Posts tonen met het label Boudewijn Büch. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boudewijn Büch. Alle posts tonen

vrijdag 18 september 2020

Komkommertijd!


Na ruim vierhonderd bijdragen op dit blog zal er bij velen onder u een verkeerd beeld zijn ontstaan van Perkamentus antiquarius. Toegegeven, ik ben daar zelf schuldig aan.
Ik praat, lees en schrijf nu eenmaal graag over het oude boek, perkament, curieuze brochures en rariteiten bedekt door het stof der eeuwen. Ik ben een fan van paleografie, genealogie, iconografie, bibliofilie, en nog wat andere ie’s waarvan de gemiddelde lezer geen flauw benul heeft. Ja, ik duik graag in archieven, musea, bibliotheken en ben een fan van in het wild voorkomend cultureel erfgoed.
Voor velen (mijn dochter van achttien incluis) ben ik een wereldvreemde kluizenaar; saai, grijs en stoffig. Een vriendelijke ‘weirdo’ tussen boekenbergen en antiquiteiten, die met zijn uiterlijk voorkomen wel wat weg heeft van ‘uncle Fester’ uit de ‘The Addams Family’, al word ik tegenwoordig vaker aangezien voor Ferd Grapperhaus of (als ik wat gedronken heb) Frits Wester...

Om dat beeld enigszins te corrigeren wil ik het met u ditmaal niet hebben over mijn gebruikelijke stokpaardjes. Er staat in de huiskamer genoeg onzin in de Billy boekenkasten om de veelzijdigheid van mijn interesses (mijn kleurrijke persoonlijkheid zo u wilt) te illustreren. Daartussen ook boeken en boekjes die zich prima lenen voor een weekendje strand of een kort stedentripje. Mijn lectuur voor in de komkommertijd zeg maar.


Wat dacht u bijvoorbeeld van “The UFO experience. A scientific inquiry” (Chicago, 1972).
Ik ben altijd al een fan geweest van films en documentaires over UFO’s, vooral als dit onderwerp behandeld en onderzocht wordt vanuit een wetenschappelijke hoek.
Dr. J. Allen Hynek (1910-1986) was een Amerikaanse astronoom die in opdracht van de Amerikaanse Marine onderzoek deed naar UFO’s.
Weinigen zullen zijn naam of werk kennen maar wellicht herinneren de ouderen onder u zich de science fiction film “Close encounters of the third kind” (1977) van Steven Spielberg waarin hij een gastrol vervulde. Terecht, want het was Hynek die het ufofenomeen zijn bekende classificatiesysteem gaf. Overigens en geheel terzijde; ik ben een echte sciencefiction film liefhebber…


Vervolgens: “Barbed Wire, a political history” (London, 2002).
Prikkeldraad! We zijn er allemaal wel eens aan blijven hangen, maar niemand staat erbij stil dat er een prikkelende geschiedenis schuilgaat achter die ijzeren draden en dat er zelfs een prikkeldraadmuseum is zal wel niemand weten. Hoewel…
Veel van mijn lezers kennen ook nog wel die andere bibliofiel, Boudewijn Büch (1948-2002).
En ja, ook Büch had een fascinatie voor prikkeldraad zoals u kunt lezen in “Hekken, prikkeldraad en kamelen”, het eerste hoofdstuk van zijn laatste boek ”Steeds verder weg” (Amsterdam, 2002). 


Een meer serieus werkje is: “Scottish clans & Tartans. 150 tartans illustrated in full colour” (London, 1993). De Kilt (de Schotse mannenrok) zullen velen onder u wel kennen van bezoekjes aan het ‘perfide Albion’ of van films zoals “Braveheart” (1992) met Mel Gibson.
Voor diegenen die altijd hebben gedacht dat de kilt bestond uit willekeurig gekozen gekleurde stof volgens de laatste mode kan ik dit boekje aanraden, want niets is minder waar.
Elke familieclan onderscheidt zich door zijn eigen ‘tartan’ met zijn eigen specifieke patroon en kleuren.
Kortom, met deze gids kunt u voortaan een lid van Fletcherclan onderscheiden van een MacGillivray en een Macrae van een Campbell of Argyll. Altijd handig, nietwaar!


De enkele nieuwsgierige bezoeker die voor het eerst naar mijn volle boekenkasten kijkt en vraagt wat mij zoal interesseert mag ik graag overrompelen met: “Het penisboek” (Keulen, 2000). Een boekje dat het mannelijk lid vol in de schijnwerpers zet. Een echte kringloopvondst, waar er drie naast elkaar op de plank stonden. DRIE! 
Volstrekt onbegrijpelijk, want wie wil er nou niet voor anderhalve euro kennisnemen van allerlei nutteloze kennis rondom de penis? En dan die blik van de kassajuffrouw, onbetaalbaar….


Een ander fenomeen dat op een wetenschappelijke manier wordt benaderd is: “Reïncarnatie, 20 gevallen van vermoedelijke wedergeboorte” (Amsterdam, 1981). 
Het boek werd geschreven door een Amerikaanse psychiater, dr. I Stevenson (1918-2007). Geheel onomstreden is zijn onderzoek overigens niet maar dat neemt niet weg dat het al met al boeiende verhalen oplevert. Leven na de dood, wie interesseert zich daar niet voor?
Of dat reïncarnatie is weet ik niet want er zijn tal van andere mogelijkheden en ook daarover is geschreven. Stevenson zelf is - voor zover mij bekend - nog niet gereïncarneerd.


Dan weer zo’n onzinboekje over een onderwerp dat niemand ziet, tenzij je vaak met het hoofd in de nek loopt: “Ornamenten & Windvanen“ (Hilversum, 1999). Het is een rijk geïllustreerd overzicht van in Nederland voorkomende ornamenten zoals de windwijzer of windvaan op daken, torens en schoorstenen. De meesten onder u zullen wel de (oeroude) ‘windhaan’ kennen die op vele kerktorens staat maar er zijn talloze andere ornamenten die ontsnappen aan onze aandacht en nooit bezoek krijgen, behalve dan van de bliksem. Ik blijf me verbazen over dit soort boekjes. Hoeveel mensen delen deze afwijking passie van auteur B.M. Oostendorp sr., ‘torenaar’ in ruste?

maandag 12 december 2016

De complete verzameling


Haarlem is de stad waar volgens sommige koppige en halsstarrige bibliofielen de boekdrukkunst werd uitgevonden door Laurens Janszoon Coster en al twee maal heb ik op dit blog over hem geschreven.
Het is ook de stad waar het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB) afgelopen zaterdag, 10 december, haar vijfentwintigjarig jubileum vierde.
Puur toeval natuurlijk maar Haarlem is wel een stad die zijn sporen op het gebied van de boekdrukkunst heeft verdiend!
Het was een jubileumviering in stijl met, net als vijf jaar geleden in Den Haag, een bijeenkomst waar een boekje werd gepresenteerd, een museumbezoek met veel aandacht voor boeken en ‘last but not least’ een afsluitende borrel met diner.

