Posts tonen met het label Patriotten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Patriotten. Alle posts tonen

vrijdag 3 oktober 2025

'Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen'


Onlangs kon ik via Marktplaats voordelig een zeer curieuze uitgave bemachtigen. Het gaat om de serie: "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" (Embden [Amsterdam], 1748-1754).
Ik ben deze titel in de loop der jaren regelmatig tegengekomen op beurzen, markten en veilingen, vaak een los deeltje of meerdere, maar zelden compleet. Telkens als ik er dan in bladerde verwonderde ik mij over deze vreemde uitgave, zijn merkwaardige samenstelling, inhoud en illustraties.
Het "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" past in het rijtje: "Nederduitsche en Latynsche keurdichten" (Rotterdam, 1710) en het meer bekende "Groote tafereel der dwaasheid" (Amsterdam, 1720). Het zijn compilaties van (al dan niet eerder verschenen los efemeer) drukwerk, die hun ontstaan danken aan maatschappelijke onrust of economische en/of politieke instabiliteit. De teksten in het praaltoneel zijn ongepolijst en direct. Ze vertegenwoordigen de mening van het gepeupel. Straattaal en vloekwoorden zijn eerder regel dan uitzondering. Juist dat maakt de inhoud zo interessant en bijzonder tegelijk.

We weten dat het praaltoneel niet in het Duitse Embden werd "gedrukt voor de liefhebbers" maar in Amsterdam bij Gerardus van Hattum (die ook uitgaf onder het pseudoniem J. de Vries, Deventer). Van Hattum was als boekdrukker/-handelaar slechts enkele jaren actief en in zekere zin is het praaltoneel - zeker qua omvang - zijn opus magnum. In de Short-Title Catalogue Netherlands (STCN) worden slechts 25 uitgaven (meest anoniem verschenen) aan hem toegeschreven. Het ligt voor de hand dat het fictieve impressum van het praaltoneel te maken heeft met de inhoud van deze serie; een compilatie van honderden - op enkele na - anoniem verschenen anti-orangistische teksten. Vele daarvan waren al eerder afzonderlijk verschenen als paskwil (schotschrift of smaadschrift) en sommige waren zelfs verboden en vernietigd!
De uitgever zelf was ook niet van onbesproken gedrag en een kleurrijke figuur; "Van Hattum was een geval apart. Die behoorde tot de clientèle van de in 1748 in ongenade gevallen familie Six. In de jaren vijftig (van de 18de eeuw) waren bij hem tal van geschriften verschenen waarin zowel de hervormde kerk als de doelisten het hadden moeten ontgelden. Inmiddels was zijn rol uitgespeeld, want als homoseksuele en dus chantabele kroongetuige had Van Hattum zijn voornaamste tekstschrijver, de politieke pamflettist Jacob Baroen, achter de tralies geholpen. Een nauwgezette reconstructie van Van Hattums betrekkingen met de overheid en haar vertegenwoordigers zou licht kunnen werpen op heel wat zaken die tot nog toe verborgen zijn gebleven. Helaas wilde men dat nu juist voorkomen. [-] Van Hattum is als het ware in het niets verdwenen, alsof hij behoedzaam uit het zicht is geloodst" (Ton Jongenelen in: "De waarneming als constructie. Sodomie en rechtsvervolging in Amsterdam in de achttiende eeuw" in: "Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman", jaargang 21 (1998)).

Volgens de bekende 19de eeuwse antiquaar Frederik Muller (1817-1881) was bovengenoemde Baroen de grote man geweest achter het praaltoneel. "Het zeer bekende Praaltooneel van Neerl. Wonderen, 7 dl., dat in de jaren 1748 tot 53 dikwijls zal vermeld worden, is volgens een oude bij mij berustende Confessie in HS (handschrift), geschreven of verzameld en uitgegeven door zekeren Jac. Baroen te Amst., die in 1757 ook heeft geschreven en in het geheim bij F. Houttuyn en K.v. Tongerloo (2 Doopsgezinde boekverkoopers) heeft uitgegeven: 'De Deïst vermeerderd' wat toen ter tijd scherpelijk vervolgd is" (in: "Nederlandse Historieplaten", Amsterdam 1876/1877, deel II, blz. 172, nr. 3948).


Het praaltoneel verscheen in een maatschappelijk onrustige periode waarin de spanningen tussen Prinsgezinden en Patriotten toenamen. Dit leidde tot landelijke onlusten zoals in Amsterdam waar in 1748 de pachtersoproer uitbrak en de Doelistenbeweging zich politiek roerde.
De eerste vier delen van het praaltoneel zagen het licht in dat 'wonderjaar', vervolgens verscheen deel V in 1753 en deel VI in 1754.
Deze zes delen bevatten allemaal een Franse titelpagina, een verklaring van de allegorische titelprent, de allegorische titelprent zelf en de typografische titelpagina in zwart en rood. Van deel I bestaat een variant met een andere titelpagina uitgegeven in 1748, evenals van deel II (1749) en deel III (1751). Deel IV werd heruitgegeven in 1754. Na afronding van deel VI verschenen nog een prent en twee publicaties. De prent draagt de titel "Vergadering der Patriotten op de groote burgerzaal in de Cloveniers doelen te Amsteld. in Aug. Ao 1748" en moest worden geplaatst in deel II (NB. deze afbeelding komt voor in meerdere contemporaine publicaties!). 


