Posts tonen met het label Kapittelstokjes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kapittelstokjes. Alle posts tonen

maandag 20 juni 2011

Papier (en de wereldorde)


Slenteren door weer en wind over de boekenmarkt aan de Amstel, wat verzonken in gepeins.

Hoeveel soorten papier zullen er wel niet zijn?
Deze vraag werd ingegeven door de aanschaf van: “Het papier. Een bijdrage tot de kennis van de vervaardiging gebruik en de onderzoekingsmethoden van papier
(Amsterdam, 1937) samengesteld door ‘Dr.phil.Dr.ing. J. Bekk, leider en F. Mees, eerste assistent van het laboratorium van G.H. Bührmann’s papiergroothandel N.V. te Amsterdam’. Een boek met cassette waarin maarliefst 80 papiermonsters zitten, zoals u hierboven zelf kunt zien.

In mijn collectie ‘boeken over boeken’ zitten nog twee van dergelijke uitgaven. De eerste die ik - alweer enige jaren geleden - kocht op de befaamde Deventer boekenmarkt, is: “De papier wereld” (Naarden, 1939) door Jan Poortenaar, Dr. Dard Hunter en C. Pels.
In dit boek zitten zo’n 40 papiermonsters, waaronder het fraaie met de handgeschept papier ‘angel’s feathers’.


De ander is “Das Druckwerk. Gestaltung und Herstellung von Büchern und Werbedrucksachen” (Stuttgart, 1963) uitgegeven door Professor Dr. Gustav Barthel en Ulrich C.A. Krebs. Deze tweedelige uitgave zit in een cassette. Deel twee bevat 63 voorbeelden, waarvan de laatste tien bedrukte linnen- en kunststofmonsters zijn.

Wat opvalt zijn de doctor titels. Papier maken is een wetenschap, al zal het wetenschappelijk element meer zitten in de (chemische) samenstelling dan in de fabricage ervan. Drie boeken; ruim 180 monsters, maar er zullen er wel (veel) meer zijn.
Een van de columns in “Kapittelstokjes” (Amsterdam, 1898) van Jhr.mr. H. Smissaert gaat over de duurzaamheid van papier. Een opmerkelijk stuk over het nog steeds actuele probleem van papierverzuring. Ik geeft het hier onverkort in zijn oorspronkelijke spelling weer.


Het papier en de wereldorde.

"Ik wik, maar de stof – de doode stof – beschikt.
Ziedaar de conclusie, waartoe mij geleid heeft de lezing van een verhandeling over de duurzaamheid van het papier. Ja werkelijk, niets is leerzamer en curieuser en niets stemt soms tot meer bescheiden bespiegelingen dan het lezen van zoo’n quasi-heel-droge, technische verhandeling (Het was de brochure ‘Over de deugdelijkheid en het onderzoek van papier’, door dr. Mr. Greshoff, Leiden, J.M.N. Kapteijn 1897).


Ik heb dan geleerd dat zoo het papier, waarop gij schrijft of laat drukken, niet is ‘normaal papier, geheel vervaardigd uit lompen, met een gemiddelde breeklengte van 5000 meters en een gemiddelde rekbaarheid van 4 procent’… er weinig kans bestaat dat uw zoon, laat staan uw kleinzoon, ooit in uw paperassen snuffelt, nademaal deze paperassen alsdan tot pulver verteerd zullen zijn.
O, dit is geen gekheid. Sommige heel belangrijke documenten over geen minder feit dan de Fransch- Duitsche oorlog zijn nu reeds tot stof vervallen, omdat zij op zulk slecht papier stonden. En het papier waarop onze Koninklijke Academie van Wetenschappen (afdeeling Letterkunde) haar voor den naneef bestemde ‘Verslagen en Mededeelingen’ drukt is ‘geenszins geheel vrij van hout’ en mitsdien bestemd om reddeloos verloren te gaan.
Misschien zelfs – zegt de schrijver – misschien zelfs, dat er in de wereldgeschiedenis een groot hiaat zal komen, en het nageslacht niets te lezen krijgt van de daden en denkbeelden onzer eeuw, die wij toch nog al van betekenis vinden.