Een kleine honderd bibliofielen verzamelden zich ’s middags vanaf 13.00 uur in het Teylers Museum. Daaronder bevond zich een aantal introducees, waaronder 'De Boekensneuper', die ik persoonlijk had uitgenodigd. Wij werden eerst verwelkomd door Herman Voogd (hoofd collectiebeheer wetenschap Teylers Museum) waarna onze voorzitter, Eddy Schuyer, van wal stak met een feestrede.

Vervolgens was het de beurt aan ons lid Paul van Capelleveen (conservator Koninklijke Bibliotheek), de auteur van onze jubileumuitgave: “De complete verzameling. Notities over het einde van boekencollecties” (Amsterdam, 2016).
Aan de hand van een aantal voorbeelden vertelden hij de aanwezigen hoe uit zijn notities - over de verhouding tussen openbare en particuliere boekencollecties in Nederland vanaf ongeveer 1800 - blijkt dat die relatie in de loop der eeuwen is verschoven.
Na zijn toespraak werd aan hem door Eddy Schuyer het eerste exemplaar uitgereikt.

Hierna sprak Marijn van Hoorn (oud-conservator van Teylers natuurhistorische bibliotheek) over de collectie van het museum onder de titel ‘Teylers boeken en Teylers Bibliotheek’. Tot slot schetste Johan de Zoete (voormalig conservator van Museum Enschedé), onder de titel ‘Over Drukkerij Joh. Enschedé’, kort de geschiedenis van de drukkerij en lettergieterij, die bijna 300 jaar op het Klokhuisplein was gevestigd in het pand waarin zich nu restaurant Stempels bevindt.

Na een korte pauze werd het tijd om met onze neus in de boeken te duiken!
Speciaal voor ons waren een aantal bibliofiele en zeldzame topstukken die zelden of nooit te zien zijn uit de kluis gehaald. Wat dacht u van ‘Birds of America’ van Audubon, de eerste druk van Linnaeus zijn ‘Systema Naturae’, de atlas van James Cook en Hamiltons vulkanenboek? Verder zeer fraai afgezette exemplaren van de ‘Hortus Eystettensis’ van Besler, ‘Poissons, ecrevisses et crabes' van Louis Renard en ook de ‘Atlas Maior’ van Ottens, de ‘Metamorphosis Insectorum Surinamensium’ van Maria Sybilla Merian en rariora als het album met tekeningen van Javaanse planten van Nicolaas Witsen.

Tussen neus en lippen door wierp Perkamentus ook nog een blik op de her en der opgestelde bijzondere objecten waaronder natuurlijk het kastje van Boudewijn Büch (1948-2002) met het befaamde ‘Dodobotje’ (lees schildpadbotje!).
Wie daarna nog tijd en lust had kon ook nog de grote overzichtstentoonstelling van het werk van de schilder Jan Weissenbruch (1822-1880) bekijken.


Tussen 17.30 uur en 21.00 uur was er een gezellige borrel met aansluitend feestdiner in restaurant Stempels waar iedereen zijn bestelde jubileumboekje(s) kon afhalen.

De complete verzameling. Notities over het einde van boekencollecties’” van Paul van Capelleveen werd uitgegeven door Uitgeverij De Buitenkant en verscheen in oplage van 500 exemplaren (waarvan 250 genummerd voor het Genootschap). Onze jubileumuitgave werd gebonden in een mooie donkerblauw linnen band en past wat betreft vormgeving en formaat prima bij ons jubileumboek uit 2010. De bandstempel evenals de fraaie schutbladen zijn ontworpen door Hansje van Halem. Het boek bevat talrijke illustraties in kleur en zwart/wit, een literatuurlijst en een register (totaal 176 blz.).
De titels van de hoofdstukken zijn:
1. De incomplete verzameling. 2. De kunstverzamelaar als schenker. 3. Het onvrijwillige einde van een verzameling. 4. Particulier of publiek? 5. Hendrik Riedel, ‘Le défunt à son lit de mort’. 6. De verzamelaar zonder keuze. 7. De verzamelaar als museumstichter.
8. De kunst van het wegdoen van boeken. 9. De noodzaak van het weggooien van boeken. 10. De toekomst van de verzameling. 11. Verzamelaars van het werk van Louis Couperus. 12. De verzamelaar als modernist. 13. Revianen en hun collecties.
14. De waarde van het boek. 15. Een verzameling van Russische literatuur.
16. Het ‘waarom’ van een verzameling. 17. De moderne bibliofiel.


Perkamentus die intensief betrokken was bij het een en ander en het jubileumboekje inmiddels van haver tot gort kent vond een paar passages die ook hem als bibliofiel aanspreken en die hij u niet wil onthouden.
Zo schrijft Paul over hoe hij in de jaren tachtig bijkluste bij de meesterboekbinder David J. Simaleavich:
Wat me destijds aansprak was dat de meest uitzonderlijke boeken konden worden opgesteld in de lelijkste kasten, of dat nu ongeschilderde Ikea-kasten zijn, of special getimmerde houten planken langs meterslange muren. Bij David stonden de bandjes in Billy’s” (blz. 14). Idem bij Perkamentus!

Ook constateerde Paul destijds aan de hand van catalogi dat de verzameling van Ton Leenhouts (Charles-Ricketts en Vale Press verzamelaar) ‘niet compleet’ was.
Wat ik niet besefte was dat ik niet te maken had met een verzamelaar die naar completering streefde, maar naar een liefhebber die puur voor zijn eigen plezier boeken kocht, daarbij steeds nieuwe wegen inslaand, nieuwe kernen in de collectie aanbrengend die soms op een voor mij onnavolgbare manier aan elkaar gerelateerd waren. Dat was juist de hoofdzaak van zijn collectie. De verzameling als een aaneenrijging van interesses, een netwerk, niet een fort; een spoor van associaties, niet een zucht naar vervolmaking. Leenhouts is een verzamelaar die zijn intuïtie en passies nooit heeft laten verdringen door een monomane verzameldrift (met verplichte nummers zoals topstukken). Zijn verzameling spiegelde zijn persoonlijkheid en zijn diepgaande veranderlijke interesses” (blz. 14/15).

Deze manier van verzamelen typeert ook Perkamentus antiquarius.
Ik ben - zoals bekend - een liefhebber van oudheden waaronder vooral boeken, maar zelfs op boekengebied heb ik vele interessegebieden (waartussen soms onnavolgbare relaties zitten). Lees mijn blog en u kent mijn collectie en interesses.


En deze – tot slot - is ook heel waar!
… de manier waarop Umberto Eco zijn privébibliotheek volstouwde met ongelezen boeken, meer boeken dan hij ooit zou kunnen lezen. Daarbij ging het niet om het feit dat ze ongelezen bleven, maar dat ze gelezen zouden kunnen worden. Wie een boek niet kent, weet niet dat hij het kan lezen” (blz. 97).

