Posts tonen met het label Curiositeiten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Curiositeiten. Alle posts tonen

zaterdag 9 augustus 2025

De 35ste Deventer boekenmarkt


Vorig jaar eindigde ik het veelgelezen verslag van mijn bezoek aan de Deventer boekenmarkt, ruim twintig jaar later, met een 'cliffhanger'; "Volgend jaar weer?".

En ja hoor! Ook ditmaal was ik van de partij. Net als vorig jaar, na het uitlaten van de hond, in de auto gewapend met koffie en donuts op weg naar een parkeerplek op de Deventer Beestenmarkt. Rond half negen 's ochtends slenter ik de nog enigszins verlaten boekenmarkt op, vol verwachting naar wat de dag mij gaat opleveren.

Het weer werkt - met deze wisselvallige Nederlandse zomer - alvast goed mee. Het blijft de hele dag droog en helder. In de middag wordt het zelfs erg zonnig en warm met af en toe een lichte bries. Uitstekend boekenmarkt-weer en naarmate de dag vordert wordt het drukker en nog drukker.


Mij bekruipt het gevoel dat er minder kramen staan dan vorig jaar, maar het kan ook zijn dat het gewoon leger lijkt door het 's ochtends nog wat spaarzame publiek. Het is in ieder geval weer de gebruikelijke mix van aanbod en publiek die ik aantref. Sporadisch antiquarisch & verzamelwaardig werk, veel moderne uitgaven en daartussen vreettentjes en kraampjes met boekgerelateerde zaken (zoals ansichtkaarten, nieuwe auteurs & boekpromotie, leesclubs, boekbindateliers enz. enz.). Het publiek bestaat weer voor 99 % uit lezers op zoek naar de ontbrekende deeltjes van hun favoriete jeugdserie, detective of strips. Verzamelaars, bibliofielen en handelaren (ik spot alleen Fokas Holthuis) op zoek naar oud en/of bijzonder drukwerk zijn hier (vermoedelijk) op twee handen te tellen.


In mijn gebruikelijke 'sneupstand' loop ik langs de rijen en scan ik het aanbod. Regelmatig zie ik grote en kleine uitgaven die ook vorig jaar op de markt te koop werden aangeboden.
Ik spot - net als vorig jaar - verschillende mij bekende verkopers waaronder Eric Klee (antiquariaat De Uilenspiegel), Axe van Maanen (antiquariaat Klikspaan), Jaap de Jong (antiquariaat 't Wasdom) en zelfs Henk Molenaar die eind vorig jaar (na 33 jaar) is gestopt met zijn kraam op de Amsterdamse Spui boekenmarkt. Ik maak ook even een praatje met Ard van der Steur (antiquariaat Goltzius). Sneller dan in 2024 beland ik op de IJsselkade en ploeg daar als eerste bij een kraam door bananendozen vol ongesorteerd oud drukwerk. Je weet immers maar nooit... Ik vind echter niks en loop weer verder. Het is inmiddels half elf, ga ik vandaag nog wat vinden?


Een half uurtje later is het zover. Bij 'Haagse Harrie' van antiquariaat Leest vind ik een nog ontbrekend deeltje uit de zesentwintigdelige serie verzamelalbums (in grijze omslag): "Curiositeiten van allerlei aard". Nog twee te gaan! Ook koop ik bij hem een curieus boekje: "De kerk- en altaarwijding, eene onderrigting en verklaring over de bijzondere plegtigheden bij het inwijden der kerken en altaren" ('s Gravenhage, 1836). Vervolgens kletsen we wat over vroeger toen ik nog in Den Haag werkte en de wekelijkse grote Haagse boeken- en antiqiteitenmarkt op het Lange Voorhout bezocht... Nog maar enkele handelaren/kramen resteren thans en houden vol. Harrie (vijftig jaar boekhandelaar) mompelt dat hij zijn winkel inmiddels heeft verkocht en dat boeken hun status hebben verloren. Ik mompel zoiets als 'tot volgend jaar' en loop verder langs de eindeloze rij kramen.


Weer een half uurtje later vind ik in een kraampje aan de stadskant een vooroorlogse "Trio letterproef". Die moet vrij zeldzaam zijn - denk ik - en voor slechts tien euro ben ik er erg blij mee. Over de Haagse drukkerij/uitgeverij Trio schreef ik al eerder in: "Een kruidtuin voor vrienden". Mijn volgende aanwinst vind ik in de kraam van "De Tweede Lezer" uit Apeldoorn. Het gaat om: "Goede manieren. Een handboek voor heeren" (z.j. [1903], Almelo) van C. von Franken. Een vrijwel ongeschonden exemplaar in originele linnen band met op het voorplat een sfeervolle (band)tekening van illustrator Arie C. Rünckel (1876-1956). Altijd leuk en niet te vinden op Boekwinkeltjes. Ik betaal de gevraagde tien euro en voel me weer het 'heertje'!


Mijn horloge geeft inmiddels twee uur aan en het wordt tijd om ergens mijn lunch weg te werken. Ondertussen schijnt de zon uitbundig op de drukke mensenmassa die zich langs de boekenkramen wurmt. Ik heb medelijden met het kleine kroost in baby- of kinderwagentjes en verschillende grote en kleine hondjes... Ook erger ik me aan mensen met een boodschappenwagentje of trekkarretje. Ik struikel niet graag over een stapel lullige streekromannetjes, versleten strips of 'young adult' pulp! Na mijn lunch in het gras ergens aan de oever van de IJssel en mijn eerste (tevens laatste) toiletwagen-bezoek stiefel ik verder.


Bij een handelaar met doorsnee boeken in grote dozen vind ik een in bruin linnen gebonden Franstalig tentoonstellingcatalogus: "Le livre français, des origines à la fin du second empire" (Paris et Bruxelles, 1924). Een dikke mooi geïllustreerde uitgave (oplage 850 exemplaren) met de geschiedenis van het boek geschreven, gedrukt of uitgegeven in Frankrijk. Ik aarzel, maar voor een paar euro's besluit ik om die dikke pil toch maar mee te sjouwen....


De handelaar die mij vorig jaar mijn enige aanwinst bezorgde zie ik ook nu weer. Nieuwsgierig naar wat hij ditmaal te bieden heeft monster ik zijn kraam. En niet zonder succes! Als eerste vind ik de: "Harderlijke onderrigting en vermaning van den doorluchtige en hoogwaardigen heer Johannes Bon bij gelegenheid van deszelfs verkiezing en inwijding tot Bisschop van Haarlem" (Haarlem, 1819). Johannes Bon (1774-1841) was de eerste oud-katholieke bisschop van Haarlem (1815-1841) in het Koninkrijk der Nederlanden. Hij was tevens de enige oud-katholieke bisschop in de negentiende eeuw die niet door de Paus werd geëxcommuniceerd! Waarschijnlijk heeft een latere bezitter daarom deze uitgave fraai laten inbinden in een stevige kartonnen band, beplakt met rood sierpapier. 


Ik raak met de verkoper in gesprek en hij vraagt mij of ik het doosje met drukwerk over en uit Amsterdam heb gezien. Ja natuurlijk! Vervolgens attendeert hij me op twee uitgaven met een plan voor de aanleg van de Amsterdamse IJ-tunnel, een eerste en tweede druk (uit respectievelijk 1939 en 1950) geschreven door de industrieel (houthandelaar) T.C. Groot.
Ik bied vijf tientjes voor de tweede ingebonden druk van: "Plan voor de aanleg van een IJ-Tunnel" (Amsterdam, 1950). Die tweede druk is niet alleen uitgebreider maar ook voorzien van nieuwe foto's. Bovendien zie ik voorin een handgeschreven opdracht ondertekent door T.C. Groot waaruit blijkt dat hij dit exemplaar op 27 oktober 1950 aanbood aan zijne excellentie J.R.H. van Schaik (1882-1962). Van Schaik (wie kent hem nog?) was in 1950 vice-premier in het kabinet Drees I. Uiteindelijk werd het plan voor een IJ-tunnel in 1953 goedgekeurd. De aanleg (tussen 1957 en 1968) duurde tien jaar! Op 30 oktober 1968 (ruim een week voor mijn zevende verjaardag!) vond de officiële opening plaats door Koningin Juliana en de Amsterdamse burgemeester Ivo Samkalden.


Bij een andere kraam vol oud drukwerk - waaronder bladen uit getijdenboeken en incunabelen - zie ik in een vitrine een mij bekende uitgave liggen. Het gaat om een neogotisch altaarmissaal van Pustet uit Regensburg (Duitsland) in een band vrijwel identiek aan mijn exemplaar. De handelaar vraagt er (omwille van die prachtband) vierhonderdvijftig euro voor. Dat valt nog mee, maar is beduidend meer dan wat ik voor mijn exemplaar destijds betaalde.
Het eind van de dag begint te naderen. Ik heb geen afspraak dit jaar met de Boekensneuper om mijn overtollig redactie-exemplaar van het jaarboek van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB) te overhandigen, want hij is er vandaag niet bij (zoals te lezen valt in het verslag van zijn bezoek aan de verregende regenachtige Dordtse boekenmarkt). Van de paar boekenliefhebbers van wie ik weet dat ze er moeten zijn zie ik niemand. Ik besluit om op de terugweg nog even langs de kraam van de stichting Desiderata te lopen om daar Peter IJsenbrant (die tevens penningmeester is van het NGB) te begroeten. 


We hebben het even over het verloop van de dag, de onlangs aangetreden aspirant secretaris van ons Genootschap (Arine van der Steur van het gelijknamige Haagse antiquariaat) en de laatste uitgave van Desiderata waarover ik schreef in "Frater Elephas en zijn beste kettertje". Tevens maak ik gebruik van de gelegenheid om hem te bedanken voor de toezending van de eerste bibliofiele uitgave van zijn Desideratum-Pers: "The Library" (een gedicht van Robert Southey). Het is inmiddels vijf uur en zijn vrouw begint met inpakken.
Ten afscheid drukt hij mij een geel kaartje in handen: "HAAT", het tweede druksel van zijn pers... Een half uur later zit ik in mijn auto en zoef ik - tevreden met mijn vondsten - terug naar huis.

Tot volgend jaar?

zaterdag 23 maart 2019

Ochtendbespiegelingen van Frederik de Grote


In 1766 verscheen een klein Franstalig boekje getiteld: “Les matinées du Roi de Prusse écrites par lui-même” (Berlin, 1766). De titelpagina vermeldde weliswaar geen officiële auteur maar de schrijver zou niemand minder zijn dan Frederik II (de Grote) van Pruisen (1712-1786).
De inhoud, waarover later meer, veroorzaakte de nodige beroering en er verschenen tot ver in de negentiende eeuw tal van herdrukken in verschillende talen, soms onder een andere titel zoals: “Soirées du roi de Prusse” en “l' Art de régner”.

Nog tijdens het leven van Frederik verschenen er minstens vijf verschillende edities die alle vrij schaars zijn. Sinds kort staat in mijn bibliotheek een exemplaar van "Les matinées du Roi de Prusse" (Berlin, MDCCLXXXIV [1784]). De uitgave (in duodecimo, 60 blz.) zit in een blauw contemporain kartonnen bandje. Op de versozijde van het titelblad bevindt zich een roodkleurig vierkant ex-libris, waaruit blijkt dat mijn nieuwe aanwinst ooit stond in de befaamde ‘Tetschner-Bibliothek’ van de graven van Thun-Hohenstein. Toen hun stamslot in 1933 werd ingericht als Tjechoslowaaks militair hoofdkwartier werd hun bibliotheek met enkele duizenden banden, in beslag genomen en verkocht. Eén van de opkopers was de later zeer bekende antiquaar H.P. Kraus (1907-1988).


Het oorspronkelijke handschrift (op papier, gemaakt in één van Frederik’s Oost-Pruisische papiermolens, met als watermerk de firmanaam ‘Neuendorf’ en de koninklijke adelaar) zou zich hebben bevonden tussen de familiepapieren van Eugen Freiherr von Massenbach (1817-1894). Was de auteur inderdaad Frederik de Grote?
Het lijkt onwaarschijnlijk en is nooit definitief vastgesteld en de werkelijke auteur is nog steeds een mysterie. In de loop der tijd zijn tal van andere kandidaten genoemd zoals graaf Ewald Friedrich von Herzberg (1725-1795), de Pruisische kapitein-ingenieur C. (Zacharie de Pazzi) De Bonneville (1710-1780) maar ook Voltaire (1694-1778).
Aangezien de laatste een ‘penvriend’ was van de Pruisische vorst mag het opmerkelijk heten dat er met geen woord over wordt gerept in hun brieven. Althans ik vond daarvan niets terug in de uitgave van hun briefwisseling (1736-1778) die in 2007 verscheen bij uitgeverij Van Gennep.

In ‘Les Matinées’ richt ‘Der Alte Fritz’ zich in vijf Machiavelliaanse bespiegelingen tot zijn neef Karel Willem Ferdinand van Brunswijk-Wolfenbüttel (1735-1806). De morgenuren handelen over:
1. De oorsprong van hun stamhuis, de gesteldheid van het rijk, de bodem en zeden van zijn land. "De levenswandel van de meerderheid der vorsten uit dit Huis is verfoeilijk slecht geweest, een genadig toeval en slechts bepaalde omstandigheden, die zeer meewerkten, hebben tot onzen groei het meeste bijgedragen. Ik kan u bovendien verzekeren, dat de eerste die zich onzen kroon opzette, één van de ijdelste en stompzinnigste Heeren geweest is, en bovendien een zeer wanstaltig en puistig lichaam bezeten heeft."
2. Over religie en godsdienst. "Bedenk het wel, mijn waarde Neef, er is niets ter wereld, wat den geest en het hart meer foltert en tiranniseert dan de godsdienst: want deze stemt noch met onze hartstochten noch met de bedoelingen der staatkunde overeen, die toch een monarch allen in 't oog te houden heeft. Zodra men God vreest, of beter gezegd, angst voor de hel heeft, wordt men tot capucijn."
3. Over gerechtigdheid. "De gerechtigheid is Gods evenbeeld. Wie kan in de uitoefening ervan de hoogste volmaaktheid bereiken? Doet men daarom niet verstandiger, als men zelfs het voornemen laat varen, om ze volkomen te bezitten?"
4. Over politiek, schone wetenschappen, de letterkunde en zijn kleding."Ik draag geen andere kleding dan mijn regimentsuniform, mijn troepen gelooven, dat ik dat doe uit bijzondere hoogachting voor hun stand, maar voornamelijk doe ik het, om met een goed exempel voor te gaan".
5. Staatkunde. In de laatste bespiegeling gaat het over zijn drie grondbeginselen in de staatspolitiek; “het eerste voor zijn veiligheid te zorgen en naar gelang van omstandigheden zich uit te breiden; het tweede geen bondgenootschappen aan te gaan dan tot zijn voordeel; en het derde, zich te doen vreezen en eerbiedigen zelfs in de hachelijkste tijden”.
De Franse editie door Spiess die in 1797 in Parijs bij Dentu verscheen bevat een zesde morgenuur over het leger.


Bijna een eeuw geleden verscheen hiervan een schaarse Nederlandse vertaling verzorgd door H.A. Petermeyer (1888-1943) getiteld: “De morgenuren eens konings aan zijns broeders zoon 1766" (Amsterdam, 1924). Petermeyer (‘Peet’) was een Nederlands journalist in Berlijn en correspondent voor tal van bladen. Zijn vader was Duitser en dus sprak en schreef hij vloeiend Duits zodat het geen verbazing wekt dat er gelijktijdig een Duitse editie van zijn hand verscheen.


Petermeyer heeft aan zijn uitgave twee andere elementen toegevoegd. Ten eerste de “Geloofsbelijdenis van Z.M. den Koning van Pruisen” waarvan artikel 1 als volgt luidt:
"Ik geloof niet, wat de Paus beveelt, ook niet in allen deele, wat Luther bevestigd en Calvijn geschreven heeft. Ik geloof echter aan den Eenigen God en stel Zijn Heilig woord tot daadwerkelijken grondslag van mijn geloof en wat daarmede niet overeenstemt, zal nooit door mij worden geloofd, ook al zou een Engel des Hemels het geschreven hebben".
Het tweede is: “De ‘morgenuren’ in Doorn”, een verslag van Petermeyer's bezoek aan de verbannen Duitse Keizer Wilhelm II in Doorn en zijn daar gehouden voordracht over de ‘morgenstonden’. De Keizer was daarin zeer geïnteresseerd en liet ‘en passant’ weten dat hij bijzonder gecharmeerd was van de vierdelige film: “Fridericus Rex” uit 1921/22.
Een historisch kostuumdrama dat de achttiende eeuwse 'frische fröhliche Krieg' toont onder commando van 'Der Alte Fritz'. Kijk en zing uit volle borst mee (let op de tekst!) met de Pruisische 'Fridericus-Rex-Grenadiersmarsch' van Ferdinand Radeck (1828-1903)!


Petermeyer was niet de eerste die een eerste Nederlandse vertaling op de markt bracht.
Die was al een halve eeuw daarvoor verschenen en wel bij de firma R.C. Meijer van Multatulikenner R.C. d’Ablaing van Giessenburg (1826-1904).
Diens vertaling van ‘Les matinées’ zit echter verborgen in de reeks “Curiositeiten van allerlei aardwaarover ik eerder schreef en wel in nummer 34: “Een paar staatsstukken” (Amsterdam, 1876).


Voor: “De ochtendbespiegelingen van den Koning van Pruissen” gebruikte d’Ablaing de uitgave van Ch. Potvin (Brussel, 1871) die de oorspronkelijke, niet vermeerderde tekst bevat (en ook nauw aansluit bij de Berlijnse editie van 1784).
Vraagt men waarom ik, even als mijn geachte vriend, aan deze lezing de voorkeur geef, mijn antwoord is gereed: De bedoelde vermeerdering is blijkbaar een onhandige, walgelijke vervalsching, om schandaal te verwekken; zo’n tekst valt niet in mijn smaak en behoort niet te huis in mijn curiositeiten” (blz. 4). Behalve de 'ochtendbespiegelingen' bevat d'Ablaing's uitgave ook nog het politiek testament van een ander verlicht despoot: "Kopij van het ontwerp van Europesche heerschappij door Peter de Groten nagelaten aan zijn opvolgers op den troon van Rusland, en berustende in de archieven van het paleis Petershoff bij Sint Petersburg".

zaterdag 1 augustus 2015

Curiositeiten van allerlei aard (deel 3)


In het eerste deel van “Curiositeiten van allerlei aard” heb ik wat informatie gegeven over de uitgever van deze serie boekjes, de Amsterdamse firma R.C. Meijer, c.q. R.C. d‘Ablaing van Giessenburg (1826-1904).
Deel twee ging over de verschijningsvorm van de serie en de opbouw van de verzamelbundels, die vaak aanleiding geeft tot verwarring. In dit derde en laatste deel wil ik proberen een indruk te geven van de inhoud van de boekjes (ook al heb ik de serie niet compleet).

Bewijzen kan ik het niet, maar volgens mij moet d’Ablaing geïnspireerd zijn geweest door een Frans voorbeeld dat nog geen dertig jaar tevoren was verschenen onder de titel: “Bibliothèque de Poche. Variétés curieuses et amusantes des sciences, des lettres et des arts” (Paris, 1845-1855).
De opzet daarvan is vrijwel identiek aan “Curiositeiten van allerlei aard” en het zou me dan ook niet verbazen als er ook inhoudelijke overeenkomsten zijn


Dankzij Van Nuys weten we dat d’Ablaing zelf al vroeg was begonnen met verzamelen van anekdotes. Daarnaast ontving d’Ablaing bijdragen van derden zoals Van Nuys evenals van de ‘avontuurlijke’ – en spoorloos verdwenen - journalist C.N.A. Strik van Ratingen (1849-1899?). Ook waren er ingezonden bijdragen van lezers die gehoor gaven aan d’Ablaings oproep daartoe.
Het gros van de bijdragen echter werd overgenomen uit allerlei kranten, periodieken en boeken. Een enkele bijdrage is in een andere taal.
d’Ablaings uitgave is feitelijk een hele grote verzameling anekdoten of ‘petites histoires’ uit de Europese geschiedenis met de nadruk op Frankrijk en Engeland. Dat blijkt vooral uit de boekjes waarin historische personen worden belicht zoals in:

Geheimzinnige Personen” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 8/9) met :

- De Graaf van Moret (Anthonie de Bourbon-Bueil Graaf van Moret, 1607-1632),
- De geheimzinnige bewoners van het kasteel van Eishausen (over de ‘Dunkelgraf‘ en ‘Dunkelgräfin‘),
- Brisacier (beweerde een buitenechtelijk zoon te zijn van de Poolse Koning Jan III Sobieski, 1629-1696),
- Kaspar Hauser (1812-1833),
- Ridder d’Eon (Charles-Geneviève-Louis-Auguste-André-Timothée d'Eon de Beaumont, 1728-1810).

En: “Rare Snaken” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 32/33) met:

- De markies De Brunoy (Jean Pâris de Monmartel, 1690-1766),
- Mr. Stukeley (William Stukeley, 1687-1765),
- Mr. Tallis (John Tallis, ca. 1676-na 1753),
- Mylord Arsouille (Lord Henry Seymour, 1805-1859),
- Rosambeau (Louis Antoine Minet de Rosambeau, 1779-1843).

Kennelijk vond d’Ablaing geen geheimzinnige personen of rare snaken van Nederlandse makelij!
Dwergen daarentegen wel. Zowel Simon Jane Paap (1789-1828) als Jan Hannema
(1839-1878) alias admiraal Tom Pouce komen we tegen in: “Dwergen” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 35/36). Daarnaast vertelt hij over ‘Klein Jannetje’ uit Waddinxveen gehuwd met ‘Lange Jacob’ uit Sneek (J. Kok: “Vaderlandsch Woordenboek”deel 29, blz. 204), Wybrand Lolkes (1733-1801), Kasper Ludwig en Wilhelmus Hozemans uit Oisterwijk (over de laatste twee vond ik geen nadere informatie).


In “Hofnarren” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 41/42) gaat het vooral over de narren aan het Franse, Engelse en Russische hof. Slechts een halve bladzijde (85) is gereserveerd voor de nar van Prins Maurits (1567-1625) met een bronverwijzing naar de boeken van Friedrich Nick: “Die Hof- und Volks-Narren, sammt den närrischen Lustbarkeiten der verschiedenen Stände aller Völker und Zeiten. Aus Flögels Schriften und andern Quellen”. Stuttgart, 1861, 2 delen, deel 1, blz. 488).

d’Ablaings’ negentiende eeuw is in de serie ruim vertegenwoordigd. Aardig is het deeltje “Oud Nieuws” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 43/44). Daarin komen verschillende ‘moderne’ uitvindingen aan de orde die soms al eeuwen oud zijn.
Zo lezen we verhaaltjes over: Luchtdruk als bewegingskracht, Stoomkracht, Rader- en schroefboten, Stoomboten, Het Kompas, Spoorwegen, Gemacadamiseerde wegen, Bruggen, Wagens door werktuigen in beweging te brengen, Stoomwagens, Wegmeters (Odometers), Luchtballons, De Parachute, Duikerklokken en –kleeding, De Scaphander, Gas tot luchtverversching, Tunnels onder water, De electriciteit, De Bliksemafleider, De Electrische Telegraaf, De Electrische Verlichting, De Gasverlichting, Petroleumverlichting, Asphalt als bouwmateriaal, Vergrootglazen, Verrekijkers, De Stereoskoop, Spreekbuizen, Mijnwezen.


Het gaat te ver om alle boekjes tot in detail te fileren dus tot slot nog wat losse curieuze waarnemingen.
Geen van boekjes is geïllustreerd. Enigszins figuratief is de bijdrage “Letterkundige kunststukjes – Poezie” (“Curiositeiten van allerlei aard”, nr. 18/19) met versjes in het Frans en Nederlands in de vorm van wijnflessen, wijnglazen en een palmboom!
In nummer 3: “Curieuse documenten” staat een bijdrage (“Een vreemdsoortig huwelijkskontrakt”) per abuis twee keer (blz. 16 en 42).
In nummer 10: “Flaters in en over boeken” (blz. 4-6) gaat d’Ablaing in op de identiteit van ‘Fancy’ in de door hem zelf uitgegeven: “Minnebrieven” (Amsterdam, 1866) van Multatuli.


In “Zonderlinge testamenten” (nr. 11) ontbreekt een verwijzing naar het zonderlinge testament van Franse dorpspastoor Jean Meslier (1664-1729). De beste en antiquarisch meest gezochte uitgave daarvan - in drie delen - werd door d’Ablaing zelf uitgegeven onder de titel: “Le Testament de Jean Meslier” (Amsterdam, 1860-1864).
Met deze uitgave wordt op de achterkant van boekje nummer 14 geadverteerd.
Nummer 27: “Grote gevolgen van kleine oorzaken” is het enige deeltje (van de exemplaren die ik bezit) met een inhoudsopgave.

Naschrift

Hoe is de stand van zaken (augustus 2025) in mijn bibliotheek?
Welnu, momenteel heb ik 29 van de 32 genummerde boekjes (themanummers) in hun originele omslag en zoek ik daarvan nog de volgende drie nummers: 2, 15, en 29/30.
Van de verzamelbundels heb ik er 24 van de 26 in originele omslag. Ik zoek nog de volgende twee aflevering: 1 augustus 1874 en 1 september 1874.

Ter vergelijking; bij medebibliofiel Ed Schilders stonden 27 boekjes en 4 verzamelbundels. 'Stonden' want ik nam er verschillende uit zijn bibliotheek over... Andere mede-verzamelaars van deze serie waren mij in eerste instantie niet bekend, maar inmiddels weet ik dat de beheerder van 'Democritus' en Atte Jongstra ook liefhebbers/verzamelaars hiervan zijn. Mijn jacht is voorlopig nog niet ten einde!

vrijdag 1 mei 2015

Curiositeiten van allerlei aard (deel 2)

In het antiquarisch circuit ben ik “Curiositeiten van allerlei aard” regelmatig tegengekomen.
Vaak overviel me dan een gevoel van verwarring. Soms waren het genummerde boekjes met één onderwerp en soms waren het verzamelbundels (met datum en jaar op de voorkant), waarin schijnbaar volstrekt willekeurig enkele curieuze onderwerpen waren opgenomen. Verschillende deeltjes ingebonden in een particuliere band (zoals het exemplaar hier links) vond ik ook. Kennelijk was de serie op verschillende manieren uitgegeven; genummerde boekjes (themanummers) en verzamelbundels.
Maar hoeveel delen waren er van elk verschenen en wat zat er achter die verwarrende opzet van de verzamelbundels?
Ik had geen idee!

Dankzij het boek van ‘M’ over d’Ablaing en de firma R.C. Meijer weet ik nu dat er vierenveertig nummers verschenen waarvan twaalf dubbelnummers (op blz. LVIII/LIX staat een overzichtslijstje).
De boekjes met telkens één onderwerp verschenen in klein octavo (ruim 10 x 16 cm; vaak bijgesneden tot 10 x 15 cm.) en zitten in een blanco omslag. Op de rug staat de titel, het serienummer en de prijs.
Op de voorzijde staat bovenaan in kleine letters: “Curiositeiten van allerlei aard” en het serienummer. De titel en de naam van de uitgever zijn in rood gedrukt. Op de achterkant staat uitgeversreclame van de firma Meijer. Ze zijn niet geïllustreerd en tellen 48 bladzijden, de twaalf dubbelnummers 96 bladzijden (exclusief een blad met de franse titel, verso de reeds verschenen titels, en de titelpagina).

De titels (onderwerpen) zijn:
1. Canards, 2. Zonderlinge Advertentiën, 3. Curieuse Documenten, 4. Anecdoten,
5. Drukfouten, 6/7. Koopjesgevers, 8/9. Geheimzinnige Personen, 10. Flaters in en over Boeken, 11. Zonderlinge Testamenten, 12/13. Het Toneel, 14. Van den Kansel,
15. Geestige Gezegden, 16. Voorbeelden van verstrooidheid, 17. Vreemde eigenschappen van Menschen (Personen), 18/19. Letterkundige Kunststukjes. Poëzie, 20. In de Gerechtzaal, 21. Hoge Ouderdom, 22/23. In de Schouwburgzaal, 24/25. Curieuse Gebruiken, 26. Letterkundige Kunststukjes. Proza, 27. Grote Gevolgen van kleine Oorzaken, 28. Letterkundige Bedriegerijen, 29/30. Zonderlinge Strafbepalingen, 31. Op de Planken, 32/33. Rare Snaken, 34. Een paar Staatsstukken, 35/36. Dwergen, 37. Grafschriften, 38/39. Haar en baard, 40. Op de planken (Vervolg en Slot), 41/42. Hofnarren, 43/44. Oud Nieuws.
Deel 45/46 Oud Nieuws (vervolg) werd aangekondigd en was in bewerking maar is nimmer van de pers gerold. Totaal verschenen dus 32 boekjes.


Met de uitgave van verzamelbundels is de firma Meijer waarschijnlijk al eerder begonnen.
Deze boekjes zitten in een grijs papieren omslag. Op de voorzijde staat bovenaan met grote letters “Curiositeiten van allerlei aard” en daaronder – met uitzondering van de eerste bundel - een datum (altijd de eerste van de maand plus het jaar).
Het formaat is klein octavo, ca. 11 x 17 cm., maar vaak zijn ze bijgesneden tot 10 x 15 cm. Elke verzamelbundel telt 48 bladzijden genummerd 1 t/m 48 of 49 t/m 96 en bevat zes verschillende onderwerpen (van elk acht bladzijden).

Een onderwerp komt voor in zes bundels (6 x 8 = 48 blz.) of - bij dubbelnummers - twaalf bundels (12 x 8 = 96 blz.). In elke bundel begint het onderwerp op een andere bladzijde.
Bijvoorbeeld ‘Flaters in en over boeken’ (10) vinden we in bundel 2 op blz. 9 t/m 16 vervolgens in bundel 4 op blz. 1 t/m 8, in bundel 5 op blz. 25 t/m 32, in bundel 6 op blz. 17 t/m 24, in bundel 8 op blz. 33 t/m 40 en in bundel 9 op blz. 41 t/m 49 (inclusief de titelpagina met een overzicht van de verschenen titels op de verso zijde).
Zo uitgegeven bestond de mogelijkheid om “desverkiezende elke rubriek later afzonderlijk met doorlopende paginatuur” te laten inbinden. 


Verspreid over drie jaar verschenen er in totaal zesentwintig bundels, waarvan ik er drieëntwintig bezit. Van de in 1874 verschenen nummers ontbreken in mijn collectie nog 14 (augustus), 15 (september) en 16 (oktober).

1. No.1 (1 juli 1873), met een gedeelte van de nrs. 1, 2, 3, 4, 5, 6/7
2. 1 augustus 1873, met een gedeelte van de nrs. 2, 3, 5, 6/7, 10, 11
3. 1 september 1873, met een gedeelte van de nrs. 1, 5, 11, 12/13, 14, 15
4. 1 oktober 1873, met een gedeelte van de nrs. 2, 3, 10, 11, 12/13, 14
5. 1 november 1873, met een gedeelte van de nrs. 10, 11, 12/13, 16, 17, 21
6. 1 december 1873, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 10, 12/13, 14, 21, 26

7. 1 januari 1874, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 11, 12/13, 16, 20, 26
8. 1 februari 1874, met een gedeelte van de nrs. 5, 6/7, 10, 12/13, 16, 21
9. 1 maart 1874, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 10, 11, 15, 22/23, 26
10. 1 april 1874, met een gedeelte van de nrs. 2, 5, 8/9, 16, 18/19, 22/23
11. 1 mei 1874, met een gedeelte van de nrs. 14, 16, 21, 22/23, 17, 26
12. 1 juni 1874, met een gedeelte van de nrs. 2, 3, 14, 22/23, 16, 20
13. 1 juli 1874, met een gedeelte van de nrs. 14, 8/9, 1, 4, 16, 22/23
14. 1 augustus 1874 
15. 1 september 1874
16. 1 oktober 1874, met een gedeelte van de nrs. 4, 17, 24/25, 20, 8/9, 26
17. 1 november 1874, met een gedeelte van de nrs. 1, 8/9, 15, 20, 24/25, 26
18. 1 december 1874, met een gedeelte van de nrs. 8/9, 6/7, 12/13, 18/19, 22/23, 24/25

19. 1 januari 1875, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 8/9, 12/13, 18/19, 22/23, 24/25
20. 1 februari 1875, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 8/9, 12/13, 18/19, 22/23, 24/25
21. 1 maart 1875, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 8/9, 12/13, 18/19, 22/23, 24/25
22. 1 april 1875, met een gedeelte van de nrs. 24/25, 22/23, 6/7, 18/19, 8/9, 12/13
23. 1 mei 1875, met een gedeelte van de nrs. 6/7, 8/9, 12/13, 18/19, 22/23, 24/25
24. 1 juni 1875, met een gedeelte van de nrs. 15, 26, 4, 17, 24/25, 3
25. 1 juli1875, met een gedeelte van de nrs. 20, 4, 17, 26, 5, 24/25
26. 1 augustus 1875, met een gedeelte van de nrs. 1, 3, 4, 15, 18/19, 20

Alleen de eerste verzamelbundel is genummerd ‘No. 1’, alle anderen niet.
Wanneer verscheen ‘No. 1’?
Achterop staat onder ‘Aan den lezer!’ 1 mei 1873 maar op de achterzijde van de volgende verzamelbundels staat dat de eerste van 1 juli 1873 is.
Dat laatste lijkt gezien de daaropvolgende maandelijkse verschijning te kloppen.

Het ziet er naar uit dat alleen de eerste zesentwintig onderwerpen in een verzamelbundel zijn uitgegeven.
In dat geval bestaan van de titels 27 t/m 43/44 alleen de genummerde boekjes (themanummers).

Op de achterzijde van elke verzamelbundel staan de al verschenen titels, een enkele keer wijkt de titel af. Dat met ‘Advertentiën’, ‘Documenten’ en ‘Verstrooidheid’ de nummers 2, 3 en 16 wordt bedoeld is vrij duidelijk, maar dat geldt niet voor ‘Antipathie’ en ‘Voor de Balie’ waarmee respectievelijk ‘Vreemde eigenschappen van Menschen’ (17) en ‘In de Gerechtzaal’ (20) worden aangeduid.


In vrijwel alle verzamelbundels zit achterin uitgeversreclame; ‘Extrait du Catalogue de la Librairi R.C. Meijer’ (gedrukt op een andere goedkopere papiersoort). Titel en inhoud verraden dat d’Ablaing vooral Frans georiënteerd was en Nuijs bevestigt dat ook.
d’Ablaing schreef meer fransch dan hollandsch, reeds als knaap vinden wij fransche aantekeningen, overgeschreven fransche verzen enz., fransch was de taal van d’Ablaing. Engelsch werd niet veel gebruikt, althans niet in correspondentiën en aanteekeningen, maar dat d’Ablaing die taal machtig was, getuige zijn tegenwoordigheid als afgezant van de Hollandsche Vrijdenkers op hun congres te Londen (1857) gehouden. Duitsch daarentegen werd zelden door hem gesproken noch geschreven, hij hield eenvoudig niet van Duitschland” (blz. XVIII).

Korte aandacht verdient de reclamebijlage in de verzamelbundel van 1 mei 1874; “ouvrages neerlandais, la plupart au rabais”. Wat vooral opvalt is dat veel van de aangeboden Nederlandse boeken ruim honderd jaar oud zijn met als duurste hoogtepunt een eenenvijftig-delige uitgave van Isaac Tirion: “Tegenwoordige staat van alle volkeren (1731-1795)”!


Nu we wat meer weten over de uitgever, de vorm en de opzet van “Curiositeiten van allerlei aard” gaan we in het volgende, derde deel, nader in op de curieuze inhoud van deze serie. Die is namelijk beslist de moeite waard!

vrijdag 17 april 2015

Curiositeiten van allerlei aard (deel 1)

"In het Amsterdamsche ‘Algemeene Handelsblad’ van den 18 september 1872 verscheen de volgende door mij ingezonden aankondiging:

CANARDS

Of KLUCHTIGE, LEUGENACHTIGE BERICHTEN, over Nederland en de Nederlanders, door de buitenlandsche pers verspreid, worden, onder meer curiositeiten, door mij verzameld, met het doel ze in den vorm van een periodiek geschrift in het licht te geven.
Degenen, die mij hieraan kunnen en willen behulpzaam zijn, zullen mij bijzonder verplichten mij een en ander toe te zenden.

R.C. d’Ablaing van Giessenburg
Amsterdam, 15 september 1872.
(‘Curiositeiten van allerlei aard’, No 1, 1873).

De kans dat je als bibliofiel bijzondere pamfletten, brochures en leuke kleine uitgaven vindt is nog steeds vrij groot. Ik mag daarom graag bladeren door bakken, dozen of mappen gevuld met dit ephemeer/efemeer drukwerk.

Curiositeiten van allerlei aard” is een serie kleine boekjes met allerlei gekke wetenswaardigheden die ik regelmatig tegenkom op boekenmarkten en in antiquariaten. Onlangs kocht ik voor een luttel bedrag in één keer een flink aantal exemplaren. Niet alleen de inhoud maakte me nieuwsgierig maar ook het verhaal achter deze uitgave.

Dat de titel mij erg aanspreekt kunt u – als trouwe lezer van mijn blog - begrijpen.
De kamer van deze ‘antiquarius’ staat immers vol met curiositeiten van allerlei aard en met het zelf opschrijven van gekke historische feiten en weetjes begon ik al vijfendertig jaar geleden onder de titel: “Vreemde verhalen uit de geschiedenis”, in de ‘AA’ (Afdeling Amsterdam), het gestencilde blaadje van de Nederlandse Jeugdbond voor Geschiedenis (NJBG).
Bovendien wat is mijn blog anders dan een verzameling (vaak bibliofiele) curiositeiten van allerlei aard?

Curiositeiten van allerlei aard” werd uitgegeven door de firma R.C. Meijer in Amsterdam. Achter deze firmanaam gaat de vrijdenker, uitgever en boekhandelaar R.C. d’Ablaing van Giessenburg (1826-1904) schuil. Thans geheel vergeten moet hij in zijn tijd voor velen een bijzondere figuur zijn geweest en gelukkig is er - mede daarom - vrij veel van hem bekend.

Al direct na zijn dood verscheen een boek met herinneringen aan - en brieven van hem, verzameld en geschreven door ene ‘M’ ( = P.J.A. Meersmans), onder de lange titel: “Rudolf Charles d’Ablaing van Giessenburg (Firma R.C. Meijer, Amsterdam, Damrak 97) 1895-1904. Persoonlijke herinneringen door M alsmede d’Ablaing’s omgang met Multatuli (Ed. Douwes Dekker) in de jaren 1860-1866, geschetst uit beider nog onuitgegeven brieven en bescheiden. Met een voorwoord van Chr. Nuijs” (Amsterdam, 1904).
Ik heb hiervan een mooi exemplaar in groen linnen band met goudopdruk gekocht bij een antiquariaat in het zuiden van het land. Voorin zit een portret van de hoofdpersoon, een oudere enigszins vermoeid kijkende heer, met schrijfgerei in zijn rechterhand.
Uit de titel blijkt wel dat de bekendheid en het belang van d’Ablaing voor een deel schuilt in het feit dat hij nauwe contacten onderhield met Multatuli. Hij was diens secretaris en gaf werk van hem uit maar bovendien woonde Eduard Douwes Dekker (1820-1887) ook enige tijd bij hem in.


Chr. W. Nuijs die het voorwoord schreef in het bovengenoemde boek verhaalt op aangename wijze hoe hij met d’Ablaing in contact kwam.
Het was op een kouden morsigen Novemberavond. De lantaarns gaven, door den dichten fijnen sneeuwstorm, weinig licht, doch niets kon schrijver dezes bewegen den huiselijken haard op te zoeken. Voor hem was alles koud en dood. Welk een stemming, welk een gedachtengang, met geen woorden te beschrijven. Ik liep maar door, altijd vooruit, waar zal ik geloopen hebben? Ik weet het niet, maar wel weet ik, dat mijn oog getroffen werd, door den titel van een boekje ‘Curiositeiten van allerlei aard’, dat in de uitstalkast lag Damrak 97. (-)
De electrische schel weerklonk en scheen den bezitter te waarschuwen, ‘er iemand voor de zaak was’. Er verschijnt een oud-man, voorover gebogen door den last zijner jaren, met lange grijze lokken en baard, calotte op het hoofd van dito grijze stof als het costuum en pantoffels aan. (Later zag ik nooit anders). Er werd onderhandeld en ik kocht eenige deeltjes uit genoemde serie. Hoe het kwam, zelf kon ik daar geen rekenschap van geven, maar ik gevoelde mij tot den onbekende aangetrokken, en mijne zwartgallige levensbeschouwingen leden gelukkig dien avond schipbreuk.
Ik vroeg naar den schrijver of navorscher van die curieuse berichten. Hij was het, de man die voor mij stond, hij d’Ablaing, mijn latere intieme vriend. Gelukkig was ik gestemd, iemand gevonden te hebben, die ook lust had in schoone-zaken en … om 10 uur verliet ik den winkel
” (Blz. XI/XII).


De firma Meijer heeft in Amsterdam op verschillende adressen gezeten; Vijgendam J 628, Damrak 97 en Kalverstraat E. 246 (later omgenummerd naar 64). Hoe d’Ablaing in het boekenvak is geraakt is al eens eerder beschreven door M. Keyser in: “De helse vruchtboom of hoe R.C. Meijer in het boekenvak terecht kwam, 1847-1857” (in ‘De Boekenwereld’, jaargang 10, nr. 3, februari 1994). Wie zich verdiept in het fonds van de firma Meijer komt al gauw tot de slotsom dat “Curiositeiten van allerlei aard” een buitenbeentje is. Hoe was d’Ablaing op het idee voor deze uitgave gekomen?


Studie-schriften scheen het publiek niet te willen’ zeide hij eens tot mij, ‘daarom gaf ik in overleg met mijn vrouw ‘Curiositeiten van allerlei aard’ uit. Reeds als jongen had d'Ablaing de eigenaardige gewoonte, om typische personen, zaken, omstandigheden en gebeurtenissen met een enkele aanteekening te boekstaven. Ziedaar reeds de grondslag van die latere uitgaven welke hem óok verlies berokkenden. Om den verkoop te doen bevorderen, schreef ik nog eenige uitvoerige artikelen met vermelding van enkele eigenaardige curiositeiten, maar... de uitgave in 1874/75 begonnen, vond geen koopers (Deze uitgave werd in de Juny j.l. gehouden fondsveiling bij de firma R. P. de Vries verkocht aan de welbekende firma Vlieger hier ter stede woonachtig)” (aldus Nuys, blz. LIV).


Behalve belangrijke achtergrondinformatie over d’Ablaing vinden we in de uitgave van Meersmans ook een overzicht van de vierenveertig titels uit de serie met curiositeiten die vanaf 1873 maandelijks verscheen.
Voor de niet geïllustreerde boekjes betaalde men 0,30 cent per stuk (de dubbelnummers 0,60 cent). Bij voorintekening op een jaar kreeg men korting en waren ze 0,25 cent per stuk.

Wie de boekjes wil gaan verzamelen en zich verdiept in het antiquarisch aanbod wordt al gauw overvallen door een gevoel van verwarring en overzichtsverlies.
Dat heeft alles te maken met de verschijningsvorm en opzet van deze curieuze serie. Daarover en over de inhoud meer in het volgende (tweede) deel van dit stuk.