Posts tonen met het label W.P.C. Knuttel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label W.P.C. Knuttel. Alle posts tonen

vrijdag 28 november 2025

Satirische begrafenisbriefjes uit de Patriottentijd


Ik was op weg naar de Summerschool in het Allard Pierson Museum en passeerde antiquariaat Brinkman op het Singel waar Frank zojuist de stoep had geschrobd. Volgens mijn horloge had ik nog voldoende tijd en daarom besloot ik om even binnen te wippen voor een praatje en te kijken of er nieuwe aanwinsten op de planken stonden. In de kleine wandvitrine met glazen schuifdeurtjes ontwaarde ik een fraai geperst zwartlinnen bandje waarvan de platten met sierkaders in goud waren bedrukt en het boekblok aan alle zijden was verguld. Een presentexemplaar?

Het bleek te gaan om twee ingezonden antwoorden op een prijsvraag die werd uitgeschreven door de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels ('de vereniging met de lange naam'), naar aanleiding van haar vijfentwintigjarig bestaan.
De eerste geschreven door de Haagse uitgever Koenraad Fuhri (1814-1858): "Adres aan de boekverkoopers in Nederland" en de tweede door zijn Amsterdamse collega Johan Hendrik Gebhard (1809-1884): "Beschouwing van de vraag der Vereeniging 'Bestaat er verval of kwijning in den Boekhandel?'" (Amsterdam, 1846). Fuhri won en Gebhard kreeg een eervolle vermelding, maar dit terzijde.

Ik bladerde en las wat en ontdekte aan het einde van de bijdrage van Fuhri een ongewone bijlage (G) bestaande uit facsimile's van twee achttiende eeuwse satirische pamfletten.
De ene getiteld: "Lees-Cedul om in staatsie en goede ordre te volgen het Lyk van Wylen den door Schrik Versturven Heere [...] De Ouderwetse Nederlandsche Patriot" (z.p., z.j. [1781]) en de ander in de vorm van een eenzijdig bedrukt oblong begrafenisbriefje: "In 's Gravenhage, Anno 1781. Tegens Maandag, den 31sten December, werdt UE: ter begravinge verzogt, met het zoo ongelukkig door de Schrik van een Advertentie van den 17den Dito, gesneuvelde lyk van De Ouderwetsche Nederlandsche Patriot, [...]" (z.p., z.j. [1781]).


Die heb ik ook! - dacht ik - en tegelijkertijd vroeg ik mij af wat ze in dit boekje deden...
Om maar met het laatste te beginnen. Fuhri beschrijft op bladzijde 12, 41 en 42 de prullen die in het vorige tijdvak (de 18de eeuw) verschenen en hoe hij daarvan eens zestig pakketten tegenkwam. "Eene baal niet te tillen", van geschiedkundige, staatkundige, godsdienstige stukken, paskwil- en twistgeschriften uit de periode 1778-1793 afkomstig uit de nagelaten bibliotheek van de jurist Daniël François (1781-1840), die op 21 september 1840 in Den Haag werd verkocht bij Thierry en Mensing.
"Gij klaagt over blaauwboekjes en twistgeschrijf, waardoor gij uwe handel vaak onteert ziet; maar het tijdperk, uit hetwelk 'onze voornaamste firma's ontsproten', was daarin zoo rijk, dat gij, als ge toen geleefd hadt, niet zoudt gezegd hebben, dat de Boekhandel verviel, maar dat die ten grave gedaald was. Ik heb het u reeds gezegd; ik zag eens zestig pakken daarvan bijéén, als het resultaat van vijftien jaren (*); ik zag ze zoo vuilaardig, persoonlijk en gemeen, dat onze minste stalletjes-man er zich nu voor schamen zou". En in een noot (*) daaronder: "Maar de boekhandel van het hier behandelde tijdvak geneerde zich toen vrij algemeen met de uitgave van zulke hatelijke en zoutelooze libellen, als waarvan ik er u hier een doe kennen. Hartstogt gaf ze in de pen, winzucht deed de uitgaaf ondernemen, en het kan niet missen, of onder zulk eene gesteldheid van zaken moest de solide Boekhandel wel treuren". De facsimile's dienden dus als voorbeelden van afkeurenswaardig drukwerk dat in grote hoeveelheden in de 18de eeuw (maar ook daarvoor al) was verschenen.

Ik pakte mijn telefoon erbij om het facsimile van het begrafenisbriefje te vergelijken met mijn exemplaar. Onder de aanwinsten van januari 2023 vond ik die terug. Nu werd meteen duidelijk dat ze inhoudelijk verschillend waren. Plots herinnerde ik mij dat ik mijn aanwinst op de dag dat ik het op de Spui boekenmarkt had gekocht aan Joanna (Frank's compagnon) had laten zien. Ik vertelde Frank dat we hadden gelachen om de pamflettist die over een onuitputtelijke hoeveelheid scheldnamen en beledigingen bleek te beschikken. En passant had Joanna toen opgemerkt dat zij toevallig ook zo'n quasi begrafenisbriefje te koop hadden!
Frank, die had geluisterd, ging meteen op zoek in zijn database. Inderdaad... en niet veel later stond ik met hun exemplaar in mijn handen en konden we constateren dat die in ieder geval wel identiek was aan het facsimile. Ik besloot om beide (boekje en begrafenisbriefje) te kopen om er eens nader onderzoek naar te doen.


Begrafenisbriefjes werden in de achttiende eeuw direct na een overlijden door aansprekers rondgebracht bij familie en vrienden aan de hand van 'leesceelen'. Dat zijn rollen, soms wel enkele meters lang, met de namen van allen die voor de begrafenis werden uitgenodigd.
In de 17de, 18de en 19de eeuw moeten er vele honderdduizenden begrafenisbriefjes zijn gedrukt. Zoveel dat in Amsterdam de stedelijke overheid verordonneerde dat voor elke honderd er één gulden aan het aalmoezeniersweeshuis moest worden betaald met een minimum van drie gulden. Bovendien werd in 1676 bepaald dat het formaat van het begrafenisbriefje niet groter mocht zijn dan een 'quarto ordinaris schrijfpapier' (oblong, ca. 25 cm breed en 20 cm hoog).
Ze kenden een redelijk gelijkvormige inhoud. De kop vermeldde plaats, datum en jaar. Vervolgens in groot kapitaal de naam van de overledene al dan niet met zijn beroep, soms bijnaam en eventuele kwalificaties. Tot slot het adres (sterfhuis) waar men zich verzamelde voor de uitvaart en naar welk kerkhof het lichaam werd gedragen. Een enkele keer veroorloofd men zich bij dergelijk drukwerk frivoliteiten zoals een bericht op rijm.
Satirische begrafenisbriefje in de achttiende eeuw verschenen vooral tussen 1780 en 1790 toen de politieke spanning tussen Prinsgezinden en Patriotten toenam. Ze imiteren met hun vormgeving de werkelijkheid en ook de inhoudelijke opmaak sluit nauw aan bij de gebruikelijke/normale begrafenisbriefjes. Anders dan de laatste werden ze natuurlijk niet gratis verspreid, maar verkocht. Eveneens afwijkend is het feit dat ze niet alleen melding maken van de dood van personen (die soms nog niet eens overleden waren!), maar ook van 'overleden' voorwerpen c.q. kranten!

