerling aan de Hendrick de Keyserschool in Amsterdam en lid van het Schilder- en teekengenootschap Kunstliefde (Utrecht). Hij illustreerde enkele vooroorlogse (kinder)boekjes uitgegeven door de R.K.-Boekcentrale in Amsterdam evenals het voor de lokale (kerk)geschiedenis niet onbelangrijke: "Toen het oude kerkje van Pastoor Wubbe nog bestond" (Amsterdam, 1925), maar dit is - voor zover mij bekend - zijn enige omslagontwerp. Na de oorlog werd hij meer bekend met zijn: "Zoo was Nederland in de winter 1944-1945" (Utrecht, 1945), een doos met 18 reproducties van zijn aquarellen met kenmerkende situaties tijdens de hongerwinter, zoals 'De Centrale Keuken', 'Sloopers uit Nooddruft', 'Fietsen vorderen', 'Razzia' en 'De Onderduiker'.


Voor de lustrumbrochure van het Gilde maakte Van der Linde een bijzonder ontwerp in Art Deco stijl met getekende letters die onder en boven open zijn. Op het cliché hebben ze daarom veel weg van hiërogliefen! Door de ruimte tussen de letters op de brochure lichtblauw te kleuren lijkt het alsof de tekst(plaat) werd uitgezaagd en op een blauwe ondergrond ligt. Dergelijke 'open' belettering is geïnspireerd op het werk van typograaf Hendrik Wijdeveld (1885-1987) en gelijkt op die van de omslag van een nummer van het beroemde tijdschrift "Wendingen" (januari 1925), gewijd aan het raadhuis ontwerp van architect W.M. Dudok (1884-1974) voor Hilversum. De drie gestileerde figuren doen sterk denken aan het beeldhouwwerk van de Amsterdamse school, met name dat van tijdgenoot Hildo Krop (1884-1970). 


In: "De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad" van 15 oktober 1926 werd de uitgave geprezen. "De uitgever die zich met ware piëteit kweet van zijn taak dit boekje zoo aantrekkelijk mogelijk te maken, bond het in een omslag welks voorpagina den door een haag van doornige vooroordelen en andere zielsbelemmeringen naar Christus heenworstelenden mensch te zien geeft en maakte er een geheel eigenaardige en tot dusverre als eenig in haar soort te beschouwen propaganda-werkje van voor - zooals Mgr. Callier zich in gelukwensch uitdrukt - de 'klare waarheid van ons heilig geloof'". 

Aug. van der Linde omschreef zijn werk op de binnenzijde van het omslag als volgt: "De mensch van goeden wil, welke zoekt naar de waarheid, gevangen in de doornen ranken van vooroordeel, zelfzucht, onwetendheid en dergelijken, worstelend om vrij te komen om te gaan tot de Waarheid [Christus]. Het Gilde van de Klare Waarheid zal dien mensch helpen om te komen tot de kennis der eeuwige waarheden van ons heilig geloof. Aug. v.d. Linde".

De lustrumbrochure zag het licht bij drukkerij Limburgia van J. Babeliowsky & zoon. Die bevond zich vanaf eind 1904 in de Gerard Doustraat 65, vlak bij de Amsterdamse Albert Cuypmarkt. Eind jaren zeventig van de vorige eeuw verhuisde de drukkerij naar elders. Zeer waarschijnlijk heeft mijn aanwinst daar gedurende een mensenleven gelegen tussen de drukpersen, letterbakken, drukinkt, papierbundels, en drukproeven in de bak met gebruikte en vergeten clichés.

vrijdag 12 augustus 2022

De unieke boekbindersletterproef van Aldert Witte

Aldert Maria Witte (1916-1974) was een beroemde typograaf en ontwerper van boekbanden die in 1962 de Staatsprijs voor Typografie won. Hij was een leerling van Charles Nypels (1895-1952) en zijn opvolger als boekbandontwerper bij uitgeverij Het Spectrum (Prisma-pockets!). Zijn vakbroeder Dick Dooijes (1909-1998), die ruim veertig jaar werkte bij de Lettergieterij 'Amsterdam' voorheen N. Tetterode schreef over Witte dat hij een stille bescheiden man was: "die als boekverzorger werk heeft gedaan van moeilijk te overschatten betekenis voor het peil van de Nederlandse boekdrukkunst. (-) Maar belangrijker acht ik het werk, door hem gedaan voor het heel gewone, goedkope pocketboek. Hij heeft aangetoond dat ook zo'n boekje er goed uit kan zien, dat het karakter kan vertonen in zijn vormgeving en prettig leesbaar kan zijn. Op dit terrein deed hij voor ons land pionierswerk dat erkenning vond in het herhaaldelijk voorkomen van door hem verzorgde pockets onder de bestverzorgde boeken van menig jaar" (in D. Dooijes: "Boektypografische verkenningen uit boekblad en andere periodieken" (Amsterdam, 1986)).


Behalve met de verzorging van goedkope boeken, hield Aldert Witte zich ook bezig met de vormgeving van uitgaven in het luxere segment zoals voor de nog steeds bestaande
Stichting De Roos, die jaarlijks (geïllustreerde) literaire uitgaven voor bibliofielen uitbrengt in een beperkte oplage van 175 exemplaren. Zijn leermeester Charles Nypels was in 1945 samen met Chris Leeflang en G.M. van Wees daarvan de oprichter geweest.
Het bekendste (en antiquarisch meest kostbare) boek van De Roos is: "Regelmatige vlakverdeling" (Utrecht, 1958), geschreven en geïllustreerd door Maurits Cornelis Escher (1898-1972). Aldert Witte tekende voor de boekverzorging en typografie van deze uitgave die kan worden gerekend tot één van de hoogtepunten in zijn carrière. Dieptepunten waren er ook, zoals de uitgave die ik lang geleden beschreef in: "Bij het graf van Charles Nypels".


