Posts tonen met het label Neuzenbibliotheek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Neuzenbibliotheek. Alle posts tonen

vrijdag 6 juli 2018

De neus die is toch een sierraad!!!!


De inkt van mijn laatste stukje "Een Amsterdams neuzenlied" was, bij wijze van spreken, nog niet droog of ik trof tot mijn verrassing op de veilingsite Ebay (waar ik vrijwel nooit op kijk) een tweede 'Neuzenlied' aan voor € 8,90 euro (inclusief verzendkosten) aangeboden door een Duitse verkoper in Halstenbek (Sleeswijk-Holstein).


Ditmaal gaat het om een exemplaar uitgegeven door de feestartikelen-firma F. (Frans) Heitz in de Nieuwe Leliestraat 35 te Amsterdam. Aan de hand van het telefoonnummer 32919 kan dit enkelzijdig bedrukte liedblad ( 22 cm. bij 13,5 cm.) worden gedateerd rond 1925. Mede-verzamelaar Jos Swiers van De Althaea Pers - die vijf verschillende neuzenliederen bezit! - heeft deze uitgave ook maar dan met het latere telefoonnummer 47426.
De tekst (op de wijze van: 'Ze zeggen er is geen Prins in 't land enz.') was al bekend dankzij een ouder voorbeeld uit de straatliederencollectie van het 'Geheugen van Nederland'.
Bijzonder fraai is de afbeelding van twee karikaturen ter weerszijde van de titel. Beiden in het bezit van een behoorlijke gaffel. Feestliedjes, valt me op, zijn nog wel eens voorzien van illustraties, straatliederen vrijwel nooit.

De firma Heitz heeft ruim een eeuw bestaan. In de rubriek 'Tips van Joosje' uit 1969 (Dagblad voor Nederland) lezen we dat de winkel werd opgericht in 1859 (door Frans Heitz (1833-1912). In 1969 stond de vierde generatie achter de toonbank en werden er zelfs nog artikelen verkocht uit oude voorraden (soms wel tachtig jaar oud!). Of daar ook nog dit 'neuzenlied' bij zat?

dinsdag 5 juni 2018

Een Amsterdams neuzenlied

In 2011 schreef ik drie stukjes over mijn kleine verzameling boekjes over de neus/neuzen onder de titel; "De Neuzenbibliotheek". Nog in hetzelfde jaar kon ik via het inmiddels uit het straatbeeld verdwenen antiquariaat De Friedesche Molen een "neuzen-revue" toevoegen aan mijn collectie.
Een 'neuzenlied' echter bleef lange tijd een onvervulde wens. Dat die er ook zijn geweest blijkt wel uit de collectie straatliederen van het 'Geheugen van Nederland'. Die kent diverse 'neuzenliedjes' maar het exemplaar dat ik deze week aan mijn collectie kon toevoegen is vooralsnog uniek zowel om zijn tekst als om zijn eenvoudige illustratie (twee clowneske figuren die de titel-banderol vasthouden).

Ik vond dit langwerpig enkelzijdig bedrukte liedblad (ca. 14 cm. bij 43 cm.) een paar dagen geleden op Marktplaats en het kostte mij inclusief verzendkosten slechts  € 6,68 euro! Zoals direct onder de titel staat aangegeven werd het gezongen op de wijze van 'Diender, Diender' op trouwfeesten en partijen door (of samen met) 'de ceremoniemeester'.


De Amsterdamse uitgever staat onderaan vermeld en is ene P.F. Cladder.
Volgens een krantenadvertentie zat deze eerst op de Keizersgracht 475 en verhuisde hij in 1885 naar het adres Singel 436 (bij de Beulingstraat). Peter Frederik Cladder (1876-1959) was gespecialiseerd in bruilofts- en feestartikelen en adverteerde regelmatig in de krant rond 1900. Van hem zijn meer feestliederen bekend zoals een 'Surprisenlied', 'Zilveren kruis-lied', 'Berliner bollenlied', 'Rozenlied' en zelfs nog een ander 'Feestelijk neuzenlied' (dat zich in de Koninklijke Bibliotheek bevindt). Volgens één van zijn advertenties had hij "Liederen in 200 soorten steeds voorradig vanaf 30 cent per 100".
In 1901 verhuisde zijn winkel opnieuw, nu naar het adres Vijzelstraat 72. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat mijn 'neuzenlied' werd uitgegeven en verkocht in het laatste decennium van de negentiende eeuw.


De volledige tekst luidt:

NEUZEN-
LIED

--------

WIJZE

Diender, Diender,


"De vleeschpunt daar van voren op je fazie, 
Wel, 't is fameus! 
Het zij 't een Pukkie is of wel een bazie, 
Die heet : een neus! 
Zoo'n neus is voor 't gelaat een ding der dingen 
Een sierraad, heusch! 
En daarom willen wij een liedje zingen, 
Tot lof der neus 
Neuzen, neuzen 
Wat een groot verdriet, verdriet 
Och, had j'em niet. 
Maar nou je 'em hebt en voelt en ziet, 
Zingt meê met 't neuzenlied.

