De wereld van het antiquariaat is divers. Wie wel eens een winkel binnenloopt (hoe lang nog!), op een beurs komt, naar een veiling gaat, een boekenmarkt bezoekt of jaagt in de wereld van het boek op internet kan dat met mij beamen.
De handel varieert van zwaar beduimelde pockets, stapels ephemera, losse prenten en kaarten tot strips en oude in leer of perkament gebonden uitgaven.
Als er één onderwerp is dat zich wat meer onderscheid in deze diversiteit dan is het wel de handel in oude kaarten en prenten. Met oude kaarten bedoel ik dan geen ansicht- of prentbriefkaarten (ook dat is een wereld op zich!) maar topografische kaarten van landen, streken en steden.
Bij de prenten gaat het vaak om los illustratiemateriaal afkomstig uit boeken soms om afbeeldingen die nimmer in boeken hebben gezeten, zoals bijvoorbeeld de meeste etsen van oude meesters (‘master-prints’) als Rembrandt. Een bekende kaart- en prentenhandelaar die ik heb gekend was Simon Emmering (1914-1999) en er zijn nog steeds antiquariaten die zich hierin specialiseren, zoals ‘Dat Narrenschip’ en E.H. Ariëns Kappers. Ze kennen zelfs een aparte organisatie, de “International Fine Print Dealers Association” (IFPDA) en zijn daarvan vaak lid naast de NVvA.
Vooral in mijn eerste verzameljaren bezat ik dergelijk materiaal. Losse kaarten en prenten uit de historische werken van mijn favoriete Jan Wagenaar waren (en zijn) nou eenmaal goedkoper dan zijn complete originele uitgaven. Daarvan kon ik als tiener met een bescheiden zakgeld alleen maar dromen en pas toen die dromen veel later werkelijkheid werden heb ik, enkele uitzonderingen daargelaten, al het losse en dubbele illustratiemateriaal afgestoten. Overigens kon de ethische kant van het verhaal mij toen maar matig boeien. Ik was nog jong en naïef en dacht dat al die prenten en kaarten uitsluitend afkomstig waren uit incomplete boeken of beschadigde exemplaren. Pas later drong het tot mij door dat het vaak een puur financieel plaatje was. Zo brengen de bekende kaartjes uit de Gemeente-Atlas van Nederland (Leeuwarden, 1871) van Jacob Kuyper (1821-1908) per stuk verkocht uiteindelijk meer op dan een compleet provinciedeeltje, met als gevolg dat losse deeltjes, laat staan de complete elfdelige atlas, zeer zeldzaam geworden zijn.
Tegenwoordig interesseren die oude losse kaarten en prenten mij nog maar weinig. Wat ik daarentegen nog wel regelmatig koop zijn naslagwerken op dit gebied, zoals laatst het tweedelige “Kaarten van Amsterdam” (Amsterdam, 2013). Ook facsimile uitgaven vind ik leuk. Zo kon ik op de afgelopen Antiquarian Book Map & Print Fair in Amsterdam: “De stadsplattegronden van Jacob van Deventer. Map 3 Noord-Holland” (Weesp, 1993), voor slechts enkele tientjes, niet laten liggen. Het is een grote groenlinnen map met prachtige door cartograaf Jacob Roelofs van Deventer (ca. 1500/1505-1575) getekende minuut- en netkaarten van Noord-Hollandse steden, waaronder mijn geliefde Amsterdam. De nog spiksplinternieuwe map lag op een tafel met nog meer uitgaven van de helaas failliet verklaarde uitgeverij Canaletto. De laatste facsimile uitgave die ik zo’n vijf jaar geleden direct van Canaletto kocht was de: “Kaart van Noord-Holland door Joost Jansz. Beeldsnijder 1575/1608” (Alphen aan de Rijn, 2002).
Joost Jansz. Beeldsnijder of Bilhamer (1541-1590) was een veelzijdige figuur die behalve van cartografie ook verstand had van bouwkunst. Zijn standbeeld hierboven kunt u bewonder aan de gevel van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Van zijn kaart van Noord-Holland, één der oudste en belangrijkste monumenten uit de Noord-Nederlandse cartografie, is helaas géén origineel exemplaar uit 1575 bewaard gebleven.