Dus kopen dat jubileumboekje (€ 35,- euro), lezen kan dan altijd nog!

vrijdag 13 november 2015

'De schrijver is de gekte nabij'

Bij de boekenkraam van Jos Albers op het Waterlooplein bestudeerde ik een in rood karton gebonden boekje met een opmerkelijk en uitvoerig titelblad.
Besmettelijke zielsziekten voorheen en thans. De Danszucht, de Naaktloperij, de Geeselaarsvertooning en de hand-over-hand-toenemende SPORTEPIDEMIE en hare bevorderaars (SPORTARTSEN enz.) met een Naschrift gericht tegen een artikel van Prof. Snapper over ''HET SPORTHART''.” (Baarn, 1931). Helaas was het net verkocht aan een antiquaar.

Auteur en titel bleven lang in mijn hoofd zeuren en enkele maanden later zocht ik thuis nieuwsgierig naar informatie.
Evart van Dieren (1861-1940), zo bleek, was een respectabel geneesheer in goede doen geweest. Daarnaast was hij een beroepsquerulant in het kwadraat. Onder het motto ‘ik heb altijd gelijk’ nam hij de pen op tegen alles en iedereen en publiceerde tal van spraakmakende artikelen, brochures en rare boekjes. ‘Besmettelijke zielsziekte’ geldt als idioot hoogtepunt in zijn oeuvre.
Antiquarisch kom je zijn uitgaven overigens niet zo vaak tegen. Veel van zijn publicaties verschenen (uitzonderingen daargelaten) voor eigen rekening en in beperkte oplagen.


Jaap Bos heeft uitvoerig gepubliceerd over deze zonderlinge, thans geheel vergeten, figuur in: “Evart van Dieren. Een kroniek van het falen” (Amsterdam, 2008). Over dit boekje schreef hij:
Men kan op iedere willekeurige bladzijde binnenvallen en na een paar bladzijden weet men al evenveel als wanneer men het hele boek zou lezen. Van Dieren was er zelf ook verbaasd over.
‘En zoo zijn we dan vàn de Naaktlooperij en het Socialisme en Bolsjewisme (Heijermans en Pieck) over de Godsdienstbestrijding, de achterlijke Cultuur en de opzettelijke onzindelijkheid héén, weer ongemerkt terecht gekomen bij de Sport! Zonder toelichting zou het haast een al te gekke overgang lijken, maar als we ons dan herinneren dat Jan Feith in 1928 schreef… [enz.].’
En dan zijn we pas op pagina 43 en hebben we er nog meer dan honderd voor de boeg, waarin het zal gaan over de Duitse keizer, Napoleon, een gedicht van Jan Engelman, en nog veel meer, en ook, af en toe, over de sportbeoefening, waarover het boek eigenlijk had moeten gaan.
De schrijver is de gekte nabij, oordeelde Boudewijn Büch in een krantenartikeltje een halve eeuw later
”.


Kijk! Dergelijke informatie is voor elke rechtgeaarde boekenliefhebber die van knotsgekke boekjes houdt (‘boeken met een verhaal’) een eersteklas aanbeveling!
Op internet begon ik digitaal te sneupen en vond een exemplaar bij Boekwinkeltjes.
De verkoper bleek Harry van 'Hopi Bukinan' te zijn. Dezelfde die me op het Waterlooplein was voorgeweest...!


Noot. Dit stukje werd geschreven voor Best Beschreven Boeken (Week van het Oude Boek 2015)

vrijdag 3 juli 2015

Daarvan kon BB alleen maar dromen...


Ik juich! Geen hoger heil heeft ooit mijn ziel gestreeld,
Dan dat ik, Nederland!, ben op uw’ grond geteeld

Zo begint de eerste ‘zang’ in de “Hollandsche Natie, in zes zangen” van zakenman Jan Fredrik Helmers (1767-1813). Het is wellicht het meest nationalistische (en bombastische) lied uit de Nederlandse literatuur. De complexe verschijningsgeschiedenis is fascinerend en maakt het tot een boekhistorisch en bibliofiel icoon.

Dankzij de biografie van Marinus van HattumJan Fredrik Helmers 1767-1813. Leven en werk van een Amsterdamse wereldburger” (Amsterdam, 1996) zijn wij goed geïnformeerd over deze vrijwel vergeten schrijver die anno 2015 vermoedelijk de meeste bekendheid geniet bij de bewoners van de 1ste, 2de en 3de Helmersstraat in Amsterdam.
Van Hattum – die ik onlangs nog tegenkwam op de boekenmarkt – heeft wel meer leuke boekjes over Helmers geschreven. “Hulde aan Helmers. Lofdichten op Jan Fredrik Helmers (1767-1813) ter gelegenheid van zijn 200ste sterfdag op 26 februari 2013” (Amstelveen, 2013) en “Helmers en France” (Amstelveen, 2014) staan hier naast zijn Helmers biografie in de kast.


Drie weken geleden kwam daar de (tot dusver) laatste editie bij van “De Hollandsche Natie” (Nijmegen, 2009). De eerste moderne heruitgave (de voorlaatste dateert van 1883!) met een uitvoerige inleiding verzorgd door Lotte Jensen in samenwerking met Van Hattum.

Helmers’ magnum opus (hij werkte er bijna tien jaar aan!) verscheen voor het eerst in 1812. Het grootste gedeelte van het huidige Nederland was toen ingelijfd bij het Eerste Franse Keizerrijk (1810-1813).
Uitgever was de Haagse Johannes Allart (1754-1816), maar het boek werd gedrukt in Amsterdamse door J. Ruys.
De oplage bedroeg 1300 exemplaren waarvan er nog 250 in het magazijn stonden toen de Franse censuurpolitie toesloeg. De drukker werd gedwongen een verbeterblad te plakken in de resterende exemplaren in het magazijn. Steen des aanstoots was een passage op bladzijde zesenvijftig die aan de Franse censor was ontsnapt. Hierin laat Helmers de dichter Joost van den Vondel (1587-1679) het volgende zeggen:

"Ja, de afgemartelde aard’ schept adem, en ’t heelal,
Herkent weêr Nederland, gelouterd door zijn’ val".

Vondel voorspelt Nederland dus een betere toekomst.
De uitgever moet aan deze passage een noot toevoegen waarin staat dat het sinds de Franse tijd al veel beter ging met het vaderland: ‘de zon door Vondel voorspeld is opgegaan van het steeds merkwaardig ogenblik af hetwelk ons Lot met dat van het Fransche Rijk heeft verbonden’. De drukker maakt inderdaad een inplakvel met de gewenste noot, maar voegt eraan toe dat die geplaatst is op last van de Generale Directie over de boekhandel te Parijs, na het overlijden van de schrijver. Dit vel moet hij vervolgens opnieuw vervangen door een vel zonder die toevoeging” (“Boeken onder druk. Censuur en pers-onvrijheid in Nederland sinds de boekdrukkunst”, red. Marita Mathijsen, Amsterdam 2011, blz. 72).


