Posts tonen met het label Graveur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Graveur. Alle posts tonen

vrijdag 10 juli 2026

De Dordtse boekenmarkt en wat ik daar vond...


Ruim vijftien jaar geleden, op zondag 3 juli 2011 bezocht ik voor het eerst en voor het laatst de boekenmarkt in Dordrecht... Tijd om weer eens te gaan kijken dus, temeer omdat ik dit jaar hoogstwaarschijnlijk niet in de gelegenheid ben om naar de Deventer boekenmarkt te gaan (zoals in 2024 en 2025).

En dus stapte ik zondag 5 juli - na het uitlaten van Flynn, de hond - om half acht 's ochtends met koffie en appelflappen in de auto. Ruim een uur later, rond half negen, parkeer ik in het centrum in parkeergarage Achterom, direct naast de boekenmarkt. Het weer is prima. Bewolkt maar niet koud, prima boekenmarktweer en naarmate de dag vordert wordt het ook steeds warmer en drukker.

Eenmaal buiten komen de eerste kraampjes al gauw in zicht. Ik ben niet ruimschoots op tijd, maar veel te vroeg! Anders dan op de Deventer boekenmarkt - waar iedereen ruim voor de officiële opening klaar staat - zijn hier de meeste tafels nog 'woest en ledig' en talrijke verkopers zijn druk bezig met het inrichten van hun kraam. Langzaam wandel ik via de Sarisgang naar het Statenplein in de hoop op wat meer drukte en vertier.


Ik maak een praatje met Jos en Ria Grimbergen (Grimbergen Boeken Antiquariaat) en begroet Axe van Maanen (antiquariaat Klikspaan) en Eric Klee (antiquariaat De Uilenspiegel), die ik beiden ook al op de vrijdagse boekenmarkt op het Amsterdamse Spui zag. Bij Eric kom ik rond tien uur een potentiële concurrent verzamelaar tegen; Frank Martinet. We begroeten elkaar kort en ik vervolg mijn weg door de nog stille Nieuwstraat en Museumstraat. Daar ontwaar ik de kraam van de onvolprezen stichting Desiderata met Peter IJsenbrant en Martin Hulsenboom. Maar... boeken gaan voor, de dag is nog lang en dus besluit ik om anoniem voorbij te schuifelen om later op de dag terug te komen. Op de hoek bij de Steegoversloot zit een mij bekend echtpaar in het zonnetje aan de koffie. Het zijn de Goudse bibliofiel Paul Abels en zijn vrouw Christa. Maar.... boeken gaan voor, de dag is nog lang en wellicht kom ik ze later op de dag weer tegen.


Ondertussen is het elf uur geworden en terwijl ik in de Steegoversloot langs de kramen met uitgestald platenvinyl sjok bekruipt mij het gevoel dat ik in Dordrecht waarschijnlijk niks van mijn gading zal vinden. Te weinig oud interessant drukwerk. Ik voel inmiddels ook dat ik mijn ochtendkoffie moet lozen, evenals de appelflappen... Op de Statenmarkt staat een toiletwagen maar ik heb geen losse euro bij de hand en ze zullen wel geen pinapparaat hebben. Zodoende sjok ik voort op zoek naar een café of iets dergelijks met schoon sanitair.
De aandrang wordt langzaamaan groter als ik afbuig naar de Voorstraat, maar de verlossing is nabij! De deuren van de Augustijnenkerk staan wijd open en er klinkt gezang. Zondag natuurlijk... Een vriendelijke jongeman bij de kerkdeur informeert mij dat er een doopdienst plaats vindt en ik besluit het (brandschone) toilet te bezoeken; 'Gods water over Gods akker'.

Opgelucht verlaat ik de kerk en struin verder. Al gauw sta ik voor de boekenkraam van EmporiumCS waar ik wat babbel met Laurent Chavagne. Ik ken hem en zijn handel van de Deventer boekenmarkt. In de bakjes met klein los drukwerk vind ik het mij zeer bekende "Hoe men vroeger drukfouten bij het publiek aandiende" (z.p. [Amsterdam], z.j. [1925]), geschreven door pater Bonaventura Kruitwagen. Het bestaat in drie verschillende varianten en de vroegste daarvan die 'niet in den handel' verscheen (op de foto geheel links), had ik nog niet. 


In hetzelfde bakje vind ik iets heel curieus. Een brochure met de titel: "Lijst van geschriften, welke als aanstotelijk voor de eerbaarheid zijn te beschouwen (artikel 240 Wetboek van Strafrecht)". Een smakelijke uitgave ('vertrouwelijk') samengesteld door de Onderafdeling Opsporingsbijstand, Bureau Bijzondere Delicten van het Ministerie van Justitie, directie Politie ('s-Gravenhage, z.j. [1959?]). Het gaat om een lijst met 508 titels (schrijver en uitgever) van uitgaven, groot en klein, die meestal onder de toonbank werden verkocht. Daarnaast zijn vele via particuliere netwerken verspreid, want in de kolom 'uitgever' staat regelmatig 'getypt' of 'gestencild'. Ik vermoed dat het gros voorgoed verloren is gegaan en dat de informatie in dit boekje het enige is wat aan hun vluchtig bestaan herinnert.


Ik reken beide boekjes af en wil weglopen maar zie vanuit mijn ooghoek nog een leuke uitgave liggen. Het is: "For Bob de Graaf, Antiquarian Bookseller, Publisher, Bibliographer. Festschrift on the occasion of his 65th birthday" (Amsterdam, 1992). Bob heb ik helaas nooit gekend maar bij zijn weduwe Emmie de Graaf-Bierbrauwer kocht ik alweer vijftien jaren geleden mijn eerste "Gysbreght" (zoals u hier kunt lezen). In mijn bibliotheek staan verschillende van dergelijke hulde-uitgaven, waaronder het persoonlijk exemplaar dat de vader van de boekwetenschap, Herman de la Fontaine Verwey (1903-1989), ontving bij zijn zilveren jubileum als bibliothecaris (directeur) van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam.
Ik schreef erover in: "Herinnering aan 't vooronder".
Mijn eerste drie aanwinsten voor vandaag zijn binnen, maar het allermooiste moet nog komen...


Ik loop iets verder en zie een soort antiekzaakje (Kunsthandel De Kool) met voor de winkelpui een tafel waarop een bescheiden hoeveelheid moderne boeken ligt uitgestald.
Er ligt niets interessants voor mij bij en dus tuur ik naar wat middeleeuws steengoed uit de 13de eeuw in de etalage (ik bezit een kleine collectie middeleeuws steengoed).
De vermoeid ogende uitbater, op een stoel naast de deur, nodigt mij vriendelijk uit om ook binnen een kijkje te nemen. Dat doe ik en zowaar tref ik daar weer Frank Martinet aan.
Wij zijn geïnteresseerd in dezelfde dingen, zoveel is wel duidelijk. Ik bewonder enkele zeventiende eeuwse zilveren paplepels en Frank praat met de eigenaar en schept op over een zilvervondst die hij ooit deed. Ondertussen kijk ik wat rond en wil ik tegelijk met Frank weer de winkel uitlopen. "Boven is ook nog, kijk rustig rond", zegt de winkelier.
Inderdaad is er nog een bovenkamer, waar we een jongedame ontwaren achter een bureautje verdiept in haar mobieltje. Achteraf blijkt dit een beslissend moment...
Anders dan Frank maak ik godzijdank de juiste keuze om toch even te gaan kijken. 


Ik klim het trappetje omhoog en kom in een ruimte waar mijn ogen dwalen over de aan de muur hangende prenten en diverse uitgestalde antiquiteiten uit vervlogen eeuwen. Als ik mij omdraai naar de tafel achter mij vallen plotseling twee koperplaatjes op. De grootste van de twee vertoont een madonna. De eigenaar is inmiddels ook naar boven geklommen en ziet mij kijken. Terwijl we wat praten over deze twee bijzondere objecten, loopt hij naar het bureautje en pakt wat documentatie die hij mij overhandigt. Daaruit blijkt dat het plaatje met de madonna gemaakt is door de in Antwerpen werkzame Vlaamse graveur en schilder Abraham van Merlen (1579-1660).

Het andere, iets kleinere koperplaatje (8.4 cm. breed en 11,5 cm. hoog), intrigeert mij meer. 
Het toont een fraai gedetailleerde afbeelding van een chic gekleed paar, de man in landsknechtstijl, van rond 1600. Naast hen - achter een boompje - staat een nar met bellenkap en marot (zotskolf, narrestok of gekstok)De eigenaar weet er niets over te vertellen maar vermoed - met mij - dat het gaat om een boekillustratie; maar uit welk boek?


Het tweeregelig ingegraveerde onderschrift is moeilijk leesbaar, want in spiegelbeeld! Er is geen spiegel in de buurt, maar ik bedenk mij dat het wellicht ook kan op mijn mobiele telefoon. Inderdaad lukt het mij om een foto te spiegelen en nu lees ik duidelijk:

"D'hoechduitscher schwets en claaght sijn lijē
den narr die lacht om t'malle vrijen"

Daarmee lukt het mij vrij snel om de voorstelling te identificeren. Het gaat om nummer twintig (blz. 137) van de tweeëntwintig emblematische afbeeldingen uit: "CUPIDO'S LUSTHOF Ende Der Amoureusē Boogaert Beplant ende Verciert Meet 22. Schoone Copere figuiren ende vele nieuwe Amoureuse Liedekēs Baladen ende Sonnetten desgelickx te voren noÿt inden druck geweest ofte gesien zÿn" (Amsterdam, 1613).
Een anoniem bij Jan Evertsz. Cloppenburch verschenen leerboek voor de liefde, toegeschreven aan de uit Antwerpen afkomstige Amsterdamse boekdrukker Gerrit Hendricksz. van Breughel (1573-1635). Gerrit was - net als Joost van den Vondel (1587-1679) - lid van de Amsterdamse rederijkerskamer 'Het Wit Lavendel'. De emblematische kopergravures zijn van de hand van Nicolaes van Geelkercken (1585-1656), die vooral bekend werd als landmeter en cartograaf.

Originele zeventiende-eeuwse koperplaatjes met gegraveerde of geëtste boekillustraties zijn extreem zeldzaam. Koper was kostbaar en ze zijn vrijwel zonder uitzondering verloren gegaan omdat ze na het drukken werden omgesmolten, hergebruikt of geveild als schroot. U begrijpt wel dat ik een dergelijk museumwaardig - meer dan vier eeuwen oud boekgerelateerd - object niet heb laten liggen!


Financieel iets armer, maar een topvondst rijker, verlaat ik het winkeltje op weg naar een lunchafspraak met mijn blogredacteur Reinder Storm. Echter, nog voordat ik richting het Statenplein kan afslaan, ontwaar ik aantrekkelijk drukwerk op de tafel van BiblioBLU (Tycho Blauw) uit Haarlem.
Uit een flinke partij boeken en boekjes over met name typografie vis ik wat aardige kleine uitgaven. Vier voor vijftien euro is geen geld... maar dan valt mijn oog op een aantal mappen met origineel werk. Ik blader ze stuk voor stuk door en doe alweer een unieke vondst!

Het gaat om een albumblad (19 cm. breed en 27.3 cm. hoog). Aan de ene zijde staat in handschrift: "Op verlangen van Mejufvrouw A.C. Kooij volgt hier mijne handtekening. A.L.G. Bosboom Toussaint, Amsterdam 14 april 1868". In de 19e eeuw groeide het verzamelen van handtekeningen en autografen (filografie) uit tot een ware rage. Betere postdiensten en een bloeiende antiquiteitenhandel maakten documenten van historische figuren, schrijvers en kunstenaars zeer gewild. Intellectuelen en de gegoede burgerij verzamelden deze papieren schatten fanatiek in speciale mappen en luxueuze albums. Mejuffrouw Kooij was kennelijk een verzamelaarster van handtekeningen van bekende Nederlandse schrijvers.


Het zijn echter niet deze paar regels die mij doen besluiten om het blad te kopen. Dat doet de andere andere kant die nog vele malen interessanter is! Hier staat namelijk een gedicht met handtekening en portretfoto van Nicolaas Beets (1814-1903).

"Na 't vroeger schrift een later blad
Op uwer wensch door mij beschreven!...
Welaan, ik wil u meer dan dat
'k wil u mijn later beeltnis geven.
Gij ziet 'k verander al zoo wat
Toch klopt er in mijn borst een leven,
Dat niet verandert. Kent gij dat?

Utrecht 21 febr. 1868, Nicolaas Beets"


De opgeplakte portretfoto van Beets is gemaakt door H(endrik)/Henrij Pronk (1813-1893), kunstschilder, koopman, reizend daguerreotypist en fotograaf, die in 1868 een atelier had in Utrecht. Nicolaas Beets die onder het pseudoniem Hildebrand de welbekende "Camera Obscura" (1839) schreef, was tijdens zijn leven een zeer bekende Nederlander. Toen hij 75 werd kregen alle schoolkinderen in ons land een vrije dag. Zodoende is hij - naast Willem Bilderdijk (1756-1831) - een van de meest geportretteerde schrijvers van zijn tijd (vooral op latere leeftijd). In 1838 werd Beets' (gegraveerd) portret voor het eerst afgedrukt in de "Nederlandsche Muzen-Almanak".

Fotografie werd later in de negentiende eeuw uitgevonden. De oudste bekende portretfoto (een daguerreotypie van Henri Vriesedorp) is gemaakt op 28 juli 1842. Pas vanaf 1850 komen portretfoto's in toenemende mate voor. Beets deelde vaker dergelijke portretten uit. Rick HoningsScaliger-hoogleraar in Leiden, die onlangs een alom geprezen Beets biografie publiceerde: "God, gezin en vaderland. De eeuw van Nicolaas Beets 1814-1903" (Amsterdam, 2026), schreef mij dat hij een vergelijkbaar blad met portret bezit uit 1878, tien jaar later. Mijn exemplaar behoort tot de eerste portretfoto's van Nicolaas Beets... 


Voldaan met mijn unieke aanwinsten heb ik eindelijk tijd voor een smakelijke lunch met mijn blogredacteur Reinder Storm. Wij praten over boekenmarkten, uitgever Evert Maaskamp (1769-1834), de onlangs overleden Nop Maas (1949-2026), Jan Greshoff (1888-1971), Argus en mijn werk. Tot slot drinken we koffie en na het betalen van de rekening wandelen we nog even voor een praatje naar de kraam van Desiderata, waar we ook Büchmania(k) Frans Mouws en boekhandelaar David Appolonius Coppoolse treffen. David - eveneens verzamelaar van uitgaven van De Carbolineum Pers - feliciteert mij met mijn laatste aanwinst; Trithemius: "De Laude Scriptorum" (Kalmthout, 2009).
Met Peter IJsenbrant praat ik over zijn Desideratum-Pers en het volgende project (een 18de eeuws gedicht van 'de vieze Boddaert' of 'vieze Pieter') en uiteraard schep ik tegenover iedereen op over mijn bijzondere Dordtse vondsten.
Tot slot loop ik samen met Reinder nog even over de markt op zoek naar enkele door hem gesignaleerde interessante items. Helaas, met lichte spijt constateren wij dat ze inmiddels zijn verkocht. Dan nemen wij afscheid en niet veel later, om half drie 's middags, rijd ik de parkeergarage weer uit, op weg naar huis. Het was al met al een prachtige dag daar in Dordt.

's Avonds ontvang ik via Bluesky een berichtje van Frank Martinet: "Ik hoop dat je een leuke dag hebt gehad! De 'buitwas om 08.30 al binnen. Ik zal geen titels, foto's of financiële zaken delen. De leden van ons een paar maanden geleden opgericht genootschap #RealBibliophiles zwijgen daar liever over. (intern natuurlijk niet)". Ik kan een glimlach niet onderdrukken. De buit? Die ligt hier, I call your bluff...!

vrijdag 9 januari 2026

300 plaatjes, met en zonder praatjes

Zoals ik wel eens eerder heb verteld begon ik ruim veertig jaar geleden met het verzamelen van 'oud papier'. Het waren vooral losse afbeeldingen uit topografische of geschiedkundige uitgaven uit 17de en 18de eeuw, veelal gemaakt door toen in deze genres populaire graveurs zoals Reinier Vinkeles (1741-1816) en Abraham Rademaker (1676/77-1735). Tegenwoordig koop ik eigenlijk alleen nog maar losse portretgravures (waarom kunt u hier lezen). Dat komt omdat ik me nu de complete uitgaven kan veroorloven waarin mijn losse prentjes van toen zitten. Enerzijds heeft dat natuurlijk te maken met een hoger inkomen, anderzijds met het feit dat de prijzen in het antiquariaat de afgelopen decennia enorm zijn gedaald. Dat laatste is - zoals bekend - dankzij internet, waardoor ook de wereld van het (oude) boek en daarmee het bibliofiele speelveld (zeker vanaf 2000) enorm veranderde. Bovendien - zo mailde mijn blogredacteur Reinder Storm - lijken nieuwe generaties veel minder geïnteresseerd te zijn in antiquarische boeken.

Eerdergenoemde Abraham Rademaker was één van de meeste productieve en populaire graveurs die Nederland heeft gekend. Vele honderden gravures van zijn hand (met name van kastelen/ruïnes, kerken, landhuizen, dorpen en landschappen) zijn gebruikt ter illustratie in diverse achttiende eeuwse uitgaven. In: "Als in een sprookje" heb ik al eens - lang geleden - een gravure van het huis Kostverloren besproken.


De afbeelding daarbij (hierboven) was afkomstig uit: "Kabinet van Nederlandsche Outheden en gezichten..." (Amsterdam, 1725) dat bij boekverkoper Willem Barents verscheen. Dit is verreweg de bekendste uitgave met werk van Rademaker en een van de eerste prentwerken met topografische gezichten van (grote delen van) Nederland. Over de totstandkoming van deze tweedelige uitgave met 300 gravures worden we uitvoerig geïnformeerd dankzij een akte opgemaakt door notaris C. van Loon (d.d. 21 juli 1724). Daaruit blijkt onder meer dat alle 300 afbeeldingen afkomstig waren uit de collectie cq. het (kunst) kabinet van de Londense kunsthandelaar, verzamelaar en koopman Salomon Gautier (overleden 1725).
De totale oplage bestond uit 800 exemplaren gedrukt op diverse papierformaten (In: M.M. Kleerkooper en W.P. van Stockum: "De boekhandel te Amsterdam voornamelijk in de 17de eeuw" ('s-Gravenhage, 1914-1916), blz. 1144). Van de in 1725 verschenen publicatie bezit ik al heel lang de facsimile-uitgave die in 1966 werd uitgegeven door de Europese bibliotheek te Zaltbommel.


De 300 gravures zijn bovenaan genummerd en onderaan voorzien van een titel soms met een jaartal dat betrekking heeft op het voorbeeld waarnaar Rademaker zijn gravure vervaardigde. Bovendien staat daaronder in drie talen; Nederlands (Nederduits!), Frans en Engels een korte toelichting. 


Dezelfde serie van 300 genummerde afbeeldingen werd 25 jaar later nogmaals uitgegeven onder de titel: "Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche outheden" (Amsterdam, 1750) bij de Amsterdamse boekdrukker/-verkoper Isaak Tirion. Ditmaal echter zonder de drietalige toelichting en de afbeeldingen telkens twee op één bladzijde.


Eind vorig jaar kocht ik via eBay bij Octopus Biblio voor een vriendenprijs: "Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden... Geöpent, Opgeheldert en Wydlopig Beschreven in Steden, Dorpen, Sloten, Adelyke Huizen, Kloosters, Kerken, Godshuizen, Poorten, en andere voorname Stadt- en Landgebouwen … in 300 verscheide printtafereelen vertoont door Abraham Rademaker" (Dordrecht 1727-1733). Getuige het ex-libris dat in elk deel tweemaal aanwezig is (zowel voor- als achterin!) stond deze set twee eeuwen geleden in de bibliotheek van E(rnest) van Havre uit Rijsel/Lille (1819-1880).


Het is de tweede druk die door Abraham Blussé en Zoon werd uitgegeven in Dordrecht tussen 1770-1771. Ook in deze uitgave staan alle 300 genummerde afbeeldingen van Rademaker, ditmaal voorzien van een uitgebreide historische toelichting door Matthaeus Brouërius van Nidek (1677-1742) en Isaac Le Long (1683-1762).
Beide heren waren daartoe uiterst deskundig. De ziekelijke Van Nidek (hij was alleen bij de eerste delen van de zes betrokken) had zijn sporen verdiend door zijn medewerking aan verschillende historische en topografische naslagwerken waaronder Halma's: "Tooneel der Vereenigde Nederlanden..." (Leeuwarden, 1725). Le Long was antiquarius, uitgever van historische bronnen en bibliofiel, nu vooral bekend van zijn "Boek-zaal van Nederduitsche Bijbels" (Hoorn, 1764). Jaren later zou hun uitgave van het Kabinet nogmaals (tussen 1792-1805) verschijnen bij J.A. Crajenschot, bewerkt door J.H. Reisig (1749-1794) en A.B. Strabbe (1741-1805) en uitgegroeid tot acht delen. Ook in deze laatste editie zitten de genummerde gravures weer per twee op één blad, zoals eerder in de uitgave van Tirion!

Tot slot moet hier nog een vierde publicatie worden vermeld, getiteld: "Versameling van 100. Nederlantse outheden en gesigten door A. Rademaker in 't koper gebragt door I.M. Bregmagher" (Amsterdam, 17..[26?]) uitgegeven bij Ysak Greve. Noch van de graveur noch van de uitgever is wat bekend. Van deze uitgave verscheen een facsimile in 1981 bij Repro-Holland BV (Alphen aan den Rijn). In deze uitgave zijn alle 100 gravures ongenummerd en niet gesigneerd. Onder elke afbeeldingen (meestal twee, soms één op een blad) staat in cursief een korte toelichting die overeenkomt met de toelichting van de afbeelding in de drietalige uitgave van 1725, verschenen bij Willem Barents.


Kortom 300 gravures van Abraham Rademaker die in drie, soms vier verschillende uitgaven voorkomen, soms genummerd en gesigneerd, soms met toelichting of historische context, soms zonder... Dat zegt enerzijds wel iets over de populariteit van deze afbeeldingen, anderzijds verklaart het waarom thans grote hoeveelheden daarvan (los) door het antiquarisch circuit zwerven. Het betekent ook verwarring bij verzamelaars, antiquaren, musea, archieven en (universitaire) bibliotheekcollecties. Want uit welke uitgave is het prentblad nu afkomstig? Heel vaak wordt in (collectie)beschrijvingen in algemene termen verwezen naar 'Rademakers Kabinet', maar zoals ik hierbij - 'ter lering ende vermaak' - aan de hand van de gravure van de Amsterdamse Schreierstoren ('Schreiërshoek') - aanschouwelijk maak zijn er tot wel vier verschillende mogelijkheden!

Ik wens al mijn boekliefhebbende en/of bibliofiele Blog-, Twitter-, Mastodon-, dan wel Blueskylezers, een geslaagd, voorspoedig en boekrijk 2026!

vrijdag 4 april 2025

De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver (deel III)


Eind februari dit jaar deed ik een bijzondere vondst op Marktplaats. Aangeboden werd L. van Ollefen: "De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver. III deel. (Amstelland, Weesper Kerspel, Gooiland, de Loosdrecht enz.)" (Amsterdam, 1795). Zoals de foto's lieten zien een compleet en zeer fraai bewaard gebleven exemplaar, gebonden in halfleren band (met rood titelschild) en bruin kievitsmarmeren platten. "Bieden vanaf 200 euro" stond er, en dat deed ik nog op de dag dat de advertentie werd geplaatst. Daarna volgden een paar spannende dagen want de verkoper reageerde niet direct en ik weet dat er vele - al dan niet professionele kapers (lees antiquaren) - met mij op Marktplaats naar koopjes speuren... Ondertussen kwam ik er achter dat het boek deel had uitgemaakt van een incomplete set die werd geveild op 25 maart 2023 bij (Marc) Van de Wiele veilingen in Brugge/België (lot 908).
Na vier spannende dagen - ik was nog steeds de enige bieder - was mijn geduld op en vroeg ik aan de verkoper of wij wellicht tot overeenstemming konden komen. Na wat heen en weer e-mailen stelde hij een 'nu kopen prijs' voor van € 350,- euro (inclusief aangetekende verzending). Met in mijn achterhoofd de prijzen die in het antiquariaat worden gevraagd hapte ik onmiddellijk toe.

Enkele dagen later arriveerde het boek in mijn bibliotheek en begon ik direct met collationeren. Tot mijn grote genoegen bleek de uitgave overcompleet en meer gravures te bevatten dan de verkoper dacht op basis van de inhoudsopgave. Die telt weliswaar negentien plaatsen met een nummer (en dus illustratie) maar bij de beschrijving van Amsterdam zitten in plaats van één twee afbeeldingen en nog twee andere behoren bij meegebonden verslagen van historische gebeurtenissen in Amsterdam in 1795. Kortom tweeëntwintig gravures, alle nog keurig beschermd door blanco blaadjes. 

Het inktstempeltje op het titelblad maakt duidelijk dat mijn aanwinst ooit stond in de boekenkast van Jan Baptist Benoit (1807-1887) uit Harelbeke (België). Hij was 'huissier' oftewel deurwaarder van beroep en bezat een uitgebreide en bijzondere muziekbibliotheek. 


Het is tijd om ons wat meer in de uitgave te verdiepen. Het gaat hier om het derde deel van een achtdelige serie geschreven door de dichter, broodschrijver (en politiek querulant!) Lieve (L.) van Ollefen (1749-1816) en de Delftse boekhandelaar Rocus (Rs.) Bakker (1752-1828) die tussen 1793 en 1801 (in 8ºverscheen bij Hendrik Arend (H.A.) Banse in de Stilsteeg te Amsterdam. Van Ollefen en Banse waren goed bekend met elkaar door hun samenwerking aan de Nationaale Bataafsche Courant.


De Koninklijke Bibliotheek bewaart een uniek bericht van intekening (1792) op de uitgave "zijnde een van alles kundige geleider" (zie hierboven). Daaruit blijkt dat men voornemens was de gehele Republiek te behandelen wat uiteindelijk niet is gelukt. Op het werk kon worden ingetekend waarna de uitgever zich verplichtte tot levering onder de volgende voorwaarden:
"1. De aflevering geschiedt bij bladen, ieder van 16 pag.
2. Ieder blad is versierd met een fraaje plaat, verbeeldende een gezicht van deze of geene stad, dorp, vlek, heerlijkheid, enz. naar de natuur getekend, en gegraveerd door de beste meesters.
3. De druk geschiedt op best mediaan schrijfpapier.
4. Voor ieder blad wordt bij de aflevering betaald. 4 St.
5. De bladen zullen elkander zo spoedig volgen als mogelijk is, behoudens de keurigste uitvoering, ten langsten twee blaaden in de maand; doch zullen buiten intekening volstrekt niet te bekomen zijn"

Uit het voorwoord in deel VII "Rhijnland" blijkt dat de intekenaren in juli 1793 "Eene aflevering (-) van een Vel Letterdruk", een soort proefdruk, ontvingen met enkele plaatsbeschrijvingen uit Rijnland. Niet lang daarna verschenen de eerste losse plaatsbeschrijvingen in volstrekt willekeurige volgorde omdat: "wy nu te dier tyd nog zo geene vaste regel in de uitgave hadden aangenoomen, om zo spoedig mogelyk de Stukjes tot een gevoegelyk Boekdeel te kunnen inbinden". De gekozen werkwijze bracht met zich mee dat elke stad- of dorpsbeschrijving een eigen paginanummering kent. Waren er voldoende beschrijvingen klaar dan konden ze bij elkaar worden gebonden volgens de gedrukte inhoudsopgave.
In de inleiding bij het tweede deel (Delfland) schreef Van Ollefen daarover: "In de hoope dat deeze schikking naar genoegen zal weezen van die onze geëerde Leezeren, welke verkiezen het werk tot deelen verzameld te hebben, (anderen begeeren het aan losse bladen te houden, om dat zij dan, een reisje gaande doen, slechts zo veele bladen behoeven medeteneemen, als zij voornemens zijn steden en dorpen te gaan bezoeken;)..."

Uiteindelijk zouden de volgende acht bundels/delen uitkomen:
I: ’t Eiland van Dordrecht, de Hoeksche Waard, de Zwyndrechtsche Waard, de Riederwaard, en ’t Land van Ysselmonde (1793). Door L. van Ollefen.
II: Delfland (1794). Door L. van Ollefen.
III: Amstelland, Weesper Kerspel, Gooiland, de Loosdrecht enz. (1795). Door L. van Ollefen.
IV: Kennemerland (1796). Door L. van Ollefen. Heruitgegeven door de Europese bibliotheek, Zaltbommel (1976).
V: Schieland, en Krimpenerwaard (1797). Door L. van Ollefen en Rs. Bakker,
VI: Het land van Voorne en Putten, Overflaque, Portugal, etc. (1798). Door Rs. Bakker.
VII: Rhijnland, westelijk deel (1799). Door Rs. Bakker. Heruitgegeven door de Europese bibliotheek, Zaltbommel (1976).
VIII: Rhijnland, oostelijk deel (1801). Door Rs. Bakker. Heruitgegeven door de Europese bibliotheek, Zaltbommel (1976).

Elk deel bevat een voorrede/algemene inleiding over de streek met een eenvoudige ingekleurde topografische kaart. Daarna volgen de beschrijvingen van een stad of dorp voorafgegaan door een enkel blad met een ovale gravure van de besproken plaats (als daar een gereformeerde kerk aanwezig was) met daaronder het stads- of dorpswapen. 

======================================================================
NB. De Europese Bibliotheek, Zaltbommel publiceerde in 1964 een uitgave met alle titelbladen, de zeven topografische kaarten en 204 gravures uit de serie (echter de afbeelding bij de beschrijving van het volksfeest/vrijheidsfeest in 1795 in Amsterdam ontbreekt!). Alleen de delen Kennemerland en Rijnland (I en II) werden door hen in 1976 integraal fotomechanisch herdrukt ("Zaltbommelse herdrukken").


Daarnaast heeft uitgeverij Canaletto (Alphen aan den Rijn) in de jaren tachtig van de vorige eeuw een onbekend aantal  afzonderlijke stads- en dorpsbeschrijvingen - fotografisch herdrukt - uitgegeven (in dezelfde opmaak) in de serie: "18e eeuwse stads- en dorpshistoriën". Daarvan ken ik er twee: Vlaardingen (nr. 19) en Amstelveen (nr. 18).

======================================================================

De inhoudelijke opbouw van elke stad- en dorpsbeschrijving volgt een vast patroon.
Eerst een korte inleiding, dan iets over de naamsoorprong, stichting en grootte, het wapen, kerkelijke/godsdienstige gebouwen, wereldlijke gebouwen, regering (bestuur), voorrechten, bezigheden/vermaken, geschiedenissen, bijzonderheden en tot slot de reisgelegenheden en logementen. De stadsbeschrijvingen zijn wat uitgebreider, met informatie over schutterijen en gilden. Over het algemeen is de aardrijkskundige en historische informatie betrouwbaar, zeker daar waar het gaat over de tijd waarin de auteurs leefden, de tweede helft van de 18de eeuw. Soms leest men over zaken of gebeurtenissen die moeilijk of nergens anders te vinden zijn. Bijvoorbeeld over 'het wonder van de Overtoom', een spraakmakende en curieuze gebeurtenis die destijds veel mensen op de been bracht en waarover van Ollefen vertelt onder het kopje ‘bijzonderheden’ van deze (destijds) Amstelveense buurt.
Tien jaar geleden schreef ik erover in: "Zomervreugd en noorderzon". Ander voorbeeld; in de beschrijving van het dorp Diemen wordt gesproken over een nieuw aangelegd kerkhof aan de Weespervaart "voor lieden die niet in de kerk begraaven willen worden".
Dat was destijds een nieuw fenomeen waarover ik eerder schreef in: "Zand erover". Van Ollefen geeft vervolgens de "hoofdzakelijke inhoud van de instructie van den doodgraver van dit kerkhof" bestaande uit tien punten. Punt 5: "De doodgraver zal niemand, die schielijk gestorven, of suspect van verdronken of vermoord te zijn, mogen begraven voor en aleer hij aan den Baljuw van Amstelland, of bij absentie aan den Schout daarvan kennis heeft gegeeven".
Dit gaat over begraafplaats 'Rustoord', aangelegd in 1791 en destijds de eerste particuliere buitenbegraafplaats bij Amsterdam.
Uit dergelijke bijzonderheden blijkt wel dat de informatie niet alleen uit boeken kwam (er worden in de teksten diverse auteurs genoemd), maar ook lokaal werd verkregen; "volgends onze ingewonnene berichten" of "verschuldigd aan de vriendlijkste mededeeling". De soms: "zonderlinge naauwkeurigheid van onze hoogstwaardige begunstigers, die zig niet willen vergenoegen, met ons gebrekkige berichten te laaten toekomen, en nog geene gelegenheid hadden om de hun noodige documenten magtig te worden, of de Magistraats-persoonen, die hun het een of ander onderricht moeten geeven, te raadpleegen" (voorrede deel I), had zelfs invloed op de volgorde van verschijning van de afzonderlijke delen. 


In zekere zin is mijn aanwinst het meest bijzondere deel van de acht. Het bevat maar liefst vier extra katernen die geen stad- of dorpsbeschrijving zijn maar een historische gebeurtenis beschrijven.
De eerste twee zijn direct na de beschrijving van Amsterdam ingebonden. Het gaat om: "Verhaal van het gebeurde vóór en bij het planten van den eersten vrijheidsboom te Amsteldam" en: "Korte beschryving van het volks-feest... " (zie de afbeelding hieronder).
Deze twee extra beschrijvingen worden niet vermeld in de inhoudsopgave en de twee bijbehorende ovale gravures vond ik niet terug in Frederik Muller's: "Nederlandse historieplaten". Leuk detail; de versjes onder de twee gravures zijn gesigneerd met respectievelijk L.v.O en V.O. (Lieve van Ollefen). Alle andere versjes in deze uitgave zijn anoniem.
De: "Korte beschryving van het volks-feest... " werd in een ander - kleiner - lettertype gedrukt. Dat ook deze twee beschrijvingen door H.A. Banse werden uitgegeven blijkt uit de vermelding door A.B. Saakes in zijn: "Naamlijst van Nederduitsche Boeken" (Amsterdam, 1799, zie illustratie onderaan). De "Korte beschryving van het volks-feest... " met bijbehorende prent is erg zeldzaam en ontbreekt vrijwel altijd in deel III (en de afbeelding dus ook in de eerdergenoemde heruitgave van de Europese Bibliotheek, Zaltbommel). Via de STCN vond ik slechts één ander exemplaar in de collectie 'Amstelodamica' van de archivaris en verzamelaar A.M. van de Waal (Allard Pierson, O 06-8658). 


De volgende twee beschrijvingen (eveneens met ovale gravure) staan beide wel in de inhoudsopgave. Ze zijn direct meegebonden na het katern: "De buurten onder de banne van Amstelveen". Het gaat om: "Naauwkeurig verslag van den jammerlijken brand te Amstelveen...(1792)", alsmede: "Amstelveen herbouwd". Anders dan de twee eerdergenoemde beschrijvingen van de gebeurtenissen in Amsterdam in 1795 vermelden ze beide op de laatste pagina onderaan het uitgeversadres: "H.A. Banse in de Hartestraat over den vergulden Kop".
De reden daarvoor is dat ze ook allebei als losse uitgave buiten intekening om zijn uitgegeven en verkocht. In een voetnoot op de eerste pagina van: "Amstelveen herbouwd" schreef Van Ollefen: "Ofschoon onze Stad- en Dorp-beschrijver, volstrekt niet afgeleverd wordt dan aan de Heeren Intekenaaren op denzelven, hebben wij echter de beschrijving van de brand ook buiten intekening gedebiteerd; en vermids niemand van gezegde Intekenaren zig daaraan heeft gestoten, oordeelen wij, ook omtrent dit blaadjen, als tot de beschrijving van den brand behoorende, die vrijheid te mogen gebruiken". In augustus 1793 werd er in de "Leydse Courant" mee geadverteerd. De apart verschenen uitgave van de brand in Amstelveen (hieronder links) onderscheidt zich van de uitgave voor de intekenaren (rechts) door de op het eerste blad meegedrukte ovale gravure en aangepaste inleiding. Echter, een dergelijk aparte uitgave in deze opmaak met betrekking tot "Amstelveen herbouwd" is onbekend.


Het derde deel is ook het deel met de meeste gravures ('ovaaltjes') van Anna Catharina (of Cornelia) Brouwer (1772-18..). Zij was een van de vele illustratoren binnen het in de achttiende eeuw populaire genre van stads- en dorpsgezichten en we kennen haar werk voornamelijk door haar gravures voor deze serie. Van de tweeëntwintig afbeeldingen in deel III  (inclusief die bij beschrijvingen van historische gebeurtenissen) zijn er negentien van haar hand. Vaak graveerde zij naar tekeningen van anderen maar er zijn ook enkele die geheel door haar zijn ontworpen en gegraveerd. De overige gravures zijn van: J. Koning (Ouderkerk), J.G. Visser (Amstelveen en "Gezigt van den zwaaren Brand te Amstelveen") en Th. Koning (Muiden). 


Veel minder bekend is dat bij H.A. Banse gelijk met dit derde deel nog zes andere ovale gravures (met versjes) van haar verschenen van de gevechten in 1787 tussen Pruisische troepen en patriotten bij enkele Amsterdamse voorposten. Ook deze zes - vrij zeldzame - afbeeldingen vond ik niet terug in Frederik Muller's "Nederlandse historieplaten". Het zijn:
2. "Aanval op Muiden 1787".
6. "Aanval op Weesp 1787".


Enkele zijn duidelijk geïnspireerd op afbeeldingen gegraveerd door Cornelis Brouwer (ca. 1733-1803), vermoedelijk haar vader. Ze waren bedoeld om door liefhebbers "in alle beschrijv. dier troubelen, op dat form. gevoegd te kunnen worden" (zie illustratie hieronder uit A.B. Saakes: "Naamlijst van Nederduitsche Boeken" (Amsterdam, 1799)). Dat sloeg natuurlijk bij uitstek op het gelijktijdig verschenen derde deel van: "De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver", waarin de schermutselingen bij deze voorposten uitvoerig staan beschreven.


Als we de opmerkingen in verschillende eind negentiende eeuwse veilingcatalogi mogen geloven was de complete serie van acht delen toen al weinig voorkomend. Bepaald zeldzaam werd de uitgave (of losse complete delen daarvan) tijdens de gouden jaren van het antiquariaat, de tweede helft van de twintigste eeuw. Bibliotheek- en archiefonderzoek naar de eigen woonomgeving werd in deze periode een populaire vrijetijdsbesteding.
Tal van genealogische - en lokaal-historische verenigingen ontstonden of groeide in ledental.
Er verschenen speciale gidsen als de: "Handleiding voor de beoefening van lokale en regionale geschiedenis" (Weesp, 1984), geschreven door prof.dr. W. Jappe Alberts en antiquaar A.G. van der Steur, waarin de serie: "een belangrijk werk voor Noord- en Zuid-Holland (zonder West-Friesland en het Noorderkwartier)" werd genoemd.
Piet Buijnsters beschreef in: "Het verzamelen van boeken. Een handleiding" (Utrecht, 1992) in de inleiding bij hoofdstuk 10 ("Topografie en geschiedenis") hoe dit alles leidde tot een toenemende vraag naar authentieke afbeeldingen en contemporaine stad- en dorpsbeschrijvingen. Door de boeken te slopen konden losse prenten en afzonderlijke beschrijvingen voor (in totaal) meer geld worden verkocht. Ook ik heb destijds voor enkele tientjes per stuk originele losse beschrijvingen (zonder de dure gravures) uit deel drie gekocht en bij menig inwoner met interesse voor lokale geschiedenis hing (hangt) een ingelijst ovaal prentje van zijn woonplaats uit "De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver" aan de muur.

Inmiddels is de "De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver" bij lokaal historische verenigingen een goede bekende. In diverse verenigingsbladen is er al eens over geschreven en soms zijn zelfs complete dorpsbeschrijvingen opnieuw uitgegeven om te worden verspreid onder de leden en/of de verenigingskas te spekken. En heeft u toch liever iets origineels? Geen probleem want losse beschrijvingen en gravures worden veelvuldig aangeboden op websites als Marktplaats, Boekwinkeltjes of Antiqbook.

vrijdag 22 februari 2019

What's in a name?


Na vier nachten werken heb ik vaak maar weinig puf om iets meer te doen dan wat onderuitgezakt aan mijn bureau te snuffelen en sneupen op het internet. Zodoende struikelde ik ditmaal over een forse losse ets (53.1 cm. x 49.6 cm.) die ik wel eens eerder heb gezien en toen te koop werd aangeboden voor vijftig euro. Na een bod van vijftien euro, vroeg en kreeg de eigenaar van mij uiteindelijk vijfentwintig euro.
Nog voordat de koop gesloten is draait hier de onderzoeksmachine al op volle toeren.
Wat koop ik eigenlijk en valt er een interessant verhaal te vertellen over het verworven boek, de prent, het object van mijn begeerte? Vaak heb ik dan al een concept blog geschreven ruim voordat mijn nieuwe aanwinst in huis is. Zo ook ditmaal.

De prent (op folioformaat) waarop mijn oog viel is niet een portret noch een historieprent of topografische afbeelding. Neen, het is een naam en wel van Hendrik Hooft Danielsz. (1716-1794), die maar liefst acht maal burgemeester was van Amsterdam. Hooft's politieke en publieke optreden in de roerige Patriottentijd rond 1787 maakten hem tot een charismatische figuur. Geen enkele andere Amsterdamse burgemeester voor of na hem heeft zoveel dichters geïnspireerd tot hoogdravende en gezwollen lofdichten en geen ander dan Hooft is zo dikwijls getekend en gegraveerd. Ik heb al eens eerder over hem geschreven in: "Krullenbol".


Behalve het sierlijk gekalligrafeerde 'Henrik Hooft Danielsz.' zien we een sierkader met vier medaillons. Om dat sierkader zit een lint gevlochten waarop staat (vanaf het portret boven met de klok mee):

"Dit is het Beeld
van Vader Hooft'
die, Schoon voor 't oog
Schijnt uitgedooft,
zal eenmaal
Triumpheren.
Wij wenschen, na
de Tijd, en uur
dat hij met Vred'
in Amstels muur
gelukkig
weer zal keeren"

De vier medaillons vertonen (boven) het portret van 'vader Hooft', rechts het aanbieden van het smeekschrift der Edelen op 5 april 1566 aan landvoogdes Margaretha van Parma (1522-1586) met op de voorgrond Hendrik van Brederode (1531-1568), onderaan een allegorisch stilleven met fasces, een vrijheidshoed en het familiewapen Hooft. Links, tenslotte, de afbeelding van de Bataafse Opstand (69/70 na Chr.) met op de voorgrond Julius Civilis
(25-?) met haarmandje. De symboliek spreekt voor zich. De kunstenaar stelt Hooft op gelijke hoogte met Civilis en Brederode. Ook zij waren immers opgestaan tegen hun hoogste gezagsdrager. Ook zij hadden zich in dienst gesteld van het volk om te vechten voor meer rechten en vrijheden.

De losse ets, die niet voorkomt in Frederik Muller 'Nederlandse Historieplaten', heeft nooit als illustratie in een boek gezeten. Het was meer een politiek affiche dat bij de Amsterdamse patriot (die het kon betalen) aan de muur zal hebben gehangen. De afbeelding is verder niet voorzien van een onderschrift en ook niet gesigneerd door de kunstenaar (fecit, delineavit of scripsit). Dat laatste was na de Pruisische inval en daaropvolgende Oranjerestauratie, eind 1787, maar beter ook want ingegooide ruiten door Oranjegepeupel en vervolging lagen op de loer.
Behalve in het Amsterdamse stadsarchief bevindt zich ook een exemplaar in de collectie van het Rijksmuseum (RP-P-1905-2924) waarbij wordt opgemerkt dat deze afbeelding mogelijk werd vervaardigd naar aanleiding van Hooft's ontslag als burgemeester op 27 november 1787.
Daar kan ik me - gezien de tekst op de boven aangehaalde banderol - goed in vinden.
Daarentegen kan ik de toeschrijving aan de prentenmaker Antonie Zürcher (1755-1835) niet goed plaatsen. Op welke gronden dan? Weliswaar zijn er van hem ook kunstig gegraveerde kalligrafische etsen bekend maar die lijken qua gebruikte ornamentiek toch niet echt op mijn nieuwe aanwinst (*).


Toen ik vervolgens verder zocht in de collectie van het Rijksmuseum vielen mij twee dingen op. Ten eerste dat alle vergelijkbare kalligrafische prenten eind achttiende eeuw zijn gemaakt door slechts enkele kunstenaars: Cornelis van Baarsel (1761-1826), Barent de Bakker (ca. 1762-1804) en Leonard Joseph/Jozef Ferrier (1726- 1801(?)).
De laatste was een Vlaamse zilversmid die in de zestiger jaren van de achttiende eeuw bankroet ging en vervolgens op andere manieren aan zijn brood probeerde te komen (Uitvoerige informatie over hem is te vinden in K.G. Saur: "Allgemeines Künstlerlexikon. Die Bildenden Künstler aller Zeiten und Völker" (München-Leipzig 1992, band 39).
Ten tweede dat binnen het genre de gekalligrafeerde naam van Hendrik Hooft Danielsz. uniek is omdat die het enige voorbeeld is van een persoonsnaam die op deze wijze werd vereeuwigd. Alle andere kalligrafische prenten vallen in de categorie 'spreuken voor aan de muur'. Is er nog een contemporain Orangistisch voorbeeld te vinden, al dan niet met zijn opponent, stadhouder Willem V van Oranje-Nassau (1748-1806), zo vroeg ik mij af?
Zeker wel, en toen deed ik een ontdekking!


Bij "De vreede tusschen 's Lands Staaten en Prins Willem den vijfde", waaronder staat "Gegraveerd naar d'Originele Teekening van den uitmuntenden Pennekonst schrijver L:J:Ferrier..." (Frederik Muller 'Nederlandse Historieplaten', nr. 4983) valt direct de identieke sierrand op, met medaillons en lint (zonder tekst).
Ook de grote gelijkenis tussen de sierletters 'D' is opvallend. En als we vervolgens kijken naar een andere kalligrafische prent die wel door Ferrier werd gesigneerd: "Liefde tot het Vaderland, baard Eendragt." (Frederik Muller 'Nederlandse Historieplaten', nr. 4982), dan zien we dat de letters 'Eendragt' bijna eenzelfde versiering hebben als 'Henrik' in mijn nieuwe aanwinst. De conclusie lijkt mij voor de hand liggend.
De kalligrafische prent van Hendrik Hooft Danielsz. is van Leonard Joseph Ferrier of gekopieerd en geëtst naar zijn voorbeeld.


(*) Inmiddels is deze toeschrijving aangepast. Via de email ontving ik het volgende bericht: "De (mogelijke) toeschrijving aan Zürcher was gebaseerd op een ander exemplaar van dezelfde prent in de collectie Atlas van Stolk. We zijn het echter met u eens dat de toeschrijving aan Ferrier passender is. We hebben de toeschrijving daarom gewijzigd in onze database en de verwijzing naar uw blogpost opgenomen".

vrijdag 13 oktober 2017

Een oude gewoonte


Op de laatste antiquarenbeurs in het Marriott Hotel heb ik vooral veel gekeken en gepraat.
Gekocht heb ik niets... hoewel...
Ik sprak even met Arine van antiquariaat Van der Steur en sprak af dat ik haar zou mailen met wat vragen.
Eén daarvan was de vraag of zij beschikten over het portret van Willem Bilderdijk (1756-1831) door Jan Hulstkamp (1759-1786) uit 1786, met gedicht van Jan Willem Kumpel (1757-1826) wiens lot zo dramatisch verbonden was met Bilderdijk! Het antwoord was positief, er waren zelfs meerdere exemplaren, en één daarvan kwam mijn kant op.
Inmiddels heb ik het portret ontvangen en toegevoegd aan mijn bijzondere exemplaar van "Mijn Verlustiging" (Leiden/Amsterdam, 1781), waarover ik hier schreef. Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik dat wel vaker doe met portretgravures en daarom leek het me aardig daarover iets meer te vertellen.

Anders dan vrijwel alle moderne industrieel vervaardigde uitgaven van tegenwoordig was het oude (met de hand vervaardigde) boek nooit standaard.
Tekst, illustraties en band waren aparte onderdelen met hun eigen vaklieden (drukker, graveur, binder). Illustraties werden bovendien door uitgevers vaak gebruikt voor verschillende titels. Daarom vinden we bijvoorbeeld portretten uit Jakobus Kok: “Vaderlandsch Woordenboek (Amsterdam, 1785-1799) ook terug in de "Vaderlandsche Historie..." van Jan Wagenaar (1709-1793).
Een goed voorbeeld van een uitgave die in tal van variaties door de uitgever werd aangeboden (en dan nog door de koper zelf kon worden aangevuld en verrijkt zoals u verderop kunt lezen) is de achttiende eeuwse Amsterdamse stadsgeschiedenis van Jan Wagenaar.

Uitgever en koper bepaalden dus uiteindelijk hoe een boek er kwam uit te zien. Het verrijken van boeken door het toevoegen van (extra) portretten, kaarten of afbeeldingen is in de boekenwereld en bibliofilie een oude gewoonte (NB. lees ook mijn: "Een boek naar eigen smaak").
Engelse boekenvrienden praten dan over een ‘grangerized copy’ naar James Granger (1723-1776) en sommige van zijn navolgers als de Britse Alexander Meyrick Broadley (1847-1916), wiens rijke bibliotheek tal van boeken kende voorzien van honderden extra illustraties, waren daar bepaald handig in!

Voorbeelden van oude uitgaven die door een vorige (vaak de eerste) eigenaar werden verrijkt bevinden zich ook in mijn collectie.

Een zeventiende eeuws voorbeeld is het ingekleurde portret van Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647) door Reinier van Persijn (ca. 1614-1668), naar een schilderij van Joachim von Sandrart, en met een latijns gedicht van Casparus Barlaeus). Het werd door een vorige bezitter toegevoegd aan de eerste druk van: "Neederlandsche Histoorien, Sedert de ooverdraght der Heerschappye van Kaizar Karel den Vyfden, op Kooning Philips zynen zoon" (Amsterdam, 1642). Bijzonder is dat het contemporain door een goede 'afsetter' werd ingekleurd (let op de glanseffecten in de zwarte mantel en de roze wangetjes!) en dat is iets dat je eerder en vaker tegenkomt bij oude topografische kaarten en historieprenten.

Een ander achttiende eeuws voorbeeld in mijn boekenkast is een los vierde deel (groot folio) van de eerdergenoemde stadsbeschrijving van Jan Wagenaar. Behalve de gebruikelijke platen heeft de koper vier grote portretgravures en acht historieprenten vooral met betrekking op gebeurtenissen in 1787 extra laten inbinden. Verschillende daarvan heb ik eerder besproken zoals het portret van de dappere burger-kapitein Abraham Valentijn uit 1787, het portret van de Amsterdamse burgervader mr. Egbert de Vrij Temminck (1700-1785) en vier afbeeldingen (proefdrukken) van de beruchte begrafenis van de Oranjegezinde Doelist Daniel Raap in 1754.


Maar zoals ik in de inleiding al schreef voeg ik dus ook zelf regelmatig portretten toe aan mijn oude boeken. Dat kan op verschillende manieren.
Bijvoorbeeld; het portret van Jan Fredrik Helmers (1767-1813) door Philippus Velijn (1787-1836), dat ik kocht voor mijn bijzondere uitgave van de "Hollandsche natie in zes zangen" (Den Haag, 1812), is als apart blad tussen de blanco bladen van het voorwerk gezet (met behulp van wat boekbindersstijfsel).
Datzelfde lukte mij met het portret van Adriaan Kluit (1735-1807) niet!
Het formaat van zijn: "Historia Critica Comitatus Hollandiae et Zeelandiae ab Antiquissimis Inde Deducta Temporibus” (Middelburg 1777-1782)", waaraan ik het toevoegde, is immers veel groter dan de portretgravure van Ludwig Gottlieb Portman (1772-1828). Daarom zit zijn portret geplakt op de binnenzijde van het voorplat.


Dat laatste deed ik ook met het portret van Robert Hennebo (1685-1737) door Christian Friedrich Fritzsch (1719-voor 1774) dat ik toevoegde aan de "Verzamelde dicht-werken van Robert Hennebo” (Diverse plaatsen, 1767), waarover u hier kunt lezen. Dit portret werd destijds los verkocht voor zes stuivers, “Om door de liefhebbers by de GEDICHTEN en SCHIM van HENNEBO te kunnen gevoegd worden” (Leydse courant van 6 mei 1767). Een oude gewoonte dus, dat toevoegen van portretten!


Een portret dat nadrukkelijk wél voor een specifieke uitgave werd vervaardigd is de afbeelding van Johannes Florentius Martinet (1729-1795) door Reinier Vinkeles (1741-1816) uit 1778. Op de gravure is rechtsboven 'IV.D. Pl.7' te zien. Het is een verwijzing naar het vierde deel (plaat 7) van zijn “Katechismus der natuur" (Amsterdam 1778-1779). Ik plaatste mijn exemplaar in zijn "Huisboek voor vaderlandsche huisgezinnen” (Amsterdam, 1793), zoals u hier kunt lezen.


Twee publicaties in mijn bibliotheek waarover ik nog niet schreef maar waaraan ik ook auteursportretten toevoegde zijn:
A. De afbeelding van Mr. Jacobus Scheltema (1767-1835) in 1818 gegraveerd door Jacob Ernst Marcus (1774-1826) aan zijn: "Geschied- en Letterkundig Mengelwerk" (Amsterdam, 1818-1836) en:
B.  De afbeelding van Simon Styl (1731-1804), door eerdergenoemde Reinier Vinkeles, aan: "De opkomst en bloei der vereenigde Nederlanden" (Amsterdam/Harlingen, 1778). 


En nu dus, als voorlopige laatste, Bilderdijk.
Wederom Bilderdijk moet ik zeggen, want het is mijn tweede portret van deze 'gefnuikte arend' dat ik aan een oude uitgave toevoeg. Zoals ik in: "Collectievorming" beschreef heb ik een ander Bilderdijk-portretje, gegraveerd in 1819 door Hendrik Willem Caspari (1770-1829), geplakt in zijn vroeg negentiende eeuwse bewerking van: “Joannes Antonides v.d. Goes, Gedichten, met ophelderende aanteekeningen” (Leiden, 1827-1836).


Dat portretje zou trouwens, evenals vele andere portretten van Bilderdijk, bepaald misstaan hebben in zijn erotische debuut "Mijn Verlustiging". Wat mij betreft kwam alleen het portret van Jan Hulstkamp daarvoor in aanmerking al was het maar omdat Bilderdijk dit portret typeerde als; "een Wildeman, het dolhuis uitgevlogen".
Bilderdijks weinig vleiende opmerking werkte voor mij natuurlijk als een aanbeveling! Immers; alleen die Bilderdijk schreef erotische poëzie en niet de man die we op talrijke andere portretten zien als geleerde advocaat, gezaghebbend taalkundige of eerzaam schrijver.


Hieruit blijkt wel dat ik niet elk portret zo maar aan een uitgave toevoeg. Het moet zoveel mogelijk contemporain zijn en gevoelsmatig ‘passen’. Zo heb ik nog geen auteursportret kunnen plaatsen in mijn exemplaar van: "Gedichten, van J. Antonides vander Goes” (Amsterdam, 1685).
Niet omdat de afbeelding van Antonides van der Goes niet verkrijgbaar is, vooral de prent gegraveerd door Pieter van Gunst (ca. 1659-1731) is antiquarisch ruim voorradig, maar omdat ik uitsluitend de afbeelding gegraveerd door Jacobus Gole (1665-1724) vind passen. Alleen dat portret komt nog wel eens voor in eerste druk uit 1685 terwijl het portret door Van Gunst pas verschijnt in de derde druk van al zijn gedichten (1714)

Het toevoegen van extra illustraties aan oude boeken, waaronder portretten, mag dan een oude gewoonte zijn; ik ken (nog) geen andere bibliofiele medeverzamelaars die doen wat ik doe. U wel?