Posts tonen met het label VBBB. Alle posts tonen
Posts tonen met het label VBBB. Alle posts tonen

zaterdag 28 augustus 2021

Een mysterieuze replica


In 1975 bestond Amsterdam 700 jaar en vierde de Nederlandsche Vereeniging van Antiquaren (NVvA) haar veertigjarig jubileum. Een kort verslag van de activiteiten - ruim vijfenveertig jaar geleden - staat in de kroniek van de NVvA (blz. 43), die twintig jaar later verscheen onder de titel: "Offeren aan Mercurius en Minerva", (Amsterdam, 1995).

Daarin lees ik dat de commissie voor de organisatie van het jubileum bestond uit de antiquaren S. Emmering, N. Israel (tussentijds uitgetreden), A.L. van Gendt, E. Franco, en P.C. Notebaart (later vervangen door B. Hagen). Het congres van de International League of Antiquarian Booksellers (ILAB) vond plaats van 21 tot 25 september. Voor het eerst verscheen er een gemeenschappelijke catalogus, de 'joint catalogue of Dutch antiquarian booksellers' en de beurs die tussen 27 en 29 september plaatsvond in het Amsterdamse Marriott Hotel was, met een omzet van 3.7 miljoen gulden (een nieuw record), uiterst succesvol.
Er waren ook plannen die niet zijn doorgegaan, zoals een tentoonstelling met als thema Amsterdam en een boek van Herman de la Fontaine Verwey over 'antiquariaat en verzamelaars in Nederland door de eeuwen heen'. Pas dertig jaar later zou Piet Buijnsters daarin voorzien met zijn: "Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat" (Nijmegen, 2007) en "Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie" (Nijmegen, 2010). 


Al geruime tijd weet ik dat er in dat jubileumjaar ook een replica werd geslagen van de Amsterdamse penning van het gilde van boekverkopers en -drukkers (3 mm. dik, met een doorsnee van 4 cm.). Vlak voor mijn zomervakantie kon ik die replica via Marktplaats kopen voor bijna zeventien euro (inclusief verzendkosten). Het object maakte mij uiteraard nieuwsgierig en riep onmiddellijk vragen op. Wie was de opdrachtgever geweest? De NVvA, de ILAB of de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels (VBBB), thans de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak (KVB)? Waar en bij wie was de penning gemaakt? Bij de Koninklijke Begeer? Wat was de oplage destijds, wat had de productie gekost en wie hadden een exemplaar ontvangen?

Dergelijke (gilde)penningen van het 'Boek-vercopers en Druckers Gilt' werden vanaf het midden van de 17de eeuw tot begin 19de eeuw uitgereikt bij toetreding tot dit gilde (dat in Amsterdam sinds 1662 bestond) en gebruikt als presentiemiddel en als legitimatie.
Ze dienden om de aanwezigheid tijdens gildebijeenkomsten te kunnen controleren maar ook om te kunnen aantonen dat men een officieel erkend vakman (en gildebroeder) was. 
Antiquarisch worden ze uiterst zelden aangeboden. In 2017 dook het onderstaande exemplaar op van boekverkoper J.T. Brink G.z. uit 1804 bij veilingsite Catawiki. Helaas heb ik die veiling gemist...



In de collectie van het Amsterdamse Allard Pierson /Bijzondere collecties UvA (Bibliotheek van het Boekenvak) worden maar liefst meer dan vijftig originele exemplaren bewaard! (UBA544). Het merendeel (45 stuks!) werd in 1874 gekocht door Frederik Muller uit de veiling van de nalatenschap van J.T. Bodel Nijenhuis. Daarnaast bevinden zich exemplaren in diverse musea; zoals de gildepenning van Johannes Schot (1675) in de collectie van het Rijksmuseum. Ik ken ook een zeldzaam zilveren exemplaar in de collectie van het Haarlemse Teylersmuseum op naam van Bernardus Mourik (1734).
 

Bij de penning hoorde een gildebrief zoals dit voorbeeld uit 1764 in de collectie van het Rijksmuseum, op naam van de plaatdrukker Harmanús Veelwaart. Duidelijk zichtbaar is dat gildepenning en gildebrief gebruik maakten van dezelfde beeldsymboliek.


Dat geldt ook voor het (vroeg negentiende eeuwse?) lakzegel van het Amsterdamse 'Boekverkoopers, boekdruckers en kunstverkoopers gild' (eveneens in de collectie van het Rijksmuseum uit de nalatenschap van antiquaar Simon Emmering). Ook daarop zien we de bekende cartouche met ter weerszijden de attributen die we ook op de gildepenning en gildebrief tegenkomen.

In 1808 werden de gilden door Lodewijk Napoleon afgeschaft en dat gebeurde nogmaals definitief na de totstandkoming van het Koninkrijk in 1818. Twee jaar later, in 1820, werd een wet uitgevaardigd die regelde dat de resterende gildekassen en andere bezittingen van de gilden vervielen aan de desbetreffende stadsbesturen.


Terug naar die replica van brons uit 1975. Via een exemplaar dat te koop werd aangeboden op de website van munt- en penninghandelaar Laurens Schulman vond ik een verwijzing naar het tweemaandelijks tijdschrift voor numismatiek en penningkunst: "De Beeldenaar" (2005, 29ste jaargang nr. 6). Hierin staat een artikel van Raf van Laere: "Penningen in boeken", waarin een originele penning wordt beschreven met een slotopmerking over de replica. 

Die beschrijving luidt als volgt: "Amsterdam; Gilde van boekverkopers en drukkers; Ø 39,5 mm. Vz.: allegorische voorstelling waarin Mercurius, de god van de handel, centraal staat. Hij houdt zijn staf in de rechterhand en een boek in de linker; onderaan drukkerswerktuigen: pers, open boek, passer, inkttampons. Legende: BOEK-VERCOPERS EN DRUCKERS GILT. Kz.: cartouche getopt door het wapen van de stad Amsterdam. In de cartouche over drie lijnen: BALTES /CARELZ /1686. Op het origineel is de tekst gegraveerd. Andere exemplaren dragen de namen van Baltes Boekholt (1658), Esaias van Claveren (1659), Harman Aelsen (1662), Jan Claes (1663), Jan Hermenz (1686), Joannes de Wees (1688) en Bernardus Mourik (1734). Van het exemplaar van Carelz werden bronzen replica’s geslagen naar aanleiding van het congres van de International League of Antiquarian Booksellers dat in 1975 te Amsterdam werd gehouden". Hoe kwam Raf aan die wijsheid? Ik stuurde hem een email en kreeg vrijwel direct antwoord dat zijn bron een exclusieve Amerikaanse numismatische publicatie was.


Het gaat om: "Rarities of Numismata Typographica. Four examples of early Dutch Printers' Bookbinders' & Booksellers Guild Medals" (Newton, 1996). Een prijzige uitgave - in cassette - met vier afgietsels in sterling silver van originele penningen (gemaakt door de Ronnie DaVinci Company). Hierbij zit een beschrijving van William Blades (1824-1890), auteur van "Numismata Typographica; or the medallic history of printing" (Diezelfde Blades was overigens ook auteur van de onder bibliofielen meer bekende: "The enemies of books").
De cassette is een uitgave van de Bird & Bull Press (1958-2013) en aan de beschrijving gaat een introductie vooraf van de uitgever en directeur, Henry Morris (1925-2019). Morris heeft overigens veel meer geschreven over 'tokens voor booksellers and bookmakers'. 


