Posts tonen met het label Kranten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kranten. Alle posts tonen

vrijdag 28 oktober 2022

Het luchtmonster van Gonesse (1783)

Toen ik een aantal weken terug weer eens wat digitaal aan het sneupen was op diverse antiquarische sites kwam ik na het vinden van een interessante uitgave op de website van antiquariaat Klondyke in Almere terecht. Ik bestudeerde meteen even de overige aanwinsten van de afgelopen periode en zag daartussen de volgende titel staan: "Extrait de la Gazette de France, du mardi 2 septembre 1783". Toen ik de titel aanklikte en vervolgens de omschrijving las en foto bekeek ging er in mijn achterhoofd een alarmbelletje af...


Aangeboden werd een overdruk van een artikel ('Extrait') uit een bepaalde Franse krant van een ogenschijnlijk willekeurige datum. Eén pagina (dubbelzijdig bedrukt), maar met wat extra blanco bladen (helaas zonder watermerk!) gebonden tussen gemarmerde schutbladen in een luxe halfleren band met (valse) ribben. Kopsnede verguld, titelschildje in rood met vergulde letters plus verguld jaartal en rugversiering...
Iedere bibliofiele verzamelaar en/of antiquaar moet zich dan afvragen, waarom?

Het kostte mij nog geen tien minuten om die vraag te beantwoorden. Het gekoesterde krantenbericht bevat wereldnieuws en de beschreven gebeurtenissen vormen nog steeds een hoogtepunt in de geschiedenis van de mens. Het artikel gaat over de eerste onbemande experimenten van de uitvinders van de luchtballon, de gebroeders Montgolfier (Joseph Michel (1740-1819) en Jacques Étienne (1745-1799). 
Met hun uitvinding (de 'Montgolfière') start de (burger)luchtvaart en dit 'Extrait' is niet alleen het allereerste bericht daarover, maar bovendien een waarschuwing!



Niet iedereen is het Frans machtig en daarom zal ik de inhoud - vrij vertaald - voor u kort weergeven. In het artikel maakt de regering bekend dat er een ontdekking is gedaan die men graag onder de aandacht brengt van het grote publiek, omdat deze eventueel angst en paniek bij mensen kan oproepen.
Men is erachter gekomen dat een ballon gevuld met brandbaar gas (waterstof) opstijgt naar de hemel, net zo lang tot de lucht in de ballon en de buitenlucht 'in evenwicht' zijn.
De eerste ervaringen hiermee zijn opgedaan in Annonay/Vivarais door de uitvinders, de heren Montgolfier. Een bol van doek en papier, 105 voet in omtrek, gevuld met gas steeg uit zichzelf op tot een hoogte die niet kon worden berekend. 


Op 27 augustus om vijf uur 's middags werd in Parijs vanaf het Champ de Mars (waar thans de Eiffeltoren staat) opnieuw een ballon gelanceerd in aanwezigheid van ruim 30.000 toeschouwers, onder wie Benjamin Franklin, Lodewijk de XVI en zijn echtgenote Marie Antoinette. Een bol bekleed met taf en elastische gom, 36 voet in omtrek, steeg op naar de wolken, waarna men het object geheel uit het oog verloor. De ballon werd door de wind naar het noordoosten gevoerd maar de afstand die zou worden afgelegd was onvoorspelbaar. Volgens het artikel waren er al plannen om dit experiment te herhalen. Iedereen die in de hemel dergelijke bollen ziet, die lijken op een verduisterde maan, wordt gewaarschuwd dat het geen angstaanjagend fenomeen is, maar een machine samengesteld uit taft, of licht linnen bedekt met papier, die geen schade kan veroorzaken.



De overdruk volgt nauwgezet het originele krantenartikel. Alleen bij het oorspronkelijke bericht (Gazette de France, 2 september 1783 (nr. 70), blz. 312) staat onderaan in een noot (*) dat de ballon drie kwartier later en vier mijl van Parijs naar beneden kwam in een akker nabij het dorp Gonesse.

