Posts tonen met het label Frederik Muller. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frederik Muller. Alle posts tonen

vrijdag 3 oktober 2025

'Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen'


Onlangs kon ik via Marktplaats voordelig een zeer curieuze uitgave bemachtigen. Het gaat om de serie: "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" (Embden [Amsterdam], 1748-1754).
Ik ben deze titel in de loop der jaren regelmatig tegengekomen op beurzen, markten en veilingen, vaak een los deeltje of meerdere, maar zelden compleet. Telkens als ik er dan in bladerde verwonderde ik mij over deze vreemde uitgave, zijn merkwaardige samenstelling, inhoud en illustraties.
Het "Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen" past in het rijtje: "Nederduitsche en Latynsche keurdichten" (Rotterdam, 1710) en het meer bekende "Groote tafereel der dwaasheid" (Amsterdam, 1720). Het zijn compilaties van (al dan niet eerder verschenen los efemeer) drukwerk, die hun ontstaan danken aan maatschappelijke onrust of economische en/of politieke instabiliteit. De teksten in het praaltoneel zijn ongepolijst en direct. Ze vertegenwoordigen de mening van het gepeupel. Straattaal en vloekwoorden zijn eerder regel dan uitzondering. Juist dat maakt de inhoud zo interessant en bijzonder tegelijk.

We weten dat het praaltoneel niet in het Duitse Embden werd "gedrukt voor de liefhebbers" maar in Amsterdam bij Gerardus van Hattum (die ook uitgaf onder het pseudoniem J. de Vries, Deventer). Van Hattum was als boekdrukker/-handelaar slechts enkele jaren actief en in zekere zin is het praaltoneel - zeker qua omvang - zijn opus magnum. In de Short-Title Catalogue Netherlands (STCN) worden slechts 25 uitgaven (meest anoniem verschenen) aan hem toegeschreven. Het ligt voor de hand dat het fictieve impressum van het praaltoneel te maken heeft met de inhoud van deze serie; een compilatie van honderden - op enkele na - anoniem verschenen anti-orangistische teksten. Vele daarvan waren al eerder afzonderlijk verschenen als paskwil (schotschrift of smaadschrift) en sommige waren zelfs verboden en vernietigd!
De uitgever zelf was ook niet van onbesproken gedrag en een kleurrijke figuur; "Van Hattum was een geval apart. Die behoorde tot de clientèle van de in 1748 in ongenade gevallen familie Six. In de jaren vijftig (van de 18de eeuw) waren bij hem tal van geschriften verschenen waarin zowel de hervormde kerk als de doelisten het hadden moeten ontgelden. Inmiddels was zijn rol uitgespeeld, want als homoseksuele en dus chantabele kroongetuige had Van Hattum zijn voornaamste tekstschrijver, de politieke pamflettist Jacob Baroen, achter de tralies geholpen. Een nauwgezette reconstructie van Van Hattums betrekkingen met de overheid en haar vertegenwoordigers zou licht kunnen werpen op heel wat zaken die tot nog toe verborgen zijn gebleven. Helaas wilde men dat nu juist voorkomen. [-] Van Hattum is als het ware in het niets verdwenen, alsof hij behoedzaam uit het zicht is geloodst" (Ton Jongenelen in: "De waarneming als constructie. Sodomie en rechtsvervolging in Amsterdam in de achttiende eeuw" in: "Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman", jaargang 21 (1998)).

Volgens de bekende 19de eeuwse antiquaar Frederik Muller (1817-1881) was bovengenoemde Baroen de grote man geweest achter het praaltoneel. "Het zeer bekende Praaltooneel van Neerl. Wonderen, 7 dl., dat in de jaren 1748 tot 53 dikwijls zal vermeld worden, is volgens een oude bij mij berustende Confessie in HS (handschrift), geschreven of verzameld en uitgegeven door zekeren Jac. Baroen te Amst., die in 1757 ook heeft geschreven en in het geheim bij F. Houttuyn en K.v. Tongerloo (2 Doopsgezinde boekverkoopers) heeft uitgegeven: 'De Deïst vermeerderd' wat toen ter tijd scherpelijk vervolgd is" (in: "Nederlandse Historieplaten", Amsterdam 1876/1877, deel II, blz. 172, nr. 3948).