Een hiaat in de wereldgeschiedenis! Zeg nu eens, of dat niet iets is om zich vroolijk over te maken. De schooljongens van komende tijden zullen bij de geschiedenislessen overspringen van de 18e eeuw naar de 20ste (en daar heel niet rouwig om zijn) en onze groote, 19e eeuw zullen zij negeeren omdat uit dien tijd niemendal is overgebleven. Alleen, daar de brochure van dr. Greshoff op het ‘normaalpapier’ van de noodige breeklengte en rekbaarheid gedrukt is, zal dit geschrift alle andere overleven en zal men ten minste daaruit kunnen leeren, waarom de rest zoo spoorloos verdwenen is. Het was, zoo zal men zeggen ‘de papieren eeuw’ en daar het papier van een heel gemeen soortje was, is de eeuw zelf daarmee ook tot stof en asch vervlogen en uitgewischt uit de rij der eeuwen! Is het niet voor ons, scribenten, om nederig onder te blijven?

En merk op, hoe het kwaad zichzelve straft. Reeds in 1770 was het middel bekend om papier te maken uit hout, uit stroo, uit maïs, uit turf, mos, netels, distels (goed voor satiren en spotdichten!), uit aardappelloof, boombladeren, koolstronken…
Maar de eenvoudige zielen zagen daar niets in. Papier moest papier zijn, d.i. uit lompen, vervaardigd, uit linnen- of katoenvezels. En ze hadden niet noodig daar andere stoffen voor te gebruiken, want de vraag overtrof het aanbod niet. Men schreef niet meer romans, brochures en minnegedichten, dan de linnekast aan afval van oude borstrokken en versleten vaatdoeken opleverde.
Maar wij, die allemaal schrijven, die allemaal van alles verstand hebben en over alles ons oordeel moeten zeggen, wij met ingezonden stukken, met verweerschriften en critische beschouwingen over hemel en aarde, wij produceeren oneindig meer kopy dan we zakdoeken verslijten. Gevolg: voor het lompenpapier moesten surrogaten gevonden worden. En zoo zijn wij heele bosschen gaan neervellen, om op het daaruit vervaardigd papier de urgentie van boschaanleg (liefst van Staatswege!) te gaan betoogen!

Gij schrijft voor de eeuwigheid? Maak u geen illusies: uw schrijven zal nooit aan zijn adres belanden; over tien jaar verstrooit de wind uw verheven gedachten. Gij doet een beroep op het nageslacht en – vaststaande in uw overtuiging, dat gij alleen de waarheid gevonden hebt – zegt gij met de volle verzekerdheid van een machtig zelfvertrouwen dat de toekomst u zal rechtvaardigen… Och arm, wat baat ruimte van denkbeelden tegenover te geringe rekbaarheid van het papier; wat stevigheid van bewijsvoering tegenover te weinig breeklengte van de bladeren uwer schrifturen!
Laten wij ons geen illusies maken. Wat wij schrijven is voor de tijdgenooten en reikt niet verder. Zo er ook hout is in het papier van dezen bundel, zullen welhaast mijn diverse praatjes naar alle de vier windhoeken flaneeren, om als een onzichtbare stofregen op den schoorsteenmantel van mijn kleinkinderen neer te dalen.
Hoe weinig zullen die beseffen dat wat zij als waardeloos vuil opvegen, de pennevruchten van wijlen hun grootvader zijn!


Of dit eigenlijk nu wel zoo heel erg is?
Wel, ik ben, als ik er zoo eens over doordenk haast geneigd dit voor een ‘wijs bestel’ van de natuur te gaan verslijten. Daarnet sprak ik van het kwaad, dat zich zelve straft en werkelijk is er hier zoo iets als men meer vindt in dat keurig systeem, dat wij ‘den natuurlijken gang van zaken’ plegen te noemen.
Wij, menschenkinderen, zijn ‘heeren der schepping’… voor zoover de schepping onze heerschappij wel wil gedoogen. Er zijn grenzen, waar wij nooit over heen komen, en dat is aldus besteld, omdat door onze overdrijving in ééne richting het evenwicht, dat de wereld in stand houdt, zou verloren gaan.
Zoo is het met alles in de natuur: alles balanceert elkaar, zoo, dat niets door eigen overwicht kwaad kan. Ziet hoe die wet ook hier geldt: er is een grens gesteld aan wat een gegeven menschengeslacht schrijven mag; die grens is bepaald door den dan aanwezigen voorraad katoen- en linnenvezels, voor zoover, die zonder nadeel voor onze onderkleeren, tot papier kunnen worden bereid. Maar van oudsher is de waanwijze mensch het oneens geweest met Moeder Natuur: hij wist het altijd beter en wou zich niet laten ringelooren door zoo iets vervelends als een natuurwet.



Als heer der schepping ging hij dus de stof beheerschen… Morgen brengen!
Achteraf bleek dat de stof hem beheerschte en dat hij toch niet kon buiten die perken, die de onverbiddelijke wereldorde nu eenmaal gesteld had. Wat? riep de dwaze mensch ten jaren 1860 – wat, er zou geen papier meer te krijgen zijn, omdat er te weinig katoen- en linnenvezels zijn? Wij zouden niet mogen schrijven en drukken, omdat de Natuur er ’n stokje voor wil steken? Geef hier hout, stroo, maïs, turf, mos, vezels, distels, aardappelloof, boombladeren, koolstronken, dat ik er papier van maak en schrijf en druk naar hartelust, de wereld vol.

Maar moeder Natuur liet de menschen heel kalm begaan. En terwijl zij hun plechtigste verzekeringen schreven op gewezen koolstronken en hun aandoenlijkste zieleklachten op netels, merkten zij dat het al ijdelheid was, want dat na eenige jaren de bibliotheken leeg stonden vanwege het vergane papier, dat geen papier was.Schrijft maar toe, grinnikt de natuur, schrijft maar meer dan ik u toesta, maar weet wel dat er geen sikkepitje van overblijft!
Ja, waarlijk, dit zal wel een wijs bestel der wereldorde wezen. Het is blijkbaar te doen om de gemoedsrust van den naneef. Waar wou die blijven, moest hij al ons geschrijf terugvinden en verwerken? Zoo belast met een onmetelijke nalatenschap van paperassen zonder eind kon er geen nageslacht met daden in de vuisten meer opstaan. En daarom is het een treffelijk iets, dat de vermaarde ‘tand des tijds’ hier een geduchte razzia houdt, een monster-opruiming van al het door ons bemorste papier. Van al ons gewurm, getob en gemier zal hij, de gelukkige die na ons komt, geen weet hebben, omdat onze boeken er niet meer zijn zullen.
De ‘onsterfelijke’ werken van den grooten A. en den machtigen B. zijn stof en asch. En er zal over het menschdom, dat na die opruiming leeft, neerdalen als een weldadige rust gelijk na het vertrek van heel-druk babbelende gasten.
Oef! Zal de naneef zeggen, als hij nog één exemplaar (toevallig op normaal papier gedrukt) terugvindt. Oef! En: ‘den hemel dank dat mij de rest bespaard is!’. Het is dan maar beter, zooals de natuur het wil. Ga dan, vluchtige kopij, en laat u drukken op houtpapier, om overmorgen niemand meer te ergeren!


(Belanghebbenden, wien de schrik voor de duurzaamheid hunner papieren kinderen om
het hart slaat, deel ik mee dat zij de qualiteit
van papier kunnen onderzoeken, door na te
gaan of het niet rood-gekleurd wordt bij aanraking met een bevochtigde vel
‘dimethylparaphenyleendiamine-papier!’)”.


Vraag me af wat Smissaert zouden hebben gedacht van onze digitale maatschappij. Vermoedelijk zou hij met een glimlach hebben geconstateerd dat ook hier op termijn informatieverlies onvermijdelijk is. Nee, dan liever de veelzijdigheid van papier.
Papier om te lezen, te behangen, in te verpakken, te schrijven, te verzamelen en je … mee af te vegen. Daar kan geen 'EReader' tegen op!

vrijdag 7 januari 2011

Kapittelstokjes

Volgens de meest recente uitgave van Van Dale (2005): “Een stukje of pijpje amandel of kaneel met een suikerlaagje bedekt, als snoepgoed of om op tulbanden, taarten enz. te steken”. In deze betekenis kende ik het niet, wel als “dwarsstaafje aan een horlogeketting dat door een knoopsgat van het vest wordt gestoken om de ketting te bevestigen”.

De “Kapittelstokjes” (Amsterdam, 1898) die ik onlangs kocht zijn geen van beide. Het gaat om columns, geschreven door ene Jhr. Mr. H. Smissaert onder het pseudoniem 'Flaneur', die in 1896 en 1897 verschenen in het literair bijblad van de “Amsterdamsche Courant” (beter bekend als “het Geeltje”). ‘Flaneur’ noemde zijn columns naar het in Amsterdam geliefde suikergoed “Daar ik, wat ik te kapittelen had, zorgvuldig heb omgeven met een vorm van zoetigheid (naar ik hope), scheen de naam niet ongepast. De stekels zijn van suiker”. Zijn columns waren destijds zo populair dat de vele lezers van deze krant “zelfs zoo ver gingen van over een bundel te spreken, waarin sommige der honderd nummers zouden bewaard blijven”. Aldus geschiedde en een selectie van dertig "waarin ik achteraf geloof wat ik zeggen wou het duidelijkst te hebben weergegeven" werd gebundeld in boekvorm onder voornoemde titel. De totale oplage is mij onbekend maar uit een krantenadvertentie blijkt dat de laatste tweehonderd exemplaren twee jaar later, in oktober 1900, werden verramsjt.

De boekband, helaas erg geschaafd, leidde mij eerst naar mijn bibliotheek, waar ik in het bekende werk van Ernst BrachesNieuwe kunst en het boek. Een studie in Art Nouveau” (Amsterdam, 2003) inderdaad een afbeelding aantrof. Het gaat om een ontwerp van Th.J.J. Neuhuys (1878-1921) en is “het enige werk uit de periode der boekverciering dat niet alleen voluit is gesigneerd maar ook nauwkeurig gedateerd”.

Toen ik mijn speurtocht vervolgens op internet wou voortzetten wachtte mij een verrassing. Kennelijk behoort deze populaire uitgave, die toch in een redelijk grote oplage door de N.V. “De Amsterdamsche Courant” moet zijn gedrukt, thans tot de categorie verzonken, vergeten en verloren boeken. “Kapittelstokjes” bleek op het WWW geheel onvindbaar.
Wie was deze ‘Flaneur’, deze negentiende eeuwse Martin Bril (1959-2009)?
Jhr. Mr. H. Smissaert (1867-1934) werd geboren in Den Haag en studeerde aan de Universiteit van Utrecht, waar hij in 1893 promoveerde in de rechtsgeleerdheid. Hierna ging hij werken in de journalistiek, zo was hij enige tijd werkzaam als redacteur van “De Liberaal”.
In 1896 werd hij politiek hoofdredacteur van “De Amsterdamsche Courant”. Vanaf 1899 was hij directeur bij diverse verzekeringsbanken en vanaf 1907 bestuurslid bij diverse verenigingen ten behoeve van lichamelijk gehandicapten.