Een eerste druk met het beruchte verbeterblad (met of zonder toevoeging) is daarom antiquarisch veel zeldzamer, duurder en meer gezocht dan een gewoon exemplaar.
Dat was trouwens eind negentiende eeuw al zo. Zo lezen we in het bekende boek van
R. van der Meulen: “Over de liefhebberij voor boeken” (Leiden, 1896):
Toen in 1812 Helmers ‘Hollandsche natie’ ter perse gelegd werd, was het handschrift door de Napoleontische censuur zoodanig besnoeid, dat niet minder dan 150 regels uit dit gedicht geheel weggelaten en een aantal andere gewijzigd moesten worden. Bij de uitgaaf vond de regeering, dat de censuur-commissie nog te veel had laten staan, wat geen genade kon vinden; het boek werd dus terstond verboden en een keizerlijk bevel tot inhechtenisneming uitgevaardigd tegen den schrijver, die echter juist twee dagen te voren gestorven was. In de herdrukken van dit beroemde gedicht, die na 1813 verschenen, zijn de uitgelaten of gewijzigde plaatsen naar het oorspronkelijke handschrift hersteld, maar die eerste verminkte uitgave werd toen en later voor de tekstvergelijking zeer begeerd en is tegenwoordig uiterst zeldzaam” (blz. 149).


Begeerd en zeldzaam; dat gold ook voor onze nationale knuffelbibliomaan Boudewijn Büch (1948-2002) die over Helmers en de “Hollandsche natie” schreef:
Eigenlijk houd ik van zo’n onmogelijke schreeuwlelijk als J.F. Helmers die zelfs de extreem-romantische ziel in 1812 verbaasde met De Hollandsche Natie. Helmers zou voor dit gedicht door de Fransen opgepakt zijn, ware het niet dat hij op 26 februari 1813 overleed.
Ik bezit van dit ellenlange vers een zesde druk uit 1822 (ik verlang al jaren naar een eerste druk, maar die kom ik nooit tegen) en er valt slechts één ding over dit maxi-lied te zeggen: het is niet alleen ’t zotste verzetsvers dat ooit in onze taal geschreven werd het is tevens het krankzinnigste lied dat er überhaupt aan een Nederlandse drukpers werd toevertrouwd” (Boudewijn Büch: “Boekenpest”, Amsterdam 1988).

Pas tien jaar later, op 28 maart 1998 ging de wens van BB in Steenwijk in vervulling en kocht hij een (gewone) eerste druk; “Ik houd van die zwiepende romantiek, zoals ik ook van Willem Bilderdijk houd” (Boudewijn Büch: “Een boekenkast op reis”, Amsterdam 1999). Hij las er zijn poes regelmatig uit voor. Die hield kennelijk niet (of wel?) van Helmers en zette het na het horen van de eerste zang steevast op een hartstochtelijk mauwen.


Mijn zoektocht naar de eerste druk van “De Hollandsche Natie” was dankzij internet een stuk korter. Al bijna twee jaar geleden vond ik bij antiquariaat De Zilveren Eeuw in Zwolle een heel bijzonder exemplaar.
Eigenaar Rob de Bree maakt altijd veel werk van zijn boekbeschrijvingen (wat ik persoonlijk wel zo prettig vind) en daardoor wist ik dat hij een uitgave aanbood in halfleren band met sierpapieren platten met verbeterblad en voetnoot zonder de toevoeging (Blz. 56, D4).
Bovendien zijn er wat extra’s bijgebonden zoals de uiterst zeldzame titelpagina van de zes kunstplaten, één bij elke zang, gegraveerd door Reinier Vinkeles (1741-1816) naar M.J.van Bree, die uitgever Allart in 1815 uitgaf (de platen zelf zijn niet aanwezig) en de gedrukte “Veranderingen en bijvoegselen in den derden druk van De Hollandsche Natie (....) welke onder het dwangjuk der Fransche heerschappij, niet in den eersten en tweeden druk dezes werks mogten gesteld worden”.
Afgelopen week heb ik de knoop doorgehakt, het boek gekocht en mijn bibliofiele begeerte gestild.
Voorin zit het ex-libris van Mr. W.C. Baert de Waarde. Dat moet een bibliofiel met een fraaie collectie zijn geweest want van hem heb ik nog een prachtuitgave staan, zoals u hier kunt lezen.
Tegelijkertijd kocht ik bij het Haarlemse antiquariaat Van der Steur een portret van Helmers gegraveerd door Philippus Velijn (1787-1836) dat ik toegevoegde aan mijn nieuwe aanwinst.
Van deze gravure werd rond 1890 (in de tijd dat de Amsterdamse Helmersbuurt werd gebouwd) nog een prentbriefkaart uitgegeven door het fotostudio Delboy & Baer in Den Haag (zie boven dit artikel). Die vond ik voor enkele euro's op internet en zit nu in de biografie van Van Hattum. Dat doe ik wel vaker zo met interessante prentbriefkaarten!

Tja… en toen ontbrak er eigenlijk nog maar één ding; een tweede druk van de “Hollandsche Natie”. Die kwam uit na de Franse tijd in 1814 en was feitelijk de eerste ongecensureerde druk van dit vaderlands (of nationaal) epos zoals Helmers het oorspronkelijk had bedoeld. Een uitgave die niet alleen ruim honderd versregels meer telt (en ook tien minder die wel in de eerste maar niet in de tweede druk staan!), maar ook tal van woord- en zinsveranderingen. Neem de eerste regels bovenaan dit stuk. Vanaf de tweede druk lezen we:

Ik juich! Schoon thans geen zon van welvaart ons meer streelt,
Dat ik,o Nederland!, ben op uw’ grond geteeld


Helmers is antiquarisch tegenwoordig onvoorstelbaar goedkoop maar een tweede druk kocht ik toch maar niet.
In plaats daarvan kocht ik een mooi bewaard gebleven vierde druk (‘s-Gravenhage, 1817) in origineel kartonnen blauwe uitgeversband. Die is namelijk identiek aan de tweede of derde druk (beiden verschenen in 1814), maar – zoals het titelblad vermeldt “met Platen”. Het is de eerste geïllustreerde uitgave waarin naast de titelplaat ook de eerdergenoemde zes kunstplaten van Vinkeles standaard zijn meegebonden.

Al met al bezit ik nu een kleine, maar fijne collectie met betrekking tot Jan Fredrik (en dus niet 'Frederik'!) Helmers en zijn “Hollandsche Natie”, nietwaar?
Daarvan kon BB alleen maar dromen...


NB. Lees het vervolg; "Een addendum".


maandag 11 februari 2013

Kennen Sie Büch?