Och, lieve tijd, wat groot verschil van neuzen
Die heeft een stomp,
En die een oorlogsschip en die een groote reuze,
En die een klomp
Die heeft er een zoolang wel als een toren
Een andre kort.
Die met een bochel, bovenop van voren,
En bleek als gort.
Neuzen, neuzen,
Maar alle deugen niet,
Zij deugen niet,
Alle neuzen die je hier ziet,
Al die neuzen deugen niet.

Maar een soort neus in Hollands groote natie
Blinkt schittrend uit!
Dat neusje, och het is een neus vol gratie,
De neus der bruid.
En dan de Bruidegom, och menschen wat een razie,
Wat heeft hij heusch!
Een Damesschoentje voor zijn Bruigomsfazie,
Wat een mooie neus!
Neuzen, neuzen,
Ter eere van dat ding
Och zing, och zing,
Terwijl gij elkaar een kusje biedt
Nog eens dit neuzenlied!".

De Ceremoniemeester

--------------------------------------------------------------------------------------------

P.F. Cladder, Singel 436, Amst.

vrijdag 9 januari 2015

Elk jaar een goed jaar, elke dag een mooie dag


Het was bij mijn oude werkgever tegen het einde van het jaar altijd vaste prik; de stroom nieuwe jaarkalenders van bedrijven waarmee we zakelijke relaties onderhielden. Soms wel zes verschillende en allemaal even lelijk, kleurloos en fantasieloos. Reclamemateriaal waar eigenlijk niemand op zat te wachten.
Ik heb me er toen wel eens over verbaasd dat zelfs de kalender van onze huisdrukkerij/
uitgeverij, jaar in jaar uit, zo lelijk was dat niemand er belangstelling voor had. Juist van een bedrijf in de grafische industrie zou je meer verwachten dan de dagen van de maand in bloedeloze typografie bekroond met foto’s van berglandschapjes in de Alpen. Om over de lelijke kleurendruk en papierkeuze maar te zwijgen.

Kun je een papieren kalender eigenlijk wel zo maken dat hij zijn houdbaarheidsdatum en gebruikswaarde overstijgt? Ja, dat kan en het bewijs is onlangs in mijn bibliotheek gearriveerd. De titel luidt:

tijd
<<->>
BEELD
<<->>
tijd

31 kalenders
1978 – 2008

Het is een samenwerkingsproject van de Apeldoornse Eikeldoorpers en De Althaea Pers uit Den Haag, waarbij de eerste de oorspronkelijke kalenders heeft gemaakt en de tweede mede zorgde voor de fraaie facsimile uitgave (plus inleiding en bibliografie). De oplage is beperkt tot 50 exemplaren, ingedeeld in een A en B serie (mijn exemplaar: B 10).


Ik ben een notoir liefhebber van fraai margedrukwerk zoals u hier kunt lezen maar vooral als het gaat om (grote) samenwerkingsprojecten zoals dit. Overigens heb ik van Jos Swiers en zijn De Althaea Pers wel meer zoals u weet (en hier en hier kunt lezen).
Ik mag trots zijn op mijn bescheiden Althaea collectie want van deze Nederlandse private press komt vrijwel nooit iets in de verkoop.
Voor alle jaloerse medebibliofielen en liefhebbers van fraai margedrukwerk heb ik daarom (weer) goed nieuws. Net als dat andere samenwerkingsproject van De Althea Pers met Bert van Osnabrug waarover ik eerder schreef in “Bibliofiel artwork” is ook deze uitgave te koop! Op de website van Doortje de Vries c.q. De Eikeldoorpers is daarover meer informatie te vinden.

Alles aan mijn nieuwe aanwinst is eigenlijk groot en groots.
De doos (31 bij 44 cm.), het aantal kalenders (31), de tijd die verliep sinds de verschijning van de eerste (31 jaar) en natuurlijk het project om ze in facsimile uit te geven (2 jaar).
Er is echter nog iets unieks aan deze uitgave en daarover schrijft Jos in zijn inleiding het volgende:
Een andere vraag is echter interessanter: bestaat de mogelijkheid dat we wereldwijd een serie jaarkalenders aantreffen met een looptijd van 31 jaar, waarvan het calendarium met de hand in grootcorps is gezet, de prenten, variërend van 6 tot 12 stuks per jaar, ambachtelijk zijn gemaakt en integraal onderdeel van de kalender vormen en dit alles door steeds dezelfde persoon is bedacht en in eigen atelier met de hand in meerkleuren is afgedrukt op groot formaat papier in oplagen variërend van 25 tot 60 exemplaren? Die mogelijkheid is helaas niet uit te sluiten; we weten het gewoon niet. Maar met een simpele kansberekening zouden we wel eens heel dicht in de buurt van een unieke prestatie kunnen komen. Reeksen kalenders zijn er door de eeuwen heen in een groot aantal vervaardigd. Kunstenaarsprenten bij kalenders – naar het schijnt een vooral Nederlands verschijnsel – zijn ook bekend. Maar alles van slechts één kunstenaar en geheel in eigen beheer ontworpen en met de hand uitgevoerd, dat is in deze uitzonderlijke combinatie vrijwel zeker niet eerder vertoond”.