Onvermeld blijft de grote paniek die daar onder de boerenbevolking uitbrak. Het schokken en trillen van de langzaam leeglopende ballon en de typische geur van ontsnappend waterstof was voor de toegestroomde bewoners een duidelijke aanwijzing voor de duivelse oorsprong van het vormloze ding dat uit de lucht was gevallen. Terwijl een lokale pastoor als exorcist optrad in de overtuiging van doen te hebben met een luchtmonster werd de ballon aangevallen met hooivorken en zeisen en afgemaakt met geweerschoten. Het uit elkaar gereten restant werd tot slot vastgebonden aan de staart van een paard dat in triomf rond galoppeerde.


U mag gerust van mij aannemen dat velen met verbazing dit bericht in de Gazette de France zullen hebben gelezen. Dat het groot nieuws was blijkt wel uit het feit dat ook buitenlandse kranten het bericht oppikten. Bijvoorbeeld de Leidse "Nouvelles extraordinaires de divers endroits" (van 12 september 1783, blz. 8) die het hele artikel overnam. In Frankrijk werd vrijwel tegelijk met de desbetreffende Gazette de France (bij verschillende Koninklijke drukkerijen) een 'Extrait' van het bericht gedrukt (in 4to). Dit 'Extrait' (oplage onbekend) werd waarschijnlijk in een flinke hoeveelheid los verspreid met als doel zoveel mogelijk mensen te waarschuwen voor dit nieuwe luchtfenomeen om incidenten als bij Gonesse te voorkomen en angst bij de toeschouwers weg te nemen. Er zouden immers nog meer vluchten volgen.

Van dit extreem zeldzaam geworden stukje luchtvaartgeschiedenis zijn twee varianten te vinden. Van de ene - zoals de mijne - gedrukt: "A Lille, de l'imprimerie de N.J.B. Peterinck-Cramé, imprimeur ordinaire du roi. 1783" (No. LI.), ligt een tweede exemplaar in de Houghton Library van Harvard University, Cambridge/USA (zie hier). Van de andere variant gedrukt: "A Paris, De L'imprimerie Royale, MDCCLXXXIII", ligt een (uniek) exemplaar in de "Bibliothèque Nationale de France" (zie hier).


Een vroeg negentiende eeuwse verzamelaar heeft mijn aanwinst voorzien van een luxe halfleren bandje. Een ex-libris zit er helaas niet in, maar op de voorzijde van het krantenbericht rechtsboven is een (20ste eeuws) stempeltje zichtbaar met de letters "E. F." binnen een eenvoudig lijnkader. Voor wie of waarvoor deze letters staan blijft vooralsnog een open vraag. 

 

Van tenminste één andere collectioneur is bekend dat hij ook een exemplaar bezat.
Van 27 t/m 30 oktober 1930 vond bij Hôtel Drouot in Parijs de veiling plaats van de bibliotheek van de overleden ballonvaarder, graaf Henry de La Vaulx (1870-1930). Daarbij verscheen een catalogus: "Bibliothèque de feu M. le Comte Henry de La Vaulx, Président de la Fédération Aéronautique Internationale. Livres des XVIIe et XVIIIe siècles - Ouvrages de Restif de la Bretonne - Importante collection de livres sur l'Aéronautique" (Parijs, 1930). 


Het gedeelte 'aéronautique' c.q. luchtvaart besloeg ruim driehonderd kavels. Volgens een artikel in Le Figaro (van 31 oktober 1931, blz. 2, 'souvenirs disperses') dook er tijdens de veiling een exemplaar op van dit 'Extrait': "Dit merkwaardige officiële document dat betrekking heeft op de experimenten van de gebroeders Montgolfier, adviseert de bevolking die dergelijke bollen in de lucht zal ontdekken en die 'kenmerken van een verduisterde maan vertonen', niet bang te zijn".


Was mijn aanwinst wellicht het destijds geveilde exemplaar? Ik besloot op zoek te gaan naar die veilingcatalogus. 
En zo - lieve boekenvrienden - kwam Perkamentus terecht in het mekka der bibliofielen, de bibliotheek van The Grolier Club in New York/USA. Daar ligt namelijk een exemplaar en ik schreef een vriendelijke email met het verzoek mij nader te informeren. Enige tijd later ontving ik een verrassend antwoord. Kavel 589 bleek inderdaad het 'Extrait' te zijn maar... gedrukt: "a Caen, sur l'imprimé de l'Imp. Royale", een derde variant dus waarvan de huidige verblijfplaats onbekend is!