Al sinds onze zomervakantie in 2011 toen we naast Gotha en Goethe's Weimar ook Erfurt bezochten had ik een oogje op “Faust. Eine Tragödie“ van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), uitgegeven door de Askanischen Verlag Carl Albert Kindle.
Over de uit Liechtenstein afkomstige Carl Albert Kindle en zijn Berlijnse uitgeverij (Hohenzollernstrasse 7) heb ik helaas niets op internet kunnen vinden. Volgens WorldCat verscheen deze ‘hundertjahrs-ausgabe’ van Faust: “mit einer einleitung ‘Faust und die Kunst’ von Max von Boehn” voor het eerst in 1924 en vervolgens nogmaals in 1932, 1938 (met dr. J. Goebbels als beschermheer), 1939 en 1940. Interessant is vooral het rijk geïllustreerde gedeelte over Faust in de kunst door de cultuurhistoricus Max von Boehn (1860-1932).

Aan de uitgaven van de Askanischen Verlag Carl Albert Kindle werd veel zorg besteed. Fraaie gestempelde banden in half- of heel perkament, gedrukt in twee kleuren (rood en zwart), geïllustreerde en gelimiteerde/genummerde oplagen. Ook “Das Nibelungenlied” (Berlin, 1923) en de “Edda. Götterlieder/Heldenlieder” (Berlin, 1943) werden op een dergelijke smaakvolle wijze uitgegeven.
Onlangs kon ik een exemplaar van Faust kopen uit 1939, gebonden in half perkament, voor slechts vijftig euro. Niet duur, want diverse antiquariaten bieden op internet het boek aan voor prijzen tussen de honderd en driehonderd vijftig euro. Een uitschieter, maar volgens de Amerikaanse verkoper nog altijd ‘extremely reasonable’, is de $ 2.800,- voor de Faust uit de bibliotheek van Adolf Hitler!

Faust en Hitler...
Mijn gedachten gingen weer even terug naar ons eerste bezoek aan Erfurt. Een mooie stad vol culturele bezienswaardigheden waaronder de pittoreske Krämerbrücke. Met mijn neus gedrukt tegen de etalage van Altstadtaniquariat aan de Benediktsplatz zag ik toen voor het eerst deze prachtuitgave van Faust staan en was op slag verliefd. Het was op een zondag en de meeste winkels, waaronder alle antiquariaten, waren potdicht.
Alleen in de Markstrasse was een boekhandel open die buiten een partijtje ramsj had liggen. Daartussen vond ik één exemplaar van het boek van Dietmar Arnold : “Neue Reichskanzlei und >>Führerbunker<<. Legenden und wirklichkeit” (Berlin, 2005/2006).


Biografieën over Hitler heb genoeg (Kershaw, Fest, Bullock, Toland). Boeken met diverse specifieke onderwerpen over de Tweede Wereldoorlog ook, maar nog niets over deze tot de verbeelding sprekende gebouwen waar zich in april 1945 de Götterdämmerung van het Duitse Derde Rijk voltrok.
Ik bewaar een ansichtkaart van rond 1940 van de nieuwe Duitse Rijkskanselarij in de Berlijnse Vossstrasse (ingang nr. 6). Een immense gevel met een lengte van 420 meter, ruim vier voetbalvelden.


De Rijkskanselarij was een project van Albert Speer (1905-1981), officieel geopend op 12 januari 1939, maar tot ver in 1943 werd eraan gebouwd en verbouwd. De totale kosten bedroegen ruim 90 miljoen rijksmark. Het gebouw omvatte meer dan 300 kamers die merendeels leeg stonden plus een kelder met 130, naar later bleek, vaak te kleine bergruimten.
De Rijkskanselarij was gebouwd om te imponeren. Buitenlandse gasten op staatsbezoek liepen er steevast de ‘Diplomaten-Route’ die pas na tweehonderd meter lopen door diverse galerijen en zalen eindigde in de ontvangstruimte naast de werkkamer van de Führer. Hitler was overigens maar zelden in het gebouw aanwezig zodat een werkkamer met een oppervlak van 400 vierkante meter gerust overdreven mag worden genoemd.
Wie een indruk wil krijgen van de - tot en met de fundamenten - verdwenen Rijkskanselarij, zijn lege zalen en lange gangen, moet even kijken naar al die andere ansichtkaarten en foto’s in dit filmpje.

 

Er was ook een bibliotheek met naar schatting tienduizend boeken die in mei 1945 werd buitgemaakt door een trofeeënbrigade van de Sovjets en verzonden naar Moskou. Hitler mag je gerust een bibliofiel noemen. Hij las graag en veel en wie daarover meer wil weten kan ik het boek aanraden van Timothy W. Ryback: “Hitlers privébibliotheek” (Amsterdam, 2008).

Terug naar Erfurt, waar ik een paar dagen later op een doordeweekse dag het Altstadantiquariat aan de Benediktsplatz binnenliep. Mooie winkel, fraaie boeken maar Faust oversteeg mijn vakantiebudget.
Terwijl ik het boek bewonderde en er wat in bladerde luisterde ik met een half oor naar de antiquaar.
"Ach, aus Holland?".
Weemoedig verhaalde hij over die ene goeie klant uit Nederland 'Boidewein' die Goethe verzamelde, regelmatig langskwam en helaas te vroeg was overleden.
Kennen Sie Büch?”.
Nog half in Faust verdiept keek ik op, glimlachte, en antwoordde: “Büch? Ja naturlich, und viele andere Bücher…

maandag 28 januari 2013

Bouvetøya; eenzaamheid & bibliofilie


Op tweede kerstdag begon ik aan een Singel pocket van tachtig cent.
Niet dat uitgever en prijs ertoe doen want het boekje was, zoals een andere boekenliefhebber mij verzekerde, ‘in welke uitvoering dan ook een heerlijk boek’.

"Eilanden"  (Amsterdam, 1994) van Boudewijn Büch (1948-2002), in een nieuwe, uitgebreide en geactualiseerde editie, leest inderdaad lekker vlot weg. Desondanks is de kans dat ik binnenkort ook de andere delen van zijn eilandenreeks ga lezen (“Eenzaam”, “Het ijspaleis”, “Blauwzee” en "Leeg en Kaal") niet zo groot want ik ben, anders dan Büch, geen fervente islomaan (of ‘nesomaan’).

Als ik Büch lees ben ik altijd een beetje op mijn hoede.
Het mag dan zo zijn dat de balans na zijn dood teveel is doorgeslagen naar Büch als pathologische leugenaar, het valt niet te ontkennen dat hij (vaak verstrikt in zijn enthousiasme voor het onderwerp) hier en daar regelmatig onjuiste informatie geeft. Bij “Eilanden” jeukten mijn vingers om zijn verhaaltjes nader uit te pluizen en te onderzoeken. Bij elke beschrijving, elk historisch detail, dacht ik; klopt dit wel? Wat schreef die en die daarover? Waar in mijn kast staat dat en dat boekje ook alweer? Eens even op internet kijken, enz,.