De twee stukjes moesten worden gebonden achter deel VI. Beide vormen ze het 'zevende deel', dat geen aparte titelpagina heeft (allegorisch noch typografisch) zoals de voorgaande zes delen. Het gaat om: "Het gedrag der stadhoudersgezinden, verdedigt door Mr. A.v.K. rechtsgeleerde" en "Het stadhouderschap wettiger gehandhaafd en de Doelistery-gezinden kragtiger verdedigd als door Mr. A.v.K.", inclusief het verbod op deze twee publicaties uit 1754.
In de pamflettencatalogus van W.P.C. Knuttel worden ze beide genoemd onder nr. 18414 en 18415. Bij het eerste nummer schreef Knuttel: "Door mr. Elie Luzac. Met het volgende werd het den 15 mei te Amsterdam vóór het stadhuis publiek verbrand. Een premie van F. 3000 werd uitgeloofd voor den ontdekker van den schrijver, drukker of verspreider der beide paskwillen. In Amsterdam schreef men beide pamfletten aan de Doelisten toe. Het werd in 1783 herdrukt".
Deze serie bevat overigens veel meer verboden publicaties, zoals in deel II (blz. 153): "De weergalooze Amsterdamsche Kiekkas..." (Knuttel nr. 18033) en in deel IV (blz. 153) het beruchte: "Kort en beknopt Hollands Vraagboekje ten dienste van allen, die hun geluk zoeken te bevorderen, door ware Doelistery waardoor de Staat ontroerd en de Prins misleid word" (destijds ook wel de catechismus der Doelisten genoemd).

Bij diverse paskwillen is de tekst voorzien van voetnoten waarin gebruikte pseudoniemen en spraakmakende kwesties nader worden verklaard. Op die manier werden specifiek lokale schandaaltjes en rellen ook voor lezers elders begrijpelijk.
In de zes delen worden talrijke politieke tegenstanders gefileerd, met name de Amsterdamse Oranjegezinde porseleinverkoper Daniel Raap (1703-1754). Zozeer zelfs dat Knuttel in zijn pamflettencatalogus kon schrijven: "De meeste der hier volgende gedichten over Raap en zijn begrafenis zijn opgenomen in Dl. VI van het 'Dichtkundig Praal-tooneel van Neerlands wonderen'" (bij nr. 18421).


Daarnaast zijn - als politieke rode draad - een aantal officiële publicaties van overheidswege opgenomen. 
- In deel I (blz. 219) de 'Propositie' van Willem IV, een voorstel voor belastinghervormingen (d.d. 25 juni 1748).
- In deel II (blz. 184) het: "Billyk verzoek der Amsteldamsche Burgery, aan zyne Doorlugtige Hoogheid op nieuw voor te stellen", (blz. 187) plus enkele vervolgstukken en (blz. 213) de: "Sententie tegens Harmen Coops Fledderus binnen Steenwyk" (d.d. 24 april 1749) alsmede enkele vervolgstukken.
- Deel III (blz. 71) de: "Sententie by den Ed. Hove Provinciaal van Utrecht, den 8 Augustus 1748. gepronuncieerd en geëxecuteerd jegens Willem Cornelisz. van Claveren, alias Dikke Willem, en Marrigje Willems, alias Lange Marie" (d.d.10 augustus 1748) en (blz. 78): "Request van de Gedeputeerden van Haarlem, die op de Gevangen Poort in 's Hage zyn in Verschering genomen" (d.d.2 januari 1750).
- Deel IV (blz.32) de publicatie van de Staten van Holland over het afleggen van de eed door wijnkopers plus enkele vervolgstukken (blz. 67 en 68). Vervolgens (blz. 129) een publicatie van de stad Rotterdam naar aanleiding van de plundering van het huis van de wijnkoper Gerrit Hagedoorn (d.d. 18 augustus 1751). Tot slot (blz. 159) een publicatie van de stad Amsterdam tegen lasterlijke paskwillen met name het godslasterlijke paskwil verschenen onder de titel: "Kort en beknopt Hollands Vraag-boekje" (niet gedateerd, maar van 8 september1751).
- Deel VI (blz. 295) een publicatie van de stad Amsterdam tegen paskwillen (d.d. 28 januari 1754), een Placaat van de Staten van Holland en West-Friesland tegen paskwillen (d.d. 7 maart 1754) en tot slot een Placaat van de stad Amsterdam tegen de eerdergenoemde twee publicaties die samen het 'zevende deel' vormen van het praaltoneel (d.d. 14 mei 1754).

De allerlaatste pagina van de serie is een "Berigt aan de liefhebbers", over de eerdergenoemde nagekomen prent en twee stukjes plus (verso) een lijst van illustraties voor de boekbinder. Enkele illustraties komen voor in zowel de pamflettencatalogus van Knuttel (met het begeleidend paskwil) als in Frederik Muller's "Nederlandse historie platen".
De meeste zijn uitvouwbaar en doen wonderlijk primitief aan. Ze zijn geen van alle gesigneerd. Frederik Muller spreekt over slechte kopieën en dat klopt.
Neem bijvoorbeeld de prent voorin deel IV: "Ter nagedachtenisse van de inhuldiging zijner doorl. Hoogheid Willem Karel Henrik Friso als Marquis van Vere en Vlissingen". Het origineel linksonder is gesigneerd onder de prent ("S. Fokke inv. et fec. 1751." en "F. Houttuyn excudit."). De - overigens redelijk geslaagde - kopie rechtsonder niet.


Het praaltoneel is al met al een rommelige uitgave, gedrukt op matig papier. De titelpagina van deel IV bijvoorbeeld is gedateerd 1748 maar de opgenomen teksten lopen door tot ver in 1753! De bladwijzers achterin rammelen; ze zijn onvolledig of geven een weinig informatieve omschrijving/titel. Zo kan het gebeuren dat je bij het collationeren verschillende verrassingen tegenkomt. Bijvoorbeeld in deel VI (blz. 42) waar een grafschrift staat voor Daniel Raap in de vorm van een acrostichon dat niet in de bladwijzer wordt vermeld. Een ander voorbeeld is een prent ("Raap uyt gely door een Predikant na de Galg met eenig ander bywerk") plus de voorafgaande uitleg, die kennelijk later is toegevoegd (Deel IV tussen bladzijde 160 en 161). Dat is niet alleen zichtbaar aan de verspringende paginanummering maar ook aan de custode ('OP') rechtsonder op de laatste bladzijde van het voorafgaande (verboden) "Kort en beknopt Hollands Vraagboekje...".