Het praaltoneel verscheen in een maatschappelijk onrustige periode waarin de spanningen tussen Prinsgezinden en Patriotten toenamen. Dit leidde tot landelijke onlusten zoals in Amsterdam waar in 1748 de pachtersoproer uitbrak en de Doelistenbeweging zich politiek roerde.
De eerste vier delen van het praaltoneel zagen het licht in dat 'wonderjaar', vervolgens verscheen deel V in 1753 en deel VI in 1754.
Deze zes delen bevatten allemaal een Franse titelpagina, een verklaring van de allegorische titelprent, de allegorische titelprent zelf en de typografische titelpagina in zwart en rood. Van deel I bestaat een variant met een andere titelpagina uitgegeven in 1748, evenals van deel II (1749) en deel III (1751). Deel IV werd heruitgegeven in 1754. Na afronding van deel VI verschenen nog een prent en twee publicaties. De prent draagt de titel "Vergadering der Patriotten op de groote burgerzaal in de Cloveniers doelen te Amsteld. in Aug. Ao 1748" en moest worden geplaatst in deel II (NB. deze afbeelding komt voor in meerdere contemporaine publicaties!). 


De twee stukjes moesten worden gebonden achter deel VI. Beide vormen ze het 'zevende deel', dat geen aparte titelpagina heeft (allegorisch noch typografisch) zoals de voorgaande zes delen. Het gaat om: "Het gedrag der stadhoudersgezinden, verdedigt door Mr. A.v.K. rechtsgeleerde" en "Het stadhouderschap wettiger gehandhaafd en de Doelistery-gezinden kragtiger verdedigd als door Mr. A.v.K.", inclusief het verbod op deze twee publicaties uit 1754.
In de pamflettencatalogus van W.P.C. Knuttel worden ze beide genoemd onder nr. 18414 en 18415. Bij het eerste nummer schreef Knuttel: "Door mr. Elie Luzac. Met het volgende werd het den 15 mei te Amsterdam vóór het stadhuis publiek verbrand. Een premie van F. 3000 werd uitgeloofd voor den ontdekker van den schrijver, drukker of verspreider der beide paskwillen. In Amsterdam schreef men beide pamfletten aan de Doelisten toe. Het werd in 1783 herdrukt".
Deze serie bevat overigens veel meer verboden publicaties, zoals in deel II (blz. 153): "De weergalooze Amsterdamsche Kiekkas..." (Knuttel nr. 18033) en in deel IV (blz. 153) het beruchte: "Kort en beknopt Hollands Vraagboekje ten dienste van allen, die hun geluk zoeken te bevorderen, door ware Doelistery waardoor de Staat ontroerd en de Prins misleid word" (destijds ook wel de catechismus der Doelisten genoemd).

Bij diverse paskwillen is de tekst voorzien van voetnoten waarin gebruikte pseudoniemen en spraakmakende kwesties nader worden verklaard. Op die manier werden specifiek lokale schandaaltjes en rellen ook voor lezers elders begrijpelijk.
In de zes delen worden talrijke politieke tegenstanders gefileerd, met name de Amsterdamse Oranjegezinde porseleinverkoper Daniel Raap (1703-1754). Zozeer zelfs dat Knuttel in zijn pamflettencatalogus kon schrijven: "De meeste der hier volgende gedichten over Raap en zijn begrafenis zijn opgenomen in Dl. VI van het 'Dichtkundig Praal-tooneel van Neerlands wonderen'" (bij nr. 18421).