Het kookpunt werd bereikt na het lezen van het hoofdstuk over het eiland Bouvet, dat zijn naam kreeg van de Franse ontdekkingsreiziger Jean-Baptiste Charles Bouvet de Lozier (1705-1786). Het begon met Büch’s bewering dat de ligging en omvang van Bouvet (één of meer eilanden?) in diverse oude en nieuwe atlassen onduidelijk is. Pas sinds 1970, zo schreef hij, is dankzij het fameuze op luchtfoto’s gebaseerde Karta Mira project duidelijk dat het om één, bijna cirkelvormig, eiland gaat.
Die bewering leek mij twijfelachtig, temeer omdat Büch ook de Duitse Valdivia-Tiefsee-Expedition van 1898/1899 noemt. Nou ben ik net zo min als u op de hoogte van de resultaten van deze expeditie maar één ding weet ik wel zeker; Duitsers waren en zijn altijd erg ‘gründlich’. Ik kon mij niet voorstellen dat de expeditie daar destijds geen aandacht aan had geschonken.
En dus ging ik de trap op naar mijn bibliotheek. Niet om daar het expeditieverslag te raadplegen van Carl Friedrich Chun (1852-1914): "Aus den Tiefen des Weltmeeres"
(Jena, 1900), want dat bezit ik niet. Nee, gewoon, om mijn Stielers Hand-Atlas (Gotha, 1906) te bestuderen. Die bleek niet alleen een overzichtskaart te bevatten van het ‘Süd-Polar’ gebied, met daarop in stippellijn de koers van de Valdivia, maar zelfs een detailkaartje – ja, u leest het goed - van Bouvet (1: 1.000.000).


Uit de afbeelding blijkt wel dat men destijds al heeft vastgesteld dat het om één vulkanisch eiland ging (en Büch zou dat later in: "Het IJspaleis", blz. 56, ook schrijven). De expeditie, die het eiland op 25 november 1898, in zicht kreeg was ook verantwoordelijk voor de naamgeving van de hoogste bergtop; de ‘Kaiser Wilhelm Pik’. Na de annexatie door Noorwegen in 1927, werd dit veranderd in ‘Olavtoppen’ en  Bouvet werd Bouvetøya ('øya' is Noors voor 'eiland').


Nieuwsgierig geworden bezocht ik op internet Google Earth. Daarmee vlieg je nu virtueel naar elke plek op aarde, ook naar Bouvetøya. Het eiland heeft zelfs op Facebook een eigen pagina waar ik las dat de Noren er een weerstation bouwden.
Maar toen Büch in "Eilanden" over Bouvetøya schreef (en later in "Het ijspaleis" nog eens vijftig pagina's) was het World Wide Web nog niet zover. Voor hem bleef het eiland even onbereikbaar als ongrijpbaar.
Misschien bestaat Bouvet toch wel niet. En als het bestaat is het het eenzaamste plekje op deze aardbol. Men kan er geen post heen sturen, het heeft geen telefoonnummer, het ligt op alle moderne kaarten steeds ergens anders. Het is dus één groot vraagteken”.

Is het verhaal daarmee uit? Bijna.
Er wachtte mij op internet nog een verrassing. Er bleek namelijk een bibliofiele uitgave te bestaan over ‘het eenzaamste plekje op deze aardbol’ geschreven door Büchkenner Frans Mouws.


Van zijn: “Bouvetøya 54˚26’S 3˚24’E” (Helmond, 2009) verschenen destijds negenennegentig genummerde en gesigneerde exemplaren voor de handel en zesentwintig geletterden voor auteur, uitgever en medewerkers.
Een fraaie uitgave die bovendien interessant is door het interview met Gerrit Jan Zwier, de eerste (maar niet de enige) Nederlander die in 2006 op Bouvetøya voet aan wal heeft gezet.

"'Heb je ook een souvenir van Bouvet-eiland meegenomen?'
'Nou ik heb wat foto's gemaakt en een heel klein stukje steen meegenomen.'
'Een stukje van Bouvet! Je hebt gewoon hier in huis een stukje Bouvet liggen? Weet je wel dat het makkelijker is om een stukje van de maan te bemachtigen dan een stukje van Bouvet! (-)
'Mag ik het even vasthouden?'

'Dat steentje? Ga vooral je gang.'
'Maar waarom heb je er maar één van meegenomen?'
'Ik neem meestal maar één steentje of schelpje mee van de plaatsen waar ik geweest ben. Je moet ook niet te veel meenemen. Wat zeldzaam is, moet zeldzaam blijven...'"

Het boekje (24 blz.) is natuurlijk allang niet meer verkrijgbaar maar hoopvol stuurde ik een mailtje naar Frans, die ik ken van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB).
U begrijpt het al. Voor Perkamentus bleek er inderdaad nog een exemplaartje (92/99) beschikbaar te zijn. Gesigneerd, met opdracht en inclusief het originele buikbandje.

Dankjewel Frans!

maandag 9 januari 2012

Druppels

Bibliofiel 2011 verliep ten einde.
Hans Engberts (1958-2011) van antiquariaat Hinderickx en Winderickx overleed eind november.
In plaats van het begin december ontvangen
"Rarewoordenboek. Van Bereshit tot zeeajuin"
 (Amsterdam, 2011) van Guus Middag te gaan lezen, nam ik weemoedig mijn gesigneerde exemplaren door van het "Winkeldagboek
(Amsterdam, 2003) en “Oude Gracht 234 (Utrecht, 2008). Vlak voor de jaarwisseling begon ik met het 'Rarewoordenboek'. Het werd tijd!
2012 begon weliswaar rustig maar als bij een lekkende kraan druppelde in huize Perkamentus gestaag bedrukt papier naar binnen, waaronder een paar gesigneerde uitgaven. De herkomst was zoals gewoonlijk weer vrij divers.

Behalve het boek van Guus Middag (één van de vijftig gesigneerde exemplaren met het handgeschreven lemma 'Chickipedia') kocht ik nog één nieuw boek in de winkel en wel: Boekwoorden Woordenboek. Handleiding voor boekensneupers” (Amersfoort, 2011) van Ayolt Brongers.
Een grote geïllustreerde en vermeerderde uitgave van zijn reeds twee maal eerder verschenen kleine boekje. De allereerste uitgave (1989) heb ik niet meer maar de tweede, door uitgeverij De Buitenkant zeer verzorgde uitgave (1996), nog wel.
Die laat ik ook lekker in mijn boekenkast staan.
In zijn ‘nieuwe’ boek is Brongers sterk aanwezig (vrijwel alle genoemde titels staan in zijn onderaardse bibliotheek). Het is daardoor een erg persoonlijk naslagwerk geworden wat zijn weerslag heeft op de keuze van de lemma’s.
Soms roept die keuze bij mij vragen op. Waarom een lemma ‘Sylvia Beach’ (1887-1962) in plaats van ‘Shakespeare en Company’? Onder het laatste lemma had dan ook wat informatie kunnen staan over de gelijknamige winkel van de onlangs overleden kleurrijke George Whitman (1913-2011) met een verwijzing naar het bekende boek van Jeremy Mercer.

Via de particuliere handel, lees Marktplaats, verwierf ik de uitgave van Auke van der Woud: “Koninkrijk vol sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw” (Amsterdam, 2010). Een vlot geschreven boek over een interessant onderwerp dat ik in drie dagen uitlas en voldoende stof bevat voor een nieuw smerig verhaaltje over poep op dit blog. Nog even geduld!


Poep was ook wat me naar antiquariaat De Slegte in de Amsterdamse Kalverstraat trok. Dankzij hun website kwam ik erachter dat ze een exemplaartje hadden van de smerige versjes van Josien Meloen (Mensje van Keulen): “Uit de oude poepdoos” (Amsterdam, 1980). Afrekenen deed ik lijfelijk in de winkel. Dat is noch verstandig noch goedkoper want vaak zie ik dan weer andere leuke boekjes. Dankzij klanten zoals ik bestaat die zaak nog!
Zo vond en kocht ik daar ook een exemplaar van het boek van Leontine Buijnsters-Smets: “Decoratieve prenten met geschreven wensen 1670-1870 (Nijmegen, 2007). In mijn bibliotheek staan nu alle zes boeken die het echtpaar Buijnsters-Smets over oud drukwerk heeft geschreven. Overigens verschijnt binnenkort een zevende boek: “Straatverkopers in beeld. Tekeningen en prenten van Nederlandse kunstenaars circa. 1540-1850 (Nijmegen, 2012).


Wat nasnuffelend bij De Slegte trof ik in een onverwachts hoekje, bij de nooduitgang, een tafel aan met ‘boeken over boeken’. IJverig doorspitten leverde één interessante uitgave op en wel: “Alfred Kubin taschenbibliographie” (Amsterdam, 1961) geschreven door de bekende antiquaar Abraham Horodisch (1898-1987).
De vraagprijs was bijna elf euro. Kubin kende ik niet, Horodisch natuurlijk wel.
Even heb ik over de aanschaf getwijfeld maar de beperkte oplage (950 genummerde exemplaren) plus het feit dat het door Horodisch was gesigneerd; “Herrn H. Kohn in freundschaftlicher gesinnung, A. Horodisch, 1. Februar 1962, gaf de doorslag.
Waarschijnlijk gaat het om het exemplaartje (nummer 100) dat ooit toebehoorde aan Heinz Kohn (1907-1979) eigenaar van de uitgeverijen ‘Boekenvrienden Solidariteit’ en ‘Het Nederlandsch Boekengilde’. Achterin vond ik ook nog een vergeeld krantenknipsel met een positieve recensie van Dr. Eberhard Semrau uit het ‘Börsenblatt für den Deutschen Buchhandel’ (d.d. 2 november 1962). Gratis leuke efemera is altijd welkom! Thuis meteen even internet geraadpleegd om bij te leren over Kubin, Horodisch en deze uitgave. Nee, nee, ik heb beslist niet teveel betaald…

Via internet bestelde ik nog drie andere boekjes waaronder “Grafreizen” (Diemen, 1994) van Boudewijn Büch (1948-2002). Destijds geschreven in opdracht van de vereniging voor Crematie AVVL (thans Yarden) ter gelegenheid van haar 75 jarig bestaan (1919-1994).
Weliswaar verscheen het boekje toen niet in de handel maar de oplage moet toch aanzienlijk zijn geweest.
Alleen al hier worden vele tientallen exemplaren aangeboden voor bedragen tussen de vijf - en dertig euro. Uiteraard zocht ik een gesigneerd exemplaar en dat bleek nog vrij lastig maar geduld is een schone zaak. Vorige week dook er plotseling één op dat ik onmiddellijk voor vijfentwintig euro in beslag nam.

En nu, beste boekenvrienden, weer verder lezen want de kraan blijft gestaag druppelen.

zondag 30 oktober 2011

Teleurstelling en geluk

Natuurlijk was Perkamentus ook dit jaar weer op de 32ste Antiquarian Book, Map & Print Fair 2011, in de Amsterdamse PTA.
Dat wordt steeds meer een ‘feest der herkenning’ met een sfeer die nog het meest doet denken aan een reünie van oude bekenden en vrienden. Over het algemeen ben ik dus meer tijd kwijt met praatjes hier en daar over oude boeken dan het werkelijk zoeken naar oude boeken.

Zo sprak ik ondermeer met NGB-medelid J.A. Brongers (alias ‘Sneuper’ en niet te verwarren met de ‘Boekensneuper’) over de stand van zaken betreffende zijn binnen afzienbare termijn te verschijnen, herziene, aangevulde en geïllustreerde uitgave van het “ABCDarium voor de boekensneuper”.
Een voor de bibliofielen onmisbaar lexicon, waarvan de laatste smaakvolle uitgave onder de titel “Boekwoordenwoordenboek. Rondgang door de boekenwereld” (Amsterdam, 1996) verscheen bij uitgeverij De Buitenkant.

Waar ik reikhalzend naar had uitgekeken was het boek van John LandwehrMijn herinneringen aan de wereld van het oude boek“ (z.p., 2011), dat vrijdag 28 oktober door hem werd gepresenteerd en gesigneerd. Aangezien ik zaterdag pas naar de beurs ging, en de oplage van het boek beperkt is (‘privately printed’), had ik voor alle zekerheid gevraagd voor mij een gesigneerd exemplaartje te reserveren. Uitgaven met herinneringen en ervaringen van verzamelaars en antiquaren zijn redelijk zeldzaam en ik verwachtte een groot inhoudelijk spektakel van deze, volgens P.J. Buijnsters, “op afstand de beste en belangrijkste Nederlandse boekverzamelaar uit de periode 1950-2010”.

Ik zal het maar meteen verklappen.
Het is één grote teleurstelling.

Dat het een uitgave is in slappe kaft en dat de illustraties niet altijd even duidelijk zijn, waardoor het geheel lijkt op een wat veredelde gekopieerde ‘reader’ uit mijn studietijd, is de ware bibliofiel al een gruwel.
Veel erger is dat er vrijwel geen herinneringen noch ervaringen in staan! Het voorwoord stemt nog hoopvol maar uiteindelijk is het niet meer geworden dan een beschrijving en bespreking van diverse uitgaven van zijn hand en van de boeken die hij ooit verzamelde, kocht en verkocht.
Enigszins onbegrijpelijk is dat wel, want er gaan veel verhalen rond over John Landwehr in 'het wereldje' en ik had nu wel eens zijn eigen verhaal willen lezen in plaats van deze opsomming van boeken, boekjes en reeds lang bekende feitjes. Wie P.J. Buijnsters “Geschiedenis van de Nederlandse Bibliofilie” (Nijmegen, 2010) er op na slaat kan daarin op zeven pagina's (121-128) heel wat meer vinden over de verzamelaar John Landwehr dan in zijn eigen, 175 pagina's tellende, ‘herinneringen’!