Smakelijk schrijven ging Smissaert goed af. Eerlijk is eerlijk, ik heb alle dertig, ruim honderd jaar oude, columns van ‘Flaneur’ in één ruk uitgelezen. Ze geven een prachtig tijdsbeeld, zijn grappig en leerzaam en verschillen verrassend weinig van onze tegenwoordige columns waarin een (bekende) auteur spits en uitdagend zijn mening ventileert over een actueel onderwerp. Een aantal zijn voor een bibliofiel blog anno 2011 als het ware geschreven en aangezien mijn gewaardeerde collega’s van ‘rond1900’ mij nog niet voor zijn geweest besloot ik er één integraal (en in originele spelling) over te typen. Veel leesplezier!

Geen boeken meer!

"Men koopt geen boeken meer!
Dit is niet zoo maar ’n praatje, ’n indruk van mij of iets van dien aard. Het is eenvoudig een welgeconstateerd feit; er is een ‘boom’ op de boekenmarkt.
Men kent dat oolijke liedje:
Wie hier voor ‘n kwartje boeken koopt, die krijgt nog ’n villa toe.
Men kent ook uit de couranten die ‘buitengewone’ en ‘eenige’ en ‘verrassende’ aanbiedingen van ‘spotgoedkoope’ boeken; alle de werken van den beroemde romanschrijver A. en de heele collectie luimige verhalen van B., alles voor een appel en een ei, met en benevens de kans op een 1e klas rijwiel (merk zoo en zoo) als op het nummer van uw bon de honderdduizend valt in de zoveelste klasse der staatsloterij…
Dat is de manier, waarop men nu nog boeken koopt. Voor drie kwartjes etaleert ge op uw salontafeltje de complete Die en den heelen Dinges, verguld op snee, in rood marokijnen prachtband. Gij wordt niet geacht die werken te zullen lezen; daar zijn de banden ook niet op berekend. Men koopt geen boeken meer en men leest geen boeken meer.

Voor dat laatste zijn er velerlei redenen, zooals voor elk maatschappelijk verschijnsel. Zeker is daar ons haastig, gejaagd leven voor ’n deel schuld aan.
We komen er niet meer toe om eens rustig ’n avond te nemen, om nu eens op ons gemak een eenigszins dik boek te gaan genieten. We hebben het daarvoor te druk. Ik tenminste, ondergeteekende, heb het te druk, omdat ik voor u deze causerie schrijf, gij, lezers, hebt het te druk met die te lezen dan dat er voor ons nog tijd zou resten voor ‘n heusch volslagen boek…

In ernst, de opkomst van de journalistiek is het bederf voor de boekenmarkt geweest. De schrijvers hebben in dienst van de bekende ‘koningin der aarde’ hun werkkracht en hun talenten verkruimeld tot dagelijksche brokjes in plaats van nu en dan één consistent stuk te leveren; het lezend publiek is – naarmate de dagbladen, minder uitsluitend nieuwsboden, ook literair werk als zoodanig gingen opnemen – daarin smaak gaan vinden en is begonnen die kruimpjes van dag tot dag te verkiezen boven het alles-in-een.
Daardoor ook heeft men zich het lezen van een boek afgewend. ‘Het is zoo’n pluk!’ zegt men, en men ziet tegen de twee- driehonderd bladzijden van een roman als tegen een bedenkelijken rijst- en brijberg op. Onze heele tijd is daar ook niet meer naar. Wij zijn geen menschen, die een ‘historischen roman’ in drie deelen durven entameerden, waar o zooveel wetenswaardigs over kostuum-kunde en over ‘zeden en gebruiken’ der middeleeuwen en heele beschrijvingen van een of anderen veldslag in voorkomen. Wij willen de feiten hebben en niet al de krulletjes er bij.