Gedurende deze periode verscheen overigens veel meer satirisch efemeer drukwerk rondom al dan niet overleden politieke tegenstanders, zowel visueel (spotprenten) als verbaal (denk aan gefingeerde testamenten, spotliedjes en kluchtspelen zoals de 'schertsbegrafenis').
Ik laat deze hier verder buiten beschouwing met uitzondering van de vaak bij het begrafenisbriefje apart verschenen opsomming/beschrijving van alle deelnemers aan de begrafenisstoet (veelal 'lees-cedul' genoemd). Daarmee kon de satire en hoon worden doorgetrokken naar andere politieke tegenstanders die in relatie stonden met de overledene.


Dat begrafenisbriefje en cedul vergelijkbaar zijn blijkt uit het feit dat beide soms hetzelfde 'echtheidsteken' droegen (zoals een gefingeerd heraldisch wapen). Dit is bijvoorbeeld het geval bij nummer 1 (2) en 3 in de onderstaande lijst. Ook komt het voor dat op het cedul wordt verwezen naar het begrafenisbriefje (zoals bij nr. 4 in de lijst, hieronder afgebeeld).


Dergelijke beschrijvingen van de begrafenisstoet waren destijds zeker niet algemeen gebruikelijk. Ze verschenen vrijwel uitsluitend na het overlijden van hooggeplaatste personen soms zelfs als boek, uitbundig geïllustreerd en met uitvoerige beschrijvingen van de uitvaartstoet. Een mooi voorbeeld hiervan is de uitgave die verscheen na het overlijden van Willem IV van Oranje-Nassau (1711-1751): "Lyk-staetsie van zyne doorluchtigste hoogheid den heere Willem Carel Hendrik Friso, prince van Orange en Nassau" ('s Gravenhage, 1755).

Aan de hand van gegevens uit de STCN, de pamflettencatalogi van W.P Knuttel en L.D. Petit alsmede enkele andere online bronnen kon ik het volgende overzicht maken van satirische begrafenisbriefjes verschenen tussen 1781 en 1787 (plus eventueel 'cedul'). 
Compleet zal dit overzicht vermoedelijk niet zijn. Daarbij moet worden opgemerkt dat dergelijk efemeer drukwerk niet alleen grotendeels is verdwenen maar zich bovendien ook vaak bevindt in (familie)archieven die nog niet zijn ontsloten zoals (bijzondere) bibliotheekcollecties door de STCN. Antiquarisch worden ze maar zeer zelden aangeboden. Toevallig kon ik - terwijl ik dit blog schreef - nummer 3 (met cedul) bemachtigen bij antiquariaat Goltzius in Lisse.

1. De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (1781). Knuttel nr.19891. Cedul 19892. De begrafenisstoet telt 14 deelnemers. De Encyclopedie Nederlandstalige Tijdschriften geeft uitgebreide informatie over deze krant.


2. De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (1782). Knuttel nr. 20267. Cedul 20268. Anders dan bij nr. 1 gaat het hier feitelijk om een uitnodiging voor de uitvaart-diensten!


3. Johan Barueth (1708-1782). Vurig Orangistisch predikant. Knuttel nr. 20244. Cedul 20245. Zijn begrafenisstoet telt 22 deelnemers.


4. De 's Gravenhaagsche alias Hof Courant (1783). Knuttel nr. 20438. Cedul 20439. Uitvoerige informatie over deze krant wordt gegeven door mr. W.P. Sautijn Kluit in: "Mededeelingen gedaan in de vergaderingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1874-1875". De begrafenisstoet telt 65 deelnemers. Nummer 55 is "W. v. Bilderdijk, J.U. candid te Leyden".

5. Pierre Frederik Gosse(n) (1751-1826). Knuttel nr. 20440. Cedul 20441. Haags courantier. Hij was uitgever-distributeur van de nrs 1 t/m 17 van De Ouderwetse Nederlandsche Patriot (zie nr. 1 en 2). De daaropvolgende nummers 18 t/m 27 verschenen bij de Rotterdammers Charles Richard Hake & Lambert Bennet. Op het begrafenisbriefje nr. 2 worden de laatsten genoemd onder hun verbasterde namen 'Haalna' en 'Goednet'. Bij Gosse verscheen eveneens de 's Gravenhaagsche alias Hof Courant (nr. 4).

6. Hendrik Kannegieter Jansz. (1722-1783). Knuttel nr. 20540. Cedul 20541. Orangist en oud-doelist (1748). Overigens verscheen van zijn politieke medestander Christiaan Teepken (17..-1748) al veel eerder een dergelijk begrafenisbriefje (Knuttel 18077.a.) evenals van Daniël Raap (1703-1754), Knuttel nr. 18422 en 18423. De tekst van het briefje van Teepken is later opgenomen in de serie: "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" (Emden, 1748-1754, deel II, blz. 237). Twee satirische begrafenisbriefjes van Raap zijn hierin als facsimile opgenomen (deel VI).


7. De Diemer of Watergraafsmeersche Courant (1783). Niet in Knuttel. Cedul (Amsterdam, 1783) in Petit nr. 7194. Voor informatie zie de Encyclopedie Nederlandstalige tijdschriften.

8. Nikolaas Francois Hoefnagel (1735-1784). Patriotische querulant en pamflettist. Niet in Knuttel. Exemplaar uit 1784 in Utrechts archief (signatuur: PK: VII D I nr. 22).

9. Ludwig Ernst van Braunschweig-Wolfenbüttel (1718-1788). Militair in stadhouderlijke dienst, besturend voogd van Willem V tot 1766. Knuttel nr. 20787. Cedul 20788.
De begrafenisstoet telt 12 nummers.

10. Kees Salm (Frederik III van Salm-Kyrburg 1745-1794). Militair in stadhouderlijke dienst, bevelvoerend verdediger van Utrecht. Knuttel nr. 21634. Cedul 21634 (zie voetnoot). De begrafenisstoet telt 32 nummers. Gedrukt naar aanleiding van zijn smadelijke vlucht op 15/16 september 1787 uit Utrecht bij het naderen van de Pruisische troepen.