Van zijn: "Rarities of Numismata Typographica" bestaan 120 exemplaren. Ook het zilveren afgietsel van de penning ten name van Baltes Carelz. zit hierin met een afbeelding en beschrijving (bladzijde 27/28). De eindnoot vermeldt: "Our example engraved; Baltes Carelz, 1686. An approximate replica of this medal was struck in bronze and issued as a keepsake during the International League of Antiquarian Booksellers Congress, held in Amsterdam in 1975". Er staat "this medal" waarmee dus niet specifiek het exemplaar ten name van Baltes Carelz. werd bedoeld. Evenmin mag de conclusie worden getrokken dat Morris de initiatiefnemer van mijn bronzen replica was. Morris kocht zijn gildepenningen namelijk pas in 1992 op de veiling in Frankfurt am Main van Dr. Busso Peus Nachf. e.K. waar de omvangrijke collectie van Paul Jehne (1851-1937) onder de hamer kwam. Inbrenger was de Münzhandlung CG. Thieme in Dresden die de collectie van Jehne's erfgenamen had overgenomen en al die tijd had bewaard. 

Mijn zoektocht naar de herkomst en achtergronden van dit curiosum leverde dus helaas geen antwoord(en) op. Noch de NVvA, ILAB, VVVB (KVB) of Koninklijke Begeer konden antwoord geven of wisten er van. Het feit dat Morris wist dat er een replica was gemaakt in 1975 leek mij een aanwijzing te zijn dat de oorsprong moest worden gezocht onder numismatische verzamelaars(organisaties) in Engeland of Amerika. 

Op 28 augustus publiceerde ik (de eerste versie van) dit blog en drie dagen later ontving ik een email met foto's van één van de deelnemers aan het ILAB-congres in 1975 met de volgende verhelderende inhoud.


"Dear Mr. 'Perkamentus',

When I read your request for information about a facsimile medallion issued for the ILAB Congress in Amsterdam in 1975 passed on by Mrs. Elstner, I knew that I had been at that congress but had no recollection of the medallion in question. As is usually the case, I found my copy while looking for something entirely different and I send you images of the medallion, the box it came in and the information leaflet that was included. As to your question of “for whom and how many”, - if I got one then every congressist got one and in those days there were anywhere between 200 and 400 participants. Usually there was a printed list of participants given to everybody, but I will have to be looking for something else to find that! Maybe the Dutch Association still has a note of those numbers.
Best wishes.
"

Keith Fletcher

H.M. Fletcher ABA
The Granary
Moor Place Park
Much Hadham
Herts SG10 6BF
01279 843 507


Het doosje bevatte de penning en een informatieblad met in twee kolommen (links in het Engels en rechts in het Frans) de volgende tekst:

"The medal offered you here as a remembrance of the 23th ILAB Congress is a replica of a token struck in the 18th century for the Guild of Booksellers, Printers, and Art dealers of Amsterdam.
It has not been possible to establish with any certainty when the first token was struck, but one may safely assume that guild tokens were already in use at the end of the 17th century.
The guild token can be described as follows.

Observe:
Mercury, winged and in flight, holding in his hand the caduceus or serpent-wand and in his left hand an open book. To the left of him a printing press, to the right two inkings balls. Mercury is in flight above an open book, flanked by a composing stick and open compasses. Caption: Guild of Sellers and Printers of Books.

Reverse:
The arms of Amsterdam placed above a large oval cartouche, in which a name and date can be engraved. A small twist pattern rings both sides.

Brass, cast: diam. 40 mm.".

Dus toch! De ILAB en de Koninklijke Begeer! Al weten ze het zelf niet meer...

vrijdag 20 september 2019

Op zoek naar de Biblia Pauperum van 1839


Blokboeken behoren tot de oudste voorbeelden van de boekdrukkunst. Het oudst bekende exemplaar, de Diamantsoetra, is Chinees en gedateerd, 11 mei 868!
In Noordwest-Europa verschijnen ze pas vanaf het midden van de vijftiende eeuw en één van de meest bekende voorbeelden is de zogenaamde 'Biblia Pauperum' waarvan ook een exemplaar berust in de Koninklijke Bibliotheek (KB). Omdat ze moeilijk te dateren zijn en vrijwel gelijktijdige verschenen met de eerste incunabelen werden ze hier in het verleden nog wel eens aangezien voor een "voortbrengsel der Costeriaansche pers". Van het type dat in de KB berust (er bestaan verschillende typen, vaak in meerdere staten/edities) zijn diverse exemplaren, soms ingekleurd, vaak incompleet bewaard gebleven (een compleet exemplaar bestond uit 40 enkelzijdig bedrukte bladen).
Het laatste exemplaar uit een privécollectie werd in juni 2002 bij Christie's geveild voor
£ 303.650,- pond. Vijftien jaar later - in 2017 - dook het boek weer op tijdens de 56ste antiquarenbeurs in Stuttgart (Duitsland). Ditmaal werd het te koop aangeboden door Antiquariat Bibermühle van Heribert Tenschert voor 'slechts' € 1.850.000,- euro.


Dat, lieve lezers, ging (en gaat) mij iets boven het beschikbare budget en daarom stel ik mij sinds kort tevreden met een 'next best' fraaie facsimile uitgave van H. Avril: "Biblia Pauperum. A facsimile edition" (1987) die ik via Boekwinkeltjes kocht bij antiquariaat Aleph in Utrecht. Ik bestelde tegelijkertijd de interessante uitgave van C. Schneider: "Blockbücher des Mittelalters. Bilderfolgen als Lektüre" (Mainz, 1991). Deze wetenschappelijke overzichtsstudie - een must voor liefhebbers - verscheen destijds bij de gelijknamige tentoonstelling in het Gutenberg Museum in Mainz en vermeldt maar liefst 128 bewaard gebleven exemplaren of fragmenten van de 'Biblia Pauperum'.


Wellicht vraagt u zich nu af waarom Perkamentus plotseling zo geïnteresseerd is in dit blokboek?
Welnu, die belangstelling werd gewekt toen ik enkele weken geleden op de Amsterdamse Spui boekenmarkt een antiquarisch zeldzaam boekje kocht geschreven door de negentiende eeuwse boekhandelaar Dirk Groebe (1789-1867), getiteld: "Beschrijving van een nieuwlings ontdekt exemplaar van de Biblia Pauperum en de Ars Moriendi" (Amsterdam, 1839), gebonden in een modern zwart kunstleren bandje en blijkens het stempel uit de bibliotheek van de 'Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels'.