Aldert Witte schreef ook zelf over boekverzorging. Bekend is: "De vormgeving van het boek" (Amsterdam, 1965), een met zwart/wit foto's geïllustreerd deeltje uit de serie die is uitgegeven door de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels. Hoofdstuk VIII gaat over "De boekband". 
Niets anders dan de band bepaalde het aanzien en de volledigheid van een volwassen boek. In de paragraaf over "De goedverzorgde boekband" schreef Witte: "Helaas is tot veel uitgevers dit feit nog nimmer doorgedrongen, want zij menen gegronde financiële redenen te hebben om geen of weinig aandacht aan het bandontwerp te besteden. Dit wijst op een jammerlijke vervlakking ten aanzien van de uiterlijke verschijning van het boek, die nochtans niet veroorzaakt behoeft te zijn door de industrialisatie van het uitgeversbedrijf of van het verschijnsel pocketboek of paperback.
Men is bereid, grote bedragen te investeren voor de vervaardiging van de - losse - stofomslagen, die het boek moeten 'verkopen', zonder zich te realiseren dat het stofomslag slechts een kort leven beschoren is en dat het boek, óók zonder stofomslag, een aangename indruk moet maken, hetgeen óók de verkoop kan stimuleren" (blz. 142).


En in: "De eenheid van boek en band" schreef hij: "Evenals bij de typografie van het boek de vormgeving van de tekst in overeenstemming moet zijn met het karakter daarvan, zo moet ook de band als een deel van dezelfde vormgeving beschouwd worden. Zo kan de symmetrische of de a-symmetrische vorm van de tekst op de band worden herhaald. Daarentegen kan men ook, en dit geld voor velerlei boeken, een neutrale band ontwerpen, waarbij men door de keuze van de lettersoort, de stand van de rugtitel en de kleur van het linnen, nog enige relatie met de klassieke of moderne opzet van het binnenwerk kan oproepen" (blz. 142/147). Vervolgens gaat Witte in op zaken als de keuze van de linnensoort, kleur en bestempeling maar ook de bandstempel. Probleem bij het laatste was "dat het lettermateriaal van de Nederlandse binder voor 80% uit sterk verouderd materiaal bestaat. Anderzijds beschikt hij meestal over een of twee meer of minder - en soms goed - bruikbare lettertypen. Het is de taak van de ontwerper, met deze bestaande stempelletters toch een verantwoord bandontwerp te maken, zonder dat de uitgever een messing stempel moet laten vervaardigen. Soms zal dit nodig, goed en noodzakelijk zijn, doch in veel gevallen is het mogelijk, uit het bestaande materiaal een goede bandbestempeling te maken, zelfs uit het verouderde materiaal, als de ontwerper bekwaam is tot een zodanige lettertoepassing, dat hij het lelijke van de letter weet te verdoezelen door de vormgeving. Veel eenvoudiger is het lettergebruik, wanneer de 'bestempeling' in verfdruk wordt uitgevoerd. Men kan dan gebruik maken van normale typen in drukletters" (blz. 149).
Ter illustratie staat op de tegenoverliggende bladzijde (148) een zwart/wit foto van: "Bandontwerpen uit een boekbindersletterproef, met toepassing van stempelletters. 1959".


Uiteraard ben ik bekend met het fenomeen 'letterproef', waarvan verschillende voorbeelden in mijn bibliotheek staan. Letterproeven zijn het visitekaartje van de desbetreffende drukkerij/uitgeverij en behoren daarmee logischerwijs vaak tot de meest opvallend vormgegeven uitgaven. Ook over typografie staat hier het een en ander op de planken, kortom boekverzorging en vormgeving hebben mijn interesse en ik ben er redelijk in thuis, maar... die afbeelding met dat onderschrift bracht me in verwarring. Ten eerste door een voor mij nieuwe term 'boekbindersletterproef', die - in samenhang met de afbeelding en het voorgaande citaat van Aldert Witte - enigszins verduidelijkt wordt. Ten tweede om het voor de illustratie gebruikte voorbeeld.
Ik ken namelijk geen 'boekbindersletterproef', laat staan eentje die op een dergelijke manier voorbeelden bevat van boekbanden. Als er al voorbeelden van boekbanden worden gegeven zijn het altijd (kleuren) illustraties. Een 'boekbindersletterproef' met 29 linnen modelbanden (inclusief de rug!) als (leporello)bijlage is - volgens mij - uniek, en dus werd ik nieuwsgierig naar deze uitgave en was mijn begeerte gewekt...
Het kostte mij een kwartiertje Googelen om erachter te komen dat het gaat om: "Letter en band. Letterproef toepassingen" (Duivendrecht, 1959), uitgegeven, gedrukt en gebonden bij Boekbinderij Kusters Duivendrecht N.V. die daar - onder de rook van Amsterdam - aan de Molenkade 44 zijn bedrijf had.  