Opmerkelijk is dat de helft van bovenstaande lijst (nrs. 1 t/m 5) wordt toegeschreven aan de politieke pamflettist Nikolaas Francois Hoefnagel (1735-1784) over wie de Nederlandse literatuurhistoricus Andre Hanou (1941-2011) veel heeft geschreven. Hoefnagel is daarmee de onbetwiste specialist in dit genre. Hij kreeg na zijn dood - heel toepasselijk - een koekje van eigen deeg.

vrijdag 3 oktober 2025

'Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen'


Onlangs kon ik via Marktplaats voordelig een zeer curieuze uitgave bemachtigen. Het gaat om de serie: "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" (Embden [Amsterdam], 1748-1754).
Ik ben deze titel in de loop der jaren regelmatig tegengekomen op beurzen, markten en veilingen, vaak een los deeltje of meerdere, maar zelden compleet. Telkens als ik er dan in bladerde verwonderde ik mij over deze vreemde uitgave, zijn merkwaardige samenstelling, inhoud en illustraties.
Het "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" past in het rijtje: "Nederduitsche en Latynsche keurdichten" (Rotterdam, 1710) en het meer bekende "Groote tafereel der dwaasheid" (Amsterdam, 1720). Het zijn compilaties van (al dan niet eerder verschenen los efemeer) drukwerk, die hun ontstaan danken aan maatschappelijke onrust of economische en/of politieke instabiliteit. De teksten in het praaltoneel zijn ongepolijst en direct. Ze vertegenwoordigen de mening van het gepeupel. Straattaal en vloekwoorden zijn eerder regel dan uitzondering. Juist dat maakt de inhoud zo interessant en bijzonder tegelijk.

We weten dat het praaltoneel niet in het Duitse Embden werd "gedrukt voor de liefhebbers" maar in Amsterdam bij Gerardus van Hattum (die ook uitgaf onder het pseudoniem J. de Vries, Deventer). Van Hattum was als boekdrukker/-handelaar slechts enkele jaren actief en in zekere zin is het praaltoneel - zeker qua omvang - zijn opus magnum. In de Short-Title Catalogue Netherlands (STCN) worden slechts 25 uitgaven (meest anoniem verschenen) aan hem toegeschreven. Het ligt voor de hand dat het fictieve impressum van het praaltoneel te maken heeft met de inhoud van deze serie; een compilatie van honderden - op enkele na - anoniem verschenen anti-orangistische teksten. Vele daarvan waren al eerder afzonderlijk verschenen als paskwil (schotschrift of smaadschrift) en sommige waren zelfs verboden en vernietigd!
De uitgever zelf was ook niet van onbesproken gedrag en een kleurrijke figuur; "Van Hattum was een geval apart. Die behoorde tot de clientèle van de in 1748 in ongenade gevallen familie Six. In de jaren vijftig (van de 18de eeuw) waren bij hem tal van geschriften verschenen waarin zowel de hervormde kerk als de doelisten het hadden moeten ontgelden. Inmiddels was zijn rol uitgespeeld, want als homoseksuele en dus chantabele kroongetuige had Van Hattum zijn voornaamste tekstschrijver, de politieke pamflettist Jacob Baroen, achter de tralies geholpen. Een nauwgezette reconstructie van Van Hattums betrekkingen met de overheid en haar vertegenwoordigers zou licht kunnen werpen op heel wat zaken die tot nog toe verborgen zijn gebleven. Helaas wilde men dat nu juist voorkomen. [-] Van Hattum is als het ware in het niets verdwenen, alsof hij behoedzaam uit het zicht is geloodst" (Ton Jongenelen in: "De waarneming als constructie. Sodomie en rechtsvervolging in Amsterdam in de achttiende eeuw" in: "Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman", jaargang 21 (1998)).

Volgens de bekende 19de eeuwse antiquaar Frederik Muller (1817-1881) was bovengenoemde Baroen de grote man geweest achter het praaltoneel. "Het zeer bekende Praaltooneel van Neerl. Wonderen, 7 dl., dat in de jaren 1748 tot 53 dikwijls zal vermeld worden, is volgens een oude bij mij berustende Confessie in HS (handschrift), geschreven of verzameld en uitgegeven door zekeren Jac. Baroen te Amst., die in 1757 ook heeft geschreven en in het geheim bij F. Houttuyn en K.v. Tongerloo (2 Doopsgezinde boekverkoopers) heeft uitgegeven: 'De Deïst vermeerderd' wat toen ter tijd scherpelijk vervolgd is" (in: "Nederlandse Historieplaten", Amsterdam 1876/1877, deel II, blz. 172, nr. 3948).


Het praaltoneel verscheen in een maatschappelijk onrustige periode waarin de spanningen tussen Prinsgezinden en Patriotten toenamen. Dit leidde tot landelijke onlusten zoals in Amsterdam waar in 1748 de pachtersoproer uitbrak en de Doelistenbeweging zich politiek roerde.
De eerste vier delen van het praaltoneel zagen het licht in dat 'wonderjaar', vervolgens verscheen deel V in 1753 en deel VI in 1754.
Deze zes delen bevatten allemaal een Franse titelpagina, een verklaring van de allegorische titelprent, de allegorische titelprent zelf en de typografische titelpagina in zwart en rood. Van deel I bestaat een variant met een andere titelpagina uitgegeven in 1748, evenals van deel II (1749) en deel III (1751). Deel IV werd heruitgegeven in 1754. Na afronding van deel VI verschenen nog een prent en twee publicaties. De prent draagt de titel "Vergadering der Patriotten op de groote burgerzaal in de Cloveniers doelen te Amsteld. in Aug. Ao 1748" en moest worden geplaatst in deel II (NB. deze afbeelding komt voor in meerdere contemporaine publicaties!). 


De twee stukjes moesten worden gebonden achter deel VI. Beide vormen ze het 'zevende deel', dat geen aparte titelpagina heeft (allegorisch noch typografisch) zoals de voorgaande zes delen. Het gaat om: "Het gedrag der stadhoudersgezinden, verdedigt door Mr. A.v.K. rechtsgeleerde" en "Het stadhouderschap wettiger gehandhaafd en de Doelistery-gezinden kragtiger verdedigd als door Mr. A.v.K.", inclusief het verbod op deze twee publicaties uit 1754.
In de pamflettencatalogus van W.P.C. Knuttel worden ze beide genoemd onder nr. 18414 en 18415. Bij het eerste nummer schreef Knuttel: "Door mr. Elie Luzac. Met het volgende werd het den 15 mei te Amsterdam vóór het stadhuis publiek verbrand. Een premie van F. 3000 werd uitgeloofd voor den ontdekker van den schrijver, drukker of verspreider der beide paskwillen. In Amsterdam schreef men beide pamfletten aan de Doelisten toe. Het werd in 1783 herdrukt".
Deze serie bevat overigens veel meer verboden publicaties, zoals in deel II (blz. 153): "De weergalooze Amsterdamsche Kiekkas..." (Knuttel nr. 18033) en in deel IV (blz. 153) het beruchte: "Kort en beknopt Hollands Vraagboekje ten dienste van allen, die hun geluk zoeken te bevorderen, door ware Doelistery waardoor de Staat ontroerd en de Prins misleid word" (destijds ook wel de catechismus der Doelisten genoemd).