Weer een andere verrassing schuilde achter het: "Smeek-schrift aan 't Groot en Magtig Amsterdam". Er staat niet bij van wie, maar het bleek te gaan om een gedicht (uit 1753) waarin het dorp Amstelveen zicht richt tot zijn grote buurman de stad Amsterdam.
De volledige titel luidt: "Smeekschrift aan het groot en magtig Amsteldam opgedragen door het klein en nedrig Amstelveen" (Deel V, blz. 232). Hierin vraagt het dorp ootmoedig om bestrating van een belangrijke verkeersader, de Amstelveenseweg tussen het dorp en de stad Amsterdam. Omdat dit gedicht in de lokale geschiedenis van mijn woonplaats totaal onbekend is geef ik het hier volledig weer.


Het direct daaropvolgend keer-dicht "Nihil of nul op 't request van het klein en nedrig Amstelveen gegeeven als uit naam van het magtig Amsteldam" (blz. 236) maakt korte metten met dit verzoek.
Wat denkt dat armzalige Amstelveen wel? Wat kost dat wel niet? Bovendien is het alleen maar om de Fransche Schouwburg aan de Overtoom (afgebrand in 1754), die ten nadele is van de Stadsschouwburg op het Leidseplein, beter bereikbaar te maken. "De Fransche Dichtkonst, of de Schouburg op de Overtoom, welke door onze Eygen Inboorlingen wordt ten toppunt gevoerdt, waar door de Amsterdamsche Schouburg een inmportant verlies komt te leyden, en weeuw en wees 'er de smerte komt van te gevoele" (voetnoot blz. 244). Destijds ging een gedeelte van de inkomsten van de schouwburg naar de stadswezen en weduwen. De bestrating van de Amstelveenseweg kon wel wachten en pas in 1810 wordt gesproken over de 'nieuwe straatweg' tot aan het dorp Amstelveen.


Tot slot bevat deel VI van het praaltoneel twee bijzondere paskwillen in de vorm van satirische begrafenisbriefjes. Bijzonder omdat ze door hun oblong vorm en inhoudelijke opbouw echte begrafenisbriefjes imiteren. Vooral in de periode 1780-1790 is dergelijk drukwerk verschenen. Enkele zitten ook in mijn collectie en zullen ter sprake komen in mijn volgende blog: "Satirische begrafenisbriefjes uit de Patriottentijd".

vrijdag 22 februari 2019

What's in a name?


Na vier nachten werken heb ik vaak maar weinig puf om iets meer te doen dan wat onderuitgezakt aan mijn bureau te snuffelen en sneupen op het internet. Zodoende struikelde ik ditmaal over een forse losse ets (53.1 cm. x 49.6 cm.) die ik wel eens eerder heb gezien en toen te koop werd aangeboden voor vijftig euro. Na een bod van vijftien euro, vroeg en kreeg de eigenaar van mij uiteindelijk vijfentwintig euro.
Nog voordat de koop gesloten is draait hier de onderzoeksmachine al op volle toeren.
Wat koop ik eigenlijk en valt er een interessant verhaal te vertellen over het verworven boek, de prent, het object van mijn begeerte? Vaak heb ik dan al een concept blog geschreven ruim voordat mijn nieuwe aanwinst in huis is. Zo ook ditmaal.

De prent (op folioformaat) waarop mijn oog viel is niet een portret noch een historieprent of topografische afbeelding. Neen, het is een naam en wel van Hendrik Hooft Danielsz. (1716-1794), die maar liefst acht maal burgemeester was van Amsterdam. Hooft's politieke en publieke optreden in de roerige Patriottentijd rond 1787 maakten hem tot een charismatische figuur. Geen enkele andere Amsterdamse burgemeester voor of na hem heeft zoveel dichters geïnspireerd tot hoogdravende en gezwollen lofdichten en geen ander dan Hooft is zo dikwijls getekend en gegraveerd. Ik heb al eens eerder over hem geschreven in: "Krullenbol".


Behalve het sierlijk gekalligrafeerde 'Henrik Hooft Danielsz.' zien we een sierkader met vier medaillons. Om dat sierkader zit een lint gevlochten waarop staat (vanaf het portret boven met de klok mee):

"Dit is het Beeld
van Vader Hooft'
die, Schoon voor 't oog
Schijnt uitgedooft,
zal eenmaal
Triumpheren.
Wij wenschen, na
de Tijd, en uur
dat hij met Vred'
in Amstels muur
gelukkig
weer zal keeren"

De vier medaillons vertonen (boven) het portret van 'vader Hooft', rechts het aanbieden van het smeekschrift der Edelen op 5 april 1566 aan landvoogdes Margaretha van Parma (1522-1586) met op de voorgrond Hendrik van Brederode (1531-1568), onderaan een allegorisch stilleven met fasces, een vrijheidshoed en het familiewapen Hooft. Links, tenslotte, de afbeelding van de Bataafse Opstand (69/70 na Chr.) met op de voorgrond Julius Civilis
(25-?) met haarmandje. De symboliek spreekt voor zich. De kunstenaar stelt Hooft op gelijke hoogte met Civilis en Brederode. Ook zij waren immers opgestaan tegen hun hoogste gezagsdrager. Ook zij hadden zich in dienst gesteld van het volk om te vechten voor meer rechten en vrijheden.