In de inleiding schreef Groebe dat hij in de nalatenschap van de Arnhemse predikant H.H. Donker Curtius (1778-1839) twee blokboeken aantrof. Het ging om een tot dan toe onbekend exemplaar van de 'Biblia Pauperum' (met 39 van de 40 enkelzijdig bedrukte bladen, met als watermerk de gotische letter P) alsmede een 'Ars Moriendi' die waren samengebonden met de incunabel van Werner Rolevink (1425-1502) 'Fasciculus Temporum' (Argentine, 1488). Dat was toen al 'groot' boekennieuws en de Groninger Courant maakte daarvan melding op 8 oktober 1839 (niet veel later gevolgd door het "Journal de la Haye" van 2 november 1839):

"De boekhandelaar D. Groebe alhier heeft, naar wij vernemen, voor eenige dagen eene afdruk ontdekt van de zoogenoemde Biblia Pauperum, welker bestaan tot nu toe verborgen schijnt geweest te zijn, en die als het werk van Laurens Koster gemeenlijk beschouwd wordt. Een onzer letterkundige tijdschriften zal eerstdaags, zegt men, een uitvoerig berigt deswege openbaar maken".

Inderdaad treffen we in de Algemene konst- en letterbode van 1839 (nummer 46, blz. 274-278) een kort verslag aan van deze ontdekking. Niet veel later moet Groebe's uitgave 'gedrukt voor rekening van den schrijver' in een beperkte oplage zijn verschenen.
Zo'n aparte uitgave leende zich meer voor zijn ontdekking, schreef Groebe omdat het hele artikel te uitgebreid was voor het eerdergenoemde tijdschrift en bovendien ongeschikt omdat hij een facsimile wilde opnemen van zijn bijzondere vondst.
Die facsimile bij de titelpagina laat duidelijk zien wat Groebe ook bescheef: "de prenten zijn ongelijk veel bleeker van kleur dan de letterdruk". De afbeelding toont het centrale gedeelte van pagina K met de beproeving van Jezus in de woestijn (Mattheüs 4, vers 1-3).  Een waarschijnlijk belangrijker reden voor een aparte uitgave was dat dit commercieel wel zo handig was bij de verkoop van het boek.
Die vond niet lang daarna plaats, zo blijkt uit een uitvoerige advertentie in de "Oprechte Haarlemsche Courant" (d.d. 5 maart 1840). Groebe's publicatie kon zo meteen dienst doen als aparte informatiebron bij de verkoop en de weinige exemplaren die er toen nog waren van zijn beschrijving werden aangeboden voor zestig cent per stuk. Door die krantenadvertentie werd mijn nieuwsgierigheid gewekt. Aan wie was de 'Biblia Pauperum' verkocht? Waar was het boek sindsdien gebleven? Mijn speurtocht naar de huidige verblijfplaats bleek niet zonder hindernissen.

Allereerst raadpleegde ik de 'Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (DBNL)' met het door Jeronimo de Vries Jzn. (1808-1880) geschreven levensbericht van D. Groebe in "Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde" (Leiden, 1867). Daarin staat in een voetnoot (blz. 202) dat de 'Biblia Pauperum' door Groebe zelf werd gekocht, voor driehonderd gulden, voor rekening van Cornelis Charles baron Six van Oterleek. Wie daarna op zoek gaat naar deze adellijke heer komt bedrogen uit er al gauw achter dat die zeven jaar vóór de veiling, in 1833, overleed en dus onmogelijk de koper kan zijn geweest.
Vervolgens zocht en vond ik een exemplaar van de desbetreffende veilingcatalogus van
J. Radink en D. Groebe (Amsterdam, 1840) waar bij dit kavelnummer in de marge een handgeschreven aantekening staat dat de koper jonkheer mr. Hendrik Six van Hillegom (1790-1847) was.


Verder kwam ik met Piet Buijnsters' "Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat" (Nijmegen, 2007) waarin hij Groebe's vondst, diens 'grootste triomf' op antiquarisch gebied, beschreef (blz. 38/39, hoofdstuk 2, 'De oude handel'). Maar ook hij raakt in de war met die Six-families wat blijkt uit zijn voetnoot hierbij (15) waarin hij meldt dat deze 'Biblia Pauperum' later in het bezit kwam van prof.dr. Jan Six (1857-1926). Het was echter niet Jan maar Jan Pieter Six (1824-1899) wiens nalatenschap op 7 mei 1901 werd geveild bij Frederik Muller & Co. ("Catalogue de Manuscrits et de livres provenant des collections Baron van den Bogaerde de Heeswijk, Jhr.Dr. J.P. Six à Amsterdam, M.- L. Hardenberg à la Haye, M. - A.J. Lamme, ancien directeur du Musée Boymans á Rotterdam"). Het boek bracht daar een recordprijs op van zestienduizend gulden die werd betaald door de bekende Londense antiquaar Bernard Alfred Quaritch (1870-1913).

Daarmee is mijn zoektocht bijna volbracht. Want met deze informatie is het voor Perkamentus niet zo heel moeilijk meer om uit te vinden dat Quaritch op zijn beurt de 'Biblia Pauperum' in 1919 verkocht aan de Amerikaanse Pierpont Morgan Library & Museum (New York). Deze enorm rijke bibliotheek werd grotendeels bijeengebracht door de Amerikaanse miljardair John Pierpont Morgan (1837-1913). Daar werd Groebe's convoluut uit elkaar gehaald en de onderdelen afzonderlijk opnieuw gebonden. De 'Fasciculus Temporum' (PML 20985) door Marguerite Duprez Lahey (1880-1958), in een halfleren band van bruin geitenleer en kartonnen platten beplakt met sierpapier en de 'Biblia Pauperum' (PML 3193) door Deborah Evetts, in een moderne perkamenten band. En de 'Ars Moriendi'?

"formerly PML 3192, deaccessioned (1975), current location unknown"...

Tijd voor een nieuwe zoektocht!

donderdag 30 november 2017

Tientjeswerk uit drie eeuwen

"En? Nog wat gekocht?". Is een vraag die mij menigmaal wordt gesteld als ik over boekenmarkten en antiquarenbeurzen loop. Soms knik ik bevestigend maar een enkele keer luidt het antwoord: "Nee; maar ik snuffel en koop al het hele jaar door, dus ik hoef het niet meer te hebben van dergelijke bijeenkomsten...".

Hoe ik het hele jaar doorsnuffel en koop heb ik alweer bijna vier jaar geleden beschreven in: "Sneupen 2.0, de digitale sneuper". Internet afstropen, digitaal sneupen loont en hoeft niet kostbaar te zijn!
Tijd om dat weer eens te onderstrepen met wat recente aanwinsten die tien euro per stuk hebben gekost.
Alle voorbeelden in dit stukje vond ik door op trefwoord via diverse sites te zoeken. Op die manier kom ik titels tegen die me interesseren. Sommige titels leveren weer andere nuttige zoekgegevens. Vervolgens zoek ik met behulp van de volledige titel naar achtergrondinformatie over de publicatie (via Google en de DBNL bijvoorbeeld); hoe schaars is de uitgave? (met behulp van WorldCat, de STCN) en is de vraagprijs in orde? (via Antiqbook en Boekwinkeltjes). Eventueel vraag ik aanvullende informatie op bij de verkoper.