Bij diverse paskwillen is de tekst voorzien van voetnoten waarin gebruikte pseudoniemen en spraakmakende kwesties nader worden verklaard. Op die manier werden specifiek lokale schandaaltjes en rellen ook voor lezers elders begrijpelijk.
In de zes delen worden talrijke politieke tegenstanders gefileerd, met name de Amsterdamse Oranjegezinde porseleinverkoper Daniel Raap (1703-1754). Zozeer zelfs dat Knuttel in zijn pamflettencatalogus kon schrijven: "De meeste der hier volgende gedichten over Raap en zijn begrafenis zijn opgenomen in Dl. VI van het 'Dichtkundig Praal-tooneel van Neerlands wonderen'" (bij nr. 18421).


Daarnaast zijn - als politieke rode draad - een aantal officiële publicaties van overheidswege opgenomen. 
- In deel I (blz. 219) de 'Propositie' van Willem IV, een voorstel voor belastinghervormingen (d.d. 25 juni 1748).
- In deel II (blz. 184) het: "Billyk verzoek der Amsteldamsche Burgery, aan zyne Doorlugtige Hoogheid op nieuw voor te stellen", (blz. 187) plus enkele vervolgstukken en (blz. 213) de: "Sententie tegens Harmen Coops Fledderus binnen Steenwyk" (d.d. 24 april 1749) alsmede enkele vervolgstukken.
- Deel III (blz. 71) de: "Sententie by den Ed. Hove Provinciaal van Utrecht, den 8 Augustus 1748. gepronuncieerd en geëxecuteerd jegens Willem Cornelisz. van Claveren, alias Dikke Willem, en Marrigje Willems, alias Lange Marie" (d.d.10 augustus 1748) en (blz. 78): "Request van de Gedeputeerden van Haarlem, die op de Gevangen Poort in 's Hage zyn in Verschering genomen" (d.d.2 januari 1750).
- Deel IV (blz.32) de publicatie van de Staten van Holland over het afleggen van de eed door wijnkopers plus enkele vervolgstukken (blz. 67 en 68). Vervolgens (blz. 129) een publicatie van de stad Rotterdam naar aanleiding van de plundering van het huis van de wijnkoper Gerrit Hagedoorn (d.d. 18 augustus 1751). Tot slot (blz. 159) een publicatie van de stad Amsterdam tegen lasterlijke paskwillen met name het godslasterlijke paskwil verschenen onder de titel: "Kort en beknopt Hollands Vraag-boekje" (niet gedateerd, maar van 8 september1751).
- Deel VI (blz. 295) een publicatie van de stad Amsterdam tegen paskwillen (d.d. 28 januari 1754), een Placaat van de Staten van Holland en West-Friesland tegen paskwillen (d.d. 7 maart 1754) en tot slot een Placaat van de stad Amsterdam tegen de eerdergenoemde twee publicaties die samen het 'zevende deel' vormen van het praaltoneel (d.d. 14 mei 1754).

De allerlaatste pagina van de serie is een "Berigt aan de liefhebbers", over de eerdergenoemde nagekomen prent en twee stukjes plus (verso) een lijst van illustraties voor de boekbinder. Enkele illustraties komen voor in zowel de pamflettencatalogus van Knuttel (met het begeleidend paskwil) als in Frederik Muller's "Nederlandse historie platen".
De meeste zijn uitvouwbaar en doen wonderlijk primitief aan. Ze zijn geen van alle gesigneerd. Frederik Muller spreekt over slechte kopieën en dat klopt.
Neem bijvoorbeeld de prent voorin deel IV: "Ter nagedachtenisse van de inhuldiging zijner doorl. Hoogheid Willem Karel Henrik Friso als Marquis van Vere en Vlissingen". Het origineel linksonder is gesigneerd onder de prent ("S. Fokke inv. et fec. 1751." en "F. Houttuyn excudit."). De - overigens redelijk geslaagde - kopie rechtsonder niet.


Het praaltoneel is al met al een rommelige uitgave, gedrukt op matig papier. De titelpagina van deel IV bijvoorbeeld is gedateerd 1748 maar de opgenomen teksten lopen door tot ver in 1753! De bladwijzers achterin rammelen; ze zijn onvolledig of geven een weinig informatieve omschrijving/titel. Zo kan het gebeuren dat je bij het collationeren verschillende verrassingen tegenkomt. Bijvoorbeeld in deel VI (blz. 42) waar een grafschrift staat voor Daniel Raap in de vorm van een acrostichon dat niet in de bladwijzer wordt vermeld. Een ander voorbeeld is een prent ("Raap uyt gely door een Predikant na de Galg met eenig ander bywerk") plus de voorafgaande uitleg, die kennelijk later is toegevoegd (Deel IV tussen bladzijde 160 en 161). Dat is niet alleen zichtbaar aan de verspringende paginanummering maar ook aan de custode ('OP') rechtsonder op de laatste bladzijde van het voorafgaande (verboden) "Kort en beknopt Hollands Vraagboekje...".


Weer een andere verrassing schuilde achter het: "Smeek-schrift aan 't Groot en Magtig Amsterdam". Er staat niet bij van wie, maar het bleek te gaan om een gedicht (uit 1753) waarin het dorp Amstelveen zicht richt tot zijn grote buurman de stad Amsterdam.
De volledige titel luidt: "Smeekschrift aan het groot en magtig Amsteldam opgedragen door het klein en nedrig Amstelveen" (Deel V, blz. 232). Hierin vraagt het dorp ootmoedig om bestrating van een belangrijke verkeersader, de Amstelveenseweg tussen het dorp en de stad Amsterdam. Omdat dit gedicht in de lokale geschiedenis van mijn woonplaats totaal onbekend is geef ik het hier volledig weer.


Het direct daaropvolgend keer-dicht "Nihil of nul op 't request van het klein en nedrig Amstelveen gegeeven als uit naam van het magtig Amsteldam" (blz. 236) maakt korte metten met dit verzoek.
Wat denkt dat armzalige Amstelveen wel? Wat kost dat wel niet? Bovendien is het alleen maar om de Fransche Schouwburg aan de Overtoom (afgebrand in 1754), die ten nadele is van de Stadsschouwburg op het Leidseplein, beter bereikbaar te maken. "De Fransche Dichtkonst, of de Schouburg op de Overtoom, welke door onze Eygen Inboorlingen wordt ten toppunt gevoerdt, waar door de Amsterdamsche Schouburg een inmportant verlies komt te leyden, en weeuw en wees 'er de smerte komt van te gevoele" (voetnoot blz. 244). Destijds ging een gedeelte van de inkomsten van de schouwburg naar de stadswezen en weduwen. De bestrating van de Amstelveenseweg kon wel wachten en pas in 1810 wordt gesproken over de 'nieuwe straatweg' tot aan het dorp Amstelveen.


Tot slot bevat deel VI van het praaltoneel twee bijzondere paskwillen in de vorm van satirische begrafenisbriefjes. Bijzonder omdat ze door hun oblong vorm en inhoudelijke opbouw echte begrafenisbriefjes imiteren. Vooral in de periode 1780-1790 is dergelijk drukwerk verschenen. Enkele zitten ook in mijn collectie en zullen ter sprake komen in mijn volgende blog: "Satirische begrafenisbriefjes uit de Patriottentijd".

vrijdag 14 september 2018

Feldzug in Holland 1787, 'naer de Copie van Wezel'


Het is dit jaar precies vijftig jaar geleden dat in het dorp Amstelveen het 'huis met de kogel' werd gesloopt. De (halve!) ingemetselde kogel boven de ingang die het huis (dorpsstraat 59) zijn naam gaf was een tastbare herinnering aan de felle gevechten tussen patriotten en Pruisen op 1 oktober 1787. Al eerder, in de jaren 1920/1921 waren de schansen (batterijen) rondom het dorp weggegraven en dus herinnert er anno 2018 niets meer aan die roerige oorlogsdagen dan wat papieren verslagen.

Voor de met onze vaderlandse geschiedenis wat minder bekende lezers verwijs ik graag naar mijn eerder geschreven stukjes 'Oranje boven!' en 'Dresseren en beschaven', waarin ik kort over de politieke situatie schrijf en het conflict dat in 1787 leidde tot een Pruisische militaire inval onder leiding van veldmaarschalk Karel Willem Ferdinand Hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel (1735-1806). Zijn leger, van ongeveer 20.000 man, veroverde op weg naar Den Haag en Amsterdam in korte tijd tal van plaatsen maar alleen bij mijn woonplaats Amstelveen en het naburige dorp Ouderkerk aan de Amstel kwam het tot heftige en verbitterde gevechten.


Over de Pruisische veldtocht van 1787 zijn in de loop der tijd verschillende publicaties verschenen.
Ik heb in mijn goed gevulde bibliotheek een mooi exemplaar staan van de zeldzame uitgave van J.M. Vervat: "De Pruisen voor Amsterdam in 1787" (Amsterdam, 1887) dat ik alweer vele jaren geleden voor dertig gulden kocht bij antiquaar Putman (1923-2013). Vervat beschreef nauwkeurig wat er in die dagen rondom de hoofdstad gebeurde en baseerde zich onder andere op de ruim tien jaar daarvoor verschenen studie van Theodor von Troschke (1810-1876): "Der preussische Feldzug in Holland 1787" (Berlin, 1875), dat in hetzelfde jaar in het Nederlands verscheen (vertaald door K.H.J.J. Hirschmann). Zowel Vervat als Troschke maakten dankbaar gebruik van de meest bekende achttiende eeuwse contemporaine bron met betrekking tot deze veldtocht; het boek van de Pruisische vleugeladjudant van de Hertog van Brunswijk, Theodor Philipp von Pfau (1727-1794): "Geschichte des Preußischen Feldzuges in der Provinz Holland 1787" (Berlin, 1790). Hiervan verscheen destijds ook een Franse (1790) en Nederlandse (1792) vertaling.
So far so good...

Enkele weken geleden trof ik tijdens mijn boekensneupen op Marktplaats een pamflet aan met de titel: "Dag-journael, van de merkwaerdigste gebeurtenissen, by het in Holland ingerukte Pruissische corps-troupen onder het hoog bevel van zyne doorluchtige hoogheid den heere Hertog van Brunswyck voorgevallen" (In 's Gravenhage, z.j. [1788]).
De aanbieder, 'Books4U' oftewel antiquariaat Jan Poutsma uit Kampen vroeg en kreeg er een forse € 40,- euro voor, exclusief verzendkosten.


Een rood ex-libris op de achterzijde van het titelblad laat zien dat het ooit behoorde tot de bibliotheek van de medicus en seksuoloog Lucien von Römer (1873-1965). Het pamflet van de Haagse drukker en uitgever J.F.J. de Agé  (Knuttel 21739 en 21740) bestaat uit vier genummerde afleveringen (nr. 1. blz. 1-12nr. 2. blz. 13-20nr. 3. blz. 21-28nr. 4 blz. 29-40, totaal veertig bladzijden inclusief de blanco omslag).
Mijn exemplaar bevat drie afleveringen in eerste druk (1, 2 en 4) en één aflevering (3) in tweede druk. Ze komen alle vier voor in de STCN met uitzondering van het tweede deel in eerste druk. Alleen de eerste aflevering eindigt met een vignet, de overige met vermelding van de drukker en de prijs, respectievelijk twee, twee en drie stuivers.
De vier nummers bevatten nauwkeurige aantekeningen over de militaire acties in september en oktober 1787 en dat nota bene twee jaar vóór de publicatie van Pfau (en vier jaar voor de Nederlandse vertaling)! Die primeur verklaart meteen waarom het met 'meer dan gewoone graagheid, by onze Landgenooten' werd ontvangen en De Agé al in juli 1788, in de 'Delftsche Courant', kon adverteren met de vierde druk van de vier nummers (a tien stuivers). Hoe was het überhaupt mogelijk dat die kleine Haagse boekverkoper uit de Vlamingstraat, zo snel na de gebeurtenissen, daarvan gedetailleerd verslag kon doen?

Wat mij meteen was opgevallen en dit pamflet hoogst interessant maakt is de vermelding direct onder de titel: "Naer de Copie van Wezel, uit het Hoogduits vertaeld"!
'Wezel' is de Duitse stad Wesel, de plaats waarheen het Pruisische leger zich begaf na afloop van het Hollandse avontuur. Ze voerden een flinke oorlogsbuit mee, maar ook een behoorlijk aantal krijgsgevangen gemaakte Hollandse patriotten, zowel burgers als militairen. Die werden pas begin december 1787 weer vrijgelaten en de conclusie ligt voor de hand dat via één van hen De Agé de beschikking kreeg over 'copie' aantekeningen van.... Ja, van wat en wie eigenlijk? Het 'Kriegstagebuch' van Von Pfau?

Dat leek mij mogelijk, maar Pfau - dacht ik - was vast en zeker niet de enige Pruisische officier geweest die destijds van dag tot dag de belangrijkste (militaire) gebeurtenissen had genoteerd. En inderdaad; hij bleek zelfs niet de eerste wiens aantekeningen over de Hollandse veldtocht van 1787 in boekvorm waren verschenen. Er bestaat een zeldzaam, enkele jaren eerder (1789), anoniem uitgegeven boekje. Troschke kende het en beschreef het als volgt:
"Tagebuch von dem preussischen Feldzug in Holland 1787. Ohne Angabe von Autor, Druckort und Jahreszahl. 160 Seiten klein = Oktav. Da die kleine mit Wahrheitsliebe und Verständniss abgefasste Schrift älteren Datums als die vorgenannte (Pfau!) zu sein scheint, so muss sie bei vorkommenden Abweichungen nach dieser verbessert werden. Hin und wieder finden sich Stellen, die zur Ergänzung des grösseren Pfau'schen Werkes willkommen sind. Von verschiedenen Seiten wird die Vermuthung aufgestellt, dass auch dieses Werk von Pfau sei, was Vieles für sich hat." (blz. 9/10).
Ook Vervat noemde het, weliswaar in slechts één voetnoot (blz. 53), en schreef het toe aan ene 'Von Bernuth', maar volgens de meest recente gegevens was de auteur Friedrich Wilhelm Franz Philipp Christian von Kleist (1752-1822), die specifiek voor zijn inzet tijdens de Pruisische veldtocht de 'Pour le Mérite' kreeg opgespeld.

Het boekje van Von Kleist telt 160 bladzijden (zonder hoofdstukindeling), maar is gebaseerd op diens manuscript getiteld: "Tage-Buch eines Officiers welcher sich bey dem Feldzug in Holland 1787 im Gefolge des commandirenden Generals Herzog von Braunschweig Durchlaucht befand". Dit handschrift, minder omvangrijk (57 bladzijden plus een kaart van Holland), berust thans in het familiearchief in het stadsarchief van Hamm (Noordrijn-Westfalen).

Direct begon ik met het vergelijken van de teksten van Von Pfau, Von Kleist en mijn pamflet. Al gauw kwam ik tot de overtuiging dat Von Kleist de bron moet zijn geweest voor de pamflet-uitgave van De Agé. De informatie in het pamflet is in de uitgave van Von Kleist grotendeels terug te vinden tussen bladzijde 17 t/m 137. Vaak letterlijk, zoals het verhaal in nummer 4 over de herovering van een in de strijd achtergelaten klein kanon door de Pruisische compagnie Grenadiers van kapitein Ehrlich onder leiding van luitenant Van Fahrendorff.  De grenadiers waren teruggekomen met het geschut en hadden triomfantelijk geroepen: "Nun hohlen wir auch die Grotze". Deze vreugdekreet komt niet voor bij Pfau maar wel bij Von Kleist (blz. 130). Ik vond trouwens ook details in het pamflet die niet in het boekje staan maar dat is niet meer dan logisch omdat De Agé in de inleiding van nummer 4 nadrukkelijk stelt dat hij gebruik maakte van het 'origineele manuscript'.

De eerste drie delen met aantekeningen van Von Kleist verschenen bij De Agé snel na elkaar. Deel 2 eindigt als enige van alle afleveringen met de mededeling: "(Het Vervolg in de aanstaande Week)". Nummer 4 volgde geruime tijd later: "zynde niet gelyk de voorige Nos. met den druk gemeen gemaakt".
Vermoedelijk ontving De Agé al eind 1787 stukje bij beetje aantekeningen uit het manuscript van Von Kleist. De indeling in vieren maakte hij vervolgens zelf, ook al suggereert de inleiding van nummer 2 anders, maar: "met myn voorheen uitgegeeven eerste journaal..." lijkt mij toch echt de uitgever aan het woord te zijn!
De conclusie lijkt mij duidelijk. De Agé drukte de aantekeningen, "Naer de Copie van Wezel, uit het hoogduits vertaeld", zo snel mogelijk af. Hij liet zich de primeur niet ontgaan en zo werd zijn pamflet over de Pruisische veldtocht en de gevechtshandelingen in 1787 een bestseller en de eerste publicatie daarover die in Nederland en Duitsland verscheen.

vrijdag 11 december 2015

Dresseren en beschaven


Op het Amsterdamse Spui kocht ik bij antiquaar Marc van Dijk een 18de eeuwse brochure in rood gespikkeld papier getiteld: “Bijdragen ter aankweeking van Eendracht, Stad- en Vaderlandliefde…” (Leiden, 1786). Aan de verso zijde van het titelblad is de uitgave onder een spreuk van Montesquieu (1689-1755) gesigneerd.
Dat hoort, zo blijkt uit de slotmededeling achteraan op bladzijde 68, want “Geene Exemplaren worden voor Echt erkend, dan die door den tegenwoordigen Voorzitter der Vergadering, P. van Ameiden, achter de tijtel zijn getekend”.
De brochure – geschreven door en voor leden van het Leidse Patriotten exercitiegenootschap - begint met een drempelvers: “Aan den edelen manhaften krijgsraad” en bevat na het voorbericht een aantal interessante afzonderlijke artikelen (totaal 68 bladzijden).

Marc wist wat hij verkocht (want hij is zelf afgestudeerd op een onderwerp uit deze roerige periode) en de brochure stond al enige tijd bij hem op Boekwinkeltjes te koop voor zestig euro! Aanvankelijk aarzelde ik nog even. Niet vanwege de prijs, die op de boekenmarkt overigens was gezakt naar vijfentwintig euro (!), maar omdat het titelblad vermeldt: ‘No. 1’. Kennelijk had men het voornemen een soort reeks op te bouwen maar ik vermoedde géén of zeer weinig vervolgnummers. Het Stadhouderlijk gezag werd immers door Pruisische troepen een jaar later met harde hand hersteld.
Toen ik thuis de STCN en Knuttel (nr. 21413) raadpleegde bleek mijn vermoeden juist; er waren nimmer vervolgnummers verschenen.
Over Prins- of Oranjegezinden, Patriotten (‘Kezen’), Goejanverwellesluis en exercitiegenootschappen (vrijkorpsen) weet ik wel het een en ander. Best mogelijk dat dit bij u wat is weggezakt dus kijk even naar het onderstaande korte filmpje of lees mijn stukje “Oranje boven!”.


Toen ik het bundeltje wat doorbladerde was ik toch enigszins verrast door de inhoud en de onderwerpen die ter sprake kwamen. Waarom?
Welnu, ik had mij altijd voorgesteld dat het destijds populaire tijdverdrijf van de gemiddelde Patriot; deelname aan het plaatselijke vrijkorps, niet veel meer was dan exerceren en het oefenen met wapens. Dat beeld bleek in ieder geval voor de Leidse schutters in 1786 niet te kloppen.
Natuurlijk! De verschillende exercitiegenootschappen hadden elk hun eigen wetten en reglementen ( “18. Elk der Leden zal in de Vergadering mogen drinken ’t geen hij begeerd: doch iemand der Leden verkiezende Wijn te drinken zal niet meer vermogen te gebruiken dan één Pint Wijn, op een boete van twintig Stuivers”.). Ook kenden ze allemaal hun eigen uniformen (de drie tekeningen tonen de Leidse schuttersdracht in 1787 en komen uit de collectie van het Rijksmuseum). Ze vergaderden regelmatig, oefenden met wapens, paradeerden en exerceerden maar het Leidse vrijkorps wilde en deed meer.


In Leiden hadden ze namelijk al gauw door dat hun vrijkorpsleden – afkomstig uit diverse beroepsgroepen en alle lagen van de bevolking – er evenzoveel verschillende ideeën, meningen en vragen op na hield. Die gemêleerde groep ‘manhafte heeren’ kneden en vormen – het militair dresseren - door exercitie en paraderen was één ding; iets heel anders was het om ook op het gebied van politiek en ideologie de neuzen dezelfde kant op te laten wijzen. Daaraan viel nog veel te (be)schaven en dat is precies wat ze beoogden met hun “Plan tot bevordering van eene nuttige en aengenaeme bezigheid in de vergaderingen” (4 augustus 1785), één van de opgenomen stukjes in deze brochure. Voortaan zou men volgens dit plan na de reguliere vergadering waarin huishoudelijke zaken werden besproken ook telkens een lid de vrijheid geven om een verhandeling of vraagstuk voor te lezen (niet langer dan een half uur) waarna de aanwezigen de gelegenheid kregen daarover vragen te stellen en te discussiëren.

Een aantal van die beschavende vraagstukken spreekt mij bijzonder aan.
Twee daarvan zijn: “Verhandeling over eenige noodzakelijke vereischten in een dienstdoend schutter” (Blz. 24), en: “Verhandeling, over het geen een patriot thans moet beoögen” (blz. 54).
Wat de schutter betreft. Die moet in zijn huiselijk leven naarstig en zuinig zijn maar bovendien een goed bestuurder van zijn gezin. In het maatschappelijke leven moet hij gehoorzamen aan de billijke bevelen van zijn wettige regenten of representanten. Daarnaast moet hij alles doen om de welstand van de maatschappij te bevorderen en alles wat in zijn vermogen ligt om het land en zijn woonplaats te verdedigen en te beschermen.
Bij de Patriot draait het om ongeveer hetzelfde. Die moet volgens de schrijver in hoofdzaak het welzijn en de verheffing van het volk nastreven.
Maar als stok achter de deur vereist dat drie dingen die in grondwetten moeten worden aangenomen: “Het eerste is, het vaststellen dier stemgerechtigdheid en de daar aan verknogte regten. – Het tweede de vrijheid der drukpers, om zoo ras aan die regten de minste aanranding geschiede, zulks daadelijk ter kennisse van geheel de Burgerij te kunnen brengen. – en ten derde de algemeene burgerwapening, op dat de Burgerij in zich zelve het vermogen zoude bezitten, om ten alle tijde zich tegen de geweldige indragten op deeze hare regten, met hoop van goed succes en kragtdadig te kunnen verzetten” (blz. 66).


Ik denk dat de Patriot van toen tevreden kan zijn. Maatschappelijk welstand, verheffing van het volk, omkaderde politieke machtsverhoudingen, dat alles is in de eeuwen daarna aangepakt, veranderd en verbeterd. De vrijheid van drukpers (en meningsuiting) is zelfs opgenomen in de grondwet.
Blijft over burgers en wapens... Burgerbewapening; iedereen zijn eigen wapen...
Waar dat incidenteel toe kan leiden weten ze beter in Amerika. Hier zijn we er maar niet aan begonnen.

In de eeuwen daarna zijn nog boekenkasten vol geschreven over de roerige tijd van de Patriottenbeweging, hun ideeën en doelstellingen. Een flink aantal publicaties daarover staat ook in mijn bibliotheek. In deze brochure echter zijn tijdgenoten zelf aan het woord. En ook al is het allemaal niet wereldschokkend of geheel nieuw, een directer antwoord op de vraag wat nou eigenlijk een (goed) schutter of patriot is, een beter contact met die tijd is nauwelijks denkbaar. Al met al voldoende reden om dit pamflet aan mijn collectie toe te voegen.

woensdag 13 januari 2010

Verboden boeken


Wat is er leuker dan het lezen van verboden boeken? Het lezen van boeken over verboden boeken natuurlijk!

Het eerste wat ik op dat gebied kocht (uit de nalatenschap van Boudewijn Büch) was de driedelige: “Bibliography of Prohibited Books” (New York, 1962) door Pisanus Fraxi, een pseudoniem voor Henry Spencer Ashbee (1834-1900).
Een imposante verzameling verboden internationale erotica (geen illustraties!). Enige tijd terug kreeg ik: “Verboden boeken in de republiek der Vereenigde Nederlanden. Beredeneerde catalogus” (“s-Gravenhage, 1914) door dr. W.P.C. Knuttel. Een schaars boekje dat een overzicht geeft van vooral Nederlandstalige verboden politieke en theologische geschriften gepubliceerd tussen 1583 en 1794. Het zal weinig verbazing wekken dat erotiek, politiek of theologie tot de meest gevaarlijke onderwerpen behoorden en het vaakst werden verboden.


Als klap op de vuurpijl kocht ik onlangs een exemplaar van hét boek der verboden boeken, de “Index Librorum Prohibitorum” (Typis polyglottis Vaticanis, 1948). Deze door het Vaticaan opgestelde lijst bestaat al zo’n 500 jaar. Opmerkelijk is dat de eerste uitgaven in de Nederlanden (1529) verschenen.
De laatst gepubliceerde uitgave is van 1948 en “omvatte ongeveer 4000 titels die geacht werden ofwel ketterij te bevatten, ofwel moreel verwerpelijk ofwel te expliciet seksueel te zijn, waarvan 1344 sinds de 17de, 1191 sinds de 18de, 1358 sinds de 19de en 298 uit de 20e eeuw”. Veel bekende namen dus; Voltaire, Kant. Spinoza, Bayle, Larousse, Casanova etc. In 1966 maakte Paus Paulus de VI een einde aan de index.

Staan er ook Nederlandstalige titels in deze index? Jazeker. Ik telde er ruim twintig. De helft daarvan uit de 17de eeuw en met een theologisch karakter. Uit de achttiende - en negentiende eeuw trof ik respectievelijk vijf en drie titels aan. De twintigste eeuw wordt vertegenwoordigd door: “Er is geene tegenstelling tusschen de beginselen van de fransche revolutie en die van het evangelie” (Den Haag, 1913), van H.A. van Dalsum. Volgens Ed Schilders ‘waarschijnlijk de enige Nederlander uit de twintigste eeuw die zo’n eer te beurt is gevallen’ (Volkskrant 1994, column ‘Losbandig’). Dat is niet zo. Ook het boek van de bekende Haarlemse gynaecoloog Th.H. van de Velde (1873-1937): “Het volkomen huwelijk” (Leiden,1926) staat op de lijst. Het werd als te expliciet en te pornografisch ervaren en Menno ter Braak typeerde Van de Velde als 'een kruising tussen een sexuoloog en een gymnastiekleraar'.

Tot slot nog twee leuke titels die ik al bladerend tegenkwam.
Van de eerwaarde Tobias Swinden (1659-1719): “An enquiry into the nature and place of hell” (Londen, 1714). Swinden kwam tot de conclusie dat de meest waarschijnlijke locatie voor de hel, de zon was. Met zijn vermoeden dat sterren andere zonnen waren en leven op andere planeten niet uitgesloten mocht worden, was hij zijn tijd (te) ver vooruit.


De bekende auteur van Robinson Crusoe, Daniel Defoe (1661-1731) staat erin met zijn: “political history of the devil, as well ancient as modern” (Londen, 1726). Defoe schreef in zijn voorwoord dat hij zich afvroeg aan wie hij dit tweedelig werk zou opdragen. Aan God leek hem niet juist. De Duivel lag meer voor de hand maar omdat hij niet zeker was of die het zou waarderen droeg hij het maar op aan niemand!

Tevergeefs zocht ik in de index naar Charles Darwin (1809-1882): “On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life” (London, 1859).
Het idee, dat al het leven evolutionair verliep, er een gemeenschappelijke voorouder was en het mogelijk moest zijn een stamboom te maken van het leven op aarde, had Charles van zijn grootvader Erasmus Darwin (1731-1802). Die had hierover al een halve eeuw daarvoor gepubliceerd in: ”Zoonomia or the laws of organic life” (London, 1794-1796) en belandde daarmee wél in de Index Librorum Prohibitorum!

vrijdag 18 december 2009

Het jaar 1868

1868 was een bijzonder jaar.
In Arnhem nam de jonge Paulus Gouda Quint (1835-1915) de boekhandel van Nijhoff over. Quint zou de decennia daarop uitgroeien tot de bekendste antiquaar-veilinghouder van Gelderland. In Amsterdam stierf dat jaar Isaac Meulman (1807-1868). Deze (Lutherse) verzamelaar en bibliofiel, liet een prachtige collectie boeken na die door Frederik Muller in 1869 zou worden geveild. Meulman bezat bovendien een beroemde pamflettenverzameling van ca. 19.000 stuks.

In 1868 verscheen ook het laatste deel van de driedelige: ‎”Catalogus van de tractaten, pamfletten, enz. over de geschiedenis van Nederland, aanwezig in de bibliotheek van Isaac Meulman” (Amsterdam, 1866-1868), bewerkt door J.K. van der Wulp die, voordat hij deel drie kon afmaken, overleed.‎
Van der Wulp beschreef hierin uitsluitend de 9000 pamfletten die niet voorkwamen in de enkele jaren daarvoor verschenen pamflettenbibliografie van de verzameling van Frederik Muller. Meulman's zeer zeldzame pamflettencatalogus werd gedrukt in een beperkte oplage en verscheen niet in de handel. Het is een onmisbaar supplement op het bekende werk van W.P.C. Knuttel, waarover ik in mijn vorige blog schreef. De collectie Meulman berust thans in zijn geheel in de bibliotheek van de Gentse Rijksuniversiteit in België.
Ik prijs mij gelukkig met een bijzonder exemplaar van deze catalogus.
Bijzonder want in een keurig handschrift op de pagina tegenover de titelpagina van het eerste deel staat: “(No. 129) Den heer P. Gouda Quint. Aangeboden door den Verzamelaar”. Of Gouda Quint en Meulman elkaar in 1868 nog hebben ontmoet is onzeker, maar in ieder geval was er een band tussen beiden zoals blijkt uit dit geschenk van een groot verzamelaar aan een groot antiquaar.

Ben benieuwd of 2010 ook een bijzonder jaar wordt! In ieder geval wens ik u allen prettige feestdagen.

dinsdag 8 december 2009

Geen plek!

Het Amsterdamse Waterlooplein is niet meer wat het vroeger was.
De enige kraam waar ik met enige regelmaat langsloop is die van Jos Albers.
Behalve Jos staan er nog een paar anderen die wat met boeken doen, maar de omschrijving 'handelaren in oud papier’ is op hen beter van toepassing. Voor de rest is de markt uitermate aantrekkelijk voor verzamelaars van tweedehands kleding, graffitispuiters die nog verf zoeken, elektrahobbyisten en rommelsnuffelaars. Hier en daar wat kitsch, toeristenparafernalia en hele of halve zwervers die op kleedjes de oogst van hun nachtelijke vuilnisbakkentocht aanbieden dan wel de bekende zolder opruimzooi.

Het bruine doosje met boeken op een van die kleedjes viel me op omdat het stond als een rots te midden van een branding aan kurkentrekkers, serviesgoed, sleutelhangers, borrelglazen, stopcontacten en andere kleine troep. Zo te zien een seriewerkje en bij nadere inspectie niet het minste. Het ging om dr. W.P. C. Knuttel (1854-1921): “Catalogus van de pamfletten-verzameling berustende in de Koninklijke Bibliotheek. (1486-1853)“, ‘s Gravenhage 1889-1920. Een complete eerste druk, negen delen in elf banden, inclusief supplement en alfabetisch register.
De serie was opnieuw gebonden in eenvoudige banden en, aan het ex-libris te zien, ooit in bezit geweest van Ger Brouwer (1919-2005), oud bibliothecaris van de Vereniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels te Amsterdam (thans de Bibliotheek van het Boekenvak).

De verkoper; bierbuik, bouwvakkers decolleté, ongeschoren en ongewassen haar, reageerde bij gebrek aan een compleet gebit enigszins onverstaanbaar op mijn vraag wat de serie moest kosten.
Na enig gepuzzel bleek hij per deel tien euro en voor de serie compleet honderd euro te willen ontvangen!
Nu is een Knuttel - nog steeds een zeer bruikbaar naslagwerk met beschrijving van meer dan 30.000 titels - niet zozeer zeldzaam (althans de in 1978 verschenen herdruk!) als wel kostbaar.
Ik schatte de waarde van het aangeboden exemplaar op zo’n achthonderd euro en dus viel de aanschaf mij niet zwaar.
Dat wil zeggen financieel niet want om vervolgens de boekenschat mee te torsen naar huis, was nog een hele toer.

Thuisgekomen wachtte mij echter een andere verrassing: geen plek!
Mijn boekenkasten puilen uit en ik weiger stapels op de vloer te gaan maken want dan is het einde nabij, hoewel je best leuke muurtjes kunt bouwen met boeken! Mijn oplossing is het 'wieden' van mijn bibliotheek en de collectie van 'onkruid' ontdoen om dit vervolgens voor (te) weinig geld te verpatsen.
Er is gelukkig steeds minder onkruid, de collectie groeit desondanks en de kwaliteit is sinds mijn studententijd met reuzensprongen verbeterd.