Tot slot, net als bij het programma 'Tussen Kunst en Kitsch', de hamvraag... Wat is dit curiosum waard?
Welnu, Perkamentus betaalde bij antiquariaat Klondyke (exclusief verzendkosten) € 45,- euro. Zakgeld, dat je voor elke willekeurige Gazette de France uit die periode betaalt. Ik denk dat dit 'Extrait' makkelijk het tienvoudige (en wellicht meer) kan opbrengen, zeker in Frankrijk...

vrijdag 27 oktober 2017

Dreyfus

Ik bewaar nog altijd ergens mijn oude bewijskaartjes van afgelegde tentamens van mijn studie. Zo weet ik dat ik begin januari 1987 een mondeling tentamen Nieuwste Geschiedenis deed bij docent Bauke Marinus over twee historische persoonlijkheden. Adolf Hitler en Alfred Dreyfus (1859-1935).
De eerst kwam - zover ik mij kan herinneren - nauwelijks ter sprake maar over de tweede heb ik een klein uurtje met Bauke zitten bomen met als resultaat een acht.

De Dreyfus-affaire aan het einde van de negentiende eeuw, over het vermeende verraad van een Joods militair officier, legde een diepgeworteld antisemisme bloot in Frankrijk en verscheurde de natie destijds tot op het bot. Ook internationaal zorgde het verhaal trouwens voor de nodige beroering en ontroering.

Dat alles schoot even door mij heen toen ik een aantal weken geleden op het Waterlooplein bij Jos Albers (wie anders?) voor één euro een pamflet kocht van Émile Zola (1840-1902): “Lettre a la Jeunesse“ (Paris, 1897).
Wie Dreyfus zegt, zegt Zola. Hij was immers de grote pleitbezorger van Dreyfus’ onschuld en tevens auteur van de beroemdste publicatie van de hele affaire: “J’accuse” (op de eerste twee pagina’s van l’Aurore van 13 januari 1898).
Mijn pamfletje, Zola’s eerste publicatie met betrekking tot Dreyfus, verscheen nog vóór die beroemde open brief aan de Franse president Félix Faure (1841-1899) en dat interesseerde (en verwonderde) mij.
Originele exemplaren van dit pamflet worden af en toe aangeboden maar er bestaan ook makkelijk verkrijgbare moderne herdrukken van.
En nu we het toch over pamfletten hebben… Lees ook vooral het artikel van Boudewijn Büch in Maatstaf (jrg. 31, 1983): “Dreyfus in pamfletten uitgevochten?

Alfred Dreyfus; patriot, man van eer, op en top Frans legerofficier (maar Jood) werd ongewild de martelaar van de negentiende eeuw en - na het proces van de eeuw - veroordeeld tot verbanning naar het Duivelseiland (Île du Diable/Frans Guyana).
Vijf jaar later, na zijn gratie (1899) en nog vóór zijn officiële rehabilitatie (1906) zette hij zijn herinneringen op papier in: “Cinq années de ma vie” (Paris, 1901).
Het verscheen hier nog in hetzelfde jaar in achttien aflevering van tien cent per stuk, bij de firma Cohen & Zonen onder de titel: “Vijf jaren van mijn leven (Cinq années de ma vie) 1894-1899” (Amsterdam, 1901). Compleet en gebonden in een fraaie stempelband (van Giltay & Zoon in Dordrecht) kostte het boekje destijds twee gulden en vijfentwintig cent.

De Nederlandstalige uitgave was niet de enige vertaling die in 1901 verscheen.
Het boekje verscheen ook in het Italiaans (“Cinque anni della mia vita“), Spaans (“Cinco años de mi vida“), Hongaars (“Öt év életemből : szenvedéseim az Ördögszigeten töltött rabságom alatt : Dreyfus sajátkezű rajz- és kézírásaival”), Engels (“Five years of my life”), Duits (“Fünf Jahre meines Lebens”), Noors (“Fem Aar af mit Liv“), Pools (“Pięć lat mojego życia“) en zelfs Ladino (“סינקו אנייוס די מי ב׳ידה / Sinḳo anyos de mi vidah”)!
Dat zegt wel iets over de aandacht die de Dreyfus-affaire destijds wereldwijd trok.

Het boekje van Dreyfus is trouwens een wat onevenwichtige samenstelling van diverse onderdelen bestaande uit zijn verhaal opgedragen aan zijn kinderen, dagboekfragmenten, brieffragmenten van - en aan zijn vrouw (saai, want zwaar gecensureerd!) en andere brieven en stukken (waaronder de tekst van het belangrijkste bewijsstuk van zijn schuld; het beruchte zogenaamde ‘borderau’). Daarnaast bevat het een aantal stukken geschreven door Émile Zola (“Artikel van Emile Zola in de ‘Figaro’ van 1 december 1897. Het syndicaat”, “Verklaring aan de jury” (1898), “Het vijfde bedrijf” (1899), en een “Brief aan mevrouw Dreyfus” (1899).
Overigens is de Nederlandse uitgave van Dreyfus: “Cinq années de ma vie” vrij schaars. Momenteel biedt geen enkel antiquariaat het boekje aan, dat ik ooit voor minder dan tien euro kocht.

Uiteraard verschenen er ook fantasievolle, zwaar geromantiseerde verhalen. De meest bekende titel kwam ik alweer enige tijd geleden tegen in mijn kringloop. Het gaat om: “Dreyfus. De Banneling op het Duivelseiland” (Amsterdam, 1931), een colportageroman bestaande uit honderddertig delen (tien cent per stuk)!
Het is een vertaling uit het Duits van: “Dreyfus. Unschuldig getrennt” (Dresden, 1931), geschreven door Eugen von Tegen, een pseudoniem van Marie Blank Eismann (1890-), wiens Keizerin Sissi-romans de grondslag vormden voor de later zo succesvolle Sissi films met Romy Schneider (1938-1982) in de hoofdrol.


Een ander recent verkregen Dreyfus-item in mijn bibliotheek is voor zover ik kon nagaan alleen nog ter inzage in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Het gaat om het speciale “Dreyfus-Nummer van de Wereldkroniek, bevattende: De geschiedenis van de Dreyfus-zaak van den aanvang af, met talrijke Portretten en Illustratiën” (Rotterdam, 1899).
De Wereldkroniek (1894-1970) was een familieblad, door de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag omschreven als een, “een kruising avant la lettre tussen Panorama, Privé en Vorsten”.
Wat deze vroege zwart-wit 'glossy' op groot formaat (41.5 cm. x 30 cm.) bijzonder aantrekkelijk maakt zijn de overvloedige illustraties (portretten, plattegronden tekeningen, facsimile’s etc.).
Op de voorzijde staat de bekende portretfoto van Dreyfus die model stond voor het getekende portret op de eerder aangehaalde Nederlandse uitgave van Cohen & Zonen.


Het blad bevat vijf hoofdstukken; I. Dreyfus, II. Esterhazy (spion en de werkelijke dader in deze affaire!) en Henry, III. Zola, IV. Luitenant-Kolonel Picquart, V. Herstel van recht?, en een chronologische lijst van gebeurtenissen (20-25 september 1894) t/m 7 augustus 1899, met hier en daar niet altijd even zorgvuldige of juiste informatie).

Omdat het verscheen nog voor het revisieproces in Rennes, waar Dreyfus opnieuw schuldig werd bevonden (maar het pardon aanvaarde van de Franse president Emile Loubet), kwam de Wereldkroniek in oktober 1899 met een aanvullend Dreyfus-nummer “dat het revisieproces te Rennes, de hernieuwde veroordeling van kapitein Dreyfus en aanverwante gebeurtenissen met talrijke portretten en afbeeldingen geeft”.
En! Ik lees het goed:
Voor hen, die het 1ste nummer bezitten, is het zeker een begeerde aanvulling”.
Dat wordt nog even verder snuffelen dus...!

vrijdag 15 mei 2015

Embedded


Met de invasie van Irak in 2003 werd het publiek wereldwijd getrakteerd op een nieuwe term in de journalistieke berichtgeving; ‘embedded journalism’. Journalisten, burgers, die - gebonden aan diverse voorwaarden en ingebed tussen zwaar bewapende militaire eenheden - direct verslag deden van de acties aan de frontlinie.

De term mocht dan compleet nieuw zijn, een geheel nieuw verschijnsel was het allerminst.
Oorlog is zo’n beetje de moeder van de journalistiek. De oudst bekende (Nederlandse) courantiers Broer Jansz. (1580-1652) en Caspar van Hilten (?-1628) waren hun journalistieke loopbaan als oorlogscorrespondent gestart.


Tot de journalisten reken ik ook de tekenaars (en later fotografen en cameramensen) die het conflict niet in woord maar in beeld trachten te vangen. Een vroeg Nederlands voorbeeld daarvan is Johan Fabricius (1899-1981) wiens boek: “De oorlog van de kleine paardjes” (Amsterdam, 1975) ik onlangs in mijn kringloop tegenkwam. Het beschrijft zijn verblijf gedurende de Eerste Wereldoorlog als ‘kriegsmaler’ bij een Oostenrijks regiment, het 2de Bosnisch-Herzegowinische Infanterie-regiment dat op de Fontana Secca in de Venetiaanse Alpen in stelling lag. Een relatief weinig bekend maar licht verteerbaar verhaal dat ik iedereen kan aanbevelen.

In mijn collectie zitten een paar oude en bijzondere uitgaven geschreven door 'embedded' journalisten van ‘De Standaard’ (Hesseling), ‘Het Volk’ (Santcroos) en ‘De Telegraaf
(Sand). Het zijn alle drie kleurrijke verslagen van bijna een eeuw geleden.
Ons land was toen (nog) niet in oorlog met een buitenlandse mogendheid maar intern op politiek en sociaaleconomisch terrein waren er grote problemen en tegenstellingen. De frontlinie lag niet ver weg maar dichtbij in de volkse achterbuurten van de grote stad en de vijand, dat waren geen zwaar bewapende soldaten maar de (Amsterdamse) zedenverwildering, slechte volkshuisvesting en welig tierende misdaad.
Hun ervaringen leverden thans gezochte antiquarische lectuur op en het lezen daarvan is nog steeds een feest.
Onze maatschappij is inmiddels zo veranderd dat de verhaaltjes met voorbeelden van 'onzedelijk gedrag‘ en ‘zware misdaad’ nu bij velen eerder tot een schaterlach leiden dan gefronste wenkbrauwen. Dat zal met de verhalen van Santcroos over de erbarmelijke huisvesting in ‘volklogementen’ anders zijn. De schrijnende hygiënische en sociale omstandigheden van toen zullen de lezer van nu eerder doen verbazen en soms verbijsteren, want zo erg als destijds is het al lang niet meer.


Het oudste boekje is dat van Joh. J. Hesseling: “Licht in nacht. Van den arbeid in duister Amsterdam” (Amsterdam, 1917) met een fraaie illustratie vol symboliek van Joh. Visser. Het gaat over de strijd van de christelijke Nederlandse Middernachtzending Vereniging (afdeling Amsterdam) tegen onzedelijk gedrag (zoals prostitutiebezoek) en alcoholisme. Samen met enkele ‘broeders’ dook Hesseling donker Amsterdam in, zoals ook Prinses Beatrix bijna vijftig jaar later deed met ‘majoor’ Bosshardt (1913-2007), maar dan zonder vermomming.
De middernachtzendelingen, broeders en zusters, opereerden vanuit hun verenigingsgebouw ‘Welkom’ (Warmoesstraat 15). Ze zwierven door Amsterdam, nodigden uit voor samenkomsten in ‘Welkom’, deelden stichtelijke blaadjes uit, postten bij bordelen en 'verdachte' huizen en spraken hoerenlopers en jonge paartjes aan op vermeend onzedelijk gedrag.

Zoo loopen we dan langs den Admiraal de Ruyterweg en den Haarlemmerweg, naar het eerste doel van den tocht, de Slatuintjes; door die typische, smalle begroeide laantjes, welke de herinnering levendig houden aan de dagen toen de Amsterdammers nog meer van ‘’n kuiertje’ hielden en we nog niet ‘allemaal op de fiets’ zaten.
Nu moet gij niet gelooven, dat ge op deze slingerpaadjes, met kneuterige warmoezerijen aan den eenen en ’n schilderachtig uitzicht, over de landerijen, op de stad aan den anderen kant, geen menschen meer aantreft. Weet ge wie ge hier bijvoorbeeld veelvuldig passeert? Vrijende paartjes!
” (-).
Neen, hoor, bij verreweg de meesten verloopt de vrijerij hier ‘in alle eer en deugd’. Maar…. Maar…. Als zoo de schemering op de dreven daalt, gebeurt ’t wel eens, dat we bij zoo’n enkel spannetje iets verdachts opmerken in houding of gebaar en dan kunnen we door ’n gemoedelijk woord wel eens veel voorkomen: u voelt wel, hoe meer voorkomend onze arbeid wezen kan, des te beter. Toch bieden we al dien ‘kirrende tortels’ ’n tractaat aan van gewoon evangeliseerende strekking. Tenzij we 'iets merken’. Voor zulke gevallen bewaren we ’n bijzonder geschrift in onze binnenzak” (Blz. 35/36).
Ik vermoed dat menig zendeling tegenwoordig met blauwe ogen zou thuiskomen maar toen liep het eigenlijk nooit uit de hand.


Erg zeldzaam is de brochure van Is. Santcroos Dlz. (1894-1945): “In en om volkslogementen. Zwerftochten van een journalist met een rechercheur” (Amsterdam, 1920) en fraai geïllustreerd door L.J. Jordaan (1885-1980). Ze verscheen in een tijd dat de volkshuisvesting hoog op de politieke agenda stond zoals blijkt uit de vele krantenartikelen die daarover in Delpher te vinden zijn.
Santcroos ging onder begeleiding van een politiecontroleur (en vaak in het holst van de nacht) langs diverse Amsterdamse logementen. Weliswaar waren er volkslogementen voor elke portemonnee maar verreweg de meesten werden bewoond door de laagste sociale klassen.
Santcroos zag vervuilde kleine kamertjes met meerdere stapelbedden voor bedelaars, schoenpoetsers, straatventers, orgeldraaiers, scharensliepen, Chinezen, kolonialen, verarmde gezinnen en bejaarden.
Volkslogementen worden wel gezien als de voorganger van de hedendaagse instelling voor opvang van dak- en thuislozen al waren er verschillende die slechts in naam een logement waren maar in werkelijkheid gelegenheid tot prostitutie boden. Vooral de hygiënische omstandigheden waren er verschrikkelijk en besmettelijke ziekten tierden er welig.


Santcroos bezocht de volgende ‘holen’; ‘De Posthoorn’ in de Nes, ‘Oost-Indië’ in de Pieter Jacobdwarsstraat (zie bovenstaande krantenbericht uit 1920), de ‘Stad Amsterdam’ op de Kromboomsloot, ‘De Kroon’ in de Laurierstraat, een naamloos logement in de Anjelierstraat, ‘De drie Kronen’ in de Haarlemmerhouttuinen (“het vroeger beruchte etablissement van ‘Tante Mie’”), ‘De oude Wijnberg’ in de Warmoesstraat, ‘De Nieuwe Karseboom’ aan de Korte Prinsengracht, het logement van ‘Kleine Ko’ op de Achterburgwal en ‘Long Fah’ en ‘Kwong Tai’ in de Chinezenwijk. Genoemd worden voorts de logementen ‘Transvaal’ en ‘Het Vosje’ op de Noordermarkt.
In een er van, een logement in de Koestraat, kwam hij de bekende straatfiguur Dionisius Reynen (1881-1926) tegen. Een bedelaar zonder benen (die verloor hij op achtjarige leeftijd onder de stoomtram), en op zijn vaste standplaats het Damrak beter bekend als ‘de man op het krukje’.


Over het boekje van J.C.E. Sand (1888-1936): “De ratten van Amsterdam. Schetsen uit misdadig Amsterdam” (Amsterdam, 1922), heb ik al eerder geschreven. Het bevat verschillende aardige illustraties van O. Geerling. Ook de afbeelding op de omslag is beslist geslaagd al staat er foutief ‘J.C.L. Sand’ in plaats van 'J.C.E. Sand’.
Net als zijn collega Santcroos werd Sand begeleid door de politie en wel door een Amsterdamse inspecteur; “Mag ik u m’n vriend Walden even voorstellen? Ik noem hem maar Walden, omdat zijn kop me levendig herinnert aan dien van den hoofdpersoon van den politiefilm The mysterious Band” (Blz. 4). Sand deed niet alleen verslag van de acties maar nam er zelfs af en toe actief aan deel. Zijn beschrijvingen zijn kleurrijk en soms heel herkenbaar.


Ook op den hoek van de Stormsteeg bevindt zich een soort ‘Beurs’ van ongure elementen van het mannelijk en vrouwelijk geslacht. Nu en dan gaan ze een ‘glaasie zoet’ in een of andere kroeg drinken en als ze zich vervelen gaan ze ‘het koper pesten’, d.i. de politie treiteren. Een ander verschijnsel op den ‘dijk’ is de man, die splinternieuwe fietsen tracht te verkoopen. In een kring omringt het publiek hem. In werkelijkheid is het rijwiel niet nieuw, maar samengesteld uit onderdeelen van gestolen karretjes, alles netjes gemoffeld en opgepoetst. Iemand uit het publiek doet een bod. Dat is de handlanger, die den kooplust van het publiek probeert aan te wakkeren” (Blz. 57).

Ach ja….fietsendiefstal…., toen nog een beschrijving waard, haalt tegenwoordig het nieuws niet meer. Amsterdam, criminaliteit, zedenverwildering, prostitutie, drankmisbruik, dak- en thuislozenopvang. Het is er allemaal nog, maar dan anders. Zelfde decor, andere hoofdrolspelers.


vrijdag 9 mei 2014

Plezante bijkomstigheden


Bij de aanschaf van een boek is voor mij de inhoud bepalend. Het onderwerp moet mij interesseren. Gaat het om oude zeventiende of achttiende eeuwse boeken dan heb ik bovendien een voorkeur voor een perkamenten band. Uiteraard spelen ook de staat waarin het boek verkeert alsmede de vraagprijs een rol.
Als vervolgens na een lange jacht of geduldig wachten de aanwinst eindelijk in mijn bibliotheek staat en ik er wat in blader, snuffel en bewonder, dan komt het regelmatig voor dat er opeens zaken opvallen die het boek een extra dimensie geven.
‘Plezante bijkomstigheden’ zeg maar die mij in eerste instantie niet bekend waren of niet direct waren opgevallen.

Vaak helpen anderen je om zo’n plezante bijkomstigheid te ontdekken zoals ik lang geleden al eens schreef in ‘Verrassend Belegh’. Een ander voorbeeld is de ontdekking die ik deed tijdens het doorbladeren van het eerste vernieuwde (Vrouwen & boeken) nummer van de ‘De Boekenwereld’ (jrg. 29, nr. 3, 2013). Hierin staat een interessant artikel van Anna de Haas: “Anna en Fopje Folkema, prentenmaaksters in de achttiende eeuw” (blz. 22 t/m 27) waarin zij schreef dat een aantal gravures in: “Gebouwen, gezichten en oudheden der stad Amsterdam” (Amsterdam, 1741) gemaakt zijn door de Friese Anna Folkema (1695-1768). 

Een exemplaar daarvan (uiteraard in perkamenten band) staat al weer geruime tijd in mijn bibliotheek. De miniatuurillustraties vormen een verhaal op zich. Ze waren niet alleen al deels gebruikt in een uitgave van Roeland van Leuve’s: “’s Waerelds koopslot of de Amsteldamse beurs” (Amsterdam, 1723) maar bovendien gegraveerd door verschillende kunstenaars.
Zo treffen we illustraties aan van Adolf van der Laan (circa 1690-1742), Jan van Lamsvelt (1674-1743) en ‘A.F.’.
Dat het bij de laatste ging om Anna Folkema een zeldzaam voorbeeld van een professionele illustratrice uit de vroege achttiende eeuwhad ik niet kunnen bedenken (en hopen). Een plezante bijkomstigheid dus.



Er is overigens nog iets vermeldenswaardig dat Anna de Haas in haar artikel niet noemt.
Gebouwen, gezichten en oudheden der stad Amsterdam”, waarvan de eerste druk in 1741 verscheen (en niet 1736 zoals zij schrijft) bevat een door Jacob Folkema (de broer van Anna) getekend en gegraveerd frontispice. Het is, met uitzondering van de titel, identiek aan het frontispice van het achttien jaar eerder verschenen boekje van Roeland van Leuve: “’s Waerelds koopslot of de Amsteldamse beurs”!

Ander voorbeeld.
Alweer geruime tijd geleden kocht ik bij Bubb Kuyper in Haarlem een mooi in perkament gebonden exemplaar van: “Beschrivinge van Out Batavien met de Antiquiteyten van dien” (Amsterdam, 1646). Daarmee ging een lang gekoesterde wens in vervulling want het boekje was niet alleen een fraaie aanvulling op mijn collectie oude geschiedenisboeken maar bovendien geschreven door de vermaarde zeventiende eeuwse historicus en antiquarius Petrus Scriverius (1576-1660).


Toen ik het boekje thuis op mijn gemak doorbladerde, de afbeeldingen bekeek, waaronder vijfentwintig portretten in fraaie renaissance omlijsting, en de titelpagina bewonderde viel mij opeens het uitgeversadres op. Kijk, kijk, dacht ik, een boekje van de befaamde Broer Jansz.!

U wordt er niet warm of koud van?
Dat zou mij niets verbazen. Voor de meesten, die in min- of meerdere mate ‘iets met boeken hebben’ zal zijn naam niet bekend in de oren klinken. Zijn collega’s; Blaeu, Plantijn of Elsevier zijn bekender en ook al lang en breed opgenomen in het hedendaagse kennispantheon dat Wikipedia heet. Broer Jansz. (1580-1652) echter nog steeds niet en volgens mij is dat geheel ten onrechte. De verdiensten van Broer Jansz. zijn tweeërlei.

Ten eerste is hij de drukker en uitgever van de: “Catalogus Universalis...” die tussen 1640 en 1653 in zestien deeltjes verscheen. Het is een van de eerste pogingen om een jaarlijks overzicht samen te stellen van de boekproductie in de Republiek, ten behoeve van boekverkopers en boekenliefhebbers. Een uitgave van boekwetenschappelijk belang dus en sinds 1986 beschikbaar als facsimile (H&S uitgevers, Utrecht) met een inleiding door H.W. de Kooker (1950-2007).


Ten tweede behoorde hij, samen met (Jan en) Caspar van Hilten (?-1628), tot de eerste ‘courantiers’ d.w.z. krantenuitgevers. Een ‘beroep’ overigens dat bij deze heren voortkwam uit hun journalistieke loopbaan als oorlogscorrespondent in het leger van Prins Maurits (1567-1625).

Kranten waren toen - en zijn nog steeds - een vluchtig en vergankelijk medium. De oplage was nog niet zo hoog als tegenwoordig, de papierkwaliteit was laag en ze gingen meestal van hand tot hand en werden dus letterlijk stukgelezen. Antiquarisch kom ik regelmatig achttiende eeuwse kranten tegen maar nimmer zeventiende eeuwse exemplaren (dat zijn al gauw unica). Overigens bestaat er behalve een Persmuseum ook een aparte vereniging voor liefhebbers van dit 'oud papier'; de VKTV.

De eerste exemplaren van de oudst bekende kranten hebben de tand des tijds niet overleefd. De tot dusver oudst bekende Nederlandse krant bevind zich nu in de Koninklijke Bibliotheek van Stockholm (Zweden)Het gaat om een exemplaar van de “Courante uyt Italiën, Duytslandt, etc”, van ca. 14 juni 1618, uitgegeven door Caspar van Hilten en gedrukt door Joris Veseler.

De daaropvolgende oudste krant is een extra editie van 13 mei 1619 uitgegeven door Broer Jansz. met een beschrijving van de terechtstelling van raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619).
Van dit exemplaar (dat lange tijd gold als de oudste Nederlandse krant) werd een fraaie facsimile opgenomen in het boek van R. van der Meulen: “De Courant. Geschiedkundig en vergelijkend overzicht der nieuwsbladen van alle landen” (Leiden, 1885).
Een, ik mag wel zeggen, bijzonder plezante bijkomstigheid!