Of ik nog wat bijzonders heb gekocht? Ja, maar heel bescheiden.
In de stand van de Amsterdamse De Slegte vond ik een exemplaar van het boek van Boudewijn Büch (1948-2002): “Geluk. Een vertoog over reizen, bibliotheken en heel veel geld” (Amsterdam, 2000).


Ondanks het feit dat deze uitgave destijds niet in de handel verscheen is het boekje antiquarisch ruimschoots verkrijgbaar voor prijzen rond de vijfentwintig euro.
Ik zocht echter al heel lang naar een gesigneerd exemplaar en deze is door Büch, heel ferm, op blz. 4 gesigneerd en gedateerd (10-3-2001). Met wat vriendenkorting betaalde ik vijftig euro.

zondag 13 juni 2010

Bibliomanie of boekenliefde

Vandaag op de boekenmarkt aan de Amstel gekocht: "Bibliomanie of boekenliefde", van Boudewijn Büch. Een gedicht geschreven tussen 1978 en 1985. In een oplage van 40 genummerde en gesigneerde exemplaren gezet uit de Romanée en gedrukt op de Duindoornpers door Piet C. Cossee (Scheveningen, 3 februari 1985) ter gelegenheid van de veertigste verjaardag van de Utrechtse antiquaar Niek Waterbolk.
Een 'H.C.' exemplaar ('hors commerce', oftewel niet in de handel) dus ongenummerd, niet gesigneerd maar wel zeldzaam, voor slechts € 25,- euro.

vrijdag 22 januari 2010

Büch

Rijstreclame, witte handschoentjes en een nep dodo-botje…
Ik vond hem een irritante fantast en pas toen hij al lang en breed dood was kon ik aandacht voor hem krijgen. Vooral zijn boeken over zijn bibliomane verzamelwoede en alles wat daarmee in verband stond kocht ik.
Het moesten wel gesigneerde exemplaren zijn, want ik hou wel van boeken die zijn aangeraakt door de auteur, ‘dead or alive’. Ik heb het over Boudewijn Maria Ignatius Büch (1948-2002).

Het eerste boekje dat deel werd van mijn collectie was: “De Boekenpest” (Amsterdam, 1988), dat me sterk deed denken aan het boek van William Blades; “The enemies of Books” (die hij echter met geen woord noemde). Een eerste druk, gesigneerd en één van de 475 gebonden exemplaren op speciaal papier (”honderd jaar tegen zelfvernietiging bestand”; vooral dát sprak mij wel aan). Een uitgave gereserveerd voor vrienden en relaties van de uitgeverij De Arbeiderspers, ter gelegenheid van de jaarwisseling 1987/1988. Al snel volgden “Bibliotheken” (Amsterdam, 1993), een gesigneerde derde druk en “De Boekhandel” (Amsterdam, 1985), een gebonden en gesigneerde eerste druk (nummer 28 van de 150).

Ik weet het; geen van drie zijn absolute bibliofiele toppers voor de echte Büchofiel maar het was nimmer mijn bedoeling om een omvangrijke collectie bijzondere uitgaven van Büch op te bouwen. Het is een beetje ‘bij verzamelen’, zoals ik dat met wel meer dingen doe. Als uitzondering op de regel telt mijn collectie wel twee zeer bijzondere uitgaven waarvoor bij menig serieuze liefhebber en verzamelaar van Büch het water uit de mond loopt.

Ten eerste een exemplaar van “Een boekenkast op reis. Persoonlijke Kroniek
(Amsterdam, 1988). Niet zomaar een exemplaar van de soms (te) duur verkochte handelseditie (Privé-Domein nr. 231), maar één van dertig door de auteur genummerde en gesigneerde luxe exemplaren, vervaardigd op initiatief van De Slegte. Daarvan één van twintig Arabisch genummerde exemplaren (dit is nummer 10) in een paars betitelde halfperkamenten band, de opgezette platten overtrokken met paarse zijde.


Het boek werd gestoken in een met crèmekleurig en paars papier overtrokken foedraal.
Deze luxe-exemplaren bevatten als exclusieve bijlage het door Büch speciaal voor deze editie geschreven gedicht ‘Bibliotheca Didina et Pinguina’, op zijn eigen pers gedrukt, gesigneerd, en bovendien nogmaals voluit met de hand uitgeschreven, alsmede een door fotograaf Rob Becker genummerde en gesigneerde zwart-wit foto. Het is dezelfde foto die op de voorzijde van het omslag van de handelseditie werd afgedrukt.

Overigens wel een aardig boek dat vlot leest. Büch was duidelijk een bibliomaan, kocht soms meerdere exemplaren van één boek, vond het eten (waar ook ter wereld) vaak smerig, verkeerde regelmatig in depressies en had een afkeer van de Hollandse toerist. Contact onderhouden met mensen, zelfs vrienden was sowieso geen sterk punt van Büch. De beschreven liefdesrelatie met productiemedewerker Panda (die bijna de helft in leeftijd jonger was) maakte me nieuwsgierig. Vroeg me regelmatig af hoe haar leven nu, twintig jaar later, is.


Ten tweede een exemplaar van “De Goethe-industrie, een Duitse ziekte” (Amsterdam, 2002). Eén van vijfentwintig door de auteur genummerde en gesigneerde luxe exemplaren (dit is nr. 24). Het boek werd gebonden in verguld groen linnen. De met perkament afgezette foedraal werd bekleed met groen Japans papier. Als bijlage bevat dit boek een afdruk van een kleurenfoto, voorstellende de auteur verkleed als Goethe, naar het beroemde schilderij van Tischbein, gesigneerd door fotograaf Rob Becker en de geportretteerde.

Ik heb nu een paar hoofdstukken gelezen. Het is een soort encyclopedie van weetjes en feitjes over Goethe en allerlei idiote zaken, vooral publicaties, die met hem in verband staan. Waarom deze twee bibliofiele uitschieters? De doorslag gaf het gebruik van perkament in de band en/of foedraal en ik ben nou eenmaal gek op perkament!

Bibliotheca Didina et Pinguina

Hier zijn de dagen opgeteld,
van verlangen en papier,
maar nergens wordt vermeld
het lijden van de passagier.

Het was reizen zonder grond,
ronddolen en vergeten,
maar de zanger hervond
steeds opnieuw één medeweten:

Er is dat groot en lang gezocht geluk:
een uitgave, vroeger dan de eerste druk.


Boudewijn Büch
I 2000