Wij beschikken ‘slechts’ over herdrukken uit 1608 (uitgegeven in Amsterdam door Harmen Allertsz. van Warmenhuysen) en 1778 (door de Amsterdamse uitgevers Yntema en Tieboel).
Ik heb vele jaren geleden op één van de beursen van de NVvA in Amsterdam een exemplaar uit 1778 te koop gezien bij de roemruchte kaart- en prenthandelaar S.C. (Steef) Lemmers uit Lisse. Ik herinner me niet meer de prijs maar dat maakt niet uit. Het geld daarvoor had ik sowieso niet. Ik kreeg toen wel een ingeving en vroeg aan Lemmers of hij mij een exemplaar kon leveren van een gedeelte van die kaart waarop Amsterdam en omgeving staat. Een kopergravure met dit kaartgedeelte werd namelijk, enigszins aangepast en voor het eerst, opgenomen in de “Hantvesten, Privilegiën ende Willekeuren der Stadt Aemstelredam” (Amsterdam, 1613) maar ook, wederom wat aangepast, in de later uitgegeven: “Handvesten; ofte privilegiën ende octroyen; mitsgaders willekeuren, costuimen, ordonnantien en handelingen der stad Amstelredam” (Amsterdam, 1748). Lemmers beloofde dat hij zou kijken en al na enkele weken werd ik gebeld dat hij de kaart had. We spraken af bij hem thuis in Lisse.
Ik weet niet meer wat ik moest betalen maar desondanks herinner ik me dat bezoek nog heel goed. Ik was enigszins verbaasd over de hoeveelheid boeken die hij boven had staan, waaronder een op grond gestapelde Atlas Maior van Blaeu. Wat toen de meeste indruk op mij heeft gemaakt was wel de zelfverzekerde behendigheid waarmee hij uit een van die folianten een landkaart sneed waarin een andere aanwezige klant was geïnteresseerd.
De kaart die ik van Lemmers kocht geeft uitstekend weer waar het toen rond Amsterdam om draaide. Een drassig, bij wijlen moerasachtig, veengebied met heel veel water in de vorm van meren, rivieren en sloten. Daartussen dikke slingerende hoofdwegen die bovendien vaak dijken waren. Slechts hier en daar een dorpje weergegeven door een eenvoudig kerkje. Als amateurpsycholoog van de koude grond kan ik wel verklaren waarom juist deze kaart mij altijd heeft geboeid. Vergeleken met latere 17de en 18de eeuwse kaarten is de kaart van Beeldsnijder vrij grof getekend en weinig gedetailleerd.
Hij heeft daarom wel wat van de primitieve schatkaarten die ik als kind tekende maar dan zonder kompasroos, doodskoppen en X (‘hier ligt de schat’).
Een antiquarius over verzamelen, bibliofilie, historische objecten & cultureel erfgoed
Posts tonen met het label S. Emmering. Alle posts tonen
Posts tonen met het label S. Emmering. Alle posts tonen
vrijdag 1 november 2013
dinsdag 31 augustus 2010
Brand
Met enige trots toonde oud antiquaar en veilinghouder Bubb Kuyper zijn exemplaar van: “Beschryving der nieuwlyks uitgevonden en geoctrojeerde slang-brand-spuiten en haare wyze van brand-blussen, tegenwoordig binnen Amsterdam in gebruik zijnde…” (Amsterdam, 1735) door Jan van der Heide (Heyden).Samen met enkele anderen die de workshop volgden: ‘De waarde van het boek, het handschrift en de prent’, tijdens de afgelopen Summerschool ‘In de ban van het boek’ aan de Universiteit van Amsterdam, boog ik mij over de tafel om het nader te bekijken.
De bedoeling was om te bepalen wat bij dit exemplaar bijzonder was en bepalend voor de waarde.
Van der Heide’s boek staat populair bekend als ‘het brandspuitenboek’. Het getoonde exemplaar was een tweede druk (de zeldzamere eerste druk is van 1690), waarvan de zes extra platen aan het einde ontbraken. Het was ingebonden in een latere halfperkamenten band en de schutbladen waren vernieuwd.
Het enorme ex-libris voorin was van de bibliofiele lekkerbek mr. F.C. Koch.
Gek, want je verwacht dan een uitzonderlijk fraai exemplaar zonder eerdergenoemde ‘defecten’. Wat dit boek echter zeldzaam, mogelijk uniek, maakte was dat alle platen oud (maar mogelijk niet contemporain!) ingekleurd waren. Waarschijnlijk alleen daarom belandde dit exemplaar in de collectie Koch.