De losse ets, die niet voorkomt in Frederik Muller 'Nederlandse Historieplaten', heeft nooit als illustratie in een boek gezeten. Het was meer een politiek affiche dat bij de Amsterdamse patriot (die het kon betalen) aan de muur zal hebben gehangen. De afbeelding is verder niet voorzien van een onderschrift en ook niet gesigneerd door de kunstenaar (fecit, delineavit of scripsit). Dat laatste was na de Pruisische inval en daaropvolgende Oranjerestauratie, eind 1787, maar beter ook want ingegooide ruiten door Oranjegepeupel en vervolging lagen op de loer.
Behalve in het Amsterdamse stadsarchief bevindt zich ook een exemplaar in de collectie van het Rijksmuseum (RP-P-1905-2924) waarbij wordt opgemerkt dat deze afbeelding mogelijk werd vervaardigd naar aanleiding van Hooft's ontslag als burgemeester op 27 november 1787.
Daar kan ik me - gezien de tekst op de boven aangehaalde banderol - goed in vinden.
Daarentegen kan ik de toeschrijving aan de prentenmaker Antonie Zürcher (1755-1835) niet goed plaatsen. Op welke gronden dan? Weliswaar zijn er van hem ook kunstig gegraveerde kalligrafische etsen bekend maar die lijken qua gebruikte ornamentiek toch niet echt op mijn nieuwe aanwinst (*).


Toen ik vervolgens verder zocht in de collectie van het Rijksmuseum vielen mij twee dingen op. Ten eerste dat alle vergelijkbare kalligrafische prenten eind achttiende eeuw zijn gemaakt door slechts enkele kunstenaars: Cornelis van Baarsel (1761-1826), Barent de Bakker (ca. 1762-1804) en Leonard Joseph/Jozef Ferrier (1726- 1801(?)).
De laatste was een Vlaamse zilversmid die in de zestiger jaren van de achttiende eeuw bankroet ging en vervolgens op andere manieren aan zijn brood probeerde te komen (Uitvoerige informatie over hem is te vinden in K.G. Saur: "Allgemeines Künstlerlexikon. Die Bildenden Künstler aller Zeiten und Völker" (München-Leipzig 1992, band 39).
Ten tweede dat binnen het genre de gekalligrafeerde naam van Hendrik Hooft Danielsz. uniek is omdat die het enige voorbeeld is van een persoonsnaam die op deze wijze werd vereeuwigd. Alle andere kalligrafische prenten vallen in de categorie 'spreuken voor aan de muur'. Is er nog een contemporain Orangistisch voorbeeld te vinden, al dan niet met zijn opponent, stadhouder Willem V van Oranje-Nassau (1748-1806), zo vroeg ik mij af?
Zeker wel, en toen deed ik een ontdekking!


Bij "De vreede tusschen 's Lands Staaten en Prins Willem den vijfde", waaronder staat "Gegraveerd naar d'Originele Teekening van den uitmuntenden Pennekonst schrijver L:J:Ferrier..." (Frederik Muller 'Nederlandse Historieplaten', nr. 4983) valt direct de identieke sierrand op, met medaillons en lint (zonder tekst).
Ook de grote gelijkenis tussen de sierletters 'D' is opvallend. En als we vervolgens kijken naar een andere kalligrafische prent die wel door Ferrier werd gesigneerd: "Liefde tot het Vaderland, baard Eendragt." (Frederik Muller 'Nederlandse Historieplaten', nr. 4982), dan zien we dat de letters 'Eendragt' bijna eenzelfde versiering hebben als 'Henrik' in mijn nieuwe aanwinst. De conclusie lijkt mij voor de hand liggend.
De kalligrafische prent van Hendrik Hooft Danielsz. is van Leonard Joseph Ferrier of gekopieerd en geëtst naar zijn voorbeeld.


(*) Inmiddels is deze toeschrijving aangepast. Via de email ontving ik het volgende bericht: "De (mogelijke) toeschrijving aan Zürcher was gebaseerd op een ander exemplaar van dezelfde prent in de collectie Atlas van Stolk. We zijn het echter met u eens dat de toeschrijving aan Ferrier passender is. We hebben de toeschrijving daarom gewijzigd in onze database en de verwijzing naar uw blogpost opgenomen".

vrijdag 14 september 2018

Feldzug in Holland 1787, 'naer de Copie van Wezel'


Het is dit jaar precies vijftig jaar geleden dat in het dorp Amstelveen het 'huis met de kogel' werd gesloopt. De (halve!) ingemetselde kogel boven de ingang die het huis (dorpsstraat 59) zijn naam gaf was een tastbare herinnering aan de felle gevechten tussen patriotten en Pruisen op 1 oktober 1787. Al eerder, in de jaren 1920/1921 waren de schansen (batterijen) rondom het dorp weggegraven en dus herinnert er anno 2018 niets meer aan die roerige oorlogsdagen dan wat papieren verslagen.

Voor de met onze vaderlandse geschiedenis wat minder bekende lezers verwijs ik graag naar mijn eerder geschreven stukjes 'Oranje boven!' en 'Dresseren en beschaven', waarin ik kort over de politieke situatie schrijf en het conflict dat in 1787 leidde tot een Pruisische militaire inval onder leiding van veldmaarschalk Karel Willem Ferdinand Hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel (1735-1806). Zijn leger, van ongeveer 20.000 man, veroverde op weg naar Den Haag en Amsterdam in korte tijd tal van plaatsen maar alleen bij mijn woonplaats Amstelveen en het naburige dorp Ouderkerk aan de Amstel kwam het tot heftige en verbitterde gevechten.


Over de Pruisische veldtocht van 1787 zijn in de loop der tijd verschillende publicaties verschenen.
Ik heb in mijn goed gevulde bibliotheek een mooi exemplaar staan van de zeldzame uitgave van J.M. Vervat: "De Pruisen voor Amsterdam in 1787" (Amsterdam, 1887) dat ik alweer vele jaren geleden voor dertig gulden kocht bij antiquaar Putman (1923-2013). Vervat beschreef nauwkeurig wat er in die dagen rondom de hoofdstad gebeurde en baseerde zich onder andere op de ruim tien jaar daarvoor verschenen studie van Theodor von Troschke (1810-1876): "Der preussische Feldzug in Holland 1787" (Berlin, 1875), dat in hetzelfde jaar in het Nederlands verscheen (vertaald door K.H.J.J. Hirschmann). Zowel Vervat als Troschke maakten dankbaar gebruik van de meest bekende achttiende eeuwse contemporaine bron met betrekking tot deze veldtocht; het boek van de Pruisische vleugeladjudant van de Hertog van Brunswijk, Theodor Philipp von Pfau (1727-1794): "Geschichte des Preußischen Feldzuges in der Provinz Holland 1787" (Berlin, 1790). Hiervan verscheen destijds ook een Franse (1790) en Nederlandse (1792) vertaling.
So far so good...