Daarnaast zijn - als politieke rode draad - een aantal officiële publicaties van overheidswege opgenomen. 
- In deel I (blz. 219) de 'Propositie' van Willem IV, een voorstel voor belastinghervormingen (d.d. 25 juni 1748).
- In deel II (blz. 184) het: "Billyk verzoek der Amsteldamsche Burgery, aan zyne Doorlugtige Hoogheid op nieuw voor te stellen", (blz. 187) plus enkele vervolgstukken en (blz. 213) de: "Sententie tegens Harmen Coops Fledderus binnen Steenwyk" (d.d. 24 april 1749) alsmede enkele vervolgstukken.
- Deel III (blz. 71) de: "Sententie by den Ed. Hove Provinciaal van Utrecht, den 8 Augustus 1748. gepronuncieerd en geëxecuteerd jegens Willem Cornelisz. van Claveren, alias Dikke Willem, en Marrigje Willems, alias Lange Marie" (d.d.10 augustus 1748) en (blz. 78): "Request van de Gedeputeerden van Haarlem, die op de Gevangen Poort in 's Hage zyn in Verschering genomen" (d.d.2 januari 1750).
- Deel IV (blz.32) de publicatie van de Staten van Holland over het afleggen van de eed door wijnkopers plus enkele vervolgstukken (blz. 67 en 68). Vervolgens (blz. 129) een publicatie van de stad Rotterdam naar aanleiding van de plundering van het huis van de wijnkoper Gerrit Hagedoorn (d.d. 18 augustus 1751). Tot slot (blz. 159) een publicatie van de stad Amsterdam tegen lasterlijke paskwillen met name het godslasterlijke paskwil verschenen onder de titel: "Kort en beknopt Hollands Vraag-boekje" (niet gedateerd, maar van 8 september1751).
- Deel VI (blz. 295) een publicatie van de stad Amsterdam tegen paskwillen (d.d. 28 januari 1754), een Placaat van de Staten van Holland en West-Friesland tegen paskwillen (d.d. 7 maart 1754) en tot slot een Placaat van de stad Amsterdam tegen de eerdergenoemde twee publicaties die samen het 'zevende deel' vormen van het praaltoneel (d.d. 14 mei 1754).

De allerlaatste pagina van de serie is een "Berigt aan de liefhebbers", over de eerdergenoemde nagekomen prent en twee stukjes plus (verso) een lijst van illustraties voor de boekbinder. Enkele illustraties komen voor in zowel de pamflettencatalogus van Knuttel (met het begeleidend paskwil) als in Frederik Muller's "Nederlandse historie platen".
De meeste zijn uitvouwbaar en doen wonderlijk primitief aan. Ze zijn geen van alle gesigneerd. Frederik Muller spreekt over slechte kopieën en dat klopt.
Neem bijvoorbeeld de prent voorin deel IV: "Ter nagedachtenisse van de inhuldiging zijner doorl. Hoogheid Willem Karel Henrik Friso als Marquis van Vere en Vlissingen". Het origineel linksonder is gesigneerd onder de prent ("S. Fokke inv. et fec. 1751." en "F. Houttuyn excudit."). De - overigens redelijk geslaagde - kopie rechtsonder niet.


Het praaltoneel is al met al een rommelige uitgave, gedrukt op matig papier. De titelpagina van deel IV bijvoorbeeld is gedateerd 1748 maar de opgenomen teksten lopen door tot ver in 1753! De bladwijzers achterin rammelen; ze zijn onvolledig of geven een weinig informatieve omschrijving/titel. Zo kan het gebeuren dat je bij het collationeren verschillende verrassingen tegenkomt. Bijvoorbeeld in deel VI (blz. 42) waar een grafschrift staat voor Daniel Raap in de vorm van een acrostichon dat niet in de bladwijzer wordt vermeld. Een ander voorbeeld is een prent ("Raap uyt gely door een Predikant na de Galg met eenig ander bywerk") plus de voorafgaande uitleg, die kennelijk later is toegevoegd (Deel IV tussen bladzijde 160 en 161). Dat is niet alleen zichtbaar aan de verspringende paginanummering maar ook aan de custode ('OP') rechtsonder op de laatste bladzijde van het voorafgaande (verboden) "Kort en beknopt Hollands Vraagboekje...".


Weer een andere verrassing schuilde achter het: "Smeek-schrift aan 't Groot en Magtig Amsterdam". Er staat niet bij van wie, maar het bleek te gaan om een gedicht (uit 1753) waarin het dorp Amstelveen zicht richt tot zijn grote buurman de stad Amsterdam.
De volledige titel luidt: "Smeekschrift aan het groot en magtig Amsteldam opgedragen door het klein en nedrig Amstelveen" (Deel V, blz. 232). Hierin vraagt het dorp ootmoedig om bestrating van een belangrijke verkeersader, de Amstelveenseweg tussen het dorp en de stad Amsterdam. Omdat dit gedicht in de lokale geschiedenis van mijn woonplaats totaal onbekend is geef ik het hier volledig weer.