Via Marktplaats vond ik zo niet één maar twee publicaties die nauw met elkaar te maken hebben en gezamenlijk werden aangeboden voor twintig euro. Het zijn twee jubileumboekjes die verschenen ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan in 1915 van 'de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (VBBB)'.
Ze vormen een mooie aanvulling op het rijtje boeken over de 'vereniging met de lange naam' dat ik al hier in de kast heb staan.
Het gaat om J.M. Meulenhoff's: "Viert feest! Korte geschiedenis van de feesten en het jolijt gedurende de eerste honderd jaren uit het leven der Vereeniging" (z.p. 1915) en het zeldzamere: "Programma der feesten ter gelegenheid van het honderd-jarig bestaan van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels te Amsterdam 11 aug. 1815 11 aug. 1915" (Haarlem, 1915).

De eerste uitgave is rijk geïllustreerd met foto's en facsimile's en de illustratie op de voorkant is rechtsboven gesigneerd door Jan Wiegman (1884-1963). De tweede uitgave, een brochure op handgeschept papier, bevat eigenlijk alleen maar een korte opgave van de inhoud het programma op 11, 12 en 13 augustus 1915 met dierentuin Artis als uitvalsbasis en de namen van de leden van de feestcommissie, commissarissen van orde, ereleden, bestuur, medewerkers, gasten en deelnemers. Het is een boekje aangeboden aan de deelnemers door de firma Emrik & Binger en Ruijgrok & Co. te Haarlem. Het bevat enkele illustraties zoals die bovenaan dit artikel alsmede een tekening van Nelly Bodenheim (1874-1951) die duidelijk is geïnspireerd op het alom bekende schilderij van Johannes Jelgerhuis (1770-1836) met het interieur van de boekhandel van Pieter Meijer Warnars op de Vijgendam te Amsterdam (1820).


Dat historisch materiaal met betrekking tot Amsterdam en Amstelland mijn bijzondere belangstelling heeft mag ik inmiddels als bekend veronderstellen. Ik was daarom in mijn nopjes met een zeer zeldzame negentiende eeuwse brochure die ik vond via Boekwinkeltjes. Alleen het Stadsarchief Amsterdam beschikt nog over een exemplaar.
De titel luidt: "De verplichte verhuizing of de onteigenden uit de Halsteeg en Oude-Doelenstraat. Een droom door J.B.", (Amsterdam, 1868). De auteur is J. Braun, waarvan mij verder niets bekend is.

Het gaat hier om een negentiende eeuwse infrastructurele verbetering met als doel het door het stadsbestuur in 1595 ingestelde eenrichtingsverkeer van de Dam door de Pijlsteeg en naar de Dam door de Halsteeg te verbeteren.
Door de bebouwing aan noordzijde van de Halsteeg en Oude-Doelenstraat te slopen, waaronder het sigaren- en tabakmagazijn van Hajenius (thans gevestigd aan het Rokin 96), ontstond de huidige brede Damstraat waar tot op heden al het verkeer doorstroomt.
De brochure doet verslag van een wat wonderlijke bijeenkomst van 'medebewoners en bewoneressen van de Halsteeg en Oude-Doelenstraat, Noordzijde' die bijeengekomen zijn om van gedachten te wisselen over het genomen raadsbesluit tot sloop. Wonderlijk omdat niet de aanleiding c.q. verkeersproblematiek ter sprake komt maar allerlei andere stedelijke - en maatschappelijke veranderingen. Positieve, zoals de bouw van ruimere arbeiderswoningen en de nieuwe duinwaterleiding maar ook minder positieve, zoals het verdwijnen van kleine winkels, de opkomst van grote warenhuizen, de stijgende kosten van levensonderhoud en daarmee gepaard gaande toenemende vrouwenarbeid. De droom eindigt met een hulde aan het stadsbestuur "die met vaste hand voortgaat datgene tot stand te brengen, wat tot wezenlijk heil van de gemeente Amsterdam kan strekken".

Tot slot een curieuze achttiende eeuwse preek die ik (alweer) op Boekwinkeltjes tegenkwam: "Predikatie op den Diefstal Gepleegt aan de Roomsche Kerk van Aarlanderveen. In den Nagt tusschen den eersten en tweeden Juny 1776. Uit den mond des Predikers uitgeschreeven, gepreedikt den 9den Juny", (Amsterdam, 1776).
Theologie (antiquarisch ruim voorradig) heeft niet mijn directe belangstelling maar een fraaie Catechismus of bijzonder drukwerk zoals de 'Samaritane' (het 'dollemansboekje' van Frans Baltensz.) of de Kerst-leerrede “met volkoome uitlaating van de Letter R, zonder dat daar door de zin eenigzints verstoord wordt”, een R-lipogram van de Duitse predikant Joächim Müllner (1647-1695), zal ik zeker niet laten liggen!


De Amsterdammer Joannes Pex (1744-1814) was nog geen jaar pastoor in Aarlanderveen (thans gemeente Alphen aan den Rijn, Zuid-Holland) toen zijn statie in de nacht van 1 op 2 juni 1776 werd opgeschrikt door een inbraak in de kerk. Het zilveren vaatwerk werd geroofd en het H. Sacrament in de tuin der pastorie weggeworpen. Grote commotie!
Van het gemeentebestuur verkreeg Pex toestemming om het H. Sacrament plechtig in processie naar de kerk terug te brengen. Ter gelegenheid daarvan verscheen deze feestrede "uit den mond des predikers uitgeschreeven, gepreedikt den 9den Juny" en op 24 juli 1776 kerkelijk goedgekeurd door de Antwerpse A. de Vries, 'Licentiaet in de Godtsgeleerdheid, Canonik Gradueel, en Penitensier, Boekenkeurder'.

De predicatie werd gunstig besproken in de ‘Hedendaagsche Vaderlandsche Letter-Oeffingen…’ (Amsterdam, 1776, deel 5, 1ste stuk) en kostte volgends deze recensie bij de uitgever zes stuivers.
Er zijn in de afgelopen eeuwen diverse preken uitgegeven maar toen ik op trefwoord naar de titel zocht in de STCN bleek mij al gauw dat dit de enige gelegenheidspreek is die dit misdrijf tot onderwerp heeft.
Een bijzonder ingebonden en geannoteerd exemplaar (mogelijk het exemplaar van pastoor Pex zelf) berust in de bibliotheek van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Daarover is in 'De Boekenwereld' (jrg. 23, 2006-2007) een lezenswaardig artikel geschreven door Hubert Vandewalle, oud-medewerkers aan de STCN.

Misdaad loont niet (zegt men), maar tweeënhalve eeuw later leverde het mij toch maar mooi een bijzondere preek op voor mijn 'private library'!

vrijdag 21 april 2017

De boekhandelaar op de planken


De boekhandelaar duikt regelmatig op in moderne fictie.
Wie op Boekwinkeltjes zoekt op ‘boekhandelaar’ ziet de beroepsgroep in diverse titels voorbij schieten zoals in “De boekhandelaar” van Chris Ceustermans, Roald Dahl (1916-1990) en Matt Cohen, “De boekhandelaar van Amsterdam” (Amineh Pakravan) en natuurlijk die van Kaboel (Asne Seierstad), “De dochter van de boekhandelaar” (Sylvia Schenk), “De boekhandelaar en de detective” (Ramiro Pinilla), “Blok, de boekhandelaar van mijn vader” (Jan Brokken) en ‘last but not least’ het befaamde “Een ochtend bij de boekhandelaar” van Carl. J. Burckhardt (1891-1974).
Die laatste staat trouwens ook hier in de kast en was iconisch genoeg om in 1970 in een drietalige uitgave (Duits, Frans en Engels) te worden uitgedeeld aan de deelnemers van de Frankfurter Buchmesse 1970 (oplage 700 stuks).