Enkele weken geleden trof ik tijdens mijn boekensneupen op Marktplaats een pamflet aan met de titel: "Dag-journael, van de merkwaerdigste gebeurtenissen, by het in Holland ingerukte Pruissische corps-troupen onder het hoog bevel van zyne doorluchtige hoogheid den heere Hertog van Brunswyck voorgevallen" (In 's Gravenhage, z.j. [1788]).
De aanbieder, 'Books4U' oftewel antiquariaat Jan Poutsma uit Kampen vroeg en kreeg er een forse € 40,- euro voor, exclusief verzendkosten.


Een rood ex-libris op de achterzijde van het titelblad laat zien dat het ooit behoorde tot de bibliotheek van de medicus en seksuoloog Lucien von Römer (1873-1965). Het pamflet van de Haagse drukker en uitgever J.F.J. de Agé  (Knuttel 21739 en 21740) bestaat uit vier genummerde afleveringen (nr. 1. blz. 1-12nr. 2. blz. 13-20nr. 3. blz. 21-28nr. 4 blz. 29-40, totaal veertig bladzijden inclusief de blanco omslag).
Mijn exemplaar bevat drie afleveringen in eerste druk (1, 2 en 4) en één aflevering (3) in tweede druk. Ze komen alle vier voor in de STCN met uitzondering van het tweede deel in eerste druk. Alleen de eerste aflevering eindigt met een vignet, de overige met vermelding van de drukker en de prijs, respectievelijk twee, twee en drie stuivers.
De vier nummers bevatten nauwkeurige aantekeningen over de militaire acties in september en oktober 1787 en dat nota bene twee jaar vóór de publicatie van Pfau (en vier jaar voor de Nederlandse vertaling)! Die primeur verklaart meteen waarom het met 'meer dan gewoone graagheid, by onze Landgenooten' werd ontvangen en De Agé al in juli 1788, in de 'Delftsche Courant', kon adverteren met de vierde druk van de vier nummers (a tien stuivers). Hoe was het überhaupt mogelijk dat die kleine Haagse boekverkoper uit de Vlamingstraat, zo snel na de gebeurtenissen, daarvan gedetailleerd verslag kon doen?

Wat mij meteen was opgevallen en dit pamflet hoogst interessant maakt is de vermelding direct onder de titel: "Naer de Copie van Wezel, uit het Hoogduits vertaeld"!
'Wezel' is de Duitse stad Wesel, de plaats waarheen het Pruisische leger zich begaf na afloop van het Hollandse avontuur. Ze voerden een flinke oorlogsbuit mee, maar ook een behoorlijk aantal krijgsgevangen gemaakte Hollandse patriotten, zowel burgers als militairen. Die werden pas begin december 1787 weer vrijgelaten en de conclusie ligt voor de hand dat via één van hen De Agé de beschikking kreeg over 'copie' aantekeningen van.... Ja, van wat en wie eigenlijk? Het 'Kriegstagebuch' van Von Pfau?

Dat leek mij mogelijk, maar Pfau - dacht ik - was vast en zeker niet de enige Pruisische officier geweest die destijds van dag tot dag de belangrijkste (militaire) gebeurtenissen had genoteerd. En inderdaad; hij bleek zelfs niet de eerste wiens aantekeningen over de Hollandse veldtocht van 1787 in boekvorm waren verschenen. Er bestaat een zeldzaam, enkele jaren eerder (1789), anoniem uitgegeven boekje. Troschke kende het en beschreef het als volgt:
"Tagebuch von dem preussischen Feldzug in Holland 1787. Ohne Angabe von Autor, Druckort und Jahreszahl. 160 Seiten klein = Oktav. Da die kleine mit Wahrheitsliebe und Verständniss abgefasste Schrift älteren Datums als die vorgenannte (Pfau!) zu sein scheint, so muss sie bei vorkommenden Abweichungen nach dieser verbessert werden. Hin und wieder finden sich Stellen, die zur Ergänzung des grösseren Pfau'schen Werkes willkommen sind. Von verschiedenen Seiten wird die Vermuthung aufgestellt, dass auch dieses Werk von Pfau sei, was Vieles für sich hat." (blz. 9/10).
Ook Vervat noemde het, weliswaar in slechts één voetnoot (blz. 53), en schreef het toe aan ene 'Von Bernuth', maar volgens de meest recente gegevens was de auteur Friedrich Wilhelm Franz Philipp Christian von Kleist (1752-1822), die specifiek voor zijn inzet tijdens de Pruisische veldtocht de 'Pour le Mérite' kreeg opgespeld.

Het boekje van Von Kleist telt 160 bladzijden (zonder hoofdstukindeling), maar is gebaseerd op diens manuscript getiteld: "Tage-Buch eines Officiers welcher sich bey dem Feldzug in Holland 1787 im Gefolge des commandirenden Generals Herzog von Braunschweig Durchlaucht befand". Dit handschrift, minder omvangrijk (57 bladzijden plus een kaart van Holland), berust thans in het familiearchief in het stadsarchief van Hamm (Noordrijn-Westfalen).

Direct begon ik met het vergelijken van de teksten van Von Pfau, Von Kleist en mijn pamflet. Al gauw kwam ik tot de overtuiging dat Von Kleist de bron moet zijn geweest voor de pamflet-uitgave van De Agé. De informatie in het pamflet is in de uitgave van Von Kleist grotendeels terug te vinden tussen bladzijde 17 t/m 137. Vaak letterlijk, zoals het verhaal in nummer 4 over de herovering van een in de strijd achtergelaten klein kanon door de Pruisische compagnie Grenadiers van kapitein Ehrlich onder leiding van luitenant Van Fahrendorff.  De grenadiers waren teruggekomen met het geschut en hadden triomfantelijk geroepen: "Nun hohlen wir auch die Grotze". Deze vreugdekreet komt niet voor bij Pfau maar wel bij Von Kleist (blz. 130). Ik vond trouwens ook details in het pamflet die niet in het boekje staan maar dat is niet meer dan logisch omdat De Agé in de inleiding van nummer 4 nadrukkelijk stelt dat hij gebruik maakte van het 'origineele manuscript'.