En er is nog, geloof ik, een eigenaardig iets, dat ons van boeken lezen terughoudt. Iemand zei me eens: ‘ik lees geen romans meer, omdat ik genoeg heb aan al die situaties, die het werkelijke leven zelf me biedt’. Zoo redeneren er velen. Onze tijd is er een, waarin de menschen dieper, ‘intenser’ (om het modewoord van gister te bezigen), heviger voelen dan hun ouders. Er gaat een machtige adem van clementie, van medelijden, humaniteit, en philanthropie door onze ten oprechte zoo sceptisch en koel gescholden fin de siècle. Het mooie woord van den Romeinschen wijsgeer: ‘Ik ben een mensch en ik meen dat niets wat menschen wedervaart mij onverschillig zijn kan’, dat woord schijnt voor onzen tijd geschreven.
Daarenboven zijn de psychologen met hun zielkundige analyses ons den weg komen wijzen in de diepten van eigen hart en gemoed, waarin men vroeger - niet zoo opzettelijk althans – afdaalde. Wij lijden allemaal aan zelf-contemplatie.
Het ‘ik’ is point de mire geworden voor den denkenden mensch onzer dagen.
Hij vraagt zich af waarom hij dit of dat doet, waarom hij zoo wil en niet anders, wat de grond is van zijn liefde en zijn haat, van zijn streven, van zijn aspiraties. Die eeuwige ontledings-manie past hij toe op de samenleving, hij peilt haar wonden, leest dagelijks van ‘sociale nooden’, van ‘misstanden’; altijd weer wordt zijn aandacht bepaald op hongerlijden hier, op ongelukken daar, op zelfmoord en misdaad, op geweldige rampen, op familie-drama’s…
En met de fijnere voelhorens van den modernen sensitivist ziet hij in zijn naaste omgeving rond en vermoedt hier verloren illussies, daar een stil leed, ginds een mislukte carrière of wroeging over jeugdige afdwalingen, elders een aanhoudenden strijd tusschen plicht en lust…

Bij de afmattende, pijnlijke beschouwing van dat alles zegt hij: ‘ik lees geen romans meer, omdat ik genoeg heb aan al de situaties, die het werkelijke leven zelf me biedt’. De oude romans zijn den zoodanige te… grof; wat daar spannends in was voor vroegere geslachten, is voor onzen tijd (voor velen der onzen) melodrama geworden; de moderne boeken, die ons de neuropathen, de neurasthenici, de nevroseleiders en hoe al die ongelukkigen heeten mogen, ten tooneele voeren, - die moderne boeken zijn ons te veel; we zien dat al om ons heen; wat zullen we nog de fictie van het hetzelfde gaan lezen?

Dit alles is heel verklaarbaar. De mensch wil emotie. In rustige tijden wordt hem die door de literatuur geboden; in woelige tijden schept hem het leven zelf de aandoeningen en wordt de literatuur in den hoek gezet.
Het woord is alleen aan die leuke, guitige schrijvers, die onwaarschijnlijke en grappige verhalen weten op te disschen. Die ‘halen’ ons er ‘uit’, zeggen we. En we meenen; uit dien berg van beslommering en beklemming, waarin wij – overspannen producten van overbeschaving (waarvoor wij ons zelf houden!) verkeeren of… meenen te verkeeren!

Want er is ook hierin veel ‘pose’, veel ‘cliche’. Het staat zoo goed met den hand over het voorhoofd te strijken en te zeggen; ‘Romans? Dank je. Mijn roman is me genoeg’.
De weinigen die dat ter goeder trouw hebben uitgesproken, zwakke broeders met een gevoelig hart, hebben veel naäpers gevonden, aanstellerige heertjes met leege hoofden, die geen boeken meer durven lezen, omdat dat… niet meer van onzen tijd is!
Een nieuw soort van verboden lectuur.
Ik vraag niet of dit alles gezond is. Ik constateer het feit alleen. En ik vertrouw ook dat de eeuwig-heen-en-weer-bengelende slinger, die van wit naar zwart, van actie naar reactie zwaait, ons ook weer eens den cultus van het degelijke boek zal brengen”.