Het debuut van 'de boekhandelaar' als fictieve figuur begint in Nederland op de planken van de toneelliteratuur.
Zo rond 1720 verscheen bij Gijsbert Tijsens (1693-1732) het blijspel: “De weergadeloze bedrieger ontmaskerd, of de valsche boekhandelaar in zyn aard en weezen ontdekt” (z.p.z.j). Een kennelijk succesvol optreden want het kreeg in 1727 een vervolg.
Nadat het laatste applaus had geklonken werd het ruim een eeuw stil maar in 1835 ging het doek weer op, speciaal voor mij…!

Ergens halverwege maart op een wat grijze koele vrijdag was ik in Amsterdam. Na het aanschouwen van een voorgoed gesloten en dichtgeplakt antiquariaat De Friedesche Molen in de Rosmarijnsteeg (Amsterdam) kreeg ik sterk de behoefte aan een opbeurend bezoekje aan het nabijgelegen antiquariaat Brinkman.
Ik verwachte Frank aan te treffen maar die bleek verkouden thuis te zitten en dus raakte ik weer eens in gesprek met zijn charmante winkelassistente Joanna Rozendaal.
Joanna was druk bezig met haar werk en terwijl we wat nieuwtjes uitwisselden en er zo nu en dan een bezoeker binnenkwam, om rond te snuffelen of om af te rekenen, viel mijn oog op een klein (octavo formaat) boekje dat opengeslagen in de pronkkast tegen de achterwand stond.

Het waren de eerste twee titelwoorden in kapitaal die mijn onmiddellijke aandacht trokken.
De Boekhandelaar, of het welbetaald handschrift; blijspel in vijf bedrijven door M.H. Binger” (Amsterdam, 1835). De titel(illustratie) en een door de secretaris van de commissarissen van de Stadsschouwburg ondertekende verklaring dat het om een geautoriseerde uitgave gaat tonen het genre aan.
Voor zestig euro werd ik eigenaar van dit mij onbekende stukje toneelliteratuur.

Thuisgekomen besloot ik om allereerst die saaie bruinkartonnen omslag te beplakken met wat origineel negentiende eeuws marmer (zie onderste foto). Dat maakte het boekje qua uiterlijk meteen een stuk aantrekkelijker vindt u ook niet?
Vervolgens bestudeerde ik de provenance kenmerken. Een plakkertje op de Franse titelpagina met nummer 10.693 en een oud bibliotheekstempel op de titelpagina (en nogmaals op de slotpagina) toonde de herkomst uit een (theater)collectie aan.
De stempel behoorde toe aan ‘A. van Lier, theater directeur, Amsterdam’.


Abraham Israël van Lier (1812-1887) bleek na een carrière als muzikant, dansmeester en acteur tussen 1852 en 1887 inderdaad directeur te zijn geweest en wel van het Grand Théâtre (des Variétés), voorheen de Hoogduitsche Schouwburg, in de Amstelstraat.
Daarmee is de herkomst van het boekje mij duidelijk. Of dit blijspel ook in zijn theater is opgevoerd?
De ‘Nederlandsche Staatscourant’ van 2 juni 1835 maakt melding van de première op 2 juni 1835 in de ‘Koninklijke Nederduitsche Schouwburg’ (Den Haag) en laat weten dat de boekuitgave verkrijgbaar was bij H.S.J. de Groot. Datzelfde jaar volgen nog uitvoeringen in de Amsterdamse Stads Schouwburg, de Rotterdamsche Schouwburg en de Leydsche Schouwburg.
Vijfentwintig jaar later, in 1860, keert het blijspel terug op de Amsterdamse planken en wordt het enkele keren uitgevoerd in de Salon des Variétés in de Nes. Van deze laatste uitvoeringen bestaat een aardige toneelbespreking in het ‘Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad’ van 8 oktober 1860.


De Boekhandelaar, of het welbetaald handschrift” is geen oorspronkelijk Nederlands product. De vertaler en bewerker is Marcus Hijman Binger (1797-1872) grondlegger van de boek- en steendrukkerij firma M.H. Binger & Zonen. In 1858 werd hij erelid van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (VBBB).

Binger geeft in zijn voorwoord aan dat hij – bij gebrek aan Nederlandse blijspelen – de vertaling en bewerking ter hand nam van “Das Manuscript“ dat in 1832 werd geschreven door de Duitse actrice Joanna (Franul) von Weissenthurn (1773-1847).
Das Manuscript“ verscheen destijds niet als zelfstandige uitgave maar in een bundel “Neue Schauspiele”, band 13 (Wien, 1832). Wat dat betreft, maar ook als eerste vertaling en bewerking heeft onze Nederlandse uitgave de primeur. De oplage zal niet groot zijn geweest en was met name bedoeld voor de toneelwereld . Dat blijkt bijvoorbeeld uit de opmerkingen over de setting voor het eerste bedrijf (blz. 9) en enkele voetnoten onderaan de bladzijden zoals:
De benaming van (haar)kleur kan zich regelen naar die, welke de actrice werkelijk bezit.” (blz. 20) en “NB. Dit gansche gesprek moet met veel levendigheid gehouden worden.” (blz. 125).

Centraal in het verhaal staat de jonge Reinhart, die zijn naam eer aandoet, en door zijn rijke oom, boekhandelaar Daniel Geerman, wordt gekoppeld aan de ongeletterde en onontwikkelde Agnieta Kruidnagel. De reden is simpel. Zij bezit net als oom lief kapitaal en daar gaat het om. Reinhart echter ziet dat niet zitten en trouwt uiteindelijk met de arme en blinde Louisa Wolbing wiens briljante manuscript met gedichten door haar moeder Amalia bij Daniel Geerman en Reinhart ter beoordeling was beland.

Welke denkbeelden! Welke taal! Welke schilderingen van karakters! Hoe juist! Hoe fijn! Het geheel is zoo eenvoudig, en toch zoo krachtig! Ja, als de vrouwen zoo schrijven, dan zal het hen niemand betwisten dat zij mogen schrijven.” (blz. 74). Dergelijke passages geven ons een interessant en informatief tijdsbeeld over hoe men aankeek tegen de gestadige opkomst van schrijvende vrouwen!
Het land wordt met laf geschrijf als overstroomd, en ook de vrouwelijke huishoudelijkheid, weleer het geluk van den man, verliest zich thans in een wedloop om den bijval van het publiek” (blz. 48).
En:
Ik geef den man de pen en aan de vrouw de naald in de hand. Ik moet geene nicht hebben, die mij het ontbijt in zuivere versmaat opdischt. 
Arm! – Ik houd veel van geld – maar arm had zij nog wel mogen zijn, doch geleerd niet. Eene vrouw, die meer inkt gebruikt, dan de man wijn drinkt, komt niet in mijn huis” (blz. 132).