De eerste drie delen met aantekeningen van Von Kleist verschenen bij De Agé snel na elkaar. Deel 2 eindigt als enige van alle afleveringen met de mededeling: "(Het Vervolg in de aanstaande Week)". Nummer 4 volgde geruime tijd later: "zynde niet gelyk de voorige Nos. met den druk gemeen gemaakt".
Vermoedelijk ontving De Agé al eind 1787 stukje bij beetje aantekeningen uit het manuscript van Von Kleist. De indeling in vieren maakte hij vervolgens zelf, ook al suggereert de inleiding van nummer 2 anders, maar: "met myn voorheen uitgegeeven eerste journaal..." lijkt mij toch echt de uitgever aan het woord te zijn!
De conclusie lijkt mij duidelijk. De Agé drukte de aantekeningen, "Naer de Copie van Wezel, uit het hoogduits vertaeld", zo snel mogelijk af. Hij liet zich de primeur niet ontgaan en zo werd zijn pamflet over de Pruisische veldtocht en de gevechtshandelingen in 1787 een bestseller en de eerste publicatie daarover die in Nederland en Duitsland verscheen.

vrijdag 11 december 2015

Dresseren en beschaven


Op het Amsterdamse Spui kocht ik bij antiquaar Marc van Dijk een 18de eeuwse brochure in rood gespikkeld papier getiteld: “Bijdragen ter aankweeking van Eendracht, Stad- en Vaderlandliefde…” (Leiden, 1786). Aan de verso zijde van het titelblad is de uitgave onder een spreuk van Montesquieu (1689-1755) gesigneerd.
Dat hoort, zo blijkt uit de slotmededeling achteraan op bladzijde 68, want “Geene Exemplaren worden voor Echt erkend, dan die door den tegenwoordigen Voorzitter der Vergadering, P. van Ameiden, achter de tijtel zijn getekend”.
De brochure – geschreven door en voor leden van het Leidse Patriotten exercitiegenootschap - begint met een drempelvers: “Aan den edelen manhaften krijgsraad” en bevat na het voorbericht een aantal interessante afzonderlijke artikelen (totaal 68 bladzijden).

Marc wist wat hij verkocht (want hij is zelf afgestudeerd op een onderwerp uit deze roerige periode) en de brochure stond al enige tijd bij hem op Boekwinkeltjes te koop voor zestig euro! Aanvankelijk aarzelde ik nog even. Niet vanwege de prijs, die op de boekenmarkt overigens was gezakt naar vijfentwintig euro (!), maar omdat het titelblad vermeldt: ‘No. 1’. Kennelijk had men het voornemen een soort reeks op te bouwen maar ik vermoedde géén of zeer weinig vervolgnummers. Het Stadhouderlijk gezag werd immers door Pruisische troepen een jaar later met harde hand hersteld.
Toen ik thuis de STCN en Knuttel (nr. 21413) raadpleegde bleek mijn vermoeden juist; er waren nimmer vervolgnummers verschenen.
Over Prins- of Oranjegezinden, Patriotten (‘Kezen’), Goejanverwellesluis en exercitiegenootschappen (vrijkorpsen) weet ik wel het een en ander. Best mogelijk dat dit bij u wat is weggezakt dus kijk even naar het onderstaande korte filmpje of lees mijn stukje “Oranje boven!”.


Toen ik het bundeltje wat doorbladerde was ik toch enigszins verrast door de inhoud en de onderwerpen die ter sprake kwamen. Waarom?
Welnu, ik had mij altijd voorgesteld dat het destijds populaire tijdverdrijf van de gemiddelde Patriot; deelname aan het plaatselijke vrijkorps, niet veel meer was dan exerceren en het oefenen met wapens. Dat beeld bleek in ieder geval voor de Leidse schutters in 1786 niet te kloppen.
Natuurlijk! De verschillende exercitiegenootschappen hadden elk hun eigen wetten en reglementen ( “18. Elk der Leden zal in de Vergadering mogen drinken ’t geen hij begeerd: doch iemand der Leden verkiezende Wijn te drinken zal niet meer vermogen te gebruiken dan één Pint Wijn, op een boete van twintig Stuivers”.). Ook kenden ze allemaal hun eigen uniformen (de drie tekeningen tonen de Leidse schuttersdracht in 1787 en komen uit de collectie van het Rijksmuseum). Ze vergaderden regelmatig, oefenden met wapens, paradeerden en exerceerden maar het Leidse vrijkorps wilde en deed meer.


In Leiden hadden ze namelijk al gauw door dat hun vrijkorpsleden – afkomstig uit diverse beroepsgroepen en alle lagen van de bevolking – er evenzoveel verschillende ideeën, meningen en vragen op na hield. Die gemêleerde groep ‘manhafte heeren’ kneden en vormen – het militair dresseren - door exercitie en paraderen was één ding; iets heel anders was het om ook op het gebied van politiek en ideologie de neuzen dezelfde kant op te laten wijzen. Daaraan viel nog veel te (be)schaven en dat is precies wat ze beoogden met hun “Plan tot bevordering van eene nuttige en aengenaeme bezigheid in de vergaderingen” (4 augustus 1785), één van de opgenomen stukjes in deze brochure. Voortaan zou men volgens dit plan na de reguliere vergadering waarin huishoudelijke zaken werden besproken ook telkens een lid de vrijheid geven om een verhandeling of vraagstuk voor te lezen (niet langer dan een half uur) waarna de aanwezigen de gelegenheid kregen daarover vragen te stellen en te discussiëren.