De kalenders zijn smaakvol ontworpen en geven mij een blij gevoel. Het is leuk om de groei en ontwikkeling die een margedrukker in drie decennia doormaakt zo visueel te zien. Het zijn weliswaar facsimile’s, maar dankzij de uitvoerige bibliografie kan ik van elke kalender precies zien wat de oplage was, het type pers, de papiersoort, het lettertype, de drukseltechniek, de gebruikte kleur en binding plus alle aanvullende bijzonderheden.

De variatie in onderwerp en thematiek is breed, dus is er voor elk wat wils. De kalender van 1982 bijvoorbeeld had het Neuzen-Gilde tot thema wat mij als bezitter van een bescheiden ‘neuzenbibliotheek’ natuurlijk zeer aanspreekt.
De Turkenkalender van de befaamde Hendrik Nicolaas Werkman (1882-1945) was het thema van de kalender in 2000. Ik noem deze speciaal omdat ik wel een fan ben van Werkman net als de Doortje de Vries, vermoed ik, want een aantal kalenders (zoals die 1984 en 2007) doen mij sterk aan zijn druksels denken.


Als bibliofiel koester ik al mijn bijzondere drukwerk, waaronder deze nieuwe aanwinst, in mijn gesloten kast maar met behulp van een wissellijst kan ik er ook voor kiezen de komende 31 jaar telkens een andere fraaie kalender op te hangen
Voor beiden valt wat te zeggen en ik ben er nog niet uit; geheim genot of zichtbaar elk jaar een goed jaar en elke dag een mooie dag.

maandag 24 oktober 2011

Een fiasco in prachtband


De boekenliefhebber die op 26 maart 1852 de nieuwe Rotterdamsche courant las kon de grote advertentie niet zijn ontgaan:
A.C. Kruseman, te Haarlem, heeft de uitgave ondernomen van een belangrijken letterarbeid. Hij stelt zich voor, achtereenvolgens ter perse te leggen eene reeks van nieuwe, zuivere, onverminkte Hollandsche overzettingen van de meesterstukken der nieuwere, en welligt der oudere litteratuur.
Dit plan is gegrond op de volgende overwegingen:
Dat het al meer en meer behoefte wordt voor ieder, die op eenige kennis en beschaving aanspraak wil maken, met de buitenlandsche kunstschatten op 't gebied der letteren bekend te zijn;
Dat het niet ieders zaak is om een schrijver in de oorspronkelijke taal te lezen, goed te verstaan, en in al zijne verdiensten te waarderen;
Dat er van velen dier meesterstukken geene, of dikwijls slechts zeer gebrekkige overzettingen bestaan, en anderen verouderd of uit den handel zijn;
Dat er in de voornaamste landen van Europa eene dergelijke reeks van vertalingen, met de meest naauwlettende zorg bijeengebragt, en door het publiek naar waarde geschat, bestaat;
Dat, eindelijk, ook Nederland hierin niet achter mag blijven en er ook prijs op zal stellen, tegen geringe geldelijke opoffering zich in het bezit te stellen van die werken van hooge waarde, die de proef van den tijd hebben doorgestaan en tot modellen zijn geijkt
”.

Men kon direct intekenen op één of meerdere delen van deze serie buitenlandse klassieken waaronder het boek van Laurence Sterne (1713-1768): “The life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman” (London, 1759-1767).
Vertaald door Mark Prager Lindo (1819-1877) verscheen het onder de titel: “Het leven en de gevoelens van den heer Tristram Shandy“ in afleveringen van: “telkens vier vellen druks in 12°. , te zamen 96 bladzijden, die den tekst bevatten van een honderd en vijftig gewone groot 8°. pagina's. Elke aflevering van 96 bladzijden zal slechts 60 cent kosten”. Zodra alle afleveringen van een deel waren verschenen konden de intekenaren apart een in staal gegraveerd titelvignet kopen à 10 cent.
Kruseman’s uitgave van Tristram Shandy omvatte uiteindelijk 652 bladzijden (in twee delen, 340 en 312 bladzijden) die ieder naar zijn eigen smaak en portemonnee kon laten inbinden.


Toen ik onlangs bij De Slegte in Utrecht een exemplaar kon kopen in een fraaie negentiende eeuwse industriële uitgeversband heb ik niet lang geaarzeld.
Blijkens een klein boekbindersetiketje aan de binnenzijde is deze prachtband van de ‘Gebr. Van den Heuvel, hofboekbinders, ’s Hage’.
Mooi donkerrood linnen met een blinde reliëfpersing op het voor- en achterplat en bovendien op het voorplat en de rug bedrukt met florale motieven in goudbestempeling.
De rug vermeldt naast de auteur en titel ook de uitgever.
Een identiek exemplaar bevindt zich, heel toepasselijk, in de collectie van de Laurence Stern Trust.