In 2012 is het 300 jaar geleden dat Jan van der Heide 1637-1712) overleed. Mogelijk dat daaraan aandacht wordt besteed net zoals in 1937 toen zijn 300ste geboortejaar werd herdacht met een tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum. De daarbij verschenen catalogus geeft een kort overzicht van tekeningen, prenten, schilderijen, documenten, boeken en voorwerpen, van deze 17de eeuwse schilder en uitvinder. Van de eerste druk van ‘het brandspuitenboek’ waren er destijds drie en van de tweede druk, twee exemplaren te bewonderen. Het is antiquarisch geen uitzonderlijk zeldzaam boek, wel kostbaar! In mijn boekenkast staat een mooie reprint van de tweede druk die in 1968 werd uitgegeven door antiquaar S. Emmering.
Van der Heide was niet, zoals velen denken, uitvinder van de brandspuit. Wat hij deed was de bestaande spuit verbeteren door een zuigpomp in combinatie met brandslangen. Veel steden en dorpen gingen vervolgens over op de invoering van de nieuwe slangbrandspuit.
Bij de nieuwe spuit leverde Van der Heide uiteraard instructies over de bediening ervan maar dat was niet voldoende. Voor een effectieve inzet bleek het van groot belang de plaatselijke brandbestrijding te reorganiseren. In 1688 verscheen daarom bij Willem de Jonge in Amsterdam: “Beschryving van de ordres en maniere van brandblussen, tegenwoordig binnen Amsterdam gebruikelijk. Door Jan van der Heide, en Jan van der Heyde de Jonge, generale Brandmeesters der zelver steede”. Een soort voorbeeldboekje voor andere steden en dorpen waarin de organisatie van brandbestrijding in Amsterdam kort werd besproken.
Niet uitvoerig omdat ”wy besig zijn met een geheele compleete Beschrijving van deze onze Slang-Brandspuiten en hare effect te maaken, daar in mede verhaal, van al de Branden die, seedert haar begin, in deze Stadt voorgevallen en daar meede geblust zijn, te pas komt, en daar af wy reeds de voornaamste in Prent hebben gebragt…”.Het pamfletje, slechts 12 bladzijden, lag destijds niet op de tentoonstelling in 1937. Het is uiterst zeldzaam en ik ken, naast mijn exemplaar, maar één ander in de collectie van het Haagse Museum Meermanno.
donderdag 22 april 2010
Antiquariaat en rozemarijn
Ik ben wel een echte Bourgondiër en mag graag kokkerellen. Daarbij schuw ik de kruidenpotjes niet en volgens mijn partner en dochter gebruik ik daarvan teveel. Onzin natuurlijk! Neem nou een goede lamsbout, daarbij hoort vanzelfsprekend knoflook en verse geurende rozemarijn. À propos…Wie op boekenjacht gaat in hartje Amsterdam ontkomt niet aan de Rosmarijnsteeg.
Alweer vele jaren geleden zat hier op de hoek met de Nieuwezijds Voorburgwal (op de foto links) de befaamde Simon Emmering. Tegenwoordig loop ik over de smalle stoepjes (rechts) langs De Friedesche Molen waar ik zo af en toe onder het genot van een sigaartje met Hein over ‘het wereldje’ ouwehoer en buurman Just en -vrouw Christianne waken over hun grote verzameling Klassieken in Straat antiquaren. Als je vervolgens doorloopt en de Spuistraat oversteekt, naar de Raamsteeg, kom je al gauw bij de prentenhandel van Eduard van Dishoeck wiens etalage ik het liefst bewonder met een koel glas Oude Geuze Boon vanuit het tegenovergelegen biercafé Gollem. ‘Last but not least’ zit op de hoek van deze steeg en de Singelgracht, antiquariaat Brinkman (waar Frank meestal bedrijvig heen en weer loopt en de oude Brinkman aan zijn pijp lurkt!). Ik heb overigens in geen van deze antiquariaten mijn (in perkament gebonden) exemplaar gekocht van Ludolph Smids: “Schatkamer der Nederlandsse oudheden of woordenboek, behelsende Nederlands Steden en Dorpen, Kasteelen, Sloten en Heeren Huysen, Oude Volkeren, Rievieren, Vermaarde Luyden in Staat en Oorlogh, Oudheden, Gewoontes en Lands wysen” (Amsterdam, 1711). Toch was het Smids die mij in gedachten meenam naar de Rosmarijnsteeg en daarover iets curieus wist te vermelden.