Een aantal van die beschavende vraagstukken spreekt mij bijzonder aan.
Twee daarvan zijn: “Verhandeling over eenige noodzakelijke vereischten in een dienstdoend schutter” (Blz. 24), en: “Verhandeling, over het geen een patriot thans moet beoögen” (blz. 54).
Wat de schutter betreft. Die moet in zijn huiselijk leven naarstig en zuinig zijn maar bovendien een goed bestuurder van zijn gezin. In het maatschappelijke leven moet hij gehoorzamen aan de billijke bevelen van zijn wettige regenten of representanten. Daarnaast moet hij alles doen om de welstand van de maatschappij te bevorderen en alles wat in zijn vermogen ligt om het land en zijn woonplaats te verdedigen en te beschermen.
Bij de Patriot draait het om ongeveer hetzelfde. Die moet volgens de schrijver in hoofdzaak het welzijn en de verheffing van het volk nastreven.
Maar als stok achter de deur vereist dat drie dingen die in grondwetten moeten worden aangenomen: “Het eerste is, het vaststellen dier stemgerechtigdheid en de daar aan verknogte regten. – Het tweede de vrijheid der drukpers, om zoo ras aan die regten de minste aanranding geschiede, zulks daadelijk ter kennisse van geheel de Burgerij te kunnen brengen. – en ten derde de algemeene burgerwapening, op dat de Burgerij in zich zelve het vermogen zoude bezitten, om ten alle tijde zich tegen de geweldige indragten op deeze hare regten, met hoop van goed succes en kragtdadig te kunnen verzetten” (blz. 66).


Ik denk dat de Patriot van toen tevreden kan zijn. Maatschappelijk welstand, verheffing van het volk, omkaderde politieke machtsverhoudingen, dat alles is in de eeuwen daarna aangepakt, veranderd en verbeterd. De vrijheid van drukpers (en meningsuiting) is zelfs opgenomen in de grondwet.
Blijft over burgers en wapens... Burgerbewapening; iedereen zijn eigen wapen...
Waar dat incidenteel toe kan leiden weten ze beter in Amerika. Hier zijn we er maar niet aan begonnen.

In de eeuwen daarna zijn nog boekenkasten vol geschreven over de roerige tijd van de Patriottenbeweging, hun ideeën en doelstellingen. Een flink aantal publicaties daarover staat ook in mijn bibliotheek. In deze brochure echter zijn tijdgenoten zelf aan het woord. En ook al is het allemaal niet wereldschokkend of geheel nieuw, een directer antwoord op de vraag wat nou eigenlijk een (goed) schutter of patriot is, een beter contact met die tijd is nauwelijks denkbaar. Al met al voldoende reden om dit pamflet aan mijn collectie toe te voegen.

zondag 6 september 2009

Een 'echte' Belg?


De Belgische politicus Jules Destrée (1863-1936) meldde Koning Albert I in 1912: “Sire, (...) Vous régnez sur deux peuples. Il y a en Belgique, des Wallons et des Flamands; il n'y a pas de Belges” (Sire, u regeert over twee volkeren. In België zijn er de Walen en de Vlamingen; er zijn geen Belgen). Sinds drie jaar weet ik beter…

Toen kocht ik een los deel vier in groot folio (44 cm x 27 cm) dat volgt op de driedelige stadsbeschrijving van Amsterdam door Jan Wagenaar. Over hem en zijn stadsbeschrijving schreef ik al eerder in mei 2009 een stukje: “Een witte raaf”, waarnaar ik graag verwijs.
Dit losse exemplaar (uitgegeven in 1802) is bijzonder. De 19de eeuwse eigenaar liet het eenvoudig inbinden in een halfleren band maar hij voegde aan het boek tevens een aantal extra platen en portretten toe. In de wereld van het antiquariaat spreekt men dan van een ‘grangerised copy’ naar James Granger (1723-1776), een Engelse geestelijke en verzamelaar, die deze praktijk van extra illustraties patroniseerde.

Eén van de extra portretten (een gravure uit 1787 door F.J. Pfeiffer) toont ons bovenstaande jongeman in uniform, getooid met een driepuntige steek waaronder het volgende gedichtje staat:
Een echte Belg, een Man wiens hart voor Vrijheid brandt,
Die niets zoo dierbaar schat als ’t heil van ’t Vaderland,
Die waare grootheid eert en trotschheid durft verneeren,
Die lauwren waardig is en lauwren kan ontbeeren,
Moet edel in het oog van vrije Burgren zijn:-
Op zulk een glansrijk wit doelt dappre VALENTYN
”.

Wie was deze dappere Valentyn? Deze Belg ‘avant la lettre’, want het Koninkrijk België bestaat toch pas sinds 1830?

Voor het beantwoorden van de eerste vraag laat ik hier een andere extra ingebonden plaat uit het boek zien. De titel eronder luidt: “Overmeestering der Kattenburger-brug te Amsterdam, door eenige gewapende Burgers, tegen de oproerigen van dat eiland, den 30ste Mei des Jaars 1787, onder opzicht van een Burger Kapitein daar bij geassisteert hebbende”. In de Amsterdamse wijk Kattenburg woonden in de 18de eeuw veel scheepsbouwers. Zij werden ook wel ‘bijltjes’ genoemd naar hun belangrijkste gereedschap. Het waren trouwe Oranjeklanten en aanhangers van Stadhouder Willem V. Het toenmalige Amsterdamse stadsbestuur was echter overwegend Patriotsgezind, wars van het absolute Oranjegezag. In mei 1787 braken er in de stad rellen uit en maakten beide politieke partijen zich schuldig aan plunderingen.
De bijltjes sloten hun wijk hermetisch af door de belangrijkste toegang, de Kattenburgerbrug, op te halen naast ’s Lands Zeemagazijn, het gebouw op de prent links (thans zit hierin het Scheepvaartmuseum). De stadsregering pikte dat niet en stuurde burgermilities met de opdracht de verbinding te herstellen. Er ontstond al gauw een verwoed gevecht tussen beide partijen waarbij zelfs kanonnen werden ingezet. En toen kwam onze held in beeld.