Het direct daaropvolgend keer-dicht "Nihil of nul op 't request van het klein en nedrig Amstelveen gegeeven als uit naam van het magtig Amsteldam" (blz. 236) maakt korte metten met dit verzoek.
Wat denkt dat armzalige Amstelveen wel? Wat kost dat wel niet? Bovendien is het alleen maar om de Fransche Schouwburg aan de Overtoom (afgebrand in 1754), die ten nadele is van de Stadsschouwburg op het Leidseplein, beter bereikbaar te maken. "De Fransche Dichtkonst, of de Schouburg op de Overtoom, welke door onze Eygen Inboorlingen wordt ten toppunt gevoerdt, waar door de Amsterdamsche Schouburg een inmportant verlies komt te leyden, en weeuw en wees 'er de smerte komt van te gevoele" (voetnoot blz. 244). Destijds ging een gedeelte van de inkomsten van de schouwburg naar de stadswezen en weduwen. De bestrating van de Amstelveenseweg kon wel wachten en pas in 1810 wordt gesproken over de 'nieuwe straatweg' tot aan het dorp Amstelveen.


Tot slot bevat deel VI van het praaltoneel twee bijzondere paskwillen in de vorm van satirische begrafenisbriefjes. Bijzonder omdat ze door hun oblong vorm en inhoudelijke opbouw echte begrafenisbriefjes imiteren. Vooral in de periode 1780-1790 is dergelijk drukwerk verschenen. Enkele zitten ook in mijn collectie en zullen ter sprake komen in mijn volgende blog: "Satirische begrafenisbriefjes uit de Patriottentijd".

vrijdag 14 oktober 2022

Een bibliografisch meesterwerk met grote invloed


Het is alweer acht jaar geleden dat ik: "Boeken die het niet (gaan) redden" schreef. Een stukje over de ondergang van bepaalde boeken, zoals telefoonboeken en encyclopedische werken. Op de vraag die ik mijzelf toen stelde of ik desondanks nog naslagwerken zocht gaf ik als antwoord twee voorbeelden. De eerste was de wens om ooit nog eens J.Ch. Brunet: “Manuel du Libraire et de l‘amateur de livres” aan mijn bibliotheek te kunnen toevoegen (om – ik parafraseer - zijn iconische status onder antiquaren en bibliofielen, meer om lekker in bladeren en te studeren onder het genot van een sigaar en een glas goede wijn dan om echt te gebruiken). Ik kan u melden dat die wens twee weken geleden in vervulling is gegaan, al had dat nog wel wat voeten in de aarde...

Brunet's fameuze en monumentale bibliografie is sinds de eerste druk in 1810 meermalen (her)uitgegeven in tal van uitvoeringen en antiquarisch goed verkrijgbaar voor prijzen tussen de € 200,- en € 1000,- euro (afhankelijk van de editie en uitvoering). Een originele negentiende eeuwse uitgave, fraai gebonden in heel of half marokijnleer, vond ik niet per se nodig. Wel moest het de 5de (meest complete) editie zijn. De beste heruitgave is die van de Deense uitgeverij/antiquariaat 'Rosenkilde og Bagger' (Kopenhagen, 1966-68). Deze bestaat uit negen delen inclusief drie delen supplement waaronder de als laatste anoniem ("par un bibliophile") verschenen geografische index; "Dictionnaire de géographie ancienne et moderne: À l'usage du libraire et de l'amateur de livres" (Parijs, 1870). Het bleek echter niet zo makkelijk om die set - goed verpakt, ongeveer 12 kilo - onder de € 300,- euro (inclusief eventuele verzendkosten!) te bemachtigen.
Na twee weken zoeken aan beide zijden van de oceaan, e-mailen en twee mislukte pogingen (te hoge verzendkosten en toch niet compleet aanwezig), ben ik uiteindelijk geslaagd bij 'Antikvariat Classica' in Zweden.


Jacques-Charles Brunet, werd geboren op 2 november 1780 in Parijs als zoon van boekhandelaar Thomas Brunet (1744-1824). Aanvankelijk voelde de jonge Jacques-Charles maar weinig voor de boekhandel en interesseerde en verdiepte hij zich vooral in bibliografische studies. Hij was pas 17 jaar oud toen hij zijn eerste veilingcatalogus schreef (m.b.t. de bibliotheek van Armand-Thomas Hue de Miromesnil (1723-1796), minister onder Lodewijk XVI). Vijf jaar later publiceerde hij, anoniem, een aanvulling op de "Dictionnaire bibliographique, historique, et critique des livres rares, précieux, singuliers, curieux, estimés, et recherchés" van André-Charles Cailleau (Parijs, 1802). Pas in de eerste editie van zijn Manuel zou hij toegeven hiervan de auteur te zijn. De jonge Brunet woonde in bij zijn vader en trad op als zijn klerk, maar ontving geen salaris: "Je ne possédais alors que quelques livres et une somme de quinze cents francs environ, produit des honoraires reçus du supplément à Cailleau".