Ludolph Smids (1649-1720) was een veelzijdig man. Arts, dichter, geschiedkundige en schrijver. Zijn bovengenoemde boek, feitelijk een soort encyclopedie, is gewild om de zestig illustraties van met name kasteelruïnes, door Jacobus Schijnvoet (1685-na 1733) vaak naar Roelant Roghman (1627-1692). Velen daarvan bezocht Smids zelf (“…ging ik het selve besien, onder een dichten slaghregen komende van…”).
Zijn commentaar op bepaalde onderwerpen of gebeurtenissen is levendig en soms ronduit grappig. Heel toepasselijk en met enige spot besloot hij zijn boek met een zelfgemaakt gedicht:
“En hier mee sluit het werk. Gy schriften laat u drukken;
Gaat heen: doch als gy syt voltooit en in een band,
Denk vry het sal u gaan als all myn Andre stukken,
Wat heeft de nyd daar niet wel op gelekkertand:
Doch hou u stil; gelyk de dogg, die sich laat quellen,
En hoord de keffertjes niet meerder als haar bellen.”
Terug naar de Rosmarijnsteeg. Eén van de lemma's die Ludolph Smids behandelt is de Dood. Verschillende typische gebruiken en gewoontes worden beschreven: “Te Amsteldam is, noch voor weinige jaaren, ontrent het overlyden van kinderen, het volgende gebruik geweest. Men steekt een bedstok uit, ontrent de deur, met palm vercierd. Aan het einde word een neus-doek, aan de vier tippen met strikjes opgedaan, over een hoep gehangen. Midden op de gemelde doek word een wasse popje (nu jongetje nu meisje) op een kussentje sittende, vast gemaakt. Deese opschik, naar der ouderen geringer of ryker stand, slechter of opsichtelyker, haaldemen van de Verciersters uit de Rosmarynsteegh”.
De rozemarijn van deze ‘Verciersters’ had dus niks te maken met het smakelijk maken van een maaltijd maar met het verdrijven van onwelriekende geurtjes, in dit geval de weeïge geur van ontbinding. Dat gebruik van geurige bloemen, planten en kruiden, in bosjes, kransen of los bij een overlijden maar ook bij andere hoogte- en dieptepunten in het menselijk leven zoals geboorte en huwelijk bestaat nog steeds, al gaat het ons nu meer om de fleur dan om het verdrijven van de geur! Een bijzondere aanvulling op Smids vond ik nog in het bekende werk: “De Uithangteekens, in verband met Geschiedenis en Volksleven beschouwd” (Amsterdam, 1867-1868) van J. ter Gouw en mr. J. van Lennep.
“De Verciersters, die in de 17de eeuw haar kwartier in de Rosmarijnsteeg hadden, maar later door de gansche stad verspreid raakten, hadden een cierlijk en bevallig uithangteeken. – de Verciersterskastjes, die sinds eenige jaren gansch verdwenen zijn. ’t Waren glazekastjes, die een half achtkant vormden, en met de platte zijde tegen den gevel hingen, - waarin rosmarijn, kransjes, bloemtakken, en in ’t midden de dominé op den preekstoel, en een bruid en bruidegom voor hem. Zoo werden, in vroeger tijd, de oogen der jeugd, heel de stad door, steeds met die lieflijke voorstelling gestreeld wat een zoet vooruitzicht voor den geest bracht. ’t Is echter maar beter, dat ze er niet meer zijn; de jeugd zou er toch niet meer bij kunnen staan kijken. Dat ging goed toen er stoepen waren, waarin men veilig stond; op de trottoirs staat men niet, maar loopt er of wordt omvergeloopen” (deel 1, blz. 121/122).
In gedachten zie ik ze hangen. Een Rosmarijnsteeg vol kleine welriekende etalagekastjes. Als ik hier binnenkort weer langs antiquaren loop zal ik nog vaak denken aan de ‘Verciersters’ en hun geurige rozemarijn (en wat minder aan lamsbout)!
maandag 8 juni 2009
Een gekleurd portret
Het is alweer zo’n twintig jaar geleden dat ik bij de bekende Amsterdamse antiquaar Simon Emmering (1914-1999) stond, boven in zijn hoekpandje Nieuwezijds Voorburgwal 304.
Ik liet hem mijn exemplaar zien van P.C. Hooft’s ‘Neederlandsche Histoorien, Sedert de ooverdraght der Heerschappye van Kaizar Karel den Vyfden, op Kooning Philips zynen zoon’ (Amsterdam, L. Elzevier, 1642). Een kloeke foliant van de eerste druk in een perkamenten band, weliswaar gerestaureerd (‘recased’) maar toch nog een aantrekkelijk exemplaar.
Het boek op zich vond hij niet zo bijzonder. Ook de twee fraaie 17de eeuwse koperen sluitstukken, die je normaal gesproken bij een dergelijk boek niet verwacht, trokken niet zijn belangstelling. Nee zijn aandacht, als prentenhandelaar, ging uit naar het gegraveerde portret van Pieter Corneliszoon Hooft door R. Perzyn (naar een schilderij van I. Sandrart) met een latijns gedicht van C. Barlaeus.
In de meeste exemplaren ontbreekt namelijk dit portret maar bovendien is het contemporain ingekleurd. Dat is zeldzaam voor portretgravures en daarom wilde hij die prent wel kopen. Ik sloeg zijn aanbod beleefd af. Prenten uit complete boeken snijden vind ik ‘not done’.
Ik weet nog precies waar en wanneer ik mijn 'blozende' Hooft kocht. In een morsig boeken en rommelkeldertje aan het Sarphatipark, op 29 juni 1984; inmiddels vijfentwintig jaar geleden. Dat weet ik zo precies omdat ik mijn naam en deze datum in het boek schreef! Nou is dat – zeker in oude boeken – niet mijn gewoonte. Ditmaal echter kon ik het niet laten omdat ik de vierde was in de het rijtje van eigenaren die hun naam en datum voorin op het schutblad schreven. De eerste drie waren:
Thomas Coenen 1658. Nov. 18
J. Klein 1851. Oct. 7
Ineke Kiemer. 1948. Sept. 12
Ik liet hem mijn exemplaar zien van P.C. Hooft’s ‘Neederlandsche Histoorien, Sedert de ooverdraght der Heerschappye van Kaizar Karel den Vyfden, op Kooning Philips zynen zoon’ (Amsterdam, L. Elzevier, 1642). Een kloeke foliant van de eerste druk in een perkamenten band, weliswaar gerestaureerd (‘recased’) maar toch nog een aantrekkelijk exemplaar.
Het boek op zich vond hij niet zo bijzonder. Ook de twee fraaie 17de eeuwse koperen sluitstukken, die je normaal gesproken bij een dergelijk boek niet verwacht, trokken niet zijn belangstelling. Nee zijn aandacht, als prentenhandelaar, ging uit naar het gegraveerde portret van Pieter Corneliszoon Hooft door R. Perzyn (naar een schilderij van I. Sandrart) met een latijns gedicht van C. Barlaeus.
In de meeste exemplaren ontbreekt namelijk dit portret maar bovendien is het contemporain ingekleurd. Dat is zeldzaam voor portretgravures en daarom wilde hij die prent wel kopen. Ik sloeg zijn aanbod beleefd af. Prenten uit complete boeken snijden vind ik ‘not done’.
Ik weet nog precies waar en wanneer ik mijn 'blozende' Hooft kocht. In een morsig boeken en rommelkeldertje aan het Sarphatipark, op 29 juni 1984; inmiddels vijfentwintig jaar geleden. Dat weet ik zo precies omdat ik mijn naam en deze datum in het boek schreef! Nou is dat – zeker in oude boeken – niet mijn gewoonte. Ditmaal echter kon ik het niet laten omdat ik de vierde was in de het rijtje van eigenaren die hun naam en datum voorin op het schutblad schreven. De eerste drie waren:
Thomas Coenen 1658. Nov. 18
J. Klein 1851. Oct. 7
Ineke Kiemer. 1948. Sept. 12
Thomas zal, gezien de verschijningsdatum van het boek zestien jaar eerder, wel niet de eerste eigenaar zijn geweest. Voorlopig ben ik wel de laatste!
Abonneren op:
Posts (Atom)