Abraham Valentyn, burger-kapitein van de compagnie van wijk 18, besloot om samen met een paar waaghalzen op een schuit over te varen. Beschermd door een borstwering van balen tabaksbladeren en onder zwaar vuur lukte het hem de overkant te bereiken. Eén van de opvarende; “Een rappe gast, slegts zestien jaaren oud, klimt straks naar boven, ontbindt de touwen der Brug, en laat alszo de wip naar beneden. Straks snelt de menigte daar over, en bezoedelt een goed aantal van dezelve zyne handen met eene woedende plondering en verwoesting van etlyke huizen, op wier bewooners men inzonderheid gebeeten was”. Dat Valentyn dapper was wil ik hier niet betwisten, maar was hij een ‘Belg’?


Voor het antwoord daarop moet u maar eens naar de titel van deze vroeg 17de eeuwse kaart kijken: ‘Leo Belgicus’ (De Belgische Leeuw). Wij, Nederland incluis, zijn allen Belgen! Schokkend nietwaar?
De naam Belgen komt namelijk van het Latijnse ‘Belgae’ en Julius Caesar gaf deze naam in zijn "Commentarii de bello Gallico" aan de bewoners die in de eerste eeuw voor Christus woonden in Gallië, in het gebied dat werd begrensd door de Noordzee en de rivieren de Rijn, Seine en Marne. Caesar schreef dat er onder de ‘Belgae’ ongeveer 110.000 krijgers waren die vooral bekend stonden om hun dapperheid.

Deze spreekwoordelijke eigenschap maakte Valentyn dus tot ‘een echte Belg’.
Na 1830 waren - in de volksmond - alleen nog de inwoners van het huidige Koninkrijk België ‘echte Belgen’, en wat hen betreft, dapper of niet, had Jules Destrée gelijk!

donderdag 23 april 2009

Oranje boven!


Het ziet er niet zo heel bijzonder uit.
Een rond houten lijstje (8,5 cm. diameter) met horlogeglaasje gevat in een versierde koperen parelrand. Daarin op een blauwe achtergrond een zilveren afbeelding van het borstbeeld van Willem V op een sokkeltje in het gras. Links loert, om de sokkel heen, de met een sabel gewapende Nederlandse leeuw naar een klein figuurtje rechts.
Toch is dit een zeer curieus object. Het is een ‘verklikkertje’ van rond 1787. Voordat ik uitleg hoe het werkt(e), eerst even een korte opfriscursus 'Vaderlandsche' geschiedenis.

In de tweede helft van de 18de ‘zilveren’ eeuw; de pruikentijd, liepen de politieke emoties hoog op. Aan de ene kant waren er de Orangisten of Prinsgezinden, de aanhangers van Stadhouder Prins Willem V ‘Batavus’ (1748-1806). Aan de andere kant stonden de Patriotten die wars waren van het absolute gezag en meer vrijheden c.q. democratische hervormingen eisten.

Deze tegenstelling werd, net als tegenwoordig voetbal of het Koninklijk huis, gepopulariseerd als nimmer tevoren. Serviesgoed, snuif- en tabaksdozen, mesheften, waaiers, naaldenkokers, koekplanken of glaswerk, je kon het zo gek niet bedenken of het werd voorzien van een beeldmerk van één van beide partijen. Voor de Oranjefans vaak het portret van de Stadhouder (soms samen met zijn echtgenote Wilhelmina van Pruisen), voor Patriotten meestal de keeshond (verwijzend naar hun belangrijkste vertegenwoordiger Cees de Gijselaar).
In 1787 kwam het tot een botsing. Prinses Wilhelmina werd op weg naar Den Haag bij Goejanverwellesluis door Patriotten enige tijd vastgehouden en teruggestuurd. Haar broer Koning Frederik Willem II van Pruisen eiste genoegdoening voor deze belediging.
Die kwam niet en in september vielen Pruisische troepen Nederland binnen om het Stadhouderlijk gezag te herstellen.
In deze roerige tijd werd het bijzonder onverstandig om in het openbaar met je politieke overtuiging te koop te lopen. Wilde je niet de kans lopen ergens te worden gemolesteerd dan kon je maar beter niet te veel nadruk leggen op je politieke voorkeur.

De oplossing was een verklikkertje of wasmistdoosje. Achter het horlogeglaasje was een kleine hoeveelheid verdunde bruine bijenwas aangebracht. Bij lage temperaturen sloeg de was neer op de binnenzijde van het glas waardoor je de afbeelding niet direct kon zien. Wilde je de politieke kleur van iemand kennen dan nam je het doosje in je hand, of je blies er overheen met je warme adem. Daardoor werd de was doorzichtig en doemde – in dit geval – Willem V op uit de mist. Duidelijk een Oranjefan!

Er schijnen veel wasmistdoosjes te zijn vervaardigd, maar slechts enkele zijn bewaard gebleven (o.a. in museum Flehite in Amersfoort en het Rijksmuseum Amsterdam).
De politieke boodschap raakte gedateerd en de truc met het beslagen glas werkte na verloop van tijd niet meer omdat de doosjes niet luchtdicht bleven. Mijn verklikkertje moet echter nog lang zijn meegegaan. In 1794 keerde de politieke kansen. Frankrijk viel Nederland binnen en een jaar later vluchtte de Stadhouderlijke familie en ging in ballingschap.
De Bataafse tijd met zijn ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ brak aan. Aan de Franse bezetting kwam pas een eind in 1813 met de inhuldiging in Amsterdam van Koning Willem I, de zoon van de gevluchte Willem V. Dat was aanleiding voor de toenmalige eigenaar van het verklikkertje om in de sokkel onder het borstbeeld van Willem V de volgende tekst te krassen: ‘Na agtien jare smaadt en hoon, is deeze Vorst weer op den troon’.