Tot slot. Ook de groeiende negentiende eeuwse bibliomanie wordt in dit blijspel aangeroerd. Zo is in het tweede bedrijf, eerste toneel (blz. 50-52) sprake van een klant met meer geld dan geleerdheid die een enorme bibliotheek wil aanschaffen tegen contante betaling. Het doet er niet toe met wat, alleen de maat is bepalend.
De maat?
Ja, zijne kasten zijn drie ellen hoog en twee ellen breed. Hij kan de boeken dus niet anders dan bij de el gebruiken”…

vrijdag 20 september 2013

Prospectus

Ephemera now enliven book-fairs; even the most serious book-collector can hardly refuse a publisher’s prospectus for a book or books in which he or she is interested” (“ABC for book collectors”, New Castle, Delaware, 2010, blz. 92).

Het is in de boekenwereld gebruikelijk om het verschijnen van nieuwe uitgaven enige tijd tevoren aan te kondigen.
Bij het gewone leesvoer steeds meer en uitsluitend via de website van de desbetreffende uitgever maar vooral bij luxe - en ‘private press’ uitgaven – waarvoor men meestal moet intekenen - middels een gedrukte prospectus.
Ik ben er gek op en bewaar ze vaak in het desbetreffende boek. Een enkele keer vind ik ze verzamelwaardig en bewaar ik ze ook zonder de aangeprezen uitgave aan te schaffen. Die van de Belgische Carbolineum Pers bijvoorbeeld, gedrukt op mooi papier in fraaie typografie en soms met een illustratie.

Volgens A.J. Brongers “Boekwoorden Woordenboek” (Amersfoort, 2011) is de oudst bekende prospectus gedrukt te Straatsburg in 1469 door de Duitse boekdrukker Johannes Mentelin (ca. 1410-1478). De oudst bekende prospectus voor een Nederlandstalig boek is van de Goudse drukker Gheraert Leeu (ca.1445/1450-1492) voor zijn uitgave van “Melusine” (Antwerpen, 1491). Een reproductie daarvan met toelichting ('Men salse vinden te coope') kreeg ik onlangs cadeau van een medebibliofiel. Deze werd uitgegeven door margedrukkerij De Ammoniet in een oplage van ca. 150 exemplaren ter gelegenheid van de tentoonstelling “Gerard Leeu meesterprenter ter Goude” (december 1992 – februari 1993).


In mijn collectie bevindt zich al enige tijd een achttiende eeuwse prospectus uitgegeven door de boekverkopers Johannes Allart (1773-1811) en Willem Holtrop (1776-1805).
De aankondiging luidt als volgt: “Allart en Holtrop, boekverkoopers te Amsterdam, zyn voorneemens om by inschryving uittegeeven, het aanzienlyk werk, getyteld: Godsdienstige, burgerlyke en krygskundige gebruiken der Grieken, Romeinen, Israëliten en Hebreeuwen, Egyptenaaren, Persen, Scythen, Amazoonen, Parthers, Daciërs, Sarmaaten, en anderen, zoo oostersche als westersche volken, e.z.v.

Dergelijke boek-efemera bleef gewoonlijk niet bewaard maar van deze aankondiging vond ik nog één ander exemplaar in de collectie prospectussen, bijeengebracht door de Leeuwardense boekhandelaar G.M. Cahais (1780-1786, nr.169). Deze unieke collectie in diverse banden bijeengebonden bevindt zich in de Bibliotheek van de Koninklijke Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (Universiteitsbibliotheek Amsterdam).

De niet geïllustreerde prospectus, 4 bladzijden (quarto), lijkt inhoudelijk erg op wat thans nog steeds gebruikelijk is. Eerst een ruime aankondiging om de aspirant koper lekker te maken dan iets over de opbouw en inhoud van de uitgave en tot slot de prijs, uitvoering en voorwaarden. De intekenprijs voor de vier delen, groot quarto ‘op best fransch papier, royaal formaat’ bedroeg vijf en twintig gulden. “De uitgeevers verbinden zich op het allerplechtigst, om, na de aflevering deezes Werks, en buiten inteekening, geen Exemplaar van het zelve minder te verkoopen dan ƒ 36,-. Den inteekenaren, die verzeekerd kunnen zyn van de beste afdrukken der Plaaten, wordt verzocht om de opgave hunner naamen en kwaliteiten, ten einde dezelve in eene behoorlyke orde voor het Werk te kunnen plaatsen”.


De aantekening rechtsonder op mijn exemplaar: “Van de Wed. Terveen & Zoon”, verwijst naar de Utrechtse boekverkoper Jan Terveen. Zijn weduwe (en zoon) zat tussen 1781 en 1787 aan de Lijnmarkt in Utrecht. Zij waren ondermeer uitgever van het bekende boekje van Hiëronymus van Alphen (1746-1803): “Proeve van kleyne gedigten voor kinderen” (Utrecht, 1778). Linksonder staat in handschrift: “Omme (?) de Heer Secr. Hendriksen”. Zoeken naar een secretaris Hendriksen in de 18de eeuw leverde een mogelijke kandidaat op en wel mr. Jan Both Hendriksen (1744-1817), advocaat en procureur, tevens stadssecretaris van Amersfoort en schout van Eemnes Buitendijks. Heeft hij geïnformeerd naar de uitgave bij de boekhandel van Terveen en daar een prospectus gekregen?


Bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam raadpleegde ik de lijst van intekenaren. Deze zit voorin het eerste deel van deze vierdelige uitgave die te Amsterdam in 1786 onder een enigszins gewijzigde titel en met wat minder afbeeldingen verscheen (“Gewoonten der aloude volken; behelzende de ...”). Helaas, noch ene Hendriksen noch de boekhandel van Terveen zijn daarin opgenomen.
De uitgave ging dus aan hun neus voorbij en de prospectus?… die belandde 228 jaar later bij mij.

dinsdag 1 maart 2011

Toekomstvoorspellingen

In 1868 werd bij de Gebroeders Binger te Amsterdam het “Gedenkboek der Feestviering van het vijftigjarig bestaan der Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels op 12, 13 en 14 Augustus 1867” gedrukt. De gladde boekband glimt je tegemoet en doet allerminst denken aan een stoffen bekleding.
Toch gaat het hier wel degelijk om een dunne linnen uitgeversband (met ‘pansy grain’ linnenstructuur) die zwaar in de roodbruine kleurstof werd gezet en vervolgens blind gestempeld (‘embossed’). Het woord ‘Gedenkboek’ op de voorzijde en de jaartallen 1817-1867 op de rug werden verguld.

