Posts tonen met het label Erotica. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Erotica. Alle posts tonen

vrijdag 20 januari 2023

Bij Scheltema Amsterdam, op de 4de verdieping...

Ik maak er tegenwoordig een gewoonte van om na mijn strooptocht over de vrijdagse Spui boekenmarkt ook boekhandel Scheltema aan het Rokin te bezoeken. Daar kan ik mij warmen aan de boekenberg en tevens mijn blaas op aangename wijze legen i.p.v. ongemakkelijk en gehaast in zo'n kouwe krul op één van de grachten. Vervolgens bezoek ik de kast met nieuw verschenen geschiedenisboeken over Amsterdam e.o. en blader wat door verschillende uitgaven die ik ooit nog wel eens zal kopen, maar voor tweedehands (kringloop)prijzen. 


Afgelopen december bijvoorbeeld trof ik daar een stapel aan met het boek van Ranjith Jayasena: "Graaf- en Modderwerk. Een archeologische stadsgeschiedenis van Amsterdam" (Amsterdam, 2020). De vroegste geschiedenis van de stad laat zich alleen door het bodemarchief kennen en ik heb een (jeugd)zwakte voor archeologie. Ik stond op het punt om er eentje af te rekenen bij de kassa, maar toen ik voor alle zekerheid Boekwinkeltjes raadpleegde zag ik daar een exemplaar - als nieuw en inclusief verzendkosten - voor twaalf euro! Meteen besteld dus... (Uiteindelijk - maar dat wist ik toen nog niet - zou ik er slechts vijf euro voor betalen, omdat de verkoper het boek thuis bezorgde op weg naar een afspraak).

De ware boekenliefhebber bezoekt bij Scheltema natuurlijk ook de bovenste, vierde, verdieping waar de antiquarische en tweedehandsboeken staan. Ik maak daar vaak een praatje met Marc de Jong (die ik ooit als 'jongste bediende' bij De Slegte in de Amsterdamse Kalverstraat leerde kennen). Dan gaat het natuurlijk over het boekenwereldje maar ook over wat er aan nieuws is binnengekomen. Vaak is dat relatief jong maar wel bijzonder drukwerk voor bescheiden prijzen. Voor een bibliofiele omnivoor - zoals ik - is de verleiding soms te groot en onlangs nog zijn er twee items verhuisd naar mijn bibliotheek.


De eerste trof ik daar afgelopen december aan op de toonbank; "Bajesmaf" (Amsterdam, 1974). Boekjes over de bajes, gevangenis, lik of hoe je het ook noemen wilt interesseren mij en ik schreef er al eens eerder over (zoals hier en hier). In september vorig jaar kocht ik nog via Marktplaats: "Uit de cel. Schetsen en beelden uit de gevangenis" (Amsterdam, 1876). Eén van de meer interessante uitgaven van predikant en veelschrijver E. Laurillard, fraai gebonden in groen linnen band met goud op snee. 

Toen ik nieuwsgierig bladerde door "Bajesmaf" zag ik dat deze uitgave is verschenen bij een tentoonstelling met tekeningen van Siet Zuyderland (met als thema de gevangenis) in het Stedelijk Museum Amsterdam. Het bleek al gauw niet zomaar een exemplaar, maar eentje met een handgeschreven gedicht van P.C. Hooftprijswinnaar (1994) H.J. Marsman, pseudoniem J. Bernlef (1937-2012). 

Het gedicht "Leeg Celinterieur" is gesigneerd en komt niet voor in het gedichtenoverzicht "Achter de rug. Gedichten 1960-1990" (Amsterdam, 1997)! Tevens heeft Siet Zuyderland daaronder zijn handtekening gezet, in een tekeningetje van traliewerk. Voor € 60,- werd ik de nieuwe eigenaar. 

"Leeg Celinterieur, 

De muren wachtend op hallucinaties 
het verankerd prikbord opgeschoven door 
de spiegel op een man zittend op bed 
die van de cementspetters voor zijn schoenen 
naar de matglazen celruitjes net zo lang 
wacht tot hij kijkt. 

J. Bernlef".


Van geheel andere aard is de tweede aanwinst waarop mijn oog vorige week viel.
De "Kunstlullenkalender 1993" (z.p. [Amsterdam], 1992)... Dertig jaar oude gekkigheid van de bovenste plank gedrukt (285 mm, hoog x 175 mm breed) in een bibliofiele oplage van 150 exemplaren in ongebruikte staat met een toelichting gedrukt op geel papier en een blauw buikbandje ("Let op Deze kalender kan voor sommige mensen schokkende beelden bevatten"). Wie heeft er nog eentje? Inmiddels zal het wel gaan om een uniek exemplaar...


Lay-out en opmaak zijn van ene Seth Jansen (die destijds een grafisch bedrijf had in de Derde Schinkelstraat 27 in Amsterdam) en de toelichting erbij vond ik wel komisch.
"'U had van te voren moeten zeggen wat voor kalender het zou zijn', zegt de binder tegen mij over de telefoon. 'Ik heb hier twintig dames rondlopen die ik moeilijk deze kalender in elkaar kan laten zetten. Dat moet ik de mannen laten doen. Maar dit gaat u wel 50 cent per kalender meer kosten, want dit moet s'avonds gebeuren als de vrouwen naar huis zijn. Het zijn nogal schokkende foto's, moet u weten'.
Ik biedt mijn excuses aan en sputter nog tegen dat de foto's toch niet echt schokkend bedoelt zijn. De man neemt genoegen met mijn excuses en hangt op.

Prettige kerstdagen en een voorspoedige jaarwisseling.

Seth Jansen".


Blijkbaar was Seth meer kunstzinnigs van plan want zijn "Kunstlullenkalender 1993" is "deel 1 uit de serie Hoogtijd". Voor een paar tientjes werd nummer 116 van mij. Het leek mij interessant om te horen wat de geschiedenis was achter deze malle kalender, onbekende uitgever en zijn spoorloos verdwenen uitgaven. Ik besloot een poging te wagen om in contact te komen met Seth Jansen en vond na wat Googelen een bruikbaar email-adres.
Ik ontving het hiernavolgende uitvoerig bericht van hem.


"Beste Perkamentus,

Dank voor de digitale toezending van de ‘Kunstlullenkalender’. Zo had ik het ook in mijn gedachten zitten, maar leuk om weer eens te bekijken en aan Mariette te laten zien. Hierbij wat informatie over mijzelf, mijn grafische activiteiten en - zo goed mogelijk - over ‘Hoogtijd’. Als je nog vragen/opmerkingen hebt dan hoor ik wel.
Fijne dag en groet,

Seth Jansen.

Ik ben geboren op 14 oktober 1964 in Hoorn en heb de Grafische MTS in Amsterdam voltooid in 1987. Daarna ben ik gaan werken als assistent grafisch vormgever bij NBBS reisorganisatie bij grafisch ontwerpers Jaap Jongert en Bas Oudt. We zaten toen in bij drukkerij Debussy Ellermans & Harms, Warmoesstraat Amsterdam. Ik heb daar anderhalf jaar gewerkt. In januari 1989 kocht ik mijn eerste Apple Macintosh SE, en begon ik voor mijzelf. Het waren de beginjaren van de overname van de Apple ontwerpcomputer in de grafische industrie. Veel losse vakgebieden (opmaak, typografie, fotografie, illustratie etc.) kwamen op den duur samen op de Apple. Dit leidde tot een revolutie in de grafische industrie, maar ook tot ontslagen en sluiten van allerlei soorten grafische bedrijven.

Ik ben zelfstandig (assistent)grafisch vormgever geweest van 1989 t/m 1999. Ik heb op diverse plekken gewerkt. Geldersekade/Kloveniersburgwal/Nieuwe Spiegelstraat (1989-1992), Derde Schinkelstraat (studio met andere zelfstandigen, 1992-1995) en Westlandgracht (thuis, 1995-1999).
Mijn opdrachtgevers waren o.a. particulieren, andere vormgevers (o.a. Lex Reitsma Stedelijk Museum, Nederlandse Opera), allerlei soorten kleine/grote bedrijven (drukkerijen en uitgeverijen (o.a. Meulenhoff, Spaarnestad, Weekbladpers)).

De Apple revolutie van de grafische industrie leverde veel werk op en omdat er nog niet veel mensen op een Apple werkten werd ik vaak binnen gehaald als whizzkid. Wat ik niet was, maar ‘in het land der blinden is 1-oog Koning’. In 1992 was ik bijzonder moe van al dat digitale werk voor anderen en de regelmatig 7-daagse werkweken.
Ik ben op de Grafische MTS nog opgeleid met loden letters, Heidelpers etc. en miste het ambacht van zelf maken. Zonder opdrachtgevers, deadlines, stress en geleuter van anderen. Met veel plezier een mooi grafisch uitgave maken. Zo is 'Hoogtijd' ontstaan. De onderwerpen waren zaken die mij bezighielden. Ik heb alles zelf betaald, maar weet niet meer wat de kosten waren.

'Hoogtijd' was niet echt voor de verkoop. Ik stuurde het naar mijn klanten, vrienden en bekenden. En nieuwe klanten als eigen presentatie i.v.m. ‘kijk dat kan ik nog meer’. Dat werd niet altijd op prijs gesteld. Diverse kalenders werden teruggestuurd. Of het onderwerp (bv. bij Mieke) werd niet begrepen of leidde tot schrikreacties (‘moet je geen hulp zoeken?’).

Ik heb de 'Kunstlullenkalender' en 'Mieke' (1 of 2 stuks) in consignatie aangeboden in een aantal boekhandels. Bv. in de Staalstraat, Amsterdam zit/zat een kunstboekhandel en Athenaeum, Spui, Amsterdam. Deze verkochten allerlei zelfgemaakte kleine oplage boekjes, leaflets etc. Ik ben wel eens teruggegaan naar deze winkels om te kijken of mijn uitgave er nog stond. En soms was dat ook zo. Maar ik heb nooit afgerekend met de winkel als de uitgave er niet meer stond. Het was gewoon leuk om daar een eigen uitgave op de plank te hebben staan. Er zijn vier delen 'Hoogtijd' gemaakt.


1. Kunstlullenkalender 1993 (1992).  

Oplage 150 exemplaren. Geen exemplaar in mijn bezit. Omslag 2 kleuren, binnenwerk zwart/wit. 
Ik heb lange tijd op verschillende adressen in de binnenstad van Amsterdam gewerkt en na het werk liep/fietste/ging ik stappen in het Wallengebied. Etalages zijn altijd leuk om te kijken. En de etalages van seksshops staan altijd vol en zijn heel kleurig. Ik heb destijds diverse seksshops bezocht om kunstlullen te bekijken/kopen. In de Warmoesstraat was destijds
(en is nog steeds) ook de Condomerie. Leuke kleurige winkel. Ik had bij elke maand een evenement bedacht dat bij de maand paste (maand oktober, Dierendag) en daar een kunstlul/voorwerp bij gezocht. 
Ik sta zelf niet in de kalender (februari/een vriend, september/een broer). Ik heb alles zelf gefotografeerd in zwart/wit, vanwege de te hoge kosten van vierkleurendruk.  
Het drukken/ afwerken leidde wel tot vragen bij de drukker. Het was geen doorsnee drukwerkje. De afwerker wilde het uiteindelijk wel afwerken, maar alleen als de vrouwelijke medewerkers er niet waren, na werktijd en ik moest ook extra betalen. Vandaar het later bijgevoegde briefje en verpakking met ‘let op’ sticker.  

2 Mieke (1994).  

Oplage onbekend. Geen exemplaar in mijn bezit. Boekwerkje, vierkant, 28 cm, Omslag 2 kleuren, binnenwerk zwart/wit. Omslag was rechts dicht. Om de inhoud te zien moest het omslag rechts opengeknipt worden. Vier zwart/wit foto’s, gemaakt door Jerzy Frigge, gedrukt op spinnenwebmotief transparant papier (wat in de fotoalbum zit tussen de pagina’s). 
Tussenblad mooi papier met tekstje.
Vernoemd naar Mieke Telkamp – Waarheen, waarvoor. Songtekst. Destijds een veel gevraagd lied op begrafenissen. Inspiratie Gavin Friday and Maurice Seezer - Each man kills the thing he loves. Songtekst. When you’re sad and when you’re lonely and you haven’t got a friend. Just remember that death is not the end. And all that you’ve held sacred, falls down and does not mend. Just remember that death is not the end. Not the end... not the end.
Onderwerp over depressie/zelfmoord/reïncarnatie. Foto 1. De middelen. 2. Uitvoering 3. Opbaring 4. De terugkomst. Ik was zelf het gefotografeerde onderwerp. Alweer jaren geleden kwam ik er bij toeval achter dat Mieke is opgenomen in de bibliotheek van het Rijksmuseum.

3. Kill da Fuck (1995).

Oplage 25 exemplaren. Geen exemplaar in mijn bezit. Affiche A1. Vierkleuren zeefdruk. 
Een vriend had apparatuur om te zeefdrukken. En daar heb ik staan zeefdrukken. Graffiti-achtig ontwerp met schietschijfpersoon (wat je op een schietschijf van de politie wel ziet in Amerikaanse films). Observatie over agressie in het verkeer. Ik reed veel op de fiets door het verkeer in Amsterdam en zag regelmatig veel agressie. De tekst op het affiche roept de agressieve verkeersdeelnemer op om vooral te relaxen en thuis voor het affiche te gaan staan en dan denkbeeldige te schieten op het doelwit. En dan roepend: ‘Kill-da-fuck’! 

4. Knijntje (1996). 

Oplage onbekend. Geen exemplaar in mijn bezit. 10 x 10 cm boekje. Vierkleurendruk op eigen betaalbare kleurenprinter/plotter. 
Handgebonden. Dat was net een nieuwe uitvinding van de industrie en zeer geschikt om kleine oplages te printen. 
Dick Bruna - Nijntje illustraties/kinderboekjes als inspiratiebron. Ik zag steeds meer familie/vrienden kinderen krijgen, maar dat leidde soms tot te weinig opvoeding en irritante kinderen. Klein boekje (4 pagina’s), elke pagina een digitaal gemaakte illustratie, over het kind dat de omgeving terroriseert.


Eind 1999 ben ik gestopt met mijn werk als zelfstandig grafische ontwerper. Het werd me allemaal te digitaal/technisch met veel programmeerwerk (internet) en te veel concurrentie met steeds lager wordende uurprijzen. Ik ben biologisch dynamisch landbouw gaan leren (tweejarige opleiding), heb gewerkt op de zaterdag Noordermarkt, Amsterdam (groenten/fruitboer) en bij allerlei gangbare/biologische boeren. 
Tussen 2005 t/m 2017 was ik zelfstandige tuinder/kok/organisator van tuinfeesten/trouwerijen van vruchtentuin den Heyligen Berg van Landgoed de Heijligenberg, Leusden.
Sinds 2018- heden ‘Lichtfladderaars’ samen met mijn vrouw Mariette. Grafisch vormgever, administrateur, manusje-van-alles. En vanaf eind 2019 ons nieuwe huis voor 95% zelf volledig gestript en duurzaam verbouwd (isolatie, gasloos, warmtepomp, zonnepanelen, waterrecycling)".

U begrijpt wel, waarde lezer, dat de overige deeltjes van de reeks 'Hoogtijd' inmiddels op mijn zoeklijstje staan. Ik heb weinig hoop, maar prijs mij gelukkig dat ik in ieder geval met mijn blog het verhaal achter deze bijzondere aanwinst - evenals de geschiedenis van de uitgever/vormgever en zijn reeks 'Hoogtijd' - aan de vergetelheid heb ontrukt.
Dat heeft die gelauwerde Bernlef niet nodig...

donderdag 6 mei 2021

Tongzoenen met Bilderdijk


Anno domini 2021, op de 30ste dag van de maand april, kwam er een einde aan de beklemmende Corona lockdown en avondklok. Opgelucht (maar hier en daar nog wel met mondmaskers) kon er weer worden ademgehaald. Nog diezelfde dag was er sinds lange tijd een vrijdagse boekenmarkt op het Amsterdamse Spui. Toeval of niet, Perkamentus had een vrije dag! Een klein mirakel gezien mijn onregelmatige werkrooster en dus besloot ik onmiddellijk gebruik te maken van de gelegenheid om weer eens ouderwets te gaan sneupen en (bij)kletsen.

Tegen het middaguur was ik ter plaatste om mijn snuffelronde(s) langs de boekenkramen te maken. Een frisse dag, overwegend droog met af en toe een lichte bui motregen. Dat laatste mocht de pret niet drukken, zonder uitzondering waren de aanwezige boekhandelaren en boekenliefhebbers blij dat een bezoek aan hun boekenmarkt weer mogelijk was. Axe van Maanen van antiquariaat Klikspaan (Leiden) begroette mij vriendelijk en overhandigde mij hun traditionele nieuwsjaarsuitgave voor vrienden en relaties: "Verbreek nooit een oude rooilijn! Huizinga over stadhuis en stadsschoon in Leiden" (Leiden, 2021), geschreven door Huizingakenner G.A.C. (Anton) van der Lem. Perkamentus ontving nummer 161 (van de 250).

Al pratende over koetjes en kalfjes bepotelde ik de rij oude boekjes voor mij en trok er af en toe eentje uit voor een nadere inspectie. Plotseling had ik tot mijn grote voldoening een eerste druk in handen van: "Bloemtjens" (Amsterdam, 1785) geschreven door Willem Bilderdijk (1756-1831). Uit het bescheiden naamstempeltje voorin bleek dat het boek ooit stond in de bibliotheek van (mr.) A.G. Prins Visser (1861-1895). Voor de bescheiden prijs van zes tientjes werd ik de nieuwe eigenaar.

Trouwe lezers herinneren zich wellicht hoe ik acht jaar geleden schreef over de aanschaf van Bilderdijks erotisch debuut: "Mijn verlustiging" (Leiden/Amsterdam, 1781). Een bijzonder exemplaar van de handelseditie met 29 door Bilderdijk zelf gegraveerde vignetten (i.p.v. zoals meest gebruikelijk 28). Overigens werd die uitgave nog gebonden in een fraaie typisch 18de eeuwse band.
"Bloemtjens" mag worden beschouwd als een volwaardige opvolger; een tweede erotische uitgave van Bilderdijk, net als "Mijn verlustiging" geïllustreerd met vijfentwintig door de auteur zelf gegraveerde kleine maar fijne vignetten (inclusief titelvignet). Toch zit er een groot verschil tussen beide boekjes. De liefdespoëzie van "Mijn verlustiging" vind ik tamelijk onleesbaar en doet mij nog sterk denken aan een classicistische stijloefening, vol metaforen en versluierende symboliek; "Bloemtjens" daarentegen ademt onverhulde brandende hartstocht van een hopeloos verliefde Bilderdijk aan de vooravond van zijn huwelijk met Catharina Rebecca Woesthoven (1763-1828). 


In deze uitgave staan de befaamde drie gedichten "Kusjens". Het meest betamelijk is de laatste die diverse soorten kusjes benoemt, zoals de onschuldige kinderkus, de gevoelige vriendenkus, de eerbiedwekkende vaderkus en de zachte koele zusterkus. De eerste twee daarentegen laten aan erotische verbeelding niets te wensen over. Met name in de eerste beschrijft Bilderdijk op expliciete wijze de techniek van het tongzoenen. Leest u even mee?


"Duizendvoudig zijn de kusjens,
Die de teêre minnelustjens
In't gevoelig hart ontgloên,
En den brand der liefde voên.
Maar, indien gij wilt beminnen,
Schoone strookster van mijn zinnen,
Hoor, wat kusjens ik verlang,
Als ik aan uw' boezem hang!

Schenk me, ó voedster van mijn lustjens,
Druk me zulke vochte kusjens,
Dat uw tong de mijne streelt,
En er krullend mede speelt;
Even als de geile mussen
In de May elkander kussen,
Of het lieve tortelgoed
In het trekkebekken doet!
Laat uw hart door heete zuchtjens
Tuigen van uw zielsgenuchtjens,
Dat uw malsche boezem zwoegt,
Als ge uw lipjens met mij voegt,
En mijn halfverdronken oogen
Zich in de uwen blind zien mogen.


Hoor nu, hoe gij in den gloed
't Kussend mondtjen zetten moet,
Om het zoetste zoet te koopen.
Niet te dicht, en ook niet open.
Laat één plaatsjen (zoo is 't wel!)
Voor ons beider tongenspel:
Dat mijn zachte tandenbeetjens
Door diebalsemige reetjens
Booren mogen zonder pijn:
En uw tongetjen het mijn
Zacht ontmoeten, lieflijk klemmen,
Bevend in uw mondtjen zwemmen,
Tot het, spartlend van vermaak
Aan mijn tong geschakeld raak.


Dan zal ik het zuigen, strelen,
Zoeken 't aan uw' mond te ontstelen:
'k Zal het bijten, en mijn dorst
Met den adem uit uw borst,
Met het bloed, er uit te leken,
Koelen, lesschen, meer ontsteken;
Zetten borst en ingewand
Door die terging in den brand;
Dat het overstelpte harte
Van genoechelijke smarte
In ons beider binnenst zwelt,
En van fijn gevoel versmelt;
't Geen het op de vochte tippen
Onzer natbedaauwde lippen,
Met een bevend zacht geluid,
Door een teder lispen uit:
Dat en ziel en adem tevens,
Met het overschot des levens,
Dat in onze boezem slaat,
In elkander over gaat;
En wij, in aâmechtig hijgen,
Spraak-, gevoelloos, nederzijgen."


Over de totstandkoming van zowel "Mijn verlustiging" als "Bloemtjens" en Bilderdijks relatie met zijn uitgever P.J. Uylenbroek (1748-1808) zijn we vrij goed geïnformeerd dankzij de correspondentie tussen beiden die door het Arnhemse antiquariaat Gysbers en van Loon in Wenen werd teruggevonden en in 1980 door het Bilderdijkmuseum (en de Koninklijke Bibliotheek) kon worden gekocht. In het artikel dat W.F.G. Breekveldt (1935-1990) daarover schreef in "Voortgang" (jaargang 4, 1983) lezen we dat Bilderdijk zich zeer nadrukkelijk bemoeide met zijn uitgaven. Hij becommentarieerde de gebruikte papiersoort, discussieerde over de lay-out en graveerde zelf de illustraties. "Bloemtjens" werd weliswaar al in 1785 in de drukkerij van Uylenbroeck gezet maar zou - anders dan het op het titelblad vermelde jaar MDCCLXXXV - pas eind 1786 verschijnen. Die vertraging was mede te wijten aan de verlate levering van talrijke gegraveerde vignetten. Uit een bewaard gebleven proefdruk in de collectie van het Rijksmuseum (objectnummer RP-P-1888-A-13687) met acht illustraties voor "Bloemtjens" blijkt dat Bilderdijk meerdere vignetten op één etsplaat graveerde (die later werd versneden).


Zeer waarschijnlijk is niet al het illustratiemateriaal dat Bilderdijk naar Uylenbroek stuurde gebruikt, maar desondanks was het resultaat "een mooi boekje, vol jonge erotiek, meisjesklacht en pastorale flirt, kusjes, en ridderlijkheid naar de echte trant; maar sinds die teksten werden neergeschreven waren twee jaar voorbijgegaan, en Bilderdijks omstandigheden hadden zich ingrijpend gewijzigd. Als Uylenbroek hem de eerste exemplaren per post aanbiedt, moet Bilderdijk zijn antwoord beginnen met: Mijn hart is gants niet gesteld om veel met het antwoord op uw aangenaamen van gisteren, bezig te zijn: mijn jongste dochtertje is dezen voormiddag gestorven, en mijn vrouw bitterlijk aangedaan.
Hij doelt op Wilhelmina Photina Elisabeth, het tweede kind, op 7 september van dat jaar geboren (brief van 20 december 1786). Toch gaat Bilderdijk in op een paar details; sommige vignetten vindt hij ‘zeer bleek’, en ‘omtrent de stokjes (liggende streepjes tussen de tekst?) zijt gij zuinig geweest.'
De oplage besloeg vermoedelijk circa vijfhonderd exemplaren waarvan er volgens Breekveldt nog 245 bij de uitgever lagen toen het fonds van Uylenbroek in 1809 werd geveild. Ergens in Uylenbroeks magazijn tussen al die bedrukte maar nog ongebonden katernen vol vuur en passie zal ook mijn exemplaar hebben gelegen. Het vond pas één of twee decennia later een koper die het liet binden in een typisch vroeg negentiende eeuwse halfleren band met gemarmerde platten. 

donderdag 15 april 2021

Vijf 'vieze boekjes'

In de tweede helft van de negentiende eeuw stond de Amsterdamse uitgever en boekverkoper Albert van Klaveren (1849-1891) bekend om zijn 'vieze boekjes'. Van Klaveren's veelomvattend fonds bevatte niet alleen 'realistische romans' (erotische lectuur) maar ook een hele trits aan pseudo populair-geneeskundige boek- en plaatwerken. Daarin draaide het vooral om de beeldende 'zinnenprikkelende' beschrijvingen die destijds (toen zelfs ontblote damesenkels nog voor blozende wangen zorgden) als uiterst pikant werden ervaren. Vele tienduizenden moeten er zijn verkocht.


Nop Maas verhaalt uitvoerig over hem in zijn onvolprezen boek: "Seks!... in de negentiende eeuw" (Nijmegen, 2006) en schreef: "Helaas zijn van een behoorlijk deel van zijn uitgaven geen exemplaren meer terug te vinden. Bezitters van de werken zullen ze in een aantal gevallen vernietigd hebben voor hun dood, en anders zullen weduwen en andere nabestaanden de reputatie van de overledene hebben beschermd door het belastende papier aan de vlammen prijs te geven, De vermelding in een catalogus van Van Klaveren is soms het enige spoor dat van een boek rest" (blz. 148). De naam 'Van Klaveren' werd welhaast synoniem voor het genre en tot ver na zijn dood verschenen er uitgaven onder zijn naam. Dat kwam omdat de ondernemende Amsterdamse boekhandelaar Dirk Buys Dz. na het overlijden van Van Klaveren de bedrijfsnaam evenals een groot deel van het fonds had overgenomen van zijn weduwe. Daaronder bevond zich ook 'Van Klaveren's Geïllustreerde Volksbibliotheek van het geslachtsleven'.


Uit krantenadvertenties blijkt dat deze serie in 1903/1904 op de markt verscheen. Uiteindelijk zouden de volgende vijf thema's verschijnen: I: "Het normale Geslachtsleven", II. "Het negatieve Geslachtsleven", III. "Organische ziekten van het Geslachtsleven", IV. "Zielsziekten van het Geslachtsleven" en V. "Afwijkingen van het geslachtsleven". Elk thema telde vijf boekjes van 25 cent per stuk.
Enkele weken geleden dook er plotseling op Boekwinkeltjes een compleet ingebonden setje op van: "Het negatieve Geslachtsleven". Ik hapte meteen toe want ik verzamel al sinds lange tijd de pikante onderwerpen die hierin worden behandeld, zoals u kunt lezen in mijn blogs: "De 'Z' van Zelfbewaring (Zelfbesmetting en Zelfbevlekking)" en "Vrouwenbeschutting", maar bovendien had ik nog geen van deze titels in mijn collectie. 


Het convoluut dat ik kocht werd gebonden in halflinnen band met gemarmerde platten en bevat de volgende titels:
1. W. Siegert: "De Onanie". Door W(ilhelm) Siegert, 'naar den 2en druk uit het Hoogduitsch'. Hoogstwaarschijnlijk gaat het om: "Die Unkeuschheit, ihre Ursachen, Folgen und wirksame Bekämpfung: Heilung de Onanie und ihrer Folgen" (Berlin, 1896).
2. P. Mantegazza (1831-1910): "Het onvermogen". Bevat als aanhangsel (blz. 57-60): "De oorzaken van het onvermogen en zijn geneeswijze. Fragment uit 'El Ktab' door Paul Régla". Daarna volgen twee bladzijden met uitgeversreclame. 
3. P. Mantegazza: "De onvruchtbaarheid en de kunst van de voortplanting". 
4. H. Schröder: "De nieuwste middelen ter voorkoming van zwangerschap". Bevat een aanhangsel (blz. 62-70) met de nieuwste ontwikkelingen op dit gebied zoals "de atakos van dr. Justus" (Justus von Liebig) inclusief aan het eind twee pagina's met een geïllustreerde beschrijving van voorbehoedsmiddelen die de firma L. Pool & Zonen in Amsterdam kon leveren. 


De tekst is identiek aan het derde (en grootste) gedeelte van de brochure van dr. Edw. Smithson: "De toepassing der voorbehoedmiddelen met afbeeldingen ter voorkoming v. zwangerschap, overbevolking en hoe haar te voorkomen" (uitgegeven door C.J. Koster Azn., Amsterdam, 12de druk, z.j. [1929]). Ook de voorbehoedsmiddelen (van de firma L. Pool & Zonen) zijn, zonder prijzen of beschrijving, overgenomen en staan verspreid door de tekst.


Anders dan de krantenadvertenties deden voorkomen (en zoals ik al schreef) ging het natuurlijk niet om serieuze populairwetenschappelijke medische uitgaven. Wie daarover nog in twijfel mocht verkeren werd in andere krantenartikelen al gauw uit de droom geholpen. Zo schreef ene 'Arts': "Deze serie van boekjes, beschrijvend het geslachtsleven en al wat hier aan vast zit, een druppel uit de stroom van literatuur het geslachtelijk leven behandelend, behoort allerminst tot aanbevelenswaardige lectuur. Van de vroegere ongezonde opvatting om kinderen en ouderen onkundig te laten over alles wat samenhangt met de geboorte, het geslachtsleven, en de veelvuldig voorkomende afwijkingen, zijn wij thans gekomen tot het andere uiterste, dat Jan en alleman zich gerechtigd acht over deze moeilijke onderwerpen te schrijven. En wanneer de titel bevat de zelfstandige naamwoorden: huwelijksleven, onanie, geslachtsleven, enz. dan heeft de uitgever de vrij grote zekerheid dat het boekje vlot verkocht zal worden. En van deze zekerheid wordt maar al te gretig gebruik gemaakt om onder het mom van door 'goede' voorlichting de menschheid van den kwaden weg af te houden, boeken aan den man te brengen, welke door griezeligheden en verhalen van uitspattingen op geslachtelijk gebied met graagte gelezen worden. De boekjes door v. Klaveren uitgegeven bevatten deels ontleedkundige beschrijvingen, voor de gewone menschen niet te begrijpen door veel vreemde namen en daarbij vaak onjuiste, deels voorstellingen, raadgevingen en beschrijvingen waarvan de eene al onjuister en onzinniger is dan de andere. Daartusschen zijn weer gedeelten die goed en frisch geschreven zijn, en dit maakt de lezing zoo gevaarlijk, daar de lezer getroffen door juiste opmerkingen, de rest voor zoete koek slikt. Dan komt daar nog bij dat de uitgever zich veroorlooft uit de werken van Mantegazza hier en daar wat bijeen te zamelen, en die gedeelten welke uit een opvoedkundig oogpunt minder geschikt zijn. Wij moeten dus den arbeiders raden hun geld beter te besteden" (Het volk; dagblad voor de arbeiderspartij, 19-11-1903).


Ook in de onlangs verschenen publicatie van Bert Sliggers: "De zedeloze jaren 30.
De gebroeders Taurel en de handel in erotica" (Amsterdam, 2020) komt deze serie ter sprake. Sliggers schreef: "Veel van deze werkjes goten een wetenschappelijk sausje over verhalen die weinig voorlichtend bedoeld waren. Zo las men in 'De geheime en openbare prostitutie' van A.J.B. Parent-Duchatelet uit 1903 dat ter bevordering van de zedelijkheid eerst de walgelijke misstanden moesten worden blootgelegd om de sluier op te lichten die de vreselijke praktijken had toegedekt. Daarom diende de lezer geïnformeerd te worden over de zwaarlijvigheid van sommige prostituees, de verandering van hun stem en 'de staat van haar aars'. De inhoud van dergelijke boekjes kon wedijveren met een zedeloze roman" (blz. 87/88).


In een krantenadvertentie van maart 1904 pochte de uitgever dat er al 10.000 delen van 'Van Klaveren's Geïllustreerde Volksbibliotheek van het geslachtsleven' over de toonbank waren gegaan. Wie allemaal kocht en las die viezigheid? "Ge begrijpt, m'n goede menschen, dat de lui die zulke boekjes koopen, jonge lui bijvoorbeeld, dit uitsluitend doen uit wetenschappelijke belangstelling. Ge begrijpt dat men de hééle serie koopt, de geheele Volksbibliotheek -
(V ò l k s b i b l i o t h e e k! verstaat ge?) - alleen om zich te ontwikkelen, en niet uit vuile, met opzet aangewakkerde nieuwsgierigheid naar wat er laags, en verrots, en ellendigs, en hartverscheurends door ongelukkige gedegenereerde menschenkinderen wordt gedaan.
Gij begrijpt dat 'Het Ziekelijk geslachtsleven voor de rechtbank' en de 'Vruchtafdrijving' niet door jonge meisjes gekocht wordt, of door jeugdigen knapen die er verkeerde gewoonten door aannemen... of erger. Ge begrijpt dat oude wellustelingen niet zwelgen in No.2 van die edele Vierde serie ('De pederastie en het saphisme') Dit begrijpt ge toch, niet waar??" (Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, 1-10-1904). 
Ja, wij begrijpen het maar al te goed!

vrijdag 20 december 2019

Begeerlijk proefschrift


"Onvindbaar, maar ik blijf zoeken" schreef ik vorig jaar in mijn blogbijdrage "Blanke slavinnen; een bibliografie", bij nummer 12 van de lijst, het academisch proefschrift van W.L.A. Collard: "De ‘handel in blanke slavinnen’" (Amsterdam, 1900).
Inmiddels is die opmerking verdwenen en het artikel op dat punt aangepast. Eerst even iets over dat aanpassen of bewerken van oude blogposts.
Los van het feit dat ik taalfoutjes die ik (soms veel) later ontdek en hyperlinks die niet meer werken zo veel mogelijk corrigeer zijn drie - van de inmiddels bijna vierhonderd - blogposts 'open'.
Dat zijn: "Blanke slavinnen; een bibliografie", "Curiositeiten van allerlei aard" en "De presentexemplaren van het 'mirakelboekje'". Ik vul ze aan zodra ik nieuwe gegevens vind of, zoals in dit geval, een nieuwe aanwinst tegenkom. 

Die aanwinst komt ditmaal van het Haagse antiquariaat Fokas Holthuis, waar mijn boekenvrienden Fokas en Paul de scepter zwaaien. Voor een vriendenprijs (zie mijn aanwinstenlijstje over de maand november 2019) kocht ik bij hen een exemplaar van Collard's 'onvindbare' proefschrift.
Oude(re) academisch proefschriften zijn over het algemeen antiquarisch niet zo makkelijk te vinden. Ze werden in een beperkte oplage goedkoop en (meestal) niet geïllustreerd gedrukt, uitsluitend voor de promotie. Ze behandelden vaak onderwerpen die niet erg interessant of spannend waren voor een breed publiek en verouderden snel door nieuwe wetenschappelijke inzichten. Grotendeels saai uitgegeven, in eenvoudig papier - of kartonnen omslagen, zijn ze ook weinig aantrekkelijk voer voor de verzamelaar van fraaie boekbanden.


Natuurlijk zijn er verzamelwaardige uitzonderingen op de regel. Begeerlijk zijn bijvoorbeeld proefschriften met curieuze of bizarre onderwerpen of die van later bekende personen of proefschriften die baanbrekend bleken in hun vakgebied (bijvoorbeeld dat van W.J Kolff (1911-2009) over de kunstmatige nier uit 1946).
Ook in mijn bibliotheek staan enkele begeerlijke proefschriften, zoals de thesis van mejufvrouw Isabella (I.H.) van Eeghen (1913-1996): "Vrouwenkloosters en Begijnhof in Amsterdam van de 14e tot het eind der 16e eeuw", (Amsterdam, 1941) met aanbiedingskaartje 'In opdracht van de schrijfster', inclusief de stellingen (die er bij proefschriften vaak los bij zitten). Ik kocht het in januari 2018 bij mijn kringloop voor slechts twee euro.


Een ander voorbeeld is het zeer schaarse proefschrift van W. van den Bergh (1850-1890): "De strijd tegen de prostitutie in Nederland" ('s-Gravenhage, 1878), waarop hij 29 Juni 1878 'summa cum laude' promoveerde en dat kritisch werd besproken in de dagbladen. Ik vond zeer recent een betaalbaar exemplaar (inclusief de stellingen) gebonden in een fraaie blauwlinnen band met in goud de titel op het voorplat en de rug. Volgens het kleine plakkertje aan de binnenzijde van het voorplat een band van de 'stoomboekbinderij P. van den Heuvel, 's Gravenhage'. Het boekblok is aan alle zijden verguld en de uitgave bevat een los inlegvel met de 'Inhoud(sopgave)' en 'Errata'. Het verscheen ook in de handel maar mijn luxe uitvoering verraadt dat het gaat om een speciaal exemplaar voor de auteur of iemand uit zijn directe omgeving.


Tot slot; het proefschrift van K.O. Meinsma (1865-1929): "Middeleeuwsche Bibliotheken" (Amsterdam, 1902). Ik had al heel lang de fotografische herdruk van het hoofdstuk over de Librye te Zutphen dat in 1988 apart verscheen bij de Walburg Pers, maar het begeerde complete proefschrift (inclusief de stellingen) staat pas sinds januari 2018 in mijn bibliotheek.
Blijkens het etiketje aan de binnenzijde werd dit exemplaar ingebonden door boekbinder F.C. Koster in Amsterdam in een eenvoudige harde kartonnen band. Mijn exemplaar draagt het stempel van het Leesmuseum in Amsterdam. Net als het proefschrift van I.H. van Eeghen is het een dissertatie die nog steeds bruikbaar is en wetenschappelijke waarde heeft.


Terug naar mijn laatste aanwinst; het proefschrift van Collard. Zijn dissertatie, waarop hij in 1900 'cum laude' promoveerde aan de universiteit van Amsterdam, is niet alleen lezenswaardig en zeldzaam maar bovendien niet zomaar een exemplaar. Het is een bijzonder opdrachtexemplaar en om die reden smaakvol gebonden in een bruin linnen band met goudopdruk. Op de rug staat: "W.L.A. Collard, academisch proefschrift", op het voorplat titel en auteur en op het achterplat de godin Minerva met uil (zoals die ook voorkomt op oude prijsbanden uit bijvoorbeeld Middelburg en Leiden). Op het eerste schutblad staat geschreven: "Voor mijn lieve verloofde Line van W.C.". Verder bevat het (los) de stellingen alsmede een uitnodigingskaartje voor de receptie na afloop van de promotie in het universiteitsgebouw.


Van de auteur, Wolter Louis Albert Collard (1875-1940), is vrij veel bekend. Hij was later werkzaam bij Justitie maar ook lid van de Staatscommissie voor Luchtvaart. Zijn belangstelling voor deze destijds moderne vorm van transport- en vervoer blijkt ondermeer uit stelling VII bij zijn proefschrift: "Onder het 'rijk in Europa' in art. 2 Wetboek van Strafrecht moet ook begrepen worden de luchtruimte boven het grondgebied van den Nederlandsche Staat in Europa. Ergo is een strafbaar feit gepleegd in een luchtvaartuig, zich bevindend in die luchtruimte, te berechten volgens de Nederlandsche Strafwet. Wenschelijk is het op luchtvaartuigen voor de toepassing der strafwet bepalingen in het leven te roepen gelijk aan die, welke voor gewone vaartuigen bestaan". Met deze formulering liep hij vooruit op de in 1958 aangenomen Wet Luchtvaart, artikel 3 (Vlagbeginsel) waarin staat: "De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland aan boord van een Nederlands vaartuig of luchtvaartuig aan enig strafbaar feit schuldig maakt".


Lieve verloofde Line was Collard's latere echtgenote Esselina Keyzer (1883-1949) met wie hij in 1906 zou trouwen. De zeventien jaar jonge Line zou later uitgroeien tot een zelfbewuste en maatschappelijk betrokken echtgenote. Zo komen we haar tegen als lid van het bestuur van de ledengroep van de Haagse Tuchtunie (1928) en als voorzitster van de afdeling Den Haag van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (1932).


Collards thesis werd destijds goed ontvangen en besproken in "Het Nieuws van den Dag" (maandag, 16 juli 1900). In het artikel "Een gruwel" spreekt een recensent de hoop uit dat het proefschrift door de handel wordt opgepikt en algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. Helaas is dat niet gebeurd en mede daarom is Collards proefschrift thans onvindbaar, maar blijft u vooral zoeken...

zondag 11 november 2018

Gepeins over zeldzaam (galante dichtluimen)


Naar aanleiding van een nieuwe aanwinst die ik gisteren (op mijn verjaardag) heb opgehaald en het stukje van Boekensneuper over 'de gouden tijd' (toen de duurbetaalde schatten van nu nog voor een schijntje werden verkocht) verzonk ik achter mijn bureau in gepeins en gemijmer over dure en/of zeldzame boeken. En/of, want (thans) dure boeken zijn niet altijd zeldzaam en omgekeerd zeldzame boeken zijn niet altijd duur.

Een boek waarvan maar één exemplaar is gemaakt is een unicum maar kun je moeilijk zeldzaam noemen in de zin van nauwelijks voorkomend of zeer schaars. Dergelijke boeken vind je vaak in de categorie 'Kunstenaarsboek'. Bij bibliofiel margedrukwerk kom ik de term niet zo vaak tegen ondanks het feit dat de oplage vaak beperkt is en soms (hand)genummerd. In dit geval is de tijd een factor. Het drukwerk is jong en circuleert onder verzamelaars. Groot is de kans dat er vroeg of laat (beter; tijdens het leven van de verzamelaar!) ergens een exemplaar opduikt in een veiling, (internet)antiquariaat of bij een particulier.

Bij oud drukwerk wordt de term, soms terecht maar vaker onterecht, gebruikt. Een enkel exemplaar van een oude uitgave aangeboden - al dan niet op internet - kun je zeldzaam noemen omdat deze kennelijk nergens anders verkrijgbaar is. Duur hoeft het dan nog niet te zijn, want dat is weer afhankelijk van de vraag en die kan van tijd tot tijd (enorm) fluctueren. Het "Het allerlaatste exemplaar" van een kleine uitgave die ik ooit beschreef is daar een voorbeeld van. Ook kan het zo zijn dat de verkoper zich niet bewust is van het bijzondere karakter van zijn koopwaar. Een voorbeeld daarvan is "Nederlands oudste openbaar vervoersbewijs?" maar ook deze uitgave 'naar eigen smaak' die ik alle twee voor luttele euro's kon bemachtigen.

Er wordt wel gezegd dat internet de term 'zeldzaam' in de boekenwereld heeft gedevalueerd maar beter is het om te zeggen dat er een herdefinitie heeft plaatsgevonden. Je hebt verschillende uitgaven die voordat internet er was ook al 'zeldzaam' waren en dat tot op heden zijn.
Bilderdijks gezochte erotische debuut: “Mijn verlustiging" (Leiden/Amsterdam, 1781) bijvoorbeeld, zeker als die - zoals mijn exemplaar in excellente conditie is met negentwintig in plaats van achtentwintig vignetten! Ook mijn Helmers' "Hollandse natie" (Amsterdam, 1812) met zijn bijzondere verbeterblad behoort tot deze groep.

Zeldzaam en gezocht maakt uitgaven prijzig, althans dat is de algemene gedachte. Toch behoeft ook deze denkwijze enige nuancering. Ten eerste; wat precies wordt er eigenlijk gezocht? Smaak en interessegebieden veranderen constant, wat thans wordt verzameld stond vroeger niet in de belangstelling (Strips en fotoboeken bijvoorbeeld) en wat vroeger gezocht en duur was kan tegenwoordig voor heel billijke bedragen worden gekocht. En wat is zeldzaam? Mijn octavo exemplaar van Jan Wagenaars: "'T verheugd Amsterdam..." (Amsterdam, 1768) is op zich geen zeldzame uitgave maar wel uniek door zijn handgeschreven opdracht. Zo kunnen op zichzelf veelvoorkomende uitgaven zeldzaamheid/uniciteit ontlenen aan diverse externe factoren zoals een bijzondere boekband (in dit voorbeeld), handgeschreven inscriptie, extra illustraties of provenance.


Internet is voor antiquariaat, boekhandel en bibliofilie, enerzijds een vloek, anderzijds een zegen. Het dwingt de verkoper, antiquaar en particulier om het gebruik van de term 'zeldzaam' te staven met argumenten. Andersom moet de koper zich afvragen of die argumenten valide zijn en de vraagprijs rechtvaardigen. Dilemma's liggen daarbij op de loer. Stel dat u een bepaalde uitgave zoekt en u vindt wereldwijd drie bijzondere exemplaren. Eén beduimeld door de auteur gesigneerd exemplaar, één in een luxe boekband (zonder dat de originele omslag werd meegebonden) en één met de originele stofomslag in uitstekende conditie. Welke van de drie is zeldzaam? Welke zou u kopen?

Desondanks ben ik van mening dat internet voor de bibliofiele verzamelaar meer een zegen dan vloek is. Regelmatig 'sneupen 2.0' levert immers nog steeds bijzondere en zeldzame boeken op. Dat laatste kun je als verzamelaar nu ook veel beter controleren door de enorme hoeveelheid kant en klare informatie op internet. Inzicht in prijzen, kennis en foto's zijn alom beschikbaar.

Mijn boekavonturen bevestigen dat ik het merendeel van mijn bijzondere vondsten doe op internet. Ik kom er mijn luie stoel niet voor uit om 'zeldzame' objecten te vinden voor soms idioot lage prijzen. En dat beschrijf (en beargumenteer) ik vervolgens in smakelijke blogverhalen. Niet alleen omdat ik dat leuk vind maar ook om andere liefhebbers te motiveren en te inspireren.


Anyway... ik begon dit verhaal met de mededeling dat de aanleiding voor mijn gepeins, behalve een blogbijdrage van Boekensneuper, ook een nieuwe zeldzame aanwinst is.
De uitgave in kwestie vond ik via Boekwinkeltjes bij antiquariaat Boek en Glas (waar ik regelmatig leuke en schaarse uitgaven koop!).
Het gaat om: "Galante dichtluimen" (z.p. ['s-Gravenhage], 1780). Een anoniem verschenen dichtbundeltje (XVI, 80 blz. met een gegraveerde titelpagina) met vrij expliciete erotiek door Hendrik Tollens (1780-1856) toegeschreven aan Willem Bilderdijk (1756-1831), maar hoogstwaarschijnlijk geheel geschreven door Hendrik Riemsnijder (1743-1825).
Of ik wat heb met dichtbundels en/of erotica? Daarover kunt u hier en hier meer lezen.
Mijn nieuwe aanwinst is te vinden (en te bekijken) op Google books en dat geldt ook voor enkele negentiende eeuwse heruitgaven die overigens stuk voor stuk bijzonder zeldzaam zijn. De jongste heruitgave van "Galante dichtluimen" dateert van 1979 en verscheen bij De Bosbes in Oosterbeek (in een oplage van 250 exemplaren).

De verschijning in 1780 verliep niet onopgemerkt. De dichtbundel werd besproken in de "Nederduitsche dicht- en tooneelkundige bibliotheek, behelzende vrijë en onpartijdige beöordelingen van poëtische werken" (Amsteldam, 1781, blz. 107) en betiteld als "eene Zedenbedervenden arbeid, van eenen onbeschaamden, dartelen, en vuige wellustminnenden schrijver". Ook de befaamde antiquaar en bibliograaf Frederik Muller (1817-1881) kende de uitgave (naast enkele andere erotische Nederlandse titels) en had er een uitgesproken mening over: "deze boeken zijn alle geschreven of gedicht, om de grootste obsceniteiten in den slechtsch mogelijken vorm te zeggen. Zoo U deze boeken niet kent, moogt U er dankbaar voor zijn. Ze vergiftigen de imaginatie, en daarom moet mijns inziens de boekhandel zich niet leenen dergelijk vergif te verspreiden, maar dit aan bordeelen overlaten en anderen die het in het geheim doen". Tegenwoordig zijn de gedichtjes een stuk onschuldiger maar nog steeds niet mis te verstaan. Bijvoorbeeld dit raadsel.

"'k ben van gestalte klein; woon in een lommerig dal,
Leef steeds bedekt, en ben met pragt noch praal bepaereld,
Vogt is mijn voedsel slegts; men kent mij overal;
'k Ben stom en doof; nogthans regeert mijn magt de weareld,
Schoon hij, die mij genaakt, trotsch en vermeetel staat,
Verzwakt nogthans zijn moed, eer' hij weer van mij gaat".

Leuk is ook 'Aan Lotje':

"Gij hebt een' Roos, die frisch, bekoorlijk is en êel:
Maar, Lotje lief! dit roosje ontbreekt een steel!
Wilt gij mij toestaan u 't geheim der kunst te leeren,
Die frische Roos te inoculeeren?
't zap, welke uit het steeltje vloeit,
Maakt dat het Roosje weelig bloeit."

Het boekje dat ik bij antiquariaat Boek en Glas voor tachtig euro (met verjaardagskorting) in ontvangst mocht nemen zat onafgesneden en nog stevig gebonden los in een oud handmarmeren omslag. Antiquaar Peter van der Linde had me via de mail al geschreven; 'Het boekje verdient een mooi bandje', maar ondertussen was er een ander plan in mij gerijpt.
Zou het mogelijk zijn om een facsimile omslag te maken door op een vel oud achttiende eeuws papier een zwart/wit afdruk te maken van de originele voor- en achterzijde?
Van het exemplaar op Google books kopieerde ik de donkerbruine voor- en achterzijde die ik met behulp van Adobe Photoshop omtoverde naar een zwart/wit afbeelding. Die drukte ik af op een gewoon vel A4 kopieerpapier, vouwde het blad en keek of de omslag met de afbeelding op de voor- en achterzijde ongeveer dezelfde proportie hadden als de uitgave en het titelblad.

A4 is te groot voor deze octavo uitgave en dus veranderde ik de afdrukinstellingen net zo lang tot het juiste formaat werd bereikt. Daarna knipte ik uit een folio vel achttiende eeuws papier een vel op A4 formaat, drukte de afbeelding af en plakte het dichtbundeltje voorzichtig vast in mijn facsimile-omslag met wat boekbindersstijfsel. Tot slot nog wat finetuning met behulp van een schaar en kaarsvlam (bruine papierrandjes!) et voilà!
Het fraaie resultaat ziet u bovenaan!

Uit informatie in de STCN blijkt overigens dat een exemplaar in originele omslag maar weinig voorkomt. Datzelfde geldt trouwens ook voor exemplaren met de gegraveerde titelpagina die, anders dan de typografische titelpagina, niet (*) wordt vermeld bij de typografische informatie!
Wie bereid is ruim honderd euro meer te betalen kan bij het Haagse antiquariaat Fokas Holthuis een exemplaar kopen met de enigszins gehavende originele voorzijde van de omslag. Zeldzaam!


(*) Inmiddels werd de STCN aangepast en staat er bij deze titel in de annotatie bovendien: 'Some copies with additional engraved title-page'.

zondag 6 mei 2018

De antiquaar, de bibliofiel en de 'ontsluijerde' auteur

Er klonk gestommel en een luide bons... "Gaat het?", riep Joanna naar boven. Gemompel...
De smalle houten trap begon te kraken terwijl Frank voorzichtig afdaalde met een oude kartonnen doos geklemd tussen beiden armen, "Ik weet niet of je dit al hebt gezien?".
We hadden gesproken over het verzamelen van folders en brochures en natuurlijk ook over Putman wiens winkelvoorraad na zijn overlijden bij diverse handelaren terecht was gekomen, waaronder antiquariaat Brinkman.

Ik slurpte mijn laatste restje koffie op en begon vol verwachting naar de inhoud te graaien. Na een paar brochures wist ik het zeker: "Nee, deze doos ken ik nog niet" zei ik, terwijl ik een zeldzame toeristische "Gids naar Aalsmeer en omstreken" (Amsterdam, 1900) bewonderde, uitgegeven door Stoomboot-Maatschappij Carsjens.

Naarmate de bodem naderde vormde zich naast mijn lege koffiekopje een stapeltje dat me interessant leek. Binnen een kwartier was de complete inhoud door mijn handen gegaan en begon ik de doos weer netjes te vullen. Frank en Joanna waren druk met elkaar in gesprek en dat kwam mooi uit want het stapeltje naast mij schreeuwde om meer aandacht.
Ik bekeek nogmaals de titels, en scande de inhoud en conditie.
Op een enkele uitzondering na stonden er nog geen potloodprijsjes in. Verdorie.... daar zaten toch weer pareltjes tussen...

"Wat wil je hiervoor hebben?" vroeg ik, terwijl ik de stapel aan Frank gaf. Frank ging zitten en liet ze stuk voor stuk door zijn handen gaan. "Ik heb het eigenlijk allemaal nog niet eens goed bekeken", prevelde hij, en na enkele brochures "Jeetje... Je weet wel wat je er uit haalt".
Nou komt het dacht ik...
Natuurlijk, zo goedkoop als bij Jos Albers op het Waterlooplein zou ik het niet krijgen...
Frank keek me peinzend aan: "Het gaat je wel geld kosten...". In stilte gokte ik op honderd euro maar ik schrok toen hij het dubbele vroeg.
"Dat doe ik niet", sputterde ik, "Dat is meer dan ik nu kan uitgeven"!
Frank veranderde in één klap van antiquaar in financieel adviseur en bracht me op de hoogte van de langdurige kredietmogelijkheden en gunstige betalingsvoorwaarden van het gerenommeerde antiquariaat Brinkman. Verzet hielp niet, ik was omver...
"Ik hou niet van schulden", stamelde ik pro forma terwijl ik de helft pinde. Geen probleem verzekerde Frank, die me zalvend toesprak "De rest komt wel op een ander tijdstip..." en wat nadrukkelijker "maar wel graag binnen een jaar!".
De stapel nieuwe aanwinsten werd verpakt in neutraal pakpapier en nog geen tien minuten later verliet deze bibliofiel opgewekt zijn weldoener, diens lieftallige assistente en het antiquariaat.
Op weg naar de metro bezocht ik eerst maar eens de firma Vlieger waar ik twee zuurvrije kartonnen dozen kocht. Zo langzamerhand - dacht ik tevreden - beschikt mijn 'private library' over een behoorlijke sectie bijzondere folders en brochures.

"Wat heb je nu weer uitgegeven?", vroeg ze.
Ik zat achter mijn bureau mijn boekenschat nogmaals te bewonderen en voelde de schuldbekentenis in mijn achterzak branden. Mompelend: "Uhhhm... ik heb honderd euro betaald!". Ze schrok zichtbaar en keek me onthutst aan. Geen woord van gelogen, dacht ik, en glimlachte stoïcijns.
Nadat de huiselijke rust was wedergekeerd begon ik eerst maar eens te 'dokteren'... Met een gum verdwenen wat oude potloodaantekeningen, streepjes en vlekjes. Ezelsoren werden teruggevouwen en losse papieren omslagen of onderdelen daarvan met wat boekbindersstijfsel vastgezet. Enkele al te opdringerige papierscheurtje herstelde ik met Aslantape. Na afloop constateerde ik tevreden dat eigenlijk alle brochures in goede staat verkeerden en geen ernstige gebreken vertoonden. Dat is toch altijd weer bijzonder voor dergelijk oud efemeer drukwerk dat er niet op was gebouwd om lang te overleven, gekoesterd en bewaard te worden. Toen ik mijn aanwinsten toetste aan de hand van de bekende websites (Boekwinkeltjes, Antiqbook en WorldCat) bleek dat momenteel geen enkele brochure antiquarisch wordt aangeboden en sommigen ook nauwelijks aanwezig zijn in openbare (universiteits)bibliotheken.

In het stapeltje zat ook een oude witpapieren omslag. Die bevatte het eerste nummer van een mij onbekend feuilleton met een prikkelende titel, een kleine uitgeknipte krantenadvertentie d.d. 17 januari 1890 met bericht van overlijden van de advocaat Mr. S. Katz (u ziet hem hier links) en een door hemzelf geschreven kaartje.
Die notitie van Katz had ik bij Brinkman nauwelijks bekeken; het leek me een soort ontvangstbevestiging van een proefnummer. Frank had het drukwerkje in handen gehad. "Is dat niet zo'n schandaalblaadje waarmee toen bekende en minder bekende gegoede Amsterdammers werden afgeperst?".
Hij doelde daarmee op de destijds verschenen 'Physiologieën' of 'lilliputterweek-blaadjes' (klein drukwerk dat door zijn formaat vrijgesteld was van belasting).

Toen ik het nummer thuis op mijn gemak las bleek mij echter dat het eerste deel, "De Nachthuizen of Venus-Tempels", van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam" (Amsterdam, 1862) inhoudelijk meer lijkt op het dertig jaar later verschenen "Ervaringen en onthullingen van een middernachtzendeling te Amsterdam" (Amsterdam, z.j. [1890]). De lezer wordt vakkundig rondgeleid in nachthuizen en bordelen, en geïnformeerd over de meisjes, bezoekers, taal- en omgangsvormen.


Vervolgens richtte mijn aandacht zich op de notitie van Katz. Die bevatte inderdaad een ontvangstbevestiging maar vormde tegelijk een onthullende bekentenis.
"Ontvangen van den Heer J.A. Schuurmans de somma van vijf gulden voor aan ZEd geleverd een stukje getiteld de Nachthuizen bestaande uit den inhoud van pag 3 tot de helft van pag 6 in de eerste aflevering van de Ontsluijerde geheimen van Amsterdam aangekondigd in het Algemeen Handelsblad van 21 mei 1862 met het regt om dat stukje te doen drukken en uitgeven. Amsterdam 12 juni 1862 /get./ S. Katz Jzn.".

Het kaartje moet afkomstig zijn uit de bedrijfsboedel van de boekhandelaar en uitgever J.A. Schuurmans. Diens zaak zat destijds op het adres Bloemstraat 229 in Amsterdam. Kennelijk probeerde Schuurmans een graantje mee te pikken van de populariteit van dergelijke sensatielectuur toen. Bij hem verschenen in dezelfde periode wel meer obscure (anonieme) publicaties zoals: "Een makelaar in menschenvleesch, bedrogen door een pillendraaijer: eene hoogst belangrijke brochure voor alle ongehuwde dames, die iets te verliezen hebben" en "Amor in zijn lustpriëel: beschrijvende het schoon' der vrouwen- en maagdenboezems: opgesteld tot verbetering van alle vrouwenhatende creaturen, en tot aangename verpozing in spoortrein, trekschuit, slaapkamer, etc. etc. etc.".















Door hun vermoedelijk bescheiden oplage, efemere karakter en ondeugende inhoud thans stuk voor stuk uiterst zeldzame titels en dat geldt in het bijzonder voor de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam". Van dit "hoogst belangrijk tijdschrift" verschenen slechts vijf afleveringen van tien cent per stuk. In 1865 werd het restant voor de helft van de prijs door Schuurmans verramsjt.












Slechts één unieke serie, nummers 1 t/m 5, doorstond de tand des tijds. Die ligt in de Leidse universiteitsbibliotheek. Aangezien het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB) daar op 28 april jl. haar ledenvergadering hield verzocht ik conservator Mart van Duijn, met wie ik in de redactie van ons jaarboek zit, om het voor mij uit het depot te halen zodat ik het kon fotograferen en bestuderen.

Elk deel bestaat uit een katern van 8 bladzijden (totaal dus 40). Zoals de foto's laten zien wijkt de opmaak van de (titel)pagina van het eerste deel af van die van de vervolgdelen.
Deel twee begint met een kort vervolg op 'De Nachthuizen' (blz. 9/10). De rest bestaat uit verschillende verhaaltjes die veelal in verband staan met prostitutie alsmede een aantal ingezonden lezersbrieven. Eén van de inzenders vraagt zich af wat voor een soort blaadje de uitgever eigenlijk voor ogen stond.
Die antwoordde: "Ons werkje; 'Ontsluijerde geheimen enz. enz.' is evenmin een weekblad als een maandwerk. - Naar gelang der stof, die wij voor hetzelve bezitten, of door belangstellende inzenders bekomen, zal het om de acht, veertien dagen of drie weken in het licht verschijnen. - Wij hebben ons ten leus gesteld: liever niets geleverd, dan prullaria". (deel 2, blz. 13). Het tweede deel besluit met correspondentie beantwoording en dat geldt ook voor de daaropvolgende delen. Deze manier van werken/uitgeven is identiek aan de manier waarop eerder de "Waarachtige physiologie van Amsterdam, en van de meest bekende van Amstels ingezetenen“ (Amsterdam, 1844) was verschenen, het beruchte schandaalblaadje geschreven door P.J.W. de Vos (1805-1866).

Anders dan het eerste deel waarin één verhaal wordt gepresenteerd ('De Nachthuizen of Venus-Tempels') bevatten de overige deeltjes korte verhalen en ingezonden stukjes met diverse onderwerpen zoals bijvoorbeeld 'De Amsterdamsche Slavinnenmarkt' (deel 4, blz. 28/29) en 'Eene ernstige spookhistorie', over een klein smal gebouw op de derde Bloemgracht waar het zou spoken (Deel 5, blz. 37/38).


Alhoewel het vijfde en laatste nummer eindigt met correspondentie opmerkingen die verwijzen naar nummer zes staat onderaan met pen geschreven: "Met dit no. is de uitgave gestaakt. J.A. Schuurmans". Waarschijnlijk zorgde een gebrek aan succes voor dit abrupt vroegtijdig einde.
De uitgave werd daarna geheel vergeten om pas een eeuw later kort te figureren in het boekje van E. Messer: “Foei Amsterdam! De geheimen van de hoofdstad voor de tweede maal ontsluijerd” (Amsterdam, 1964). Messer maakte voor zijn publicatie gebruik van de collectie 'Amstelodamica' van A.M. van de Waal (1890-1968), die momenteel opnieuw wordt geïnventariseerd, en waarin zich in ieder geval een los (eerste) deel bevindt van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam".

Tot slot; wat weten wij nog van Katz, de auteur van 'De Nachthuizen of Venus-Tempels', die volgens de krantenadvertentie zo jong overleed? Er bestaat een uitstekende biografie van hem geschreven door Bauke Marinus (één van mijn oud-docenten geschiedenis aan de V.L.V.U., de lerarenopleiding) en Natascha Tuinhout voor het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland. Daaruit blijkt dat hij behalve als jurist ook journalistieke en letterkundige arbeid verrichtte. Zo debuteerde hij in het verschijningsjaar van de "Ontsluijerde geheimen der stad Amsterdam" met een historische roman gemodelleerd naar het werk van Alexandre Dumas: "Remus di Sivaldi, de rooverhoofdman in de Ardennen" (Amsterdam, 1862).
Die roman is online beschikbaar en aandachtig las ik de inleiding waar Katz uitvoerig ingaat op zijn debuut, voor wie en hoe hij wenst te schrijven.
"Ik heb mij geenszins voorgenomen, zedelijke denkbeelden, doeleinden, principen, in een romantisch kleed gehuld, te behandelen; - mijne gedachten daaromtrent is, dat hij, die voor de verpoozing van een 'voor nuttige bezigheden verloren stonde', een roman in handen neemt, niet altijd gaarne eene reeks van morale lessen, herkauwd ziet. Daarenboven schrijf ik niet voor kinderen, ik schrijf voor volwassenen".

Bij die laatste zin moest ik even grinniken! Katz schreef de waarheid zo weten wij anderhalve eeuw later, maar wel op basis van een ander debuut waaronder deze weledelgestrenge heer liever niet zijn naam zag staan!