Daarnaast vond ik een zwart-wit afbeelding in het boekje van Fons van der Linden (1923-1998): “In linnen gebonden. Nederlandse uitgeversbanden van 1840 tot 1940” (Veenendaal, 1987, blz. 80).
Daarin staat deze band naast een Engelse band die in goud- en blindstempeling veel overeenkomsten vertoont. Van der Linden schreef hierover:
Contemporaine uitgeversbanden uit het buitenland krijgen hier soms een getrouw evenbeeld, zonder dat het op dit moment al mogelijk is de toedracht bij zo’n reproductie te reconstrueren.” Als voorbeeld daarvan noemt hij ondermeer: “de door A.C. Kruseman te
’s-Gravenhage
(?) uitgegeven serie klassieken [Tasso, 1856 enz. gebonden door de Gebroeders Van den Heuvel te ’s-Gravenhage] vertoont opmerkelijke gelijkenis met de delen van ‘Routledge’s British Poets’ [ Milton, 1855 enz.).
Van navolging c.q. kopieergedrag is hier onmiskenbaar sprake, maar door wie? Uitgever Routledge werd pas in 1851 opgericht en de Nederlandse uitgave van Tristram Shandy in deze boekband is van begin 1852.


Ondanks Kruseman’s ‘overwegingen’ liep diens project uit op een financieel fiasco, want in 1859 waren er nog maar 77 intekenaren. De serie werd in 1863 van de hand gedaan, opnieuw uitgebracht onder een andere naam ('de meesterstukken der buitenlandsche letterkunde') en ging in de uitverkoop.
Uiteindelijk kon men bijna tien jaar later Sterne’s Tristram Shandy in vergulde linnen prachtband voor slechts twee gulden en vijfenzeventig cent kopen. Mocht u een dergelijk fraai exemplaar zoeken vinden dan moet u thans rekenen op een bedrag rond de honderd vijfentwintig euro.

zaterdag 24 september 2011

De neuzendans van Hans Sachs


Thomas Mechold, de eigenaar van antiquariaat Zwiebelfisch in Weimar, is een aardige vent met een kort geheugen. Bij mijn tweede bezoek herkende hij me niet meer, terwijl ik twee dagen tevoren nog uitgebreid met hem had gesproken en twee bibliofiele uitgaven contant had afgerekend.
Op mijn vraag of hij wellicht nog andere antiquariaten in Weimar kende antwoordde hij ontkennend. Vreemd, want nota bene om de hoek nog geen honderd meter van Zwiebelfisch zit Buch- & Kunsthandlung Thelemann (Rittergasse 21).
Weliswaar geen antiquariaat ‘pur sang’, ze verkopen ook courante uitgaven, maar wel de op twee na oudste boekhandel in Weimar en hun antiquarische afdeling bestaat sinds 1844!

Bij het snuffelen in de kasten bij Thelemann kwam ik een cassette tegen met twee perkamenten boekruggetjes.
Het bleek te gaan om “Hans Sachens ausgewaehlte Werke” (Leipzig 1923, 1924), een prachtuitgave van Insel-Verlag in Leipzig. Toen ik de in half perkament gebonden boekjes (op de voorzijde blind gepreegd met ‘HS’-signet ) doorbladerde werd ik op slag verliefd.
Mooi lichtgetint en gevergeerd papier waarop de rijkelijk aanwezige en met de hand ingekleurde houtsneden (waarvan enkele uitvouwbaar) prachtig uitkomen.
Het gaat om een selectie uit het omvangrijke oeuvre van één van de belangrijkste Duitse ‘meistersinger’ uit Neurenberg.

Hans Sachs (1494-1576) was een opmerkelijke figuur, die al tijdens zijn leven wijdvermaard was. Opgeleid als schoenmaker schreef hij meer dan 4400 (!)
‘meisterlieder’, 1800 spreuken in korte rijmparen (knittelverzen), ruim 200 toneelwerken waaronder 85 ‘Fastnachtsspiele’ (carnaval) en diverse dialogen.
Omdat hij zijn werk meestal keurig signeerde en dateerde en bovendien op latere leeftijd zijn eigen biografie dichtte; “Summa all meiner Gedicht vom 1514. Jahr an bis ins 1567. Jahr.” is er vrij veel van hem bekend. Zijn cultureel historisch belang is groot omdat hij in zijn werk veel heeft vastgelegd over het leven en de gebruiken van het gewone volk aan het eind van de Middeleeuwen.
Een roerige tijd, want Luther’s reformatie (waarvoor Hans Sachs zich buitengewoon interesseerde en die hij steunde) was in volle gang.
Aanvankelijk wat vergeten kwam de belangstelling voor zijn werk weer op in de 19de eeuw.
Goethe was een bewonderaar van zijn werk en Richard Wagner wijdde er zelfs een opera aan: “Die Meistersinger von Nürnberg”).

Met betrekking tot Hans Sachs had ik kort daarvoor al twee boekjes gekocht in Gotha in de Bücher-
stube van Hannah Höch. Beiden eveneens uitgegeven door de eerdergenoemde Insel-Verlag Leipzig in de bekende, welhaast oneindige, ´Insel Bücherei´ serie, die zijn specifieke verzamelaars kent. Het gaat om: “Ein wünderlicher Dialogus und neue Zeitung. Die Prosadialoge des Hans Sachs” (nr. 579) en: “Das Ständebuch” (nr. 133), van Jost Amman (1531-1591) met 133 houtsneden en begeleidende onderschriften van Hans Sachs. Zes daarvan (de etser, de houtgraveur, de lettergieter, de papiermaker, de boekdrukker en de boekbinder), zijn gekleurd opgenomen in “Hans Sachens ausgewaehlte Werke”.


Maar er was nog iets waarnaar ik al langer zocht en nu eindelijk in deze luxe uitgave terugvond; "Der Nasentanz" (de neuzendans)!
Vooral de houtgravure, gesigneerd ‘NM’ (Nicolaus Meldemann, overleden 1552), gemaakt naar een tekening van Hans Sebald Beham (1500-1555) geniet enige bekendheid. De vroeg zestiende eeuwse afbeelding met gedicht is vermoedelijk één van de oervaders van de latere neuzenpenningen, neuzenboekjes en -prenten.
De oorspronkelijke houtgravure uit 1534 heeft als titel: “Der Nasentanz zu Gümpelsbrunn bis Sonntag” en er hoort een lang gedicht bij. Met sfeervolle en passende muziek is de prent, naast ander werk van Beham, hier te zien.
Hans Sachs schreef hierbij echter (op 26 oktober 1548) zijn eigen gedicht waarin hij verteld hoe hij terecht kwam op een boerenkermis in een dorpje iets ten zuiden van Neurenberg:

Ein Dorf heisst Wendelstein mit Nam,
Dahin ich auf ein Kirchweich kam.


Centraal op het feestterrein staat een lange paal waarin een krans, een neuswarmer (‘Nasen-futter’) en een (blauwe) broek hangen. Het zijn respectievelijk de eerste, tweede en derde prijs.

Da sagt man mir, ein Nasentanz 
Würde man auf diesem Plan noch haben 
Drei grösst Nasen würde man begaben 
Die grösste Nasen den Kranz gewinn’ 
Und würd denn Künig unter ihn’

Een prachtaanwinst voor mijn neuzenbibliotheek!

zaterdag 20 augustus 2011

De neuzen-revue

Ik heb wat voor je”, zei Hein van antiquariaat De Friedesche Molen toen ik langs zijn kraam liep op de afgelopen Dordtse boekenmarkt; “een aanvulling voor je neuzenbibliotheek”!
Toen ik een week later verwachtingsvol zijn winkel in de Amsterdamse Rosmarijnsteeg binnenliep lag daar een fraai exemplaar klaar van de “Neuzen-revue. Voor een onbeperkt aantal Dames en Heeren, of ieder afzonderlijk”, door D. Junior met muziek van Léonce (Groning, ca. 1910).

Zoals ik al in het eerste deel van ‘De neuzenbibliotheek’ schreef wist ik wel dat er een neuzen-revue bestond (naast een neuzenlied), maar vind er maar eens één!
Mijn nieuwe aanwinst bevat naast de muziek voor de pianopartij, het eerste couplet en het refrein. De achterzijde is blanco.
Op de fraaie voorkant, in driekleurendruk, staat dat deze uitgave zestig cent kostte. Daarnaast was er een los vel met uitsluitend de tekst verkrijgbaar voor twintig cent. In de collectie van ‘Het geheugen van Nederland’ ontbreekt een exemplaar - zoals dat van mij - met de pianopartij. Wel beschikken zij over het losse vel met de tekst (in tweede druk). Duidelijk zichtbaar is dat daarop nog vijf vervolgcoupletten staan.
Bij uitgever J.D. Dijk in Groningen verschenen talloze van dergelijke uitgave op deze wijze, zoals rond 1925, “De Kiesrechtdames”. Eén vel bladmuziek met het eerste couplet plus refrein en een los verkrijgbaar tekstblad met meerdere coupletten. Voor de muziek maakte het allemaal niet uit, die bleef natuurlijk voor alle coupletten hetzelfde.
Nu nog even bij de buurvrouw langs om te horen hoe de pianomuziek klinkt. In de tussentijd kan Hein voor mijn neuzenbibliotheek verder zoeken naar de afzonderlijk uitgegeven tekst (a twintig cent) en naar een exemplaar van het neuzenlied!
Hein…?

maandag 18 juli 2011

De neuzenbibliotheek (deel 3)

Voor publicaties over neuzen van voor 1800 is het snuffelen in de Short Title Catalogue Netherlands (STCN) aan te raden. Zo levert een zoekopdracht met ‘Neuzen' of ‘Neusen’ een aantal curieuze achttiende eeuwse neuzenboekjes op.

Dergelijke boekjes werden vaak samengebonden met een almanak en zijn stuk voor stuk zeldzaam.
Soms duikt er een exemplaar op zoals bij de Groningse Universiteitsbibliotheek het: ”Placcaet ende ordonnantie van het neuse-geldt; ofte gilt van de neusen. Spit, Schit, Hagendevelt van Neusen“ (Groningen, 1715). Het bevat zestien houtsneden, veertien tweeluikjes met de afbeelding van een man (links) en vrouw (rechts) met karikaturale neuzen. De korte versjes erboven zijn vermakelijk, bijvoorbeeld:
Als ick eens roock, mijn lieven Vrouw, Soo dient de Neus my voor een schouw”, en: ”Mijn Neus is ’t decksel van de mont, van buyten kael, van binnen bont”.
De afgebeelde karikaturen zijn gezien hun kleding vermoedelijk zeventiende en zestiende eeuws maar werden eindeloos gekopieerd zoals een vergelijking tussen de bewaard gebleven achttiende eeuwse neusenboekjes en dito centsprenten al snel duidelijk maakt.

Voor zover mij bekend is van deze oude neuzenboekjes alleen het “Placcaat en Ordonnantie van het Neuze-Geld ofte Gild van de Neuzen. Gedrukt tot Snuytenburg voor de liefhebbers van neuzen” (Deventer, 1787) in facsimile uitgegeven door H. te Riele in: “De Deventer Gilden over de neus gehakt” (Deventer, 1986). Van deze bibliofiele uitgave, verschenen in een oplage van slechts 350 exemplaren, kon ik onlangs een exemplaar bemachtigen.

Een bijzondere publicatie in mijn neuzenbibliotheek is een schaarse overdruk uit het Jaarboek van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Munt- en Penningkunde onder de zinspreuk ‘Concordia res parvae crescunt’ getiteld: “Het Neuzengilde of dat van Nazarius of Nazareth” (Amsterdam, 1915).
Auteur was Maria Goverdina Antonia de Man (1855-1944), die met name op numismatisch gebied talrijke publicaties op haar naam heeft staan.
Hierin bespreekt zij een aantal curieuze zestiende en vroeg zeventiende eeuwse, vermoedelijk Zuid-Nederlandse, penningen met afbeeldingen van karikaturale koppen met grote neuzen. De randschriften spreken voor zich: “den.guldyn.van.nazarius” en “leyf.hebber.der.neusen.1576”.

Dergelijke zeldzame penningen zijn volgens haar een soort van gildepenningen geweest voor jolige laatmiddeleeuwse gezelschappen, zogenaamde narrengilden (zoals het door Herman Pleij beschreven 'Gilde van de Blauwe Schuit'), die de officiële gilden imiteerden. In die traditie passen volgens haar ook de uitgaven van het Neuzengilde en de taxatie van ongewone neuzen en het heffen van neusgeld zoals volgens deze achttiende eeuwse opgave:
Een Vriesse welgemaekten neus twe blanken (één blank was zes duiten).
Een Haarlemse spek-neus die kleyn is twe blanken en een duyt.
Een roode carmosyne Leydse neus   7 groot.
Een Delfse neus, kleyn of groot   3 stuyvers.
Een Goudse roode brandewijns neus   6 ,,
Een Haagse scherpe neus   12 ,,

Een Dortse en welgemaekte neus   6 duyten”.

In Spektator, tijdschrift voor neerlandistiek (jrg. 8, 1978/1979) heeft A.J. Schuur hierover een artikel geschreven: “Wat moet ik voor mijn neus betalen? Over twee achttiende eeuwse ’neusboekjes’”.

Helaas ontbreekt dit nummer van de Spektator nog in mijn neuzenbibliotheek. Tips zijn welkom en anders is het een kwestie van zoeken tot ik met mijn neus in de boter val.

maandag 4 juli 2011

De neuzenbibliotheek (deel 2)

Vier boeken in mijn neuzenbibliotheek zijn geschreven in de 19de eeuw.
Het zijn allen verhandelingen met een pseudo wetenschappelijk achtergrond, soms gecombineerd met humor.
Het pseudo wetenschappelijk aspect ademt nog geheel de denkbeelden uit van Johann Kaspar Lavater (1741-1801) die eind achttiende eeuw een omvangrijk boekwerk schreef over de fysionomie waarin hij betoogde dat men aan het uiterlijk, het gezicht, het karakter van de mens kan aflezen.

De oudste publicatie is geschreven door de Engelsman George Jabet: “Notes on Noses” (London, 1857). Lavater’s invloed is al in het eerste hoofdstuk merkbaar:
We have a belief, founded on long-continues, personal observation, that there is more in a Nose than most owners of that appendage are generally aware. We believe that, besides being an ornament to the face, a breathing apparatus, or a convenient handle by which to grasp an impudent fellow, it is an important index to its owner’s character; and that the accurate observation and minute comparison of an extensive collection of Noses of persons whose mental characteristics are known, justifies a Nasal Classification, and a deduction of some points of mental organisation there from”.
Volgens Jabet zijn er zes type neuzen te onderscheiden: “The Roman, or Aquiline Nose, The Greek, or Straight Nose, The Cogitative, or Wide-nostrilled Nose, The Jewish, or Hawk Nose, The Snub Nose and the Turn-up, poeticè Celestial Nose”.


Van de publicatie van Pater Bernard van Meurs (1835-1915): “De Neus. Lezing gehouden te Rotterdam en ’s Gravenhage” (’s Hertogenbosch, 1873) bezit ik feitelijk twee uitgaven, want het werd later opgenomen in een bundel: “Verhandelingen over Neus, Niezen, Bliksem, Anagram en Slaapwandelen” (Kuilenburg, 1890). Zijn lezing behandelde de neus op het gebied van de Fysiologie, ‘of de leer van de verrichtingen der organismen’, Esthetica, ‘de leer van het schoone’ en Fysionomie, ‘de leer om uit iemands gelaat zijn karakter te ontdekken’ (Lavater!).
Ook de boekenneus wordt genoemd: “Oudoom Jacob beweert, dat er menschen zijn, die onze huisdieren niets toegeven in het snuffelen, het dadelijk gewaarworden van eenig verborgen voorwerp; hij noemt de zoodanigen menschen met hondenneuzen, en vindt ze op de eerste plaats onder bijna alle geleerden en boekenmannen. ‘Als het om eene geleerde noot of eene aanhaling te doen is, snuffelen zij met ongemeene vaardigheid in het een of ander boek, in den foliant, en dadelijk is het wild gevonden”. Herkenbaar!

Absoluut zeldzaam is de lezing van de Belgische toneelschrijver Frans van Boghout (1830-1897): “Gevels! Luimige, Wetenschappelijke Verhandeling” (Antwerpen, 1889). Over hem is nauwelijks informatie op het web te vinden en van dit boekje vond ik slechts één ander exemplaar in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen. Het is op slecht 19de eeuws papier gedrukt en bevat naast een pseudo wetenschappelijke verhandeling (Lavater!) en historische voorbeelden, talloze bijnamen voor ons reukorgaan.
’t Is eender met welk soort van Adempijp, Afdak, Bef, Blaasbalg, Blaker, Blazoen, Bloedbeuling, Boeg Brilhouder, Dobber, Dromedaris, Druiper, Filter, Framboos, Gaffel, Heuvel, Hoefijzer, Houdvast, Kandeleer, Kapmes, Kapstok, Keersdomper, Kegelaar, Klakkebuis, Klokhuis, Knikker, Knods, Knol, Koker, Kom-eens-veur, Komkommer, Kram, Kreukel, Luchtschouw, Mastentop, Neb, Notendop, Offerblok, Okkernoot, Opsnuiver, Paddestoel, Reukkamer, Schacht, Schoenleest, Snaffel, Snoeffel, Snotbuis, Snuit, Stekelbezie, Trompet, Tronk, Tuimelaar, Uitkijk, Uitroepteeken, Vleeschmonster, Voorgevel, Voorsteven, Wisje-Wasje, Zetel, Zonnewijzer of Zuil men op zijn tronie prijkt, toch dient ieder zijnen Neus in eere te houden, er over fier te wezen en Gode te danken, wien men zijnen Gevel en, door denzelven, het leven verschuldigd is!”.


Een hele rits – denkt u? - maar nog niets vergeleken bij zijn opsomming van zeventig ‘Politieke Neuzen’ (zoals de ‘Democratische- of Volksdommelijke-’) en de lijst met meer dan 400 bijnamen (waaronder Akolietneus, Dwarsneus, Geusneus, Japneus, Kawetterneus, Moggelneus, Pataatneus, Zwetsneus enz. enz.).
Zo, meer over neuzen in het derde en voorlopig laatste deel volgende keer, voor nu genoeg geneuzeld…

maandag 27 juni 2011

De neuzenbibliotheek (deel 1)


Eigenlijk begon het allemaal met de aankoop van deze 19de eeuwse centsprent.
Die verzamel ik niet (!), maar de kleine ingekleurde houtgravures met karikaturale neuzen vond ik zeer curieus. Het is, zoals u kunt zien, een tweetalige centsprent (nr. 52) door Franciscus Antonius Beersmans (1840-1897) in Turnhout uitgegeven tussen 1866 en 1897. Bovenaan staat: “Maar zie toch wat vieze kwasten, kon men hen van den neus ontlasten”.

Wie op de website ‘Het geheugen van Nederland’ het zoekwoord ‘neuzen’ intypt komt behalve deze centsprent nog twee andere tegen uit de collectie (Aernout) Borms waaronder een iets vroeger exemplaar: “Panorama van Fraaije neuzen” (uitgegeven door Lutkie en Cranenburg tussen 1848 en 1881). Bovendien levert het zoeken op dit trefwoord daar een tekst op van een ‘Neuzen-revue’, van rond 1910 en een ‘Neuzenlied’ uit dezelfde periode. De tekst van de laatste komt overigens in het geheel niet overeen met het meer recente ‘Neuzenlied’ van Bert & Ernie uit Sesamstraat!


Even neuzen op internet leverde zo veel interessante gegevens op dat ik, voor ik het wist, serieus zocht naar allerlei uitgaven die ons reukorgaan tot onderwerp hebben. Ik legde mij voorlopig wel een aantal beperkingen op.
1. Het medische aspect mag wel aan bod komen maar het moet geen handleiding zijn voor de keel-, neus en oorarts. Puur medische uitgaven vallen dus af.
2. Geen sprookjes- of verhaalboeken die specifiek voor kinderen zijn geschreven.

Verleidelijk maar misleidend zijn publicaties als:
De Neus van Stalin” (Baarn, 1994), “De neus van Mussolini” (Utrecht, 2011), “De neus van Cleopatra”(Amsterdam, 1975) en de “De neus van Pinokkio” (Amsterdam, 1990). Ze hebben de neus allerminst tot onderwerp en behoren dus niet in een echte neuzenbibliotheek te staan.
Wel aanwezig en wellicht uniek in zijn soort is: “De neus van Frederik van Eeden, Een beschouwing over de betekenis van reuk en geur in zijn werk” (Amsterdam, 1996), geschreven door Prof.dr. R.Th.R. Wentges.
Dan is er nog een grote groep boeken die nauw verwant is aan het onderwerp waaronder: “Het Parfum” (Amsterdam, 1985) van Patrick Süskind en “Pestdamp en bloesemgeur” (Nijmegen, 1986) van Alain Corbin. Deze twee - meer iets voor geurspecialisten - staan wel in mijn boekenkast maar behoren feitelijk niet tot het verzamelgebied.


Er blijft al met al een select groepje over.
Mijn neuzenbibliotheek, tevens bibliotheek om in te neuzen, bevat momenteel niet meer dan een tiental uitgaven. Zuiver getalsmatig is ‘bibliotheek’ daarom een wat wijds begrip (de term ‘collectie’ zou hier beter op zijn plaats zijn) maar heel veel meer dan wat ik nu heb verzameld zal er (denk ik) niet zijn en ik heb niet de illusie dat het onderwerp ooit een hele boekenkast zal vullen. Een plankje om te neuzen is al mooi genoeg. Het zijn stuk voor stuk leuke, soms weinig voorkomende, publicaties die grofweg uiteenvallen in drie categorieën; Humor, Literatuur of (pseudo) Wetenschap.

Humor lijkt erg voor de hand te liggen, maar ik bezit slechts twee uitgaven die echt in deze categorie thuishoren.
Het gaat om het “Neuzenboek” (Hazerswoude-dorp, 1983) met karikaturen van Bert Witte en het uiterst grappige boekje van R. Flicket: “Haal meer uit uw neus: de kunst van het peuteren” (Amsterdam, 1996). De laatste (uit het Engels vertaald) behandeld “de geschiedenis en techniek van een onuitputtelijke liefhebberij, met een unieke raad en daad-sectie voor zelfhulp en doortastend advies bij peuterproblemen”. Aanhangsel 6 achterin is een verzamelblad met vakjes waar ‘pulken’, nadat ze zijn gedroogd, kunnen worden ingeplakt.
Alleen ‘afkomstig van’ en ‘datum’ invullen en klaar. Handig, want je kunt zo gauw zien welke pulken, van wie nog ontbreken en welke je dubbel hebt om te ruilen teneinde je verzameling zo compleet mogelijk te maken…


Met humor geschreven en dus nauw verwant aan deze categorie is het sprookje van Nikolaj Vasiljewitsj Gogol (1809-1852):
De neus”, waarvan een bibliofiele uitgave verscheen bij Stichting De Roos (Utrecht, 1980) in een oplage van 175 exemplaren (mijn exemplaar draagt nr. 102). Feitelijk behoort zijn sprookje tot de Literatuur.
Hierop gebaseerd is een opera getiteld:
De Neus (opus 15)”, geschreven door Dmitri Dmitrijevitsj Sjostakovitsj (1906-1975), die op 18 januari 1930 in première ging in het Maly theater in Leningrad.

Eveneens Literatuur is het boek van Laurence Sterne (1713-1768) “The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman” (London, 1759-1767) dat in 1852 in een Nederlandse vertaling verscheen bij de Haarlemse uitgever Kruseman. Weliswaar niet geheel aan de neus gewijd bevat het vierde deel een verhandeling van ene Hafen Slawkenbergius over neuzen. Het wordt op internet in diverse uitgaven veelvuldig aangeboden en ik moet nog een keuze maken welke daarvan te zijner tijd in mijn neuzenbibliotheek mag plaatsnemen.
Mocht u willen meeneuzen... alle tips zijn welkom.