Behalve een 'feestkroniek' van het driedaagse feest, door H. Binger, werden maar liefst achttien bijlagen opgenomen (A t/m R). Het gaat om de teksten van de toegangsbewijzen, toespraken, naamlijsten, feest- en tafelliederen en beschrijving van de decoraties.
De enige illustratie voorin is een mooie chromolitho die een beeld geeft van de feestdis, op 13 augustus 1867, in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam. Duidelijk is dat een aantal bekende boekhandelaren aan de tafels naar het leven zijn weergegeven. Duidelijk is bovendien dat er geen dames aanwezig waren. Over dat laatste lezen we op blz. 4:
Daar, in die eerste vergadering, werd de vraag, die bereids in de Algemeene Vergadering gedaan, doch aan de prudentie der Feestkommissie was overgelaten, te weten, of er ook Dames bij de festiviteiten tegenwoordig zouden zijn, alleronpartijdigst overwogen, en hoewel de ridderlijkheid van elk onzer Feestkommissarissen en zijn eerbied voor het schoone geslacht boven alle verdenking en twijfel verheven waren, bestonden er nochtans zeer geldige redenen, waarom de lieve Dames – al dragen zij, doordien zij zolders bij zolders verliefde romans verslinden, en de wereld met een gedurig sterker aangroeiend heir van jonge boekverkoopers begiftigen, ook nog zooveel bij ter bevordering van de belangen des boekhandels – van de eigenlijke feestviering moesten worden uitgesloten.


Het ligt buiten de bevoegdheid des onpartijdigen kronijkschrijvers, dit besluit aan de eischen der billijkheid te toetsen en daardoor afbreuk te doen aan de prerogatieven der Feestkommissie. Hare leden hebben dit bij hun eigen geweten en hun eigen wederhelften te verantwoorden.
Over vijftig jaar, wanneer de Vereeniging haar volle eeuwfeest viert, zal het misschien anders toegaan – De emancipatie der vrouw gaat blijkbaar met reuzenschreden vooruit. Alom trachten zij, die tot nog toe, bloode en bedeesd, zich met haar stillen, bescheiden werkkring aan den huiselijken haard, met het weven van de rozeketenen der huwelijks- en moederliefde vergenoegden, ons in het stormachtige maatschappelijk leven de loef af te steken en zich allengs in onze plaats te schuiven. Ja, over vijftig jaren, bij ons volle eeuwfeest, wanneer alle vrouwen geëmancipeerd zijn, dan zal ’t misschien anders wezen, dan bekleedt de dochter of schoondochter van een onzer den presidentszetel!”.

Dat laatste bleek een te optimistische voorspelling. Wie het gedenkboek leest van Vincent Loosjes (1869-1931) “Geschiedenis van de vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels 1815 – 1915” (Amsterdam, 1915) komt al gauw tot de ontdekking dat er geen één vrouw in voorkomt. De 'Vereeniging' was en bleef een mannenzaak ‘pur sang’ en voorlopig zou dat niet veranderen want ook in het daarop volgende gedenkboek, vijfentwintig jaar later, is nog geen vrouw te bekennen.

Bijlage H in het gedenkboek (blz.79/80) bevat een beschrijving van de “Pièces de milieu, gediend hebbende tot opluistering van de tafels bij het diné in het Paleis voor Volksvlijt, en van tragant geboetseerd naar teekeningen van C.L. van Kesteren”.
De beschrijving van nummer IV “Het Woordenboek der Nederlandsche taal compleet!” trok mijn aandacht: “In eene binderij ziet men een reusachtig hooge naaibank, waar een dito boek op genaaid wordt door een werkman, die het klimmen op een keukentrap te baat heeft genomen om de laatste vellen te kunnen aanhechten. Een lange lummel reikt hem het titelblad toe, dat als jaren van uitgave 1865-2065 aanwijst”.
In dit geval bleek de voorspelling te pessimistisch. Het laatste deel verscheen in 1998 (in 2001 werden nog drie delen met aanvullingen gepubliceerd).

De moraal van dit verhaal? Het voorspellen van de toekomst is een vak apart!

vrijdag 17 september 2010

Eén van de zes


Na geduldig zoeken eindelijk gevonden: “Tentoonstelling van hulpmiddelen voor den boekhandel 1881” (Amsterdam, 1881). Een catalogus uitgegeven ter gelegenheid van de eerste, zeer succesvolle, tentoonstelling van de Vereniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (VBBB) in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. Het evenement dat, gedurende twee weken in augustus 1881, zo’n vierduizend geïnteresseerden uit binnen- en buitenland trok, was ook de eerste beroepsmatige tentoonstelling die in het Paleis werd gehouden.


De catalogus bevat één van de mooiste titelpagina’s die ik ken.
Speciaal ontworpen door P.J.H. (Pierre) Cuypers (1827-1921) en gedrukt op papier van de Haagse firma H.F. de Charro & Zonen.
De befaamde Pierre Cuypers is natuurlijk alom bekend als neogotisch (restauratie)architect en bouwheer van vele prachtige kerken, waaronder één in mijn woonplaats. Daarover is ook genoeg informatie te vinden op het internet. Een typografisch ontwerp, zoals deze titelpagina, was voor mij een verrassing. Zou hij dat vaker hebben gedaan of bleef het bij deze ene keer? Mocht u meer voorbeelden kennen dan hoor ik dat graag.
De titelpagina is Pierre ten voeten uit; de belettering, de engeltjes en symboliek. Vergelijk het maar eens met de binnen- en buitenversieringen van zijn twee bekendste creaties: het Centraal Station (1889) en het Rijksmuseum (1885) beiden in Amsterdam.


De firma H.F. Charro & Zonen leverde ook papier voor het tweede en grootste gedeelte van de catalogus (132 blz.) met advertenties van boekhandelaren, drukkerijen en toeleveranciers. Zondermeer het meest smaakmakende gedeelte met fraaie staaltjes typografie want de advertentietekst werd maar al te vaak in een afwisselend lettertype gezet.
Het eerste gedeelte (48 blz.) van de catalogus bevat een voorwoord, ledenlijsten (VBBB), deelnemers en inzenders.
Dit gedeelte werd gedrukt op handgeschept papier van de firma Van Gelder Zonen. Een luxe maar helaas ongelukkige keuze, zo blijkt na bijna 120 jaar. Dergelijk papier is namelijk zeer, zeer gevoelig voor vocht. Exemplaren zonder de bekende vochtplekjes en vlekken (‘foxing’) zijn dus vrijwel onvindbaar. Gelukkig beperkt dit euvel zich in mijn exemplaar tot de eerste dertig bladzijden.


Ook in de media destijds bleef de uitgave niet onopgemerkt. De catalogus “waarvoor men in het buitenland den hoed zal lichten” werd uitvoerig besproken in de krant ‘Het nieuws van den Dag’, van 18 augustus 1881. “(-) de grootste waarde van den catalogus is niet gelegen in die 48 eerste pagina’s, wel in de daarna volgende 132 bladzijden proefdruk, waaraan niet minder dan 28 verschillende firma's of personen hebben medegewerkt. In dit gedeelte hebben onze voornaamste papierhandelaars en boekdrukkers eenen geheel op zichzelf staanden wedstrijd aangegaan om het fraaiste en degelijkste wat zij in hun vak vermochten”.