Op 30-jarige leeftijd publiceerde Brunet zijn - toen nog driedelige - "Manuel du libraire et de l'amateur de livres" (Parijs, 1810), dat een bibliografisch woordenboek bevatte, waarin de meest waardevolle en bruikbare boeken, oud en modern, werden omschreven met aantekeningen over de verschillende edities, vervalsingen en prijzen gevolgd door een methodische tabel in de vorm van een 'catalogue raisonné'.
Verkoopcatalogi schrijvend tussen de boekenstapels werkte hij in zijn vrije tijd aan een tweede editie van zijn Manuel (Parijs, 1814), uitgebreid met meer dan vierduizend artikelen en een groot aantal aantekeningen. Nadat ook de tweede editie was uitverkocht en een aantal jaren niet meer verkrijgbaar, publiceerde hij een derde editie, wederom aangevuld met meer dan tweeduizend artikelen en een groot aantal aantekeningen (Parijs, 'chez l'auteur', 1820).

Van deze derde editie werd overigens de eerste (slechte) roofdruk gemaakt in België/Brussel (bij drukker-boekhandelaar H. Remy en P. J. De Mat), wat wel iets zegt over de populariteit van het werk destijds.

De laatste boekcatalogi van Brunet's hand verschenen in 1824. Op 26 mei 1824 stierf zijn vader en deed Brunet jr. afstand van zijn patent als boekhandelaar (uit 1812 en vernieuwd in 1820) ten gunste van Philippe-Auguste Sautelet (1800-1830) om zich verder geheel te wijden aan zijn bibliografische studies en een vierde editie van zijn Manuel met een supplement: "Nouvelles Recherches Bibliographiques". Al deze publicaties legden hem geen windeieren, in 1844 bedroeg zijn fortuin bijna vijfhonderdduizend frank.

Brunet was door zijn studies en interesses geleidelijk aan ook zelf een bibliofiel geworden. Vooral mooie oude boekbanden konden hem bekoren en hij bezat een grote bibliotheek op bibliografisch gebied. In 1845 werd hij - op voorstel van de graaf Narcisse-Achille de Salvandy (1795-1856), toenmalig minister van Openbaar Onderwijs - onderscheiden met het prestigieuze Legion d'Honneur. In 1848 en 1849 was hij lid van het Comité voor de organisatie van openbare bibliotheken. Ondanks zijn inmiddels gevorderde leeftijd werkte hij aan de vijfde en laatste editie van zijn Manuel, volledig herzien en in omvang met een derde toegenomen. Het resultaat, uitgegeven tussen 1860-1880 bij Firmin-Didot frères, fils et Cie. in Parijs, was een bibliografisch meesterwerk en maakte de auteur tot één van de belangrijkste bibliografen van Europa. Men vindt in deze vijfde druk van zijn magnum opus, evenals in de voorgaande, een groot aantal merken afgebeeld van drukkers en boekverkopers uit de vijftiende en zestiende eeuw. Pikant detail is dat deze in de tekst opgenomen illustraties vooral waren bedoeld om het verschijnen van (Belgische) roofdrukken te bemoeilijken. Pas tien jaar na het overlijden van Jacques-Charles Brunet verscheen - tussen 1870 en 1880 - bij dezelfde uitgever het tweedelig supplement geschreven door Pierre Deschamps (1821-1907) en Pierre Gustave Brunet (1805-1896).

Brunet stierf op 14 november 1867 - 87 jaar oud - in zijn appartement in de Rue de Seine, in zijn fauteuil, te midden van de literaire schatten die hij had vergaard. Zijn hele leven lang was hij ongehuwd gebleven met alleen zijn grote hond als gezelschap. Hij werd op 16 november begraven op het 'Cimetière du Montparnasse', naast zijn vader (de graven zijn in 1999 geruimd en de stoffelijke resten overgebracht naar het ossuarium van het 'Cimetière du Père-Lachaise'). Zijn omvangrijke bibliotheek werd in 1868 in twee gedeelten geveild en bracht ruim 315.000 frank op.


