Posts tonen met het label STCN. Alle posts tonen
Posts tonen met het label STCN. Alle posts tonen

woensdag 10 november 2021

Een boek(band) 'met proefdruk platen'


Wie mijn aanwinstenlijstje in de gaten houdt weet dat ik op vrijdag 2 juli een succesvolle tocht maakte naar een jubilerende boekenmarkt op het Amsterdamse Spui (30 jaar alweer!). Ook op het vorige jubileum, vijf jaar geleden, was ik aanwezig (zie hieren ook toen verliep de dag zeer succesvol! 
Destijds kocht ik wat bij Max van Til maar nu was het bij Arnoud Bosch (van antiquariaat 'De Salamander', uit Almere), waar mijn oog viel op een groot boek. 

Het bleek te gaan om een uitgave met werk van de destijds zeer populaire en beroemde schrijfster Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789) en bovendien eentje op 'groot papier', d.w.z. dat het boekblok niet werd bijgesneden. De uitgave werd gebonden in een halfleren band met kievitsmarmeren platten. Een veel voorkomende band in die tijd, maar wat mij direct daaraan opviel was een zeer ongewone opmerking op de staart: "met Proefdruk Platen"


Toen ik vervolgens de drie buitentekstplaten (beschermd door een los vloeiblad) bekeek, zag ik echter nergens 'proefdruk' staan. Wel zijn ze gesigneerd: "J. Buys, inv. et delin. C. Brouwer sculps. W. Vermandel en J.W. Smit exud.". De afbeeldingen zijn daarnaast voorzien van titels, respectievelijk; "Het nut der tegenspoeden.", "Brieven." en "Mengeling van verscheide gedichten.". 


Alleen de tweede en derde allegorische gravure bevatten een 'verwijzing' in de afbeelding naar de inhoud. Op de tweede zien we op de voorgrond wat losse papieren liggen met de tekst "Leife Erik" (Leif Eriksson), een verwijzing naar het stuk: "Leife aan zynen vader Erik, eersten bevolker van Groenland" (blz. 77 t/m 102). 
Op de derde afbeelding staat de Nederlandse maagd met vrijheidshoed te wijzen naar een epitaaf met het jaartal MCCXLVIII (1748), een verwijzing naar de "Feestzang op het eerste eeuwgetyde der Nederlandsche Vrijheid(blz. 168 t/m 185) dat in hetzelfde jaar werd geschreven.


Al bladerend ontdekte ik vervolgens dat het boek eigenlijk een convoluut is met drie uitgaven. Als eerste komt: "Het nut der tegenspoeden, brieven en andere gedichten van Lucretia Wilhelmina van Merken" (Amsterdam, 1768). Het is de tweede druk van deze achttiende eeuwse bestseller van Van Merken die bij Pieter Meijer (op de Dam) verscheen en wiens fondslijstje tot besluit van de uitgave na de bladwijzer volgt. De eerdergenoemde paginagrote gravures bevinden zich alle drie in dit boek. 


Als tweede volgt: "Aan de Britten" (Amsteldam, 1781), met aan het eind - op een aparte bladzijde - het colofon waaruit blijkt dat (ook) dit gedicht (waaruit haar afkeer voor de Engelsen blijkt), verscheen onder de zinspreuk "La vertu pour guide", bij de erven van David Klippink in de Nes (Amsterdam).
De derde uitgave - tot slot - is niet van haar hand, maar is een bundel: "Lykdichten ter gedachtenisse van de grootste der Nederlandsche dichteressen, vrouwe Lucretia Wilhelmina van Merken, echtgenoote van den Heer Nicolaas Simon van Winter; overleden in den ouderdom van ruim acht en zestig jaren, te Leyden, den 19den, en begraven te Amsteldam, den 24sten van october, des jaars 1789" (Amsteldam, 1790).
De tekst op de titelpagina heeft de vorm van een urn en weerspiegelt daarmee het funeraire karakter van de uitgave (zie over deze uitgave het artikel van Lotte Jensen: "Lang leve de dode dichter! Schrijversherdenkingen en literaire fancultuur rond 1800"). 
De laatste uitgave verscheen bij Pieter Johannes Uylenbroek, wiens uitvoerige fondslijst na de talrijke lijkdichten (waaronder een van hemzelf) geheel achterin werd meegebonden. Deze lijst wordt besloten met de opmerking: "Verwacht, zo dra mogelyk, lofrede en lykvaers op L.W. van Winter, geb. Van Merken, door J.F. Helmers, in 4to.". Jan Fredrik Helmers (1767-1813) was een groot bewonderaar van Van Merken maar zijn bescheiden lijkvers op haar en haar echtgenoot zou pas acht jaar na Van Merkens overlijden bij Uylenbroek verschijnen in: "Kleyne dichterlijke handschriften" (Amsteldam, 1798). Helmers' lofrede daarentegen werd nimmer uitgegeven maar voorgedragen bij Felix Meritis in Amsterdam.


Arnoud vroeg zestig euro voor het boek en toen ik op mijn mobieltje de vraagprijzen op Boekwinkeltjes nakeek zag ik dat er van deze tweede editie vier exemplaren worden aangeboden voor bedragen tussen de honderd en honderdzestig euro. Echter, alleen bij het duurste exemplaar (aangeboden door antiquariaat Goltzius) staat expliciet vermeld dat de drie paginagrote gravures aanwezig zijn, maar ongesigneerd en zonder titels! Kortom; met wat korting betaalde ik er graag vijftig euro voor.
Toen ik thuis zoals gebruikelijk aanvullend onderzoek deed ontdekte ik al snel dat Arnoud het boek met enkele andere boeken bij Zwiggelaar Auctions had gekocht voor € 80,- euro, exclusief veilingkosten (juniveiling 2021, kavel 453).


Vervolgens raadpleegde ik WorldCat en diverse gedigitaliseerde exemplaren met behulp van Google Books. Daardoor werd mij het volgende duidelijk:
De eerste editie van: "Het nut der tegenspoeden, brieven en andere gedichten van Lucretia Wilhelmina van Merken" verscheen in 1762 met een allegorische titelpagina door J. van Schley (1761), naar Cornelis Ploos van Amstel. Daarnaast bevat deze uitgave een typografische titelpagina met vignet (eveneens door Van Schley). Tegenover de allegorische titelpagina bevindt zich een bladzijde "Op de titelprent", met een gedicht van Nicolaas Simon van Winter (1718-1795) met wie Van Merken in 1768 zou trouwen. Wellicht niet geheel toevallig verscheen in het jaar van hun huwelijk de tweede editie van dit boek.


Pieter Meijer, de vaste uitgever van het schrijversechtpaar Van Merken/Van Winter, overleed in 1781. Daarop maakten beiden de overstap naar diens opvolger Pieter Johannes Uylenbroek. Vijf jaar later werden in opdracht van de Amsterdamse boekverkopers W. Vermandel en J.W. Smit drie 'kunstplaten' gemaakt ten behoeve van: "Het nut der tegenspoeden, brieven en andere gedichten van Lucretia Wilhelmina van Merken". Uit een advertentie in de "Oprechte Haerlemsche Courant" van 24 oktober 1786 blijkt dat deze bij diverse boekverkopers, verspreid door het land, verkrijgbaar waren en dat de proefdrukken (zijn dit wellicht de gesigneerde titelexemplaren?) bijna dubbel zo duur waren als gewone afdrukken. Overigens produceerden Vermandel en Smit vaker extra kunstplaten voor eerder verschenen geïllustreerde uitgaven, zoals de bibliofiel N.G. van Huffel (1869-1936) opmerkte in het "Nieuwsblad voor den Boekhandel" (1920. Jrg. 87, nr. 65).


Dat pas bijna twintig jaar (!) na het verschijnen van de tweede editie van het boek deze allegorische (titel)gravures verschenen roept vragen op, maar een uniek verschijnsel is het niet. Hetzelfde gebeurde met het Bijbels heldendicht "Abraham de aartsvader" van de Vlaardingse dichter Arnold Hoogvliet (1687-1763), dat talrijke edities kende. Pas vijftien jaar na het verschijnen van de eerste druk in 1728 werden daarvoor gravures vervaardigd die we vervolgens in vrijwel al de 18de eeuwse edities tegenkomen
Wellicht was het ook een combinatie van populariteit en handelsgeest. Mogelijk was de allegorische titelprent uit 1762 in 1786 niet meer leverbaar (in de tweede editie ontbreekt die nog wel eens) en met nieuwe illustraties kon de uitgever het publiek opnieuw verleiden.
Het verloste hem bovendien op een makkelijke manier van zijn uitgeversrestant (in totaal zou Meijer er circa 2000 exemplaren van verkopen).

Hoe dan ook, het overgrote deel van beide edities in bijzondere bibliotheekcollecties van:
"Het nut der tegenspoeden, brieven en andere gedichten van Lucretia Wilhelmina van Merken" bevat alleen de allegorische titelpagina van 1762. De STCN laat zien dat exemplaren met drie gesigneerde titelgravures bijzonder zijn. Vermeldenswaardig in dit verband is een uniek ingekleurd exemplaar (inclusief de drie gravures) dat ik raadpleegde in de collectie van het Allard Pierson (UvA/bijzondere collecties) in een band door de Van-Damme-binderij (band 1 A 6).


In de mij bekende gedigitaliseerde prentencollecties, zoals die van het Rijksmuseum, ben ik deze drie buitentekstplaten niet tegengekomen. Wel vond ik een vermelding in: "Jacobus Buijs als boekillustrator" van de onlangs overleden Leontien Buijnsters-Smets (in: "Documentatieblad Werkgroep Achttiende eeuw", jrg. 1984). Ze worden genoemd aan het eind in de overzichtslijst van boekillustraties vervaardigd door Buijs (nummer 82). Curieus genoeg staat daarbij de opmerking: "Met 3 titelprenten door Th. Koning en 2 prenten door C. Brouwer".


Mijn aanwinst onderstreept andermaal de enorme populariteit en roem van deze grande dame uit de achttiende eeuw die zo veel heeft geschreven. "Over het nut der tegenspoeden" was en bleef echter haar meest bekende en populairste werk. In 1818 verscheen daarvan nog een herdruk bij G. Warnars en zoon. Dik twintig jaar later maakte Hildebrand (Nicolaas Beets) in zijn "Camera Obscura" (Amsterdam, 1839) korte metten met Van Merken en haar bestseller:

"'Weet je wat ik ook altijd al een heel mooi verzenboek vind?' zei mejuffrouw Van Naslaan, het gezelschap rondziende, 'Het nut der Tegenspoeden'. 
'Wat?' vroeg de heer Dorbeen, droger en komieker dan ooit: 'het nut der regenhoeden?'.
Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid, hetwelk mejuffrouw Van Naslaan min of meer verlegen maakte; zij besloot dus haar lofrede over het bekende geschrift van Lucretia Wilhelmina, die voor een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek den geest te laten geven. 
'Inderdaad', fluisterde zij mijne tante in, 'het is een heerlijk boek en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen, dat je 't met geen droge ogen lezen kunt'" (Uit: "De familie Stastok").


Om mijn luxe-exemplaar helemaal af te maken kocht ik bij antiquariaat Goltzius de bekende portretgravure van 'Lucretia Wilhelmina van Winter, gebooren Van Merken' (door 'H. Pothoven ad viv. delin. 1772. P.J. Uijlenbroek excud. Reinr. Vinkeles sculps. 1792'). Inmiddels bevindt die zich ook in mijn exemplaar (dat doe ik wel vaker, zoals u hier kunt lezen). Het is nota bene een 'Proefdruk' dus de opmerking op de boekrug houdt stand!

Tot slot vond ik dat die bijzondere band wel een restauratieve ingreep kon gebruiken.
De kop en de staart van de leren rugbekleding waren gedeeltelijk verdwenen en het voorplat zat eigenlijk alleen nog stevig vast aan zijn touwen. Ik nam daarom contact op met mijn vertrouwde handboekbinder en boekrestaurator Hans Pieterse. Eind oktober was het boek klaar en stuurde ik een email met foto’s naar boekbandenexpert Jan Storm van Leeuwen. Die liet mij weten dat het vermoedelijk gaat om een band uit Leiden of Amsterdam en dat hij de opmerking "met Proefdruk Platen" of iets dergelijks nog nooit eerder op een boekband heeft gezien, maar “degene die de band liet maken moet wel heel trots op die proefdrukken zijn geweest en hij moet dus geweten hebben dat die drie platen proefdrukken waren”!

Perkamentus is erg blij met het fraaie resultaat, uitgerekend in Van Merken's 300ste geboortejaar. Een bijzondere aanwinst voor mijn collectie oude drukken, tevens een ode aan deze vrouwelijke Vondel uit de achttiende eeuw.
Om mijn tevreden gevoel daarover beter te begrijpen moet u tot slot nog even kijken naar deze informatieve en leuke korte film: "Dichter bij Van Merken", met een geestdriftige Imre Besanger (Theater Kwast) en een deskundige Lieke van Deinsen.

vrijdag 26 april 2019

Het huwelijksformulier van Mulisch uit 1795


Op 3 december 1971 werd in Amsterdam het huwelijk gesloten tussen Harry Mulisch (1927-2010) en Sjoerdje Woudenberg. Voor Harry had het allemaal niet gehoeven en "ook van Sjoerdje hoefde het niet, maar ik vond dat ik nu maar eens de consequenties moest nemen. Niet uit burgerlijkheid, maar uit een soort van rituele bezegeling".
Het werd een historisch ritueel maar of het allemaal wel rechtsgeldig was gegaan daar had hij zo zijn twijfels over. "Overigens heeft Han Lammers mij getrouwd volgens het trouwformulier van de Bataafse Republiek. Dat heeft namelijk een veel vrijgevochtener tekst dan dat van nu. De vrouw hoeft daarin niet ondergeschikt te zijn aan de man. Dat formulier heeft hij uit de archieven opgesnord en op die tekst zijn wij getrouwd. Het huwelijk is dus misschien helemaal niet geldig" (uit: M. Mathijsen: "Het voorbestemde toeval. Gesprekken met Harry Mulisch" (Amsterdam, 2002, blz. 125).


Heeft Mulisch een kopie van zijn historische trouwformulier gekregen?
Wie weet, maar het is hem wel bijgebleven want jaren later zou hij tekstgedeelten ervan verwerken in zijn boek: "De ontdekking van de hemel" (Amsterdam, 1992). Uit de citaten, in het hoofdstuk 'De bruiloft', blijkt overigens (dankzij een overgenomen spelfout) dat bij zijn eigen huwelijksvoltrekking het exemplaar is gebruikt dat thans (of ook) in de collectie van het Rijksmuseum ligt.

De Bataafse Republiek die tussen 1795 en 1806 bestond zorgde voor een aantal grote politieke en staatsrechtelijke veranderingen maar ook op het gebied van de mensen- en burgerrechten werden voor het eerst uitgangspunten geformuleerd en op papier gezet. Eén van de veranderingen was de invoering van een "Formulier, zoals het by het Trouwen op het Huis der Gemeente te Amsteldam, sedert de heuchlyke Revolutie van den 19 January 1795, in gebruik is" (Amsterdam, 1795). Huwelijken werd voordien, behalve in de kerk, voltrokken voor de schepenbank op het stadhuis en volgens de geldende regelgeving of het desbetreffende egt-regelement. Na de Bataafse omwenteling werd op 19 januari 1795 de schepenbank opgeheven. Voortaan werden huwelijken voltrokken voor het 'Comité van Justitie'.


Enkele weken geleden kon ik een origineel Bataafs trouwformulier via Marktplaats bemachtigen voor nog geen tien euro en dat is (veel te) weinig geld voor dergelijk zeldzaam efemeer drukwerk.
De uitgave, die voorkomt in Frederik Muller 'Nederlandse Historieplaten' (nr. 5334), zal mogelijk ook nog wel in enkele archiefbewaarplaatsen te vinden zijn, maar in online openbare collecties vond ik maar twee exemplaren. Eén Groningse variant (dat zich thans in de Koninklijke Bibliotheek bevindt, zie ook de STCN) en de eerder gemelde Amsterdamse uitgave in de collectie van het Rijksmuseum.
Het Groningse exemplaar, dat in navolging van Amsterdam werd gebruikt en vermoedelijk pas werd gedrukt na oktober 1796, lijkt meer op een pamflet, telt vijf bladzijden, en is hier te bekijken op Google Books. Het is een echte overheidsuitgave zonder franje.

Mijn exemplaar, een enkelzijdig bedrukt klein foliovel, is uitgegeven door de Amsterdamse boekhandelaar Jan Verlem (1750-1823). Die had als Patriot en verkoper van het anti-Orangistische: "Het leven van Willem den V" (Duinkerken, 1791) gevangen gezeten van september 1791 tot januari 1795. Bij thuiskomst trof hij zijn vrouw en winkel in de Warmoesstraat in erbarmelijke toestand aan maar kennelijk kon hij nog in hetzelfde jaar drukken, uitgeven en verkopen.
Verlem's formulier verschilt op enkele punten met het exemplaar in de collectie van het Rijksmuseum, dat een ander sierkader heeft en anoniem werd uitgegeven. Behalve het ontbreken van de drukfout 'dem' i.p.v. 'den' in de cursieve aanhef, zijn er ook twee tekstverschillen; 'uitzichten' i.p.v. 'inzichten' in de tweede regel van de tekst en bijna onderaan staat direct onder 'Geeft elkander de rechter hand' niet tussen haakjes: '(Men trekt de Handschoene uit en geeft de bloote hand.)'.
De thans twee bekende Amsterdamse exemplaren - met hun sierrand - zullen wel met name zijn bedoeld als koopwaar voor aanstaande huwelijkspartners of als geschenk aan de jonggehuwden ter herinnering aan hun heugelijke echtvereniging.

vrijdag 17 februari 2017

Op zijn Frans Baltensz.

Wat hebben uitgaven als het “Handbook on Hanging” (London, 1928) van Charles Duff (1894-1966), de “Historische beschryvinge van de reformatie der stadt Amsterdam…” (Amsterdam, 1729) van Isaac le Long (1683-1762) en “Besmettelijke Zielsziekten, voorheen en thans” (Baarn, 1931) van Evart van Dieren (1861-1940) met elkaar gemeen?

Het antwoord is; ze zijn ofwel bizar om de inhoud, curieus om het verhaal er achter of geschreven door een interessante gek auteur. Sommige zijn zeldzaam andere minder maar alle drie zijn het ‘boeken met een verhaal’ en daarom gewild bij verzamelaars en aantrekkelijk voor antiquaren.

Wie mijn blog leest weet dat ik wel pap lust van dergelijke boeken, brochures en efemere uitgaven. Daarom ben ik ook in navolging van "Bizarre Books, a compendium of classic oddities" (1985) van Russell Ash & Brian Lake op Twitter gestart met "50 Bizarre Brochures" (dat tevens een ode is aan de Amsterdamse antiquaar Louis Putman (1923-2013).

Dat constant zoeken naar ‘boeken met een verhaal’ heeft onlangs een bijzondere uitgave opgeleverd die tot de hoogtepunten in dit genre mag worden gerekend. In een achttiende eeuws halfleren bandje met gemarmerde platten zit een curieuze tekst uit de zeventiende eeuw verborgen.
De auteur was een religieuze gek, het boekje werd verboden door de Classis van Zuid-Holland, evenals de burgemeester en kerkenraad van Dordrecht en de tekst is bovendien onleesbaar.
Ik heb het natuurlijk over de ‘Samaritane’ of zoals de titel volledig luidt: “Samaritane; ofte spieghel der Godtsvreesentheyt en eerbaerheyt” (Dordrecht, 1648).
De auteur ‘F.B.’, drukker en boekverkoper zijn één en dezelfde persoon; Frans Baltensz. (geboren rond 1610-overleden na 1648).


Al in 1635 gaf deze aanhanger van de wederdoper en ketter David Joris (1501-1556) bij drukker Nicolaas Centen een boekje uit dat de wenkbrauwen bij de Dordtse kerkenraad ernstig deed fronsen. Nadat hij door hen was ontboden om een verklaring af te leggen kwamen ze al gauw tot de conclusie dat de man geestelijk niet helemaal in orde was en volstrekt koeterwaals sprak.


Zij oordeelden daarom dat zijn uitgave: “Gulden kleinoodt, streckende ter verclaringhe van het XIIIe Capittel des Evangeliums Johannis” een “hers- en sinneloos geschrift was, daar uit geen verstant in ‘t alderminste kon gevat ofte geraept worden, noch van Evangeliste noch van zijne uitlegger selve, en daer geen ander vrucht van kon genoten worden, als een openbare bespottinge van christelijcke religie”.
De magistraat werd gelast om de gehele oplage in beslag te nemen en die deed dat kennelijk zo grondig dat er geen enkel exemplaar meer bekend is van het "Gulden kleinoodt".
Baltensz. die verklaard had nog meer geschriften onder zich te hebben moest de kerkenraad beloven deze niet uit te geven of te laten drukken.

Dertien jaar later brak hij zijn belofte en verscheen bij hem de ‘Samaritane’.
Honderden bladzijden lang onnavolgbare, vaak ellenlange, volzinnen met slechts hoogstzelden één begrijpelijke zin ertussen. Ook de typografie, met name indeling en opbouw, zijn verwarrend.
Het boekje bespreekt de eerste hoofdstukken (‘capittel’) van het Evangelie volgens Johannes.
Het eerste deel (51 bladzijden) gaat geheel over het vierde capittel. Dan volgt het tweede deel (315 bladzijden) met, volgens het titelblad, een “woordelijcke verklaringhe van thien capittelen in Johanne”.


Je verwacht dan capittel 1 t/m 11 (minus capittel 4 dat al in deel 1 werd behandeld, is 10).
Maar nee, een bespreking van het tiende of elfde capittel ontbreekt (!). In plaats daarvan heeft het eerste capittel een aanhangsel “Van Johanne by Mose” (blz. 59 t/m 89) en zit enigszins verborgen tussen de hoofdstukken over het tweede en derde capittel een verrassing; een nieuw hoofdstuk met een “woordelijcke verklaringhe van het derthiende Capittel in Iohanne” (bladzijde 117 t/m 136). Is dit soms de tekst van het verboden en verloren gegane “Gulden kleinoodt”?


Als verklaring voor de onbegrijpelijke inhoud ging al gauw het verhaal de ronde dat, nadat Baltensz. er lucht van had gekregen dat ook dit geschrift van hem zou worden verboden, hij het manuscript verknipt had “in kleine snippers, soms slechts drie of vier woorden bijeen, soms eenen geheelen regel aan elkander latende. Nu schudt hij alle die snippers in eenen zak of eenen mand dooreen, voegt ze allen, naar gelang zij hem in de hand kwamen, weder naast elkander en zond het in 1648 de wereld in…” (uit: A.J. van der Aa: “Biograpisch woordenboek der Nederlanden” (Haarlem, 1853, blz. 88).

Drukker en boekverkoper Frans Baltensz moet behalve de 'Samaritane' meer hebben uitgegeven zoals een "Historie van Joseph, den sone Jacobs, beschreven bij de Propheet Mose, in sijn eerste Boek" (Dordrecht, 1648) maar daarvan is geen exemplaar teruggevonden. Ook een sleutel om de raadselachtige tekst van de 'Samaritane' te ontcijferen en te begrijpen (die er volgens de geruchten moet zijn geweest) is nimmer opgedoken.


Werd de ‘Samaritane’ verboden en in beslag genomen, zoals sommigen melden?
Anders dan het “Gulden kleinoodt”, komt het niet voor in het overzicht van verboden boeken uitgegeven door dr. W.P.C. Knuttel in 1914.
Bij een verbod verwacht je ook niet dat er, zoals de STCN laat zien, maar liefst drie verschillende edities van zijn (mijn exemplaar behoort tot deze variant). Bovendien zou er volgens het in 1788 verschenen overzicht van 'Nederduitsche Boeken' door R. Arrenberg zelfs een tweede Amsterdamse druk van bestaan (die verder nooit is aangetroffen).
Hoe dan ook; volgens het verhaal dook het boekje onder en werd pas vele jaren na de dood van Baltensz. door zijn nabestaanden mondjesmaat en tegen geringe bedragen verkocht.

De hele affaire moet destijds zelfs hebben geleid tot een spreekwoord dat thans alweer vergeten is, namelijk: “Dat is op zijn Frans Baltensz.”, oftewel dat is onbegrijpelijke onzin. In die betekenis werd het al in 1697 gebruikt door de Rotterdamse stadsarts dr. Herman Lufneu (1657-1744) in een briefgewijs geschreven natuurkundig vertoog tegen zijn collega dr. Jan Schilperoort, waarin hij zijn opponent (op blz. 47) vergeleek met Frans Baltensz., “schrijver van het Dollemans boekje ‘Samaritane’”.


In de negentiende eeuw verdiepte de predikant en schrijver G.D.J. Schotel (1807-1892) zich in het verhaal en schreef er over in “Vaderlandsche Letteroefeningen” (Amsterdam, 1835) en “De Oude Tijd” (Haarlem, 1868).
Het boekje, zo herinnerde Schotel zich, was in zijn jeugd bepaald niet zeldzaam geweest. Het lag voor vier à vijf stuivers bij elk boekenstalletje te koop, “maar sedert het op een paar Catalogi van beroemde boekverzamelingen als ‘raar’ is voorgekomen, heeft men tot 5, à 6 guldens voor dit vod der vodden gegeven”. Inderdaad komt de uitgave in verschillende negentiende eeuwse veilingcatalogi voor, zoals die van de Rotterdamse politicus Adriaan Gevers Deynoot (1814), die van de medicus Matthias van Geuns (1818) en die van de Oranjegezinde predikant Jan Scharp (1828).

Raar’ kan verschillende betekenissen hebben; zeldzaam/schaars (zoals in het Engels ‘rare’), maar ook vreemd/curieus. De ‘Samaritane’ is beiden; een ‘boek met een verhaal’, en dus begeerd door verzamelaars en gezocht door antiquaren.
Wie na lezing hiervan hebberig is geworden en nu zelf een exemplaar wil aanschaffen kan de ‘Samaritane’ online in twee antiquariaten vinden. Beiden vragen echter iets meer dan de zeventig euro die ik betaalde!

zaterdag 24 januari 2015

Zomervreugd en noorderzon


Vijfhonderd gulden voor twee losse bladen met elk twee afbeeldingen van het dorp Amstelveen uit: “Spiegel van Amsterdams zomervreugd, op de dorpen Amstelveen, Slooten, en den Overtoom” (Amsterdam, z.j. ca. 1727-1730). Dat betaalde ik rond 1990 en lange tijd bezat ik ook de oblong herdruk van het boekje uit 1974.
Waarmee ik maar wil zeggen dat het destijds (te) duur goed was en dat gold zeker voor complete originele uitgaven van dergelijke ‘huisjes- & tuintjes-boeken’, die in de eerste helft van de achttiende eeuw verschenen.
Het grootste gedeelte van al die huizen en buitenplaatsen langs de rivier De Amstel, in de Watergraafs- of Diemermeer, in het ’s-Gravenland, langs de Vechtstroom, in het Kennemerland en langs de Haarlemmer trekvaart is alweer lang geleden afgebroken door speculanten en slopers.


Een berucht voorbeeld was de Amsterdamse boekverkoper en speculant Frederik Kaal (1733-1790), die vele buitenplaatsen liet slopen en het bouwmateriaal weer verkocht.
Door zijn sloopactiviteiten werd onze Nederlandse taal verrijkt met het woord ‘kaalslag’.
Kaal was één van de velen die goed verdiende aan de afbraakgolf die in het laatste kwart van de achttiende eeuw op gang kwam. Slechts enkele buitenplaatsen bleef dit lot bespaard.
In mijn directe omgeving zijn dat bijvoorbeeld Wester-Amstel, Oostermeer en, binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam, Amstelrust en Frankendael.


De antiquarische kostbaarheid van die plaatjesboeken met lusthoven vertaalde zich eind jaren zestig van de vorige eeuw in een reeks heruitgaven in een beperkte en genummerde oplage in cassette door Kruseman’s uitgeversmaatschappij N.V. te ’s-Gravenhage.
Zo staat hier in de kast nummer 553 van: “Hollands Arcadia, of de vermaarde rivier Den Amstel” (Amsterdam, 1730). Diverse goedkopere heruitgaven volgden niet lang daarna. Inmiddels is de interesse in dit genre behoorlijk teruggevallen en dat geldt dus ook voor de prijzen van met name de losse afbeeldingen op de antiquarische markt. Complete boeken zijn nog steeds vrij prijzig, want schaars, door de sloopactiviteiten en losse verkoop in het verleden.

De inhoud van deze ooit populaire uitgaven volgde altijd hetzelfde stramien. Allereerst een uitvoerig lofzang waarin de desbetreffende streek werd ‘verheerlijkt’ of een ‘zegepralende’ rivier werd bezongen. Daarna volgde dan afbeelding na afbeelding van prachtige huizen en buitenplaatsen die daar ooit in opdracht van het rijke stedelijk patriciaat waren gebouwd.


Al die afbeeldingen van hofsteden, lusthoven en buitenplaatsen (soms met hun tuinen) zijn maar saaie kost, tenzij je van de een of ander meer weet, of wil weten.
Zo heb ik al eens eerder geschreven over Kostverloren en Brantwijk aan de rivier de Amstel.
De thans meer gezochte afbeeldingen zoals vergezichten, straattaferelen en dorpsgezichten, zitten er verhoudingsgewijs wat minder in. “Spiegel van Amsterdams zomervreugd…” springt er in dat opzicht gunstig tussenuit. De titel zegt het al.
Hier gaat het niet om ‘zegepralen’ en ‘verheerlijken’ maar om het ‘spiegelen' van ouderwetse zomervreugd. Van de twintig gravures door de bekende Abraham Rademaker (1676/77-1735) zijn er maar vier die uitsluitend een ‘Hofstede’ als onderwerp hebben.
Zes zijn dorpstaferelen (vier van het dorp Amstelveen en twee van het dorp Sloten) en de overige afbeeldingen zijn vooral ‘Gezigten’ van de Overtoom.

Dit gebied, dat lange tijd behoorde tot de voormalige ambachtsheerlijkheid Amstelveen en Nieuwer-Amstel, heeft al geruime tijd mijn interesse. Om die reden heb ik alweer sinds jaren een origineel en compleet exemplaar in mijn boekenkast staan. En mijn oblong herdruk uit 1974? Die heb ik toen weer ingeleverd bij een antiquariaat.


Een vorige eigenaar heeft de tweetalige titelpagina (Nederlands/Frans), de drie bladen met een 'Poeëtise' beschrijving door de Amsterdammer Gysbert Tysens (1693-1732) en de tien folio bladen met twintig afbeeldingen door de boekbinder in een moderne maar fraaie halfleren band met ribben laten zetten. Die beplakte de platten met grillig gekamd marmerpapier, bracht nieuwe schutbladen aan en vergulde het afgesneden boekblok aan alle kanten. Overigens bestaat er van deze uitgave ook een (latere?) variant  in oblong formaat zonder lofzang met afwijkende titelpagina (zie onderstaande illustratie) en telkens één prent per bladzijde.


De Overtoom was ooit de naam van een dam, later sluis, die in de veertiende eeuw in het riviertje de Schinkel werd gelegd. Kleine schepen werden over die dam getrokken, getoomd, zoals dat toen heette. Later ging de naam over op de gehele vaart (gedempt in 1902/1903) met de weg die net buiten de Amsterdamse stadsmuren lag en direct aansloot op de Heiligeweg.


Dankzij die weg was er aan de zuidoostelijke zijde al vroeg bebouwing. De overkant behield haar landelijke karakter langer. In de 17de en 18de eeuw kwamen er buskruitmolens, grote katoendrukkerijen, talloze kleine bedrijfjes en vele herbergen. Kortom; ook toen was het er al een drukte van belang. Tysens rijmelt er in zijn lofdicht het volgende over:

“Men rend met sjees en koets, en wagen en met paard,
Elk op het yv’rigst', langs onze Overtoomse vaart,
Om ’t lugtig Amstelveen en Slooten te begroeten.
En in het landgebouw een veiligheid te ontmoeten,
Die ons de stad ontzegt, tot onbesproke vreugd,
Dewyl daar de agterklap steeds toelegt om de jeugd
Te last’ren, te bespiên en alles kwaad te keuren,
Wyl haar door eigen wrok nooit blydschap mag gebeuren.
‘k Kies dan, ô Amsteljeugd! Met u de ruime lugt
ô Overtoomse weg! Ik zie u, als een vrugt”.


Behalve door een ontploffing van de buskruitmolen Sollenburg, op 14 augustus 1758, werd de zomervreugd zelden ernstig verstoord. Bepaald spraakmakend aan het eind van die eeuw was 'het wonder van de Overtoom', een spektakel waaraan de noorderzon een einde maakte...

Ik kwam deze curieuze gebeurtenis voor het eerst tegen in de “Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver” (1793-1801, Amsterdam) van Lieve van Ollefen (1749-1816) en (vanaf deel V) R. Bakker. Onder de ‘bijzonderheden’ van deze buurt (‘onder de banne van Amstelveen’), schreef Van Ollefen:

“Voor weinige jaaren was er in deeze buurt eene zeer aanmerkelijke bijzonderheid voorhanden; bij zekeren smid, aldaar woonachtig, was naamlijk, zeide men, een afbeeldzel van den Zaligmaaker, door den Evangelist Lucas geschilderd te zien; groote beweeging maakte deeze zeldzaamheid, zo dat duizenden, vooral Amsteldammers, derwaards vloeiden om die bijzonderheid, (tegen een zestehalf de persoon,) in oogenschouw te neemen; doch naauwlijks hadden de deskundigen ernstig hunne aandacht er op gevestigd, of zij verklaarden de zeldzaamheid voor een louter bedrog, het geen de smid met zijne schilderij en ontvangene penningen, zonder afscheid te neemen, deed vertrekken”.

Zoiets maakt nieuwsgierig maar hoe ik ook zocht; lange tijd kon ik van deze 'groote beweeging' nergens een bevestiging vinden.
Pas onlang stuitte ik in de STCN op de titel van een zeer zeldzame brochure waarvan slechts één exemplaar in Nederland bekend is bij bijzondere collecties van De Bibliotheek Rotterdam. Uit een foto van de titelpagina, met een primitieve afbeelding van het wonderbaarlijk schilderij, blijkt dat het bedrog speelde in 1783 en dat een zekere
J. Warnick de smid was die met de noorderzon vertrok!

vrijdag 25 juli 2014

Zand erover


Antiquaar Jos Wijnhoven uit Deventer is iemand die ik graag mag; vriendelijk, deskundig en nooit te beroerd om een praatje te maken. Zijn handelswaar overstijgt het gebruikelijke niveau en noopt altijd tot een uitvoerige verkenning.
Op een Amsterdamse boekenmarkt leverde dat laatst een intrigerende publicatie op van de gereformeerde predikant W.A. Ockerse (1760-1826): “Het begraven der dooden buiten de kerk en stads poorten aangeprezen in eene leerrede…” (uitgegeven bij Lodewyk van Es in Amsterdam, 1808).


De dood, tradities en gebruiken rondom begraven en begraafplaatsen, interesseren mij wel, zeker in de vorm van oud drukwerk. Bovendien bevat deze uitgave, naast de bijzonder lezenswaardige leerrede die met tal van destijds actuele voorbeelden en argumenten is omkleed, ook waardevolle historische informatie in zes bijlagen, waarover straks meer.

Thuisgekomen heb ik mijn nieuwe aanwinst eerst eens goed bekeken. Ruiken, kijken, bladeren is vaak mijn volgorde.
Allereerst de band. In dit geval een simpel rood gespikkeld sierpapieren omslag met op de rug een handgeschreven titeletiketje (‘Ockerse over het begraven’). De omslag voelt dik aan, als karton, en dat komt omdat ze in feite uit twee op elkaar geplakte bladen bestaat.
Aan de binnenzijde van het voorplat is een rechthoekige moet (afdruk) zichtbaar. Kennelijk werd ter versteviging een (oud) bedrukt vel papier hergebruikt en tegen het sierpapier geplakt. Toen ik de omslag tegen fel licht hield werd een afbeelding zichtbaar met hier en daar nog wat leesbare tekst. Het gaat om de afdruk van een gravure uit 1781 door Pieter Wagenaar jr. (1747-1808) van de zinnebeeldige graftombe voor schout-bij-nacht Willem Krul (1721-1781).


Het papier van deze niet geïllustreerde (octavo) uitgave vertoont in enkele hoeken een watermerk, helaas te weinig om het nader te kunnen duiden. Vervolgens bestudeerde ik het titelblad waar staat dat het gaat om een ‘nieuwe uitgaaf’. Dat wekt bij mij meestal achterdocht! Dergelijke standaardkreten op oud drukwerk vallen nog wel eens in de categorie ‘liegen dat het gedrukt staat’ en dat is ook hier het geval, zo bleek al gauw.

Op zoek naar een eerdere uitgave raadpleegde ik de STCN en inderdaad in 1792 verscheen het boekje voor het eerst bij G.T. van Paddenburg en zoon in Utrecht. Via Delpher is een krantenadvertentie uit 1792 te vinden waarin hij de publicatie aankondigde (a 13 stuivers). Trouwens ook van de ‘nieuwe uitgaaf’ (a 12 stuivers) in 1808 vond ik een krantenadvertentie.


Toen ik vervolgens de originele uitgave uit 1792 bekeek werd me al gauw duidelijk dat de custoden, paginanummering en vingerafdruk identiek zijn aan de uitgave van 1808.
Het enige nieuwe blijkt de titelpagina! Die had in 1792 bovendien een bedrukte verso zijde met handtekening van de auteur. Kortom, dit is een typisch voorbeeld van een zogenaamde titeluitgave. Kennelijk lag er nog een onverkocht stapeltje boekjes uit 1792 in 1808 op de plank. Daaruit werd het oude titelblad verwijderd (het cancellandum) om plaats te maken voor een nieuw (de cancellans).


Uniek was deze praktijk zeker niet. Het gebeurde veel vaker met restpartijen en met deze uitgave kon dat ook prima. De maatschappelijke discussie over het begraven buiten de kerk was goed op gang gekomen in de tweede helft van de achttiende eeuw en zou tot in de 19de eeuw voortduren. Pas in 1869 kwam er met de eerste Begrafeniswet een einde aan het begraven in de kerk (met uitzondering van leden van het Koninklijk Huis).

Ockerse schreef zijn leerrede op verzoek van het stedelijk bestuur van Wijk bij Duurstede.
Het stadsbestuur wilde zo haar inwoners via hun geestelijk leidsman voorbereiden op het voornemen om het begraven in (en om) de kerk te verbieden en de lijken voortaan ter aarde te bestellen op een algemene begraafplaats buiten de stadsmuren

Een belangrijk motief was de toenemende aandacht en zorg voor de volksgezondheid.
In en rond de kerken(en) was het overvol. Ziekte epidemieën zorgden regelmatig voor een welhaast onverwerkbare vloed aan lijken. Ondertussen groeide de stedelijke bevolking, nam de gemiddelde welvaart toe en werd de druk op de kerk als begraafplaats alsmaar groter.

De armen lieten zich vanouds begraven rondom de kerk maar rijke stinkerds inwoners kozen een plek in de kerk (liefst zo dicht mogelijk bij het altaar). Kerkgraven waren soms wel vijf lagen diep (maar bevatte door regelmatig 'schudden' vaak de stoffelijke resten van talrijke individuen). Altijd lag er wel één graf open, soms meerdere, in afwachting van een begrafenis terwijl ondertussen de gewone kerkdiensten plaatsvonden. “Ik kan U – schrijft Ockerse - bij eigen ervaring verzekeren, dat er meermalen in de Zomer een rottige stank door dit gebouw zweeft, en het is mij gebeurd, dat ik, wanneer ik bij toeval een geopend graf op eenigen afstand voorbij ging, de Kerk, wegens den walglijken reuk, die mij om ’t harte sloeg, spoedig moest verlaten” (blz. 38).
Bovendien “het breeken der zarken, en de gestadige verzakkingen van de vloer” brachten kostbare verhogingen en vernieuwingen van de kerkvloer met zich mee, ook in Wijk bij Duurstede waar de laatste herstelling uit 1760 dateerde en in 1792 nog steeds liep!


Wat de uitgave van Ockerse extra interessant maakt zijn de bijlagen B, C, D en F met beschrijvingen van de eerste algemene begraafplaatsen die eind 18de eeuw buiten verschillende steden zijn aangelegd. Deze bestaan nog steeds en liggen in Scheveningen (1778), Oud-Zuilen (1782), Tiel (1786) en Diemerbrug (1791). Wijk bij Duurstede zou pas in 1828 volgen.
Daarnaast bevat bijlage E het programma van het Tiels genootschap ‘Ter Navolging’ dat zich beijverde algemene begraafplaatsen buiten kerken en steden in heel Nederland in te voeren en waarvan Ockerse natuurlijk lid was.
Bijlage A tenslotte en het ‘Nabericht’ handelen over de grafkapel van Joan Derk baron van der Capellen tot den Pol (1741-1784). Deze edelman gaf immers het gewenste voorbeeld met zijn particuliere buitengraf (dat in 1788 met buskruit werd opgeblazen)! Overigens was hij niet de eerste noch de enige van goede komaf die hierin een voorbeeldfunctie vervulde.

Zo bevindt zich op de gesloten oude begraafplaats ’Gedenk te Sterven’ in Diemen het graf van de ‘Batavische en menschlievende’ jonkvrouwe Catharina Maria Best (1740-1782). Op de grote zerk staat:

Zij wier verheven geest,
Geduurende haar leven, 
Den minsten sterfling stof 
Tot klagen heeft gegeven
Verkoos, op dat haar lyk 
Ook niemand nadeel gav’, 
Van kerkelijken praal 
Dit kerkhof tot haar graf.


zondag 7 april 2013

Een uitzonderlijk doodsbericht

Als jochie van vijftien kocht ik mijn eerste oude prentjes op het Waterlooplein of in de Oudemanhuispoort te Amsterdam.
Het waren vaak losse gravures uit publicaties van Jan Wagenaar (1709-1773) zoals de: “Vaderlandsche Historie vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden
(Amsterdam, 1749-1759), of zijn: “Amsterdam, in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterye, gilden en regeeringe” (Amsterdam, 1760-1767). Sindsdien heb ik een zwak voor deze achttiende eeuwse Amsterdamse historicus.

Dankzij het boek van J.H.M. Wessels: “Bron, waarheid en de verandering der tijden.
Jan Wagenaar (1709-1773), een historische studie
” (Den Haag, 1996) zijn we goed geïnformeerd over het leven van Jan Wagenaar. Daarnaast bezit ik de biografie die zijn zwager Pieter Huisinga Bakker (1713-1801) schreef: “Het leeven van Jan Wagenaar, benevens eenige brieven van en aan dezelven” (Amsterdam, 1776). Uitgebreid beschreef deze de ziektesymptomen waaraan Wagenaar leed en die zich twee jaar voor zijn overlijden openbaarde (blz. 81/82). Deze laten maar één conclusie toe; de historicus overleed op maandagmorgen, 1 maart 1773, aan prostaatkanker. Vijf dagen later werd hij begraven in de Nieuwe Kerk, als derde in een vijf persoons huurgraf (D-25) linksvoor het orgel. Helaas is daar niets meer wat aan hem herinnerd. Geen herdenkingsplaquette, geen graf en ook zijn stoffelijk overschot is daar niet meer aanwezig. Net als dat van vele andere bekende en minder bekende Amsterdammers werd het graf geruimd in verband met restauraties en het vervangen van de vloeren tussen 1959 en 1980.


Zoals gebruikelijk ontving een kleine kring, bestaande uit familie en goede vrienden, een persoonlijke uitnodiging voor de begrafenis. Het vergeelde exemplaar hierboven bevindt zich in de Bibliotheek Arnhem (inv.nr. VH, 300, 189 D 23). De uitnodiging werd gedrukt door Wagenaars uitgever Yntema en Tieboel.
De tekst is een standaard formulering (alleen de naam moest worden ingevuld achter
'Wordt') en vrijwel identiek aan de regels op het begrafenisbriefje - bijna tien jaar later - van zijn echtgenote Christina Vergoes (1714-1782).


Publiekelijk bereikte het nieuws van Wagenaars overlijden de buitenwereld via een melding in de Amsterdamsche Courant van 4 maart 1773. Een dergelijke annonce was in de achttiende eeuw nog iets bijzonders en betrof meestal vorsten, adel en stedelijk patriciaat. Pas in de negentiende eeuw zouden overlijdensberichten in kranten van en voor het gewone(re) volk gemeengoed worden.


Onlangs kon ik mijn collectie ‘old & rare’ verrijken met een heel bijzondere algemene bekendmaking, gedrukt op een zware kwaliteit foliopapier en een tekst van zeven regels: “In Amsterdam is, Op den Eersten Maart 1773, overleeden, Jan Wagenaar, eerste clercq ter secretarye, en historieschryver der stad.” Enigszins vergelijkbaar is het algemene doodsbericht van de bekende achttiende eeuwse schrijver en dichter Daniel Willink (1676-1722) in de collectie van het Rijksmuseum. Maar in verhouding tot het doodsbriefje van Wagenaar (maar liefst 35,5 cm. lang en 17,6 cm. hoog) is het maar een kleintje.


Het in druk verschijnen van zo’n uitzonderlijk formaat zegt toch wel iets over Wagenaars grote bekendheid en faam. Het is niet onmogelijk dat ook dit foliodrukwerk is verschenen bij Yntema en Tieboel om het te verzenden aan alle overige relaties van de overleden historicus (en de uitgever, waaronder boekhandelaren).

Heb ik iets unieks in handen? De STCN geeft geen informatie. ‘Zeldzaam’ noteert Frederik Muller in zijn “Beschrijvende catalogus van 7000 portretten van Nederlanders…” (Amsterdam, 1853, nr.  5915.h.).
In grote bibliotheekcollecties vind je dit soort drukwerk vaak niet terug.
Doodsbriefjes e.d. zijn typisch zaken die bewaard zijn gebleven in archiefcollecties. In het Amsterdamse stadsarchief zit in de collectie Atlas Dreesman (archief 10094) een tweede exemplaar en zelf vond ik (naast het begrafenisbriefje van Christina Vergoes) een derde exemplaar tijdens mijn onderzoekje in het (archief 5059, inv. 82, afwikkeling testament Wagenaar-Vergoes). Op de achterkant daarvan waren wat aantekeningen gemaakt. Dat zal wel het lot van de meeste exemplaren zijn geweest; kladpapier, pakpapier, wc-papier en tenslotte de prullenbak.De kans dat u, of ik, nog een exemplaar tegenkomen op de antiquarische markt is nul komma nul.

maandag 10 december 2012

Echt egt-reglement


Op Marktplaats werd voor slechts drie tientjes aangeboden het: “Echt-Reglement. Over de Steden, ende ten Platten Lande, in de Heerlijckheden, ende Dorpen staende onder de Generaliteyt” (Den Haag, 1664). Ruim driehonderd jaar oud drukwerk verkrijgbaar voor de prijs van een modern boek vind ik nog altijd iets verbazingwekkends.
Natuurlijk weet ik ook wel dat dergelijk drukwerk antiquarisch goed verkrijgbaar is. Er zijn in de 17de eeuw talloze overheidsbepalingen gedrukt en slechts enkele zijn bijzonder. Ook dit reglement is volop terug te vinden in de Short Title Catalogue Netherlands (STCN), zowel onder ‘Egt-‘ als ‘Echt-Reglement’. Wat het ‘Echt-Reglement’ speciaal maakt is dat, eeuwen later, de weerslag ervan nog steeds belangrijk is voor iedereen die onderzoek doet naar zijn familiegeschiedenis in het Limburgse gebied voor 1800.


Dat uitpluizen van je familiegeschiedenis, ‘stamboomonderzoek’ oftewel genealogie lijkt typisch een bezigheid voor na je pensionering (als je die tenminste haalt!) maar voor mij ligt het alweer enig tijd achter me.Vooral tussen 1989 en 2002 was ik erg actief en wist ik al gauw door te dringen tot het midden van de 17de eeuw alwaar ik belandde in het Limburgse dorp Schinveld (thans gemeente Onderbanken).
Ter illustratie van al die dorre geboorte-, doop-, huwelijk- en overlijdensdata was ik ook een verwoed verzamelaar van ‘Limburgensia', boeken over de geschiedenis van Limburg, m.n. de oostelijke mijnstreek (Heerlen, Brunssum, Nieuwenhagen, Schinveld) en het grensgebied met Duitsland (Heinsberg, Gangelt, Aken). Onmisbaar was het door Régis de La Haye geschreven boek: “Limburgse voorouders. Handleiding voor genealogisch onderzoek in Limburg” (Maastricht 2005). Uiteraard komt daarin (blz. 121 t/m 125) ook dit ‘Echt-Reglement’ ter sprake maar waar ging dat nou precies over?


De huidige provincie Limburg bestaat pas sinds 1839. Voor die tijd was het Limburgse land lange tijd een politieke lappendeken. In de zeventiende eeuw behoorde bepaalde gedeelten dankzij veroveringen in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tot de ‘Generaliteitslanden', viel onder ‘Staats’ bestuur, omdat ze direct werden geregeerd door de Staten-Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het Katholieke geloof werd daar onderdrukt en vele pastoors moesten zelfs uitwijken of onderduiken.

In deze delen gold sinds 18 maart 1656 het ‘Echt-Reglement’ waarbij bepaald werd dat eenieder wettelijk moest trouwen, ofwel ten overstaan van de gereformeerde predikant, ofwel te overstaan van de schepenbank (-). Deze verordening leidde ertoe dat veel huwelijken in die periode tweemaal zijn geregistreerd. Illegaal voor ‘mijnheer pastoor’ en legaal, want verplicht, voor de predikant. Juist die laatste inschrijvingen zijn genealogisch heel interessant. Ze bevatten vaak (veel) meer informatie om de eenvoudige reden dat ‘Hollandse’ predikant, anders dan de lokale pastoor, zijn trouwlustigen niet kende. Kortom elke familievorser checkt in deze periode zowel de Rooms-katholieke als Protestantse huwelijksregisters.


In de vijfennegentig artikelen van dit reglement wordt verder tot in detail uitgelegd hoe de formaliteiten rond het huwelijk moesten plaatsvinden. Verder lezen we over het verbod van huwelijken tussen familieleden, met minderjarigen of ongedoopten.
Over het verbod om te trouwen met ‘Melaetsche’, Joden, heidenen en ‘Mahumetanen’. Over valse huwelijksgeloften, scheiding van tafel en bed en hertrouwen, over het ontvoeren van bruiden, het defloreren van ‘eerbare’ dochters, bijslaap, concubinaat, koppelarij, overspel en het weren van ‘Bordeelen, Hoer-huysen Mot-ende Ravot-huysen’. En hoe zat het met hertrouwen omdat je echtgenoot, op zakenreis, wat al te lang wegbleef? Lees artikel negentig.