In het Amsterdamse stadsarchief vond ik het kleine bedrijfsarchief terug (archiefnr. 30927). Daarin is ook een korte bedrijfsgeschiedenis opgetekend na 1974 door één van de directeuren, Theodorus Kusters Sr. Hierin lezen we het volgende: "Door de samenwerking met Het Spectrum, kwamen we in aanraking met de ontwerper Aldert Witte, een leerling van Charles Nypels, een fantastisch mens, die helaas te vroeg moest sterven. Genoemde Aldert Witte werd uiteindelijk aangezocht eens wat te stoeien met onze agenda en de resultaten door hem bewerkstelligd waren dusdanig dat heel de grafische gemeenschap de lof sprak van de toen verschijnende Kusters-Agenda" (blz. 12). En even verder: "Door de bijzonder fraaie resultaten verkregen met onze agenda's, menen we ook tussentijds iets te moeten doen om nog meer bekendheid te geven, ook aan ons bindwerk. In 1955 hebben we nog weer eens de papierbakjes voor de schrijftafel van stal gehaald in een wat betere uitvoering, omdat de voorgenomen uitvoering van 'Letter en Band' naar ontwerpen van Aldert Witte lange tijd van voorbereiding en uitvoering vraagt. 't Blijkt een goede pers te krijgen als het in 1960 wordt verspreid. Het geeft voorbeelden van verantwoordde ontwerpen met meer of minder verouderd materiaal aan letters en motieven. Echter blijft het verwachte effect van HH. Ontwerpers en Uitgevers beneden de verwachting, waardoor de geplande kostbare opzet in verhouding te weinig opbrengt" (blz. 14/15).


De totstandkoming van "Letter en band. Letterproef toepassingen" vergde dus een aantal jaren aan voorbereiding en bleek een relatief kostbare onderneming. Het zal bovendien in een beperkte oplage zijn verschenen, mogelijk niet in de handel, maar bedoeld als stalenboek of relatiegeschenk voor verschillende uitgeverijen. Thans is het een zeldzame uitgave - zo bleek mij al gauw - die slechts in enkele Nederlandse bibliotheken aanwezig is (de Koninklijke Bibliotheek, het Allard Pierson en de universiteitsbibliotheek Groningen). Daarnaast bezit ook het Huis van het Boek, waar het gedeeltelijk ontsloten, maar helaas niet toegankelijke archief van Aldert Witte ligt, twee exemplaren. Ik had dus - al met al - weinig hoop er eentje antiquarisch op de kop te tikken en kon mijn geluk niet op toen ik - miraculum mirabilis - na slechts enkele muisklikken bij antiquariaat Klondyke in Almere een exemplaar zag staan voor een naar mijn mening (zeer) bescheiden prijs (zie mijn aanwinstenoverzicht juni 2022, nr. 4).


Wat ik vervolgens een paar dagen later thuis ontving overtrof mijn verwachtingen. De uitgave (ca. 22.5 cm. hoog, 18 cm. breed en 4.5 cm. dik) zit in een plexiglas cassette. Als je de linnen band openslaat zit er links een boekje tegen het plat geplakt (60 blz. bestaande uit een inhoudsopgave/inleiding, 25 letterproeven verdeeld in 4 groepen en een 5de groep ornamenten & vignetten). Rechts zit de leporello met 29 modelbanden gedrukt op met karton beplakt linnen. Op de achterzijde van elke modelband staat informatie over de gebruikte letter/ornament (met groep en bladzijdeverwijzing naar het boekje met letterproeven), het gebruikte linnen en de uitvoering (meestal verfdruk). Uit het colofon blijkt dat de typografische vormgeving en alle bandontwerpen van Aldert Witte zijn. Van welke Nederlandse boekbandontwerper tref je zoveel modelbanden aan in één uitgave?


De (duidelijk door Witte geredigeerde) inleiding vermeldt het volgende: "Als men de gemiddelde band van het Nederlandse boek als maatstaf neemt, dan zal men niet kunnen ontkomen aan een beeld hetwelk ons de Nederlandse boekband toont als een soort noodzakelijk kwaad. Weliswaar zijn vele boekbanden dikwijls versierd met veel goud en kleur, doch niettemin en wellicht desondanks, zodanig gespeend van ieder gevoel voor vorm en verhouding en zo zonder enig verband met de inhoud en het karakter van het boek, dat men deze boekbanden mag vergelijken met het slaan van de bekende tang op het even bekende varken. Tonen deze boekbanden een averechtse uitwerking, daarnaast staat een veel groter getal boekbanden dat niet meer geeft en ook niet meer wil geven dan het gemis van iedere aantrekkelijkheid. Het is vooral in deze gevallen dat men kan spreken van een totale miskenning van de funktie van de boekband. Meer dan het om velerlei redenen noodzakelijke stofomslag, heeft het boek recht op een zodanige uitvoering en verzorging van de band, dat boek en band een volwaardig geheel vormen. 


Het stofomslag vervult slechts een tijdelijke funktie; de band is daarentegen een onverbrekelijk deel van het boek, met een voorbestemming tot langdurige bruikbaarheid.
Dat men ieder boek een band geve in uitvoering gelijkwaardig aan de innerlijke waarde en de vormgeving van het boek, vraagt nauwelijks een nader betoog. Onze uitgave 'letter en band' is een poging in velerlei soorten uitvoering, op velerlei soorten en kwaliteiten bindmaterialen, te tonen welke resultaten men kan bereiken bij de uitvoering van de boekband. Geven wij enerzijds een gegroepeerd overzicht van de bij ons aanwezige lettertypen, ornamenten en dergelijke materialen voor verguldwerk, verf- en zeefdruk, anderzijds mogen de opgenomen modelbanden een indruk geven van hetgeen men kan bereiken met de toepassing daarvan. 


Ook hier geldt: zoveel hoofden, zoveel zinnen, want terecht kan men bezwaar maken tegen de opname van enige soorten lettertypen. Dat wij deze typen toch in de letterproef opnemen en daarvan enkele toepassingen geven, is uitsluitend gedaan ten behoeve van het exceptionele geval waarbij de toepassing gerechtvaardigd zou kunnen blijken. Altezamen echter menen wij dat uit de modelbanden blijkt hoe bij een goede toepassing, d.w.z. een samenhang en keuze tussen bindmateriaal, letter, vormgeving en stempeltechniek, met verreweg de meeste lettertypen een verantwoord geheel van letter en band kan worden bereikt. Dit doel te bereiken willen wij door middel van deze uitgave onder de titel 'letter en band' stimuleren" (blz. 5/6). 

Ik trof welgeteld één bespreking aan van "Letter en band" door vakgenoten in: "Tété: technisch tijdschrift voor de grafische industrie" (15de jrg. nr. 1, januari/februari 1960, blz. 32). Ook daarin wordt al gesproken over uniek reclamewerk "gevat in een cassette van deels glasheldere en deels zwarte kunststof, op zichzelf ook een novum. De uitgevers die deze reclameuitgave ontvingen, zullen er mee in hun schik zijn. Het geheel laat immers zien dat het niet nodig is voor elke kleine of grote tekst op een boekband een kostbaar messingstempel te maken".

zaterdag 23 januari 2021

Nederlands oudste gedrukte drukkershandboek


Het jaar 2021 was nog maar tien dagen oud toen Perkamentus positief testte op corona.
Met mijn (contact)beroep op een locatie waar corona heerst was het natuurlijk niet zozeer de vraag of ik het zou krijgen maar wanneer... 
Gedurende twee weken bleven de symptomen gelukkig beperkt en vergelijkbaar met een flinke verkoudheid. Wat nog steeds niet helemaal weg is en ook al langer speelt is het lamlendige gevoel dat deze coronatijd mij geeft (en waarover ik eerder schreef in: "Bibliofilie in coronatijd"). Het kost mij moeite om leuke boeken te vinden die mijn begeerte opwekken en die mij bovendien inspireren om erover te schrijven. Dat is uiteraard goed voor de portemonnee, maar slecht voor de continuïteit van mijn blog. Ik was daarom aangenaam verrast en blij toen ik een week geleden bij het Amsterdamse antiquariaat Boek & Glas een boekje aantrof dat ik onmiddellijk wilde kopen. 


Het gaat om een fraai in halfperkament gebonden exemplaar (met lichtblauwe, linnen platten) van Nederlands eerste gedrukte drukkershandboek: "Handboek ter beoefening der boekdrukkunst in Nederland. Voorafgegaan van eene beknopte geschiedenis dezer kunst" ('s Gravenhage, 1844). De anonieme auteur, tevens uitgever, was de boekdrukker en -verkoper Pieter Marius van Cleef Jzn. (1819-1858).


De belangstelling voor zijn uitgave was gering en in 1856 zou hij het boek nogmaals als titeluitgave (met kartonnen uitgeversband) op de markt brengen. Mijn aanwinst bevat een ex-libris ontworpen door Gerardus Pieter Lambertus Hilhorst (1886-1957) voor Alexander Wilhelm Barten (1877-1959). Barten was vijfendertig jaar directeur van de School voor de Grafische vakken in Utrecht. Ik kocht het boekje via Boekwinkeltjes bij antiquariaat Boek & Glas voor € 125,- euro (incl. verzendkosten). 


Antiquarisch wordt deze originele uitgave maar zeer zelden aangeboden, en vaak tegen veel hogere bedragen. Wel goed verkrijgbaar is de fotoherdruk van 1974, met een uitvoerige en informatieve inleidende studie van boekhistoricus Frans A. Janssen. Omwille van die studie kocht ik die voor twee tientjes erbij. Het boekje is overigens ook via Googlebooks te raadplegen. 


Janssen schrijft in zijn studie dat Van Cleefs 'Handboek' verscheen aan het einde van een periode van 350 jaar waarin het handwerk van het boekdrukken op houten persen vrijwel ongewijzigd was en nog vóór de grote veranderingen die de industriële revolutie in de boekdrukkunst teweeg bracht. Van Cleefs 'Handboek' richt zich tot collega-drukkers en mensen in het vak en is bedoeld als praktisch handboek met nauwkeurige zetinstructies, formaatschema's en vouwmethoden.


Ik kende deze uitgave al toen in 2010 Steven de Joode erover schreef op zijn blog 'The Library of Curiosities'. In "Handboek ter beoefening van de boekdrukkunst" beschreef hij zijn eigen exemplaar dat hij inmiddels, als antiquaar van Black Dog Rare Books, weer doorverkocht. Toen ik mijn nieuwe aanwinst thuis ontving besloot ik zijn artikel nog eens door te lezen. Ruim tien jaar geleden was ik best wel jaloers op zijn bezit en ontstak zijn bespreking bij mij een brandend verlangen. Ditmaal echter werd ik vooral getroffen door wat hij schreef over zijn exemplaar. Leest u even mee?


"Enkele jaren geleden wist ik zelf de hand te leggen op een exemplaar van de oorspronkelijke editie. Interessant genoeg bleek dit een ex libris te bevatten van A.W. Barten. Deze grafische deskundige was jarenlang directeur van de School voor de Grafische vakken in Utrecht, waar hij in 1942 afscheid nam. Hij bezat een fraaie bibliotheek die behalve vakliteratuur onder andere enkele incunabelen en postincunabelen bevatte. Barten paste zijn kennis toe in verschillende publicaties over de geschiedenis van de grafische techniek.
Zijn levenswerk vormde een uitgebreide typografische encyclopedie waaraan hij decennia lang werkte, zonder haar evenwel te publiceren. De encyclopedie werd, samen met zijn bibliotheek, in 1960 ter veiling aangeboden door A.J. van Huffel’s Antiquariaat te Utrecht.
De catalogus bevat 724 nummers, met als uitsmijter de encyclopedie in handschrift. In de veilingcatalogus wordt onder nummer 94 het Handboek beschreven, gebonden in half perkament. Interessant genoeg is mijn exemplaar echter gebonden in contemporain half leder. Kennelijk bezat Barten meerdere exemplaren".

Geen twijfel mogelijk, het exemplaar in half perkament dat onder nummer 94 in de veilingcatalogus 'Typographie et branches alliées' wordt beschreven is thans mijn eigendom! Barten bezat dus in ieder geval twee exemplaren van Van Cleefs 'Handboek'.

Ik wens u allen een gezond en voorspoedig 2021.

vrijdag 25 oktober 2019

De illustraties van Johanna Coster voor J.H. de Bussy


Geïnspireerd door een stukje over de uitgeverij Joh. Enschedé Haarlem en voorgeschiedenis van drukkerij C.A. Spin & Zoon op het weblog van Hans Krol 'Librariana' besloot ik eens te grasduinen in mijn bescheiden collectie jubileum-, reclame en propagandaboekjes van Amsterdamse uitgeverijen, drukkers en boekhandels. Het in 'Librariana' aangehaalde gedenkboek van de boek- en handelsdrukkerij C.A. Spin & zoon te Amsterdam (geschreven door J.W. Enschedé) bezit ik natuurlijk ook en antiquarisch wordt het voor schappelijke prijzen aangeboden (NB. er hoort een los, soms meegebonden, alfabetisch register bij!). Op de titelpagina van deze uitgave staat duidelijk vermeld dat de boekversiering werd verzorgd door Dirk (Hidde) Nijland (1881-1955).


Die nadrukkelijke vermelding leidde er toe in deze bijdrage aandacht te schenken aan een antiquarisch zeldzame propaganda uitgave van: "J.H. de Bussy Amsterdam uitgeverij en boekhandel. Boek- en steendrukkerij. Binderij en Linieerderij. Fabriek van cliché's. Stempelinrichting. Advertentiekantoor" (z.p. [Amsterdam], z.j. [vóór 1918]). De bladzijde voor de titelpagina meldt namelijk: "De in dit boekje voorkomende illustratie's en versieringen alsook de omslagteekening, zijn vervaardigd door Johanna Coster".


Johanna Coster (1893-1960) was de dochter van de Amsterdamse boekdrukker Simon Coster en Vrouwtje Goudeketting. Zij werd opgeleid aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam tot grafisch vormgever. In 1920 huwde zij met Henri Cohen. Na haar studie werkte ze als zelfstandig illustrator en modetekenaar voor het exclusieve Engelse modebedrijf Metz & Co Liberty. Haar eerste opdrachten waren voor deze firma. Daarnaast maakte zij in de jaren twintig (advertentie)tekeningen voor verschillende merken zoals voor Sunlight Zeep en Wrigley P.K. Kauwgom. In diezelfde periode startte ook haar illustratiewerk voor tijdschriften, school- en jeugdboeken. Een voorbeeld daarvan is de Lenie ten Heuvel-trilogie van Anna van Gogh-Kaulbach (1869-1960). De delen 'Een buitenkind' (1920), 'Lente' (1921) en 'De prullemand' (1922) werden door haar geïllustreerd. Haar tekenstijl toont verwantschap met Rie Cramer (1887-1977), Sijtje Aafjes (1893-1972) en Nelly Spoor (1885-1950).

Het werk voor J.H. de Bussy zal haar als dochter van een boekdrukker hebben aangesproken. Ondanks het feit dat juist deze uitgave haar in de reclamewereld bekendheid zou geven bleef het haar enige opdracht voor een uitgeverij en boekhandel.
Die bekendheid was niet in de laatste plaats te danken aan een lovend stuk dat verscheen in "De bedrijfsreklame. Officieel orgaan van de vereeniging tot bevordering der bedrijfsreklame" (Serie V, No. 6, Febr. 1919).


In het artikel van de hand van Ph. Cohen; "Een nieuw prospectus", lezen we ondermeer: "De kliché-pagina's worden voor een vierde deel ingenomen door een toepasselijke illustratie in kleur van Johanna Coster. Die illustraties zijn wonder-mooi van fijnheid en geestigheid. Ze pakken overal en vullen de kliché's, hoe mooi uitgevoerd, toch dode dingen, zo tintelend levendig aan". Het boekje imponeert, is rustig voornaam en artistiek. Uitgever en artiste hebben eer van hun werk - stelt Cohen - maar er is ook "Een enkel vlekje, helaas! De laatste drie pagina's bevattende de uitgaven en telefoonnommers dragen wat het tekstgedeelte betreft, geloven wij, de sporen van gezet te zijn zonder overleg met de medewerkende kunstenares. Wat jammer is, want nu is niet lest 't best!". Ter illustratie werd in dit nummer ook een bijlage opgenomen met enkele tekeningen die zij voor de prospectus van De Bussy maakte.


Cohen's artikel verklapt in de eerste alinea ook iets over het verschijningsjaar van deze ongedateerde brochure die volgens WorldCat uit ca. 1920 is. Dat was dus zeker twee jaar eerder en ik sluit niet uit dat het zelfs ergens begin 1917 was. Halverwege dat jaar rolde namelijk de vijfde druk van de pers van het "Adresboek voor de Nederlandsche Nijverheid en Export". In de brochure echter wordt nog geadverteerd met de vierde druk, die sinds 1914 verkrijgbaar was.

Dat Johanna's illustratieve vaardigheden in de reclamewereld hogelijk werden gewaardeerd blijkt ook uit het septembernummer van "De bedrijfsreklame" 1919 (Serie VII, september 1919, nr. 1) dat geheel door haar werd geïllustreerd, inclusief de omslag (zie foto boven dit artikel). Op de voorzijde kijkt een wijzende figuur ons indringend aan. Daarover lezen wij:
"Smaakvolle reklame, van artistenhand, is oppermachtig; zij is er eene, waarvan de vorm in juiste verhouding tot 't aangeprezen artikel is gekozen en door haar onomstootelijk 'gevoel van eigenwaarde' haar wil over den menschen zet. De titelplaat van Johanna Coster voor dit nummer bedoelt aldus den geest der reklame te verklaren. 'Hoort naar mij - zie naar mij - lichte, domineerende figuur. Ik, levendig van tint, snedig van lijn, doe kennen wat de aandacht verdient".
In een apart artikel door E. Liecken: "Johanna Coster", wordt haar "snedig werk voor den Debussy-catalogus" genoemd, "verradend haar rap besef van goed geschetste geconcentreerde activiteit op klein, pregnant bestek".


Uitgeverij en boekhandel J.H. de Bussy vond zijn oorsprong in 1868 in Veenendaal (verplaatste zich in 1872 naar Amsterdam) en heeft na diverse fusies, waarvan de belangrijkste in 1968 met drukker Ellerman Harms, tot rond 2000 bestaan. Het grootste gedeelte van archief van deze firma werd geschonken aan het Stadsarchief Amsterdam (toegangsnummer 1005) en beslaat (inclusief een aanvulling in 2006) circa tien meter. Sinds 1883 zat het hoofdkantoor (drukkerij en zetterij) van J.H. de Bussy aan het Amsterdamse Rokin, nrs. 60 en 62. Het directiepand nr. 62 werd in 1914 geheel nieuw gebouwd (wat wellicht een mooie aanleiding was om niet lang daarna deze smaakvolle brochure te laten drukken). Voorts zat op nummer 84 de exporthandel naar Oost- en West-Indiën. Deze drie monumentale panden bestaan nog steeds. Daarnaast was er een drukkerij/binderij in de Rustenburgerstraat (nr. 148) en Kuiperstraat.


De firma was met name actief overzee, bezat filialen in Zuid-Afrika (Pretoria en Kaapstad), en verzorgde veel drukwerk voor onze voormalige kolonie Nederlands Indie waaronder periodieken als: "De Indische Mercuur" en "De Indische Gids" naast: "standaardwerken op het gebied der cultures (Tabak, Thee, Koffie, Rubber, Suiker enz.) en op finantieel terrein (Fondsen-administratieboek, notitieboek voor den Bankclient enz.), Kaarten, Atlassen en tal van andere uitgaven".

Terug naar mijn brochure. De oblong uitgave (15,5 cm. x 24 cm.) in kartonnen omslag telt in totaal 96 bladzijden (blz. 94/95: 'Enkele der voornaamste uitgaven van de firma J.H. de Bussy' en blz. 96: 'De verschillende afdeelingen met hare telefoon-nummers').
Op vijfenveertig bladzijden staan foto's in verschillende sierkaders telkens ter rechterzijde geïllustreerd met een tekening, vaak in kleur, waarboven een omschrijving. Volgens WorldCat beschikken alleen de Koninklijke Bibliotheek en de bibliotheek van de Erasmus Universiteit Rotterdam over een exemplaar. Ik vond nog een derde exemplaar in een map met reclamedrukwerk van de firma in het Stadsarchief Amsterdam (1005, inv. nr. 329).


Net als voor het eerdergenoemde septembernummer 1919 van "De Bedrijfsreklame" tekende Johanna voor de gehele illustratieve vormgeving. Voor de voorzijde van de kartonnen omslag maakte ze een figuratieve omlijsting (in goud en smaragdgroen) waarbinnen de naam en vestigingsplaats van de firma ('J.H. de Bussy Amsterdam'). Voor het eerste blad tekende zij een drukkersvignet dat doet denken aan een volle boom met bladeren waarbinnen de letters 'JHdB'. Naast het strakke sierkader voor de titelpagina ontwierp zij ook de vijf verschillende sierkaders voor de fotopagina's.

De 45 ongenummerde foto's/illustratie's tonen (in de oorspronkelijke spelling met tussen haakjes het bladzijdenummer):
De perceelen Rokin 60 & 62 (5), Ontvangst-Hal van Rokin 62 (7), Directiekamer Rokin 62 (9), Het Gebouw Rokin 84 (11), Afdeeling Boekhandel (13), Afdeeling Tijdschriften (15), Afdeeling Boekhouding (17), Drukkerij Rustenburgerstraat 148 (19), Lettergieterij (21), Galvanische Baden (23), Het maken van Galvano's (25), Afdeeling Stereotypie (27), Zetterij van Boekwerken en Periodieken (29), Zetterij Afd. Waardepapieren (31), Zetterij (Rokin 60) Handelsdrukwerk (33),




Gedeelte der Zetterij Rokin 62 (35), Gedeelte der Drukkerij Rokin 62 (37), Gedeelte der Boekdrukkerij Rustenburgerstraat (39), Andere deel der Boekdrukkerij Rustenburgerstraat (41), Drukkerij Rustenburgerstraat afd. waardepapieren (43), Een kijkje in de afd. degelpersen Rustenburgerstraat (45), Degelpersen Drukkerij Rokin 60 (47), Gedeelte van het papiermagazijn Rustenburgerstraat (49), Kluizen op de drukkerij in de Rustenburgerstraat (51), Ontwerpen van Reclameplaten (53), Het graveeren op steen (55), Gedeelte der Steendrukkerij Rustenburgerstraat (57), Onze cliché-fabriek afd. fotografie (59), Retoucheeren van foto's en cliché's (61), Het etsen van cliché's (63),




Administreeren en bewaren van de cliché's (65), Boekbinderij. Vouwmachines (67), Gedeelte der Brocheerderij (69), Staaldraad- en Garennaaimachines (71), Het binden van kantoorboeken (73), Een gedeelte der binderij op Rokin 62 (75), Linieerderij (77), Enkele onzer papier-snijmachines (79), Stempelen van boekbanden (81), Hoogdruk (relief) stempelen (83), Brandkluizen in de kelders (drukkerij Rustenburgerstraat) (85), Schaftlokaal Rustenburgerstraat (87), Expeditie-afdeling (89), Expeditie van een order voor Oost-Indië (91) en: Afd. Advertentiekantoor (Rokin 60) (93).




De wereld van boekhandel en uitgeverij was duidelijk nog een mannenwereld. Alleen de boekbinderij/vouwmachines, de brocheerderij en de afdeling met staaldraad- en garennaaimachines worden geheel door vrouwen 'bemand', wat bij de eerste twee ook uit de illustraties blijkt.

Johanna Coster's oeuvre is bescheiden en doet tegenwoordig sentimenteel en gedateerd aan. Dat is ook logisch want vrijwel al haar illustratieve werk is van voor 1940. De prospectus voor J.H. de Bussy was een hoogtepunt in haar reclame werk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zette ze haar grafische talenten in voor verzetswerk en vervalste ze persoonsbewijzen. Toen ze in juli 1960 overleed waren er nog maar weinigen die zich haar illustratieve vaardigheden herinnerden evenals haar spraakmakende werk voor J.H. de Bussy.

vrijdag 10 augustus 2018

Een kruidtuin voor vrienden

Tal van uitgeverijen/drukkerijen hebben in de loop der tijd klein drukwerk uitgegeven dat gratis werd verspreid onder vrienden en zakenrelaties. Onlangs kon ik een complete serie bemachtigen (inclusief het zeldzame eerste deeltje) van de bekende tiendelige 'Kruidtuin' reeks, uitgegeven door de Haagse drukkerij/uitgeverij Trio. Een dergelijke aanwinst leidt bij mij altijd tot het uitzoeken van de achtergrondinformatie en het korte onderstaande bibliografisch overzicht is daarvan het resultaat.

Trio heeft bijna een eeuw bestaan. In 1894 namen drie - na een staking - ontslagen typografen; J. van der Kamp, C.J. Landman en W.J. van den Bogart, het initiatief hiertoe en werd Boek- en Handelsdrukkerij 'Trio', firma Landman & Co opgericht (vanaf 1 januari 1898 de N.V. Drukkerij Trio). Trio was destijds een van de weinige bedrijven waar het beginsel werd doorgevoerd dat de werknemers (zij die na een proeftijd van drie jaar in vaste dienst waren getreden) deelden in de winst van het bedrijf en dat zij met behulp daarvan een gedeelte van het in het bedrijf werkende kapitaal verkregen. Trio begon met acht man maar toen het vijftig jaar bestond werkten er vijfentachtig mensen. In 1989 werd Trio overgenomen door Mats Goemans Holding B.V. en veranderde de naam in Trio Goemans B.V. In datzelfde jaar werd het archief over de periode 1897-1988 aan het Haags Gemeentearchief geschonken.

Al voor de Tweede Wereldoorlog, rond 1930, werd bij Trio nagedacht over het verspreiden van geschenkjes in de vorm van kleine uitgaven voor vrienden en zakenrelaties 'om bekendheid te geven aan het vele, dat Drukkerij Trio vermag’. Het eerste ontwerp daarvoor werd geleverd door de bekende typograaf Piet Zwart (1885-1977) die ook al reclamedrukwerk voor deze uitgever had ontworpen. Zijn vormgeving voor deze eerste uitgave was destijds echter zo modern en vooruitstrevend dat Trio besloot het boekje niet uit te geven. Er werden slechts enkele proefdrukjes gemaakt waarvan er twee (verschillende) berusten in de collectie van Museum Meermanno in Den Haag. 

De eerste krantenvermelding van een relatiegeschenk van Trio voor zijn zakenvrienden vinden we in 'Het Vaderland' van 1939 en 1940. Daaruit blijkt dat er in 1939 een rijmprent werd uitgegeven met een gedicht van P.N. van Eyck (1887-1954) en geïllustreerd met een houtsnede van Nico Bulder (1898-1964). In 1940 verscheen een houtgravure van Dirk van Gelder (1907-1990) met enkele woorden van Johan de Witt (1625-1672). Beide uitgaven staan duidelijk in het teken van de oorlogsjaren.

Na de oorlog, vanaf 1946, verscheen een nieuwe serie uitgaven 'Van Trio aan zijn zakenvrienden' onder de noemer 'Typografische Kruidtuin'. Tussen 1946 en 1950 verschenen in totaal tien kleine (ca. 16 cm. x 10,5 cm) genummerde boekjes met tussen de negentien en dertig bladzijden:
1. "Over de betekenis van de drukkunst in het mensenleven" ('s-Gravenhage, 1948), door Ir. M.C.A. Meischke.
2. "Het zetfoutenduiveltje" ('s-Gravenhage, 1948), door Pater dr. B. Kruitwagen O.F.M.
3. "Sint Jan voor de Latijnse Poort. Schutspatroon der Schrijvers, Drukkers, Binders, Uitgevers en Boekverkopers" ('s-Gravenhage, 1946), door F. Kerdijk.
4. "Hoogtepunten in de typografie" ('s-Gravenhage, 1948), door H. van Krimpen.
5. "Inleiding tot den Manuale Tipografico van Giambattista Bodoni" ('s-Gravenhage 1946), 'korte vertaling uit het Italiaans' F. Kerdijk.
6. "Van minnaars en dwazen in boekenland" ('s-Gravenhage, 1949), door F. Kerdijk.
7. "Het spel van wit en zwart" ('s-Gravenhage, 1949), door Pam. G. Rueter.
8. "Drukkers in Venetië" ('s-Gravenhage, 1949), door F. Kerdijk.
9. "Afbeelding en Verbeelding uit de zetkast" ('s-Gravenhage, 1949), door D. Dooijes.
10. "De machinezetters kunnen naar huis gaan" ('s-Gravenhage, 1950), door F. Kerdijk.

Van de tien deeltjes nam Trio-directeur Ir. Frits Kerdijk (1879-1972) er vijf voor zijn rekening (nummers 3, 5, 6, 8 en 10).

Het meest bekend onder boekenliefhebbers is wellicht nummer 2: "Het zetfoutenduiveltje", door Pater Bonaventura Kruitwagen (1874-1954). Het is feitelijk een vermeerderde en verbeterde heruitgave van het eerder verschenen artikel "Hoe men vroeger drukfouten bij het publiek aandiende" uit 'Het Tarief', uitgegeven door de 'Federatie Der Werkgeversorganisatie in Het Boekdrukkersbedrijf' (Kerstnummer 1925, blz. 14 t/m 19). Het verscheen in 1925 ook als losse overdruk ('Niet in de handel') en is ook het enige deeltje uit de 'Typografische Kruidtuin' dat door Trio los werd herdrukt (1954).


Antiquarisch worden losse deeltjes van de 'Typografische Kruidtuin' regelmatig aangeboden. Vrij zeldzaam zijn het eerste en laatste nummer. Om met de laatste te beginnen; feitelijk was dit geen boekje maar een simpel vouwblad en dat kan een verklaring zijn voor zijn tegenwoordige schaarsheid.
Het eerste nummer: "Over de betekenis van de drukkunst in het mensenleven", door Ir. M.C.A. Meischke kon de uitgeverij al in zijn verschijningsjaar (1948) niet meer naleveren. Ook de overige beginnummers uit de 'Kruidtuin' serie waren al snel op zoals blijkt uit de mededeling in nummer 7 (1949). Daarin wordt tevens het voornemen geuit om na het verschijnen van deel tien de boekjes gebundeld uit te geven.


Die bundel zou ruim tien jaar later verschijnen onder de titel: "Uit de typografische kruidtuin. Een bundel grafisch allerlei herdrukt bij het 50-jarig bestaan van de afdeling typografie van de Eerste Technische School te ‘s-Gravenhage" ('s-Gravenhage, 1962) en bevatte alleen de tekst van de nummers 2, 3, 6, 8 en 9.

Naschrift

De 'Typografische Kruidtuin' was de eerste serie-uitgave voor vrienden en relaties, maar niet de laatste. In februari 2023 kon ik het zesdelige 'vervolg' aan mijn bibliotheek toevoegen. Deze verscheen onder de titel 'Monumenten der boekdrukkunst'. 


De geïllustreerde boekjes zijn iets groter (21 cm. x 15 cm.) en tellen tussen de 23 en 32 bladzijden. De volgende zes titels verschenen:
1. "Voorgangers van Coster en Gutenberg" ('s-Gravenhage, 1950), door F. Kerdijk.
2. "Blokboeken, een tussenspel in houtsneden: uit de voorgeschiedenis van stereotypie en galvanoplastiek" ('s-Gravenhage, 1951), door H. van Krimpen.
3. "De drukkunst der late Middeleeuwen en op de drempel van de Gouden Eeuw"
('s-Gravenhage, 1951), door L. Ronner.
4. "Van Renaissance tot Romantiek" ('s-Gravenhage, 1952), door H. de la Fontaine Verwey.
5. "Flitslicht op het tijdperk der mechanisatie (1850-1950)" ('s-Gravenhage, 1953), door
D. Dooijes.
6. "Het Boek der Boeken geschreven en gedrukt" ('s-Gravenhage, 1953), door. F. Kerdijk.


De derde -tevens - laatste serie van Trio verwierf ik compleet in oktober 2026. Deze werd uitgegeven onder de titel 'Curiosa Typografica' en bevat de volgende vijf deeltjes (20.5 cm. x 15 cm. 16 t/m 32 bladzijden).

I. E. de Beaumont: "Cervantes" ('s-Gravenhage, 1959).
II. E. de Beaumont: "William Blake" ('s-Gravenhage, 1959).
III. "Boec van den Houte. Legende van het Kruishout" ('s-Gravenhage, 1960).
IV. E. de Beaumont: "Mons. Cryptogame en zijn metamorphose"
('s-Gravenhage, 1960).
V. F. Kerdijk: "Terloops ook drukker" ('s-Gravenhage, 1961).