Het meest interessante staat echter in de volgende passage:
Ook de binders hebben daartoe medegewerkt door ieder een gedeelte van de oplage van den catalogus op hunne wijze en naar hun smaak in te binden. Het denkbeeld daartoe was zeer gelukkig. Ieder, die een catalogus koopt, blijft daardoor in het bezit van een meesterwerk op het gebied der inheemsche boekdruk- en graveerkunst. In zekeren zin is hij daardoor in het bezit gekomen van een deel van de tentoonstelling, dat hij mee naar huis neemt, dat hij bewaart en op zijn gemak met zijne huisgenooten kan bezichtigen. Dat dit kunstwerk tot zulk een betrekkelijk lagen prijs als één gulden verkrijgbaar is moet daaraan toegeschreven worden, dat ieder zijn werk daaraan kosteloos schonk. Feitelijk heeft die catalogus drie, ja viermaal meer handelswaarde”.


Het bindwerk werd door zes firma’s uitgevoerd: J. Brandt & Zoon (Amsterdam) J. Giltay & Zoon (Dordrecht), C. Nederveen (Den Bosch), C. Oostenbroek & Zoon (Haarlem), F. J. V. van den Heuvel (Den Haag) en W.A.F. Koopman (Dordrecht).
Mijn exemplaar, in een blauwlinnen band met stempeldecoratie en vergulde letters, behoort tot het oplagegedeelte dat werd ingebonden door de firma J. Brandt & Zoon uit Amsterdam. Ik ben erg nieuwsgierig naar de andere vijf bandontwerpen waaronder de keuze van de krant: “Zij, die echter zoo gelukkig zijn een exemplaar te bekomen, gebonden door W. A. F. Koopman, te Dordrecht, behooren o. i. tot de gelukkigen”.

zaterdag 11 september 2010

Presentexemplaar

Op 11 augustus 1815 kwamen negentien boekhandelaren bij elkaar in het Amsterdamse logement De Zwaan. Zij ondertekenden de ‘Acte van Verbintenis van eenige Boekhandelaars in Nederland tot het tegengaan van het maken en verkoopen van Nadrukken’. Met deze daad werd feitelijk ‘de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (VBBB)’, thans 'Koninklijke Vereniging van het Boekenvak' (KVB), geboren.

Toen ‘de vereniging met de lange naam’, zoals zij ook wel werd genoemd, een eeuw bestond verscheen het eerste gedenkboek geschreven door haar toenmalige voorzitter Vincent Loosjes (1869-1931) “Geschiedenis van de vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels 1815 – 1915” (Amsterdam, 1915). Het is lezenswaardig en antiquarisch goed verkrijgbaar voor redelijke prijzen. Voor een bodemprijs van slechts € 20,- euro vond ik het een aantal weken geleden op de Amsterdamse boekenmarkt op het Spui. Een fraai exemplaar in bruinlinnen band met de nog sprankelende goudopdruk. Zelfs het originele gedrukte aanbiedingsbriefje zat nog tussen de schutbladen. De illustraties zijn hoofdzakelijk portretten van bekende negentiende eeuwse boekhandelaren en uitgevers die een bestuursfunctie binnen de vereniging hadden vervuld.

Eén van hen was de bekende Haarlemse boekhandelaar en uitgever A.C. Kruseman (1818-1894). Tussen 1852-1858 en 1871-1874 was hij voorzitter en in 1878 werd hij erelid, gelijk met zijn bekende Haagse collega W.P. van Stockum. Net als Frederik Muller, met wie hij goed was bevriend en wiens ‘In Memoriam’ hij later zou schrijven, was boekenliefhebber Kruseman onder beroepsgenoten een gezaghebbende figuur met grote verdiensten. Met talloze auteurs, uitgevers en boekhandelaren onderhield hij contacten.
De weerslag daarvan vinden wij terug in zijn publicatie: “Bouwstoffen voor een Geschiedenis van den Nederlandschen Boekhandel gedurende de halve eeuw 1830-1880” (Amsterdam, 1886-1887). Voor wie zich verdiept in de geschiedenis van de Nederlandse boekenwereld in de 19de eeuw, zoals Loosjes deed voor zijn gedenkboek, is het een onmisbare en ware ‘Fundgrube’. Leukste onderdeel zijn de hoofdstukken ‘persoonlijke waardeering’. Het gaat om “eenige aanteekeningen, de meest bekende boekhandels-firma’s betreffende. Waar van overleden personen spraak is, kan de waardeering luider worden uitgesproken, dan van nog levende”.

Tot de laatste categorie behoorde ook de Leidse uitgever A.W. Sijthoff (1829-1913).
De goede vriendschap was wederzijds.
Toen, drie jaar na het overlijden van Kruseman, bij uitgeverij Sijthoff de (onder boekliefhebbers welbekende) publicatie verscheen van R. van der Meulen: “De boekenwereld…”(Leiden, 1897) werd deze expliciet opgedragen aan A.C. Kruseman: “voorganger en vriend van den uitgever”. Overigens heeft Sijthoff zelf slechts korte tijd een bestuursfunctie in de vereniging bekleed (1866-1869) maar ook hij trad in 1898 toe tot het selecte groepje ereleden.

Met de aanschaf van het gedenkboek 1815-1915 bezit ik nu alle vier de gedenkboeken van de vereniging (de andere verschenen in 1940, 1965 en 1990 en zijn ook antiquarisch ruim voorhanden).
Het werd tijd voor een moeilijker prooi. Ik besloot om op jacht te gaan naar Kruseman’s befaamde ‘Bouwstoffen’. Oorspronkelijk in vier ‘stukken’ verschenen waren ze jaren later, in 1914, nog steeds te koop bij de uitgever (de VBBB) voor zes gulden! Bijna een eeuw later is het echter schaars en duur goed. Ik vond via Marelibri.com slechts drie complete exemplaren, waarvan twee fraai ingebonden in twee delen.


Bij antiquariaat Charbo voor € 295,- euro (‘half marokijn, ruggen verguld, gemarmerde platten en schutbladen’) en bij antiquariaat Forum BV voor € 750,- euro (‘half calf, spines ribbed and gilt’). Een simpele keuze leek mij, maar toen deed ik een onverwachtse internetvondst op (jawel !) Boekwinkeltjes.nl. Daar werd warempel een complete set, de vier stukken apart gebonden in halfleer met goudbestempeling, aangeboden voor (ja, u leest het goed)…..€ 80,- euro! Kijk, daar wordt ik nou vrolijk van! De klap op de vuurpijl moest echter nog volgen….

Toen ik de felbegeerde boeken thuis uitpakte en ze vluchtig doorbladerde las ik in Kruseman’s voorwoord:
Ik zou zoo gaarne mijn vrienden een present-exemplaar hebben aangeboden, bij wijs van kaartje ten afscheid. Beter nochtans docht me, de opbrengst van deze uitgaaf te wijden aan ons ‘Ondersteuningsfonds’, dat wil zeggen aan de weduwen en weezen, die met ons aller bijdragen door de wereld moeten geholpen worden”.
Geen presentexemplaren? Jammer voor de bibliofiel, dacht ik nog.
Maar toen zag ik aan binnenzijde van het eerste deel een ingeplakt papiertje met in zwierig handschrift: “Den Heer A.W. Sijthoff met vriendelijke groet van A.C. Kruseman”. Hebbes!