Brunet's Manuel is een typisch negentiende eeuwse bibliofielen-bibliografie waartoe ook bijvoorbeeld die van J.G.Th. Graesse (1814-1885): "Trésor de livres rares et précieux..." (Dresden, 1859-1869) behoort. Bij Brunet ligt de nadruk echter meer op Franse en Latijnse literatuur terwijl bij Graesse meer te vinden is met betrekking tot Germaanse literatuur en Oosterse talen. Het Manuel van Brunet zou echter voor negentiende eeuwse veilingcatalogi bepalend worden door zijn baanbrekende en verfijnde classificatiesysteem. Mede daardoor werd het de vraagbaak voor antiquariaat en boekenveiling en maakte het deel uit van hun handbibliotheek. 
Boeken werden namelijk sinds de 17de eeuw gerangschikt op formaat en inhoud en ingedeeld in categorieën; 'théologie, jurisprudence, sciences et arts, belles-lettres' en 'histoire' (volgens het systeem van de Franse bibliograaf Prosper Marchand (1678-1756) en Gabriel II Martin).
In het derde deel van zijn in 1810 verschenen Manuel beschreef Brunet zijn nieuwe: "Ordre des principales divisions de la table méthodique des ouvrages cités dans le nouveau Dictionnaire Bibliographique" (deel VI van de herdruk). Hierin verdeelde hij de traditionele vijf onderwerp-categorieën in tal van subcategorieën en onderafdelingen, gevolgd door lijsten (de 'catalogue raisonné') van de belangrijkste boeken in elk van de categorieën en subcategorieën.

In Nederland had Brunet's Manuel grote invloed op Frederik Muller (1817-1881), vermoedelijk (en zeker internationaal) Nederlands bekendste boekhandelaar, antiquaar en bibliograaf. "Het gebruik van dat en soortgelijke boeken, is eene ware en heilzame gymnastiek van den geest en leerschool voor boekenkennis. Evenzoo die uitmuntende Table methodique van Brunet, in het laatste deel van iedere uitgave te vinden, waarin hij de beste boeken uit iedere wetenschap in systematische orde opnoemt, en die honderden niet kennen of niet eens weten te gebruiken, die het alfabetische deel van Brunet dag in dag uit raadplegen" (Frederik Muller in een ingezonden stuk: "R. van der Meulen, Bibliografie van Technische Kunsten en Wetenschappen van 1870-75", in: "Nieuwsblad voor den Boekhandel" 1876 (jrg. 43, nr. 82), blz. 471). Brunet's Manuel bracht Muller ertoe om in 1878 een plan in te dienen getiteld: "Voorslag tot eene Nederlandsche Bibliographie". 


Het moest op dezelfde leest geschoeid als Brunet, een grote en uitgebreide boekenkennis bevatten samen met kennis van de wetenschappelijke waarde van de meeste daarin opgenomen werken. Muller was ervan overtuigd dat een dergelijk omvangrijk en erudiet werk niet door één persoon kon worden geschreven en benaderde daarom diverse specialisten - zoals P.A. Tiele (land- en volkenkunde) en professor A.H. Israels (genees- en heelkunde) - die ieder een bibliografie zouden kunnen schrijven op hun vakgebied. Later zouden deze verschillende 'complete' vakbibliografieën dan onder redactie van Muller kunnen worden samengevoegd tot één grote Nederlandse bibliografie. Toen Muller inzag dat hij door zijn leeftijd de voltooiing van een dergelijk project niet meer zou meemaken stelde hij de uitvoering financieel veilig door het oprichten van het 'Frederik-Muller-Fonds'. Desondanks is de uitgave zoals die hem voor ogen stond nooit tot stand gekomen.

vrijdag 29 december 2017

Vissen achter het net, naar Willem en Jet


Achter het net vissen... Het overkomt iedere verzamelaar.
Wijlen Gerrit Komrij (1944-2012) overkwam het op de Deventer boekenmarkt, zoals u hier kunt lezen.
Mij overkwam het - jaren terug - toen antiquaar Ab van der Steur (1938-2012) een exemplaar van: "Uit het leven van Koning Gorilla" (van S.E.W. Roorda van Eysinga) vlak voor mijn neus vond en voor een luