Posts tonen met het label Caspari. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Caspari. Alle posts tonen

maandag 14 november 2011

Het 'volkomen gelijkende' portret

Na lange tijd werd mij onlangs weer een gravure aangeboden gemaakt door mijn verre voorvader Jan Willem Caspari (1779-1822), naar een tekening van zijn broer Hendrik Willem Caspari (1770-1829). Het gaat om een portret (aquatint) uit een serie door hem vervaardige zogenaamde protestantse portretten en stelt de Nederlandse predikant Hermannus Pauw (1770-1856) voor. Er onder staat een zwierig gedicht door ene ‘H’. Tevens staat er rechtsonder (in de plaat) ‘proefdruk’, wat zou betekenen dat dit een (af)druk is door de kunstenaar gemaakt vóór de voltooiing van de plaat, ter controle van zijn werkzaamheden. Maar enige argwaan dienaangaande is op zijn plaats, want ik ken van deze prent geen exemplaren zonder deze aanduiding.


Wat mij opviel toen ik het blad ontving (octavoformaat met een gedeelte van een watermerk linksboven) was dat de royale marges rond de afdruk nu eens niet afgesneden waren. Vermoedelijk is het blad afkomstig uit een negentiende eeuwse portrettencollectie want het is aan de voor- en achterzijde voorzien van wat biografische aantekeningen betreffende Pauw.
Altijd leuk om eens uit te pluizen en dit onderzoekje zou mij al gauw leiden naar interessante informatie over de afbeelding zelf .

Aan de voorzijde onderaan staat gekrabbeld: “n. 1765 (65 doorgestreept) 71/70. April 1792 Pred. te Renkum…. 1814 te Brussel. Emer. 1830 te Breda + 1856. 23 feb.
Deze aantekeningen, een aantal hoogtepunten uit het leven van Pauw, behoeven geen bijzondere toelichting. Op een aangeplakt strookje aan de achterzijde staat: “12 apr. (2e Paaschdag) 52 Ds. Pauw, nu te Kampen woonachtig vierde heden gedachtenis van zijn, vóór 60 jaren, aanvaard leeraars ambt. Hoe?
De berigtgever noemt het ‘eene hoogst zeldzame plegtigheid’ dus denkelijk openlijk, in eene Godsdienstoefening’". Ook dit is wel duidelijk en Pauw's jubileumviering in 1852 in Kampen is ook terug te vinden in biografische naslagwerken.


Vervolgens staat daaronder in een andere hand: ”Navorscher VII vraag 50 vraagt naar een portret van hem.” Het is deze, voor velen wellicht wat cryptische opmerking, die interessante informatie zou opleveren.
Hiermee werd verwezen naar het bekende genealogische blad ‘De Navorscher’, jaargang VII (1857), waarin ene heer ‘T’ de volgende vraag (nr. 50) stelde:
Bestaat er ook een portret in plaat van den Hervormden Leeraar H. Paauw (onlangs te Breda overleden), den voornamen bewerker van de bevrijding van den Briel van de Franschen in 1818?”.
Nog in dezelfde jaargang vinden we het antwoord van een zoon van Hermannus Pauw.
Volgaarne beantwoorde ik de vraag van T. en berigt hem: Dat er onderscheidene portretten in plaat van wijlen mijn geliefden vader, den Wel-Eerw. heer Hermannus Pauw, overleden te Breda, 23 Febr. 1856, bestaan. Daaronder herinner ik er mij althans één dat mijns inziens, afschuwelijk leelijk, - in gelijkenis en gravure, - heeten mag. Maar het laatste (behalve het wel bekende gesteendrukte silhouët door wijlen den heer Barbiers, dat ook zeer gelijkt, en mijn vader voorstelt op 75 of 76 jarigen leeftijd) en, zoo veel mij heugt en anderen verzekerden, volkomen gelijkende, is dat geteekend door H.W. Caspari, gegraveerd door J.W. Caspari, en uitgegeven bij J.v. Ledden Hulsebosch, Amsterdam, 1809. Mijn vader was toen 39 jaren oud. Onder dat laatste staat het volgend bij schrift door H.

"Dit’s Pauw, die zwier van taal, die roerende gebaaren
Met Godgeleerdheid , smaak, en oordeel weet te paaren
Breda. vereert dit beeld, om zijn vertrek benard
Op dat hij in haar oog steeds blijve, als in haar hart."

‘t welk ik ook dáárom mededeel, omdat, gelijk mijn vader mij dikwerf heeft verteld, die H. niemand anders was dan de, als Latijnsch, dichter zeer bekende (ik meen zelfs beroemde) nu wijlen heer Hoefft, tot zijn dood toe vriend mijns vaders, en, vroeger, insgelijks te Breda overleden. Ook herinner ik mij, uit den mond mijn vaders, dat genoemd bijschrift het éénige Hollandsche vers was, ooit door den heer Hoefft vervaardigd, en dat de nederige geleerde dáárom alleen er zijn’ naam niet voluit onder plaatste. Die bijzonderheden mij ooit onder geheimhouding verteld zijnde, en nu tot de geschiedenis behoorende, meende ik ze openbaar te mogen maken, of ze iemand belang inboezemden. Is T. welligt een geacht verzamelaar van portretten, en stelt hij er prijs op ‘t bovenbedoelde van mijn geliefden vader te bezitten, hij gelieve zich tot mij te wenden, die misschien in de gelegenheid ben er hem een exemplaar van te schenken, en zulks dan gaarne doen zal.
De thans éénige zoon des overleden Evangelie-Predikers,

J.M. Zwanenbeek Pauw.
gepd. le Kapn. der Genie.


Dankzij deze ingezonden brief werd de identiteit van geheimzinnige ‘H’ onthuld.
Het ging om de letterkundige en Latijns dichter Jacob Hendrik Hoeufft (1756-1843). Persoonlijk nog leuker vind ik de lovende woorden over de graveerkunsten van mijn genealogische oud-grootvader. Door deze postume 'veer in zijn kont' weet ik nu zeker dat hij een uitstekend vakman was!

maandag 1 november 2010

'Fac-similes' uit de IJzeren kapel

Op 7 april 1848 benoemde de Amsterdamse gemeenteraad dr. Pieter Scheltema (1812-1885) tot haar eerste stadsarchivaris. Scheltema, die in 1836 in Amsterdam promoveerde, was korte tijd leraar in Middelburg maar keerde in 1844 terug naar de hoofdstad om zich aan wetenschappelijk historisch onderzoek te wijden. Zodoende kwam hij al in juni van dat jaar in aanraking met het nog ongeordende stadsarchief en begon hij met het opstellen van een voorlopige inventarisatie die uiteindelijk resulteerde in zijn, voor die tijd uitstekende, driedelige: “Inventaris van het Amsterdamse archief” (Amsterdam, 1866-1874).

De kersverse archivaris had toen al over diverse historische onderwerpen Amsterdam rakende geschreven en dus was de driedelige inventaris niet zijn eerste publicatie. Het was zelfs niet zijn eerste gepubliceerde archiefinventarisatie. Die was al in 1850 verschenen onder de titel: “Het archief van de IJzeren kapel in de Oude of Sint Nikolaas kerk te Amsterdam, beschreven door P. Scheltema, archivaris der stad Amsterdam”.
Hierin beschreef hij de vaak op perkament vastgelegde overeenkomsten c.q. privilegiën, handvesten, (gift)brieven en oorkonden (charters) die door keizers, koningen en andere landsheren tussen 1275 en 1650 waren geschonken aan Amsterdam.
Het was aan deze activiteit en daaruit volgende publicatie te danken dat hij voortaan bekend stond onder de bijnaam ‘Piet Perkament’ (geen familie!).


Met de IJzeren kapel in de Oude- of Sint Nikolaaskerk te Amsterdam werd het ‘secreet vertrek’ bedoeld. Deze enigszins verborgen ruimte is toegankelijk via de Sint-Sebastiaanskapel.
Daar, op bijna vijf meter boven de grond en dus alleen met een trap bereikbaar, bevindt zich in de wand een witgekalkte zware ijzeren deur met een slot. Erachter zit een tweede versterkte eikenhouten deur, eveneens met een slot. De deuren geven toegang tot een klein, nagenoeg vierkant, kamertje met getralied venstertje dat uitziet op de zuidzijde van het Ouderkerksplein. In één van de wanden zitten twee nissen. In de grootste nis bevond zich een met metaal beslagen en drie sloten beveiligde houten charterkast met vijfenveertig laden waarin 290 door Piet Perkament beschreven archiefstukken waren opgeborgen. De unieke vijftiende eeuwse kast inclusief haar ‘perkamenten’ inhoud bevindt zich sinds 1892 in het Amsterdamse stadsarchief.

Scheltema behoorde tot de zeer, zeer weinigen die (onder toezicht) tot het archief van de IJzeren kapel werden toegelaten. Voor hem waren er slechts enkele bezoekers geweest, waaronder op 13 oktober 1761 de stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773).
Zijn nauwkeurige inventarisatie (met korte inhoudsweergave van de stukken) was echter niet de eerste publicatie over deze merkwaardige en geheime bewaarplaats.

Al dertig jaar daarvoor was een boekje verschenen, dat ik onlangs heb gekocht, getiteld: “De merkwaardigste stukken uit de oudste archieven van Amsterdam aangaande de vroegere privilegiën van deszelfs poorters en inwoners. Met platen en fac-similes der oorspronkelijk handschriften” (Amsterdam, 1821).
Het bestaat uit drie hoofdstukken:
1. Verslag van de Kommissie der Tweede Klasse van het Kon. Nerl. Instituut, omtrent de ijzeren Kapel in de Oude Kerk te Amsterdam. 
2. Iets over de Keur van Gui van Henegouwen, aan den stad Amsterdam door den Heer H. van Wyn.
3. Eenige bedenkingen over de Poorterijen en de vergunning dier regten aan Amsterdam, door den Heer Mr. D.J. Meijer
”.

Dit is de eerste min of meer wetenschappelijke publicatie over de IJzeren kapel (Het eerste hoofdstuk was een half jaar daarvoor gepubliceerd in de verhandelingen van de eerdergenoemde 'Kommissie').
Ook is het - voor zover mij bekend - het eerste Nederlandse boekje met ‘Fac-similes’ (etsen) van archiefstukken. In 1824 verscheen een tweede druk.
Als boekillustratie waren facsimile's sowieso vrij zeldzaam, pas vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw komen ze vaker voor, eerst lithografisch en aan het eind van de 19de eeuw fotografisch. De schriftelijke inhoud van de gereproduceerde archiefstukken was weliswaar al langer bekend maar als autograaf (inclusief de nog aanwezige zegels) waren ze nog nooit eerder afgebeeld. Ze konden nu niet alleen in hun oorspronkelijke middeleeuwse spelling en schrijfwijze worden bestudeerd maar bovendien toonden ze aan dat in de vele publicaties waarin ze waren aangehaald fouten stonden omdat de auteurs (waaronder ook Wagenaar) gebruik hadden gemaakt van latere onnauwkeurige afschriften.

Naast dit alles was er echter een andere dwingende reden die mij ertoe verleidde het boekje aan te schaffen.
Ruim een half jaar terug kwam ik namelijk al een beduimeld exemplaar tegen in een grote boekencollectie. Ik bladerde er wat doorheen en bestudeerde de twee platen, waaronder één met het interieur van de IJzeren kapel (waarin zich kennelijk ook een eenzame stoel bevond) en de acht fraaie uitslaande facsimile’s.


Voor zover ze van een signatuur waren voorzien bleken de handgeschreven teksten te zijn nagetekend door ene J. Koning (‘del.’). De twee platen zijn gegraveerd door D. Veelwaard (‘sculp.’). In de kwaliteit van de afgebeelde zegels zit een duidelijk verschil.
De minder goed gegraveerde zegels (facsimile’s B, D, E en G) zijn niet gesigneerd.
De best gegraveerde zegels (facsimile’s H, I en K) zijn gesigneerd zowel door de graveur, D. Veelwaard, als de tekenaar naar wiens  voorbeeld de gedetailleerde afbeelding tot stand kwam. Die tekenaar bleek mijn verre voorvader, de kunstgraveur J.W. Caspari, te zijn!


Uiteraard moest en zou ik een exemplaar van dit boekje kopen maar dan wel het mooiste dat er te krijgen is tegen de beste prijs. Dat exemplaar, gekocht voor slechts € 70,- euro bij antiquariaat Gemilang in Bredevoort en gebonden in halfleer met kartonnen platten (door J.J. Lalau, boekbinder in 'Leijden'), bevindt zich thans in mijn collectie!

woensdag 26 mei 2010

Ad vivum fecit 1816

Ik heb al eerder geschreven over mijn verre oud-grootvader, de kunstgraveur Jan Willem (Jean Guillaume) Caspari (1779-1822). Onlangs werd ik benaderd door het Haarlems antiquariaat Van der Steur met de mededeling dat zij een originele tekening in huis hadden, vervaardigd door zijn broer Hendrik Willem Caspari (1770-1829). Of ik interesse had?

Tja…, feitelijk verzamel ik uitsluitend het werk van JW maar aangezien het hier ging om een originele tekening en Hendrik Willem toch familie is van en regelmatig samenwerkte met zijn broer Jan Willem, had ik wel interesse.
Zo werd ik de nieuwe eigenaar van een fraaie kleine portrettekening van (papiermaat) 11,5 bij 8 cm. Het is volgens een potloodaantekening op de achterzijde een afbeelding van D. van Coppenaal, onder het ovaal gesigneerd en gedateerd H.W. Caspari ad viv. fec. 1816.

Volgens het “Biographische woordenboek der Nederlanden” van A.J. van der Aa was Dirk van Coppenaal: “een niet onverdienstelijk dichter, die in 1837 te Amsterdam overleed. In het Jaarboekje van de kunst en wetenschap bevorderende Maatschappij aldaar, waarvan hij lid was, vindt men van hem, jaargang 1819, twee stukjes, die niet kwaad zijn”.
Hoe Van der Aa aan deze gedeeltelijk onjuiste informatie kwam is mij een raadsel. Feit is dat er in Amsterdam in 1837 géén Dirk van Coppenaal overleed.
Wel verscheen er begin dat jaar in de krant een overlijdensadvertentie van de op 16 december 1836 overleden Daniel van Coppenaal (volgens de aangevers 'directeur van een brandwaarborgmaatschappij'). Hij werd op 19 februari 1777 in Amsterdam geboren als zoon van de doopsgezinde grutter Hermanus van Coppenaal en Janneke Bavink Jacobs. Daniel staat, ditmaal met de juiste geboorte- en overlijdensdatum, in Pieter A. Scheen’s: “Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1950”. Hij schilderde en tekende dus maar was ook bekend als dichter en lid van de Kunst en Wetenschap bevorderende Maatschappij V.W. Een groot oeuvre heeft deze ongehuwd overleden kunstenaar echter niet nagelaten en er is helaas maar weinig van hem bekend

Ik twijfel er niet aan of zijn portret werd getekend als voorstudie voor een gravure.
Die zou prima hebben gepast in de reeks bekende gravures van Nederlandse dichters, zoals mijn portretje van Elias Anne Borger (gepubliceerd in de ‘Nederlandsche Muzenalmanak’). Ook zijn portret werd eerst getekend (‘delineavit’) door H.W. Caspari en vervolgens gegraveerd (‘sculpsit’) door zijn broer J.W. Caspari.

H.W. Caspari heeft meer van dergelijke portretjes in een ovaal getekend. In de collectie van het Stadsarchief Amsterdam zijn er in de beeldbank, tussen de andere tekeningen van zijn hand, nog vier te vinden o.a. die van de dichter, letterkundige en boekverkoper Arend Fokke Simonsz. (1755-1812). Opvallend is wel dat Caspari zijn portretjes vrijwel nooit dateerde.

Noch in de collectie in het Stadsarchief Amsterdam noch bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag is een portretgravure van D. van Coppenaal, al dan niet door een Caspari, bekend. Ook in de bekende portrettencatalogi van Frederik Muller en Van Someren komt een afbeelding van hem niet voor en dus zal het wel bij deze unieke 'naar het leven' getekende afbeelding zijn gebleven.
Nu nog een fraai, liefst vroeg negentiende eeuws, lijstje zien te vinden of toch maar in een blauwe zuurvrije envelop laten?

zaterdag 6 maart 2010

Kleren maken de...


De kleederen der Nederlanden verschillen veel in iedren stand,
Maar evenwel is elk bewoner gehecht aan ’t dierbaar vaderland
”.

Onlangs schreef ik, naar aanleiding van het recent verschenen boek van Eveline Koolhaas-Grosfeld: “De ontdekking van de Nederlander in boeken en prenten rond 1800” (Zutphen, 2010), al iets over het befaamde kostuumboek: “Afbeeldingen van kleeding, zeden en gewoonten in de Bataafsche Republiek met den aanvang der negentiende eeuw” dat de bekende Amsterdamse boek- en prenthandelaar Evert Maaskamp (1769-1834) tussen 1803 en 1807, los of per cahier van vier prenten á vier gulden zestig, uitgaf.

Inmiddels ben ik eigenaar van een eerste Engelse editie getiteld: “Representations of dresses, morals and customs in the Kingdom of Holland, at the beginning of the nineteenth century” (Amsterdam, 1808).
Het is een fraai exemplaar (groot 4º) gebonden in een smaakvolle driekwart rood leren band met ribben, en roodgemarmerde platten. Naast de twintig kostuumplaten bevat het boek een bijzonder (en als boekillustratie zeldzaam) allegorisch frontispice in Franse-empirestijl.


Veel kostuumplaten zijn naar voorstudies en tekeningen van J. Kuyper en de beroemde schilder J.W. Pieneman gemaakt. Een aantal originelen bevindt zich nog in de Atlas van Stolk in Rotterdam.
Andere tekenaars waren G.T.S. van Os (nr. 9), C.F. Bounach (nr. 7 en 10), C.J. van Slangenburgh (nr. 11), D. van Oosterhoudt (nr. 12), D. de Keyser (nr. 13), A. Prince (nr. 14), D. de Koning (nr. 15), Q. van Amelsvoort (nr. 16), C. Overman (nrs. 17-18 en 20) en mijn verre voorvader J.W. Caspari (nr. 19). De kunstenaar L. Portman vervaardigde de gravures en het hele project stond onder directie van J. Kuyper.


De onderschriften zijn in het Nederlands en Frans en eronder staan twee adressen: Maaskamp te Amsterdam en Colnaghi & Co. te Londen. Er werd dus meteen al rekening gehouden met een internationale verspreiding (het boek verscheen ook in een Franse editie) en het zou Maaskamps meest lucratieve en belangrijkste uitgave worden. Nergens anders ter wereld vond je zulke verschillen in kleding zeden en gewoonten als hier in Holland (Nederland!). Juist deze verschillen waren volgens Maaskamp zo kenmerkend voor onze nationale identiteit.

Alle prenten zijn gedateerd 1811, met uitzondering van de frontispice ´De teken-kunst / La muse du dessin´ waaronder 1805 staat. Het boek kan in ieder geval niet in 1808 verschenen zijn!
Per afbeelding werden telkens twee personen afgebeeld wat de levendigheid ten goede komt. Ze stellen de volgende figuren voor:
1. Een burgervrouw en dochter op weg naar de kerk,
2. Amsterdamse visvrouw en ambachtsman,
3. Aanspreker en waardin,
4. Dienstmeisje en melkmeisje,


5. Een moeder en ongehuwde dochter van de Broedergemeenschap in Zeist,
6. Hernhutter en Alkmaars meisje,
7. Friese visser en vissersvrouw,
8. Schokker visser en vissersvrouw,
9. Scheveningse visvrouw en Haags meisje,
10. Een vrouw en een meisje uit West-Friesland,


11. Boerenmeid en dame uit het midden van Friesland,
12. Gelderse boer en boerin,
13. Man en vrouw van het eiland Walcheren,
14. Boer en boerin uit Schouwen op weg naar de markt,
15. Boer en boerin van Zuid-Beveland,
16, Boer en boerin uit Noord-Brabant,
17. Twee Noord-Hollandse meisjes,
18. Twee Noord-Hollandse meisjes in een tuin,
19. Twee vrouwen van het eiland Marken,
20. Een Katwijkse en een Volendamse vrouw.


In 1811 verschenen van afbeelding 17 en 18 twee nieuwe platen. Kennelijk was de Noord-Hollandse damesmode veranderd, zowel wat de kleding als de hoofdkappen betrof. De platen in mijn boek zijn weliswaar gedateerd 1811 maar tonen beide dames nog in hun ‘ouderwetse’ kleding.

De grootste verrassing was voor mij het enorme verschil tussen de originele prenten en de afbeeldingen in het recent verschenen boek.
Je zou verwachten dat moderne druktechnieken het origineel feilloos reproduceren maar de originele prenten zijn veel feller van kleur. Wat dat betreft merkt Eveline Koolhaas-Grosfeld op dat de prenten in de editie van 1811 mogelijk in kleur werden gedrukt en dus beter dekkend en krachtiger zijn dan bij de eerste editie. Zo is de grond waarop de figuren staan tot aan de kaderranden ingekleurd en staan de figuren niet meer, zoals bij de eerste editie, op een soort wolk. Bij de afdrukken uit 1811 is waarneembaar dat de platen gaan slijten, zoals bij afbeelding 8 (Schokker visser en vissersvrouw) waar de fijne netstructuur van het visnet vrijwel geheel is verdwenen.

zondag 21 februari 2010

50%

Met gemengde gevoelens liep ik langs de plek op het Amsterdamse Spui waar ik afgelopen dinsdag met fiets en al een doodsmak maakte. Een fraai blauw rechteroog had dat opgeleverd.

De Athenaeum boekhandel lonkte, de voorband slipte (sneeuw!) en daar ga je dan. Nog een geluk dat ik niks had gebroken.
Ook mijn fiets deed het nog en achterop zat nog steeds – onbeschadigd in plastic – het boekje van Jeremy Mercer: “Een bed tussen de boeken. Herinneringen aan een verblijf in het Parijse Shakespeare and Company
(Amsterdam/Antwerpen, 2009). Dat had ik vlak daarvoor bij antiquariaat De Slegte in de Kalverstraat voor slechts € 11,- euro kunnen bemachtigen. Scheelde toch 50 % met nieuwprijs!

Maar na ruim twee dagen leesgenot was het weer tijd voor een nieuwe strooptocht. Ik besloot het nuttige met het aangename te verenigen en bezocht gisteren eerst het museum Ons’ Lieve Heer op Solder, een 17de eeuwse katholieke schuilkerk, op de Oudezijds Voorburgwal 40, in hartje Amsterdam.

Het bezoek herinnerde me aan mijn tienerjaren toen ik vrijwel elke zondag een museum bezocht, dankbaar gebruik makende van de (jaarlijks in een andere vrolijke kleur gedrukte) museumjaarkaart.
Na het bezoek en de lunch toch maar weer langs De Slegte waar ik een exemplaar kocht van: “Typefoundries in the Netherlands from the fifteenth to the nineteenth century” door Charles Enschede (Haarlem, 1978).
Een prachtuitgave. Als nieuw, gebonden in fraaie halfleren band in kartonnen schuifhoes. Verschenen in een oplage van maar 1500 genummerde exemplaren (mijn exemplaar is nr. 569). In de prospectus, los achterin, las ik dat het boek destijds ‘875 Dutch Guilders’ kostte. En dan te bedenken dat ik er nu omgerekend nog maar 50 % van dat bedrag voor betaalde!

Vervolgens liep ik over de Amsterdamse grachten naar mijn tweede sessie cultureel erfgoed: het Bijbels Museum op de Herengracht 366-368. Net als het andere museum gehuisvest in prachtige 17de eeuwse panden. Zelden heb ik mij meer gerealiseerd dat het bedrijven van museale activiteiten in dergelijke monumenten, die van oorsprong gebouwd zijn als woonhuis, de nodige aanpassingen, beperkingen en improvisatie vereisen.
Uiteraard beschikken ze over een fraaie collectie Bijbels in diverse uitgaven en vormen maar niet over het fraaie bibliofiele exemplaar dat ik onlangs kocht en waarover ik binnenkort een stukje zal schrijven.


Na dit bezoek liep ik naar de Athenaeum boekhandel op het Spui, die ik na mijn valpartij niet meer had bezocht, en waar ik twijfelde tussen de aanschaf van: “De grote uitleg van Amsterdam. Stadsontwikkeling in de zeventiende eeuw”, geschreven door een kennis van me, en het boek van Eveline Koolhaas-Grosfeld: “De ontdekking van de Nederlander in boeken en prenten rond 1800” (Zutphen, 2010).

Bij elkaar € 80,- euro, maar ik was niet van plan meer dan 50 % daarvan uit te geven en dus koos ik voor de laatste. Belangrijke reden hiervoor was dat in haar studie de bekende Amsterdamse prent- en boekuitgever Evert Maaskamp (1769-1834) en zijn uitgaven centraal staan en in mijn collectie zit wel wat werk van hem.
Daarnaast was ik blij met het feit dat ze uitvoerig ingaat op het tussen 1803 en 1807 bij de Maaskamp verschenen werk: "Afbeeldingen van kleeding, zeden en gewoonten in de Bataafsche Republiek met den aanvang der negentiende eeuw". Ter illustratie werd de fraaie serie (stippelgravures) van twintig ingekleurde kostuumprenten uit de originele uitgave compleet opgenomen.
Dit was het eerste boek in ons land dat de kleding behandelde in de verschillende provincies (ik aas nog op een origineel exemplaar).

Ja, hoor ik u denken, en? Welnu; afbeelding 19, twee vrouwen van het eiland Marken, is een prent gemaakt naar een tekening van Jan Willem Caspari (1779-1822) en zoals ik al eerder schreef (klik hier) is hij een directe voorvader van me. Dat andere boek koop ik later, als de prijs is gezakt met 50 %!

dinsdag 14 april 2009

Graveur Jan Willem Caspari (1779-1822)

Als klein kind tekende ik graag (dinosaurussen, kastelen, stripfiguren enz.). Het is echter nooit een hobby geworden zoals bij mijn vader. Die heeft een tijd lang veel getekend maar ook gefotografeerd en geschilderd (vooral natuurtafereeltjes a la Rien Poortvliet).
Zijn teken-, schilder en fotowerk heeft op verschillende verkoopexposities gehangen. Waar komt dat talent vandaan, zo vroegen wij ons weleens af. Toen ik mij twintig jaar geleden ging verdiepen in de geschiedenis van onze familie werd die vraag voor mij beantwoord. Mijn overgrootmoeder Sophia Geertruda Caspari (1875-1966) bleek een kunstzinnige overgrootvader te hebben gehad (genealogisch mijn oud-grootvader) die van beroep graveur was.

Beroemd is hij niet geworden deze Jan Willem (Jean Guillaume) Caspari. Hij werd in Amsterdam gedoopt op 25 november 1779 en overleed daar, net geen 43 jaar oud, op 10 september 1822. Zijn broer Hendrik Willem (1770-1829) was eveneens kunstgraveur en werkte soms met hem samen. Hendrik Willem liet een vrij groot oeuvre na, Jan Willem iets minder. Beiden worden genoemd in het 'Biographisch woordenboek van Noord Nederlandsche Graveurs' (F.G. Waller, heruitgave 1974) en natuurlijk in 'Nederlandse Beeldende kunstenaars 1750-1950' van P.A. Scheen (1969).

Als bibliofiel (en genealoog) werd het mijn heilige plicht om (zoveel mogelijk) origineel graveerwerk van deze kunstzinnige voorvader in handen te krijgen. Dat bleek niet al te makkelijk, hij was immers niet beroemd en vrij jong gestorven. Eerst moest ik vaststellen wat er bekend was over zijn oeuvre. Met behulp van de 'Beschrijvende catalogus van 7000 portretten van Nederlanders en van buitenlanders, tot Nederland in betrekking staande' van de befaamde Frederik Muller (heruitgave 1972) en het aanvullende vervolg daarop door Van Someren ('Beschrijvende catalogus van gegraveerde portretten van Nederlanders'. 1888) kon ik vaststellen dat hij in ieder geval een kleine dertig portretten van tijdgenoten had gegraveerd, alsmede een prachtige zeldzame gravure van de 110 jarige Jacob Janse (1698-1808), naar een tekening van B.C. van Ranswijk, uitgegeven door H. van Aken te Zaandam.


De portretjes (stippelgravures) zijn destijds vaak gebruikt als illustratie in bijvoorbeeld de literair belangrijke 19de eeuwse Nederlandsche Muzenalmanak. Ik bezit er inmiddels drie. Het gaat om de afbeeldingen van de Nederlandse dichter E.A. Borger, Dominee J. Scharp en de Haagse predikant B. Verweij. Leuk is dat alle drie zijn gegraveerd ('sculp.') door J.W. Caspari naar schilderijen van zijn broer H.W. Caspari ('pinxit').

In 2007 vond ik wat bijzonders bij mijn lijfantiquariaat Van der Steur in Haarlem. Een boekje van Anna Maria Moens getiteld: 'Tafereelen van eene christelijke opvoeding, in briefwisseling tusschen moeder en dochter. Vertaald uit het Engels. Benevens brieven aan Emilia' (1822). Wat deze moralistische beschouwing in briefvorm, deels door Moens uit het Engels vertaald, deels door haar zelf geschreven, voor mij zo bijzonder maakt is dat de titelgravure alsmede de vier paginagrote illustraties zijn gegraveerd door Jan Willem Caspari. Geen portretjes ditmaal maar tafereeltjes. Dat kon ik voor zestig euro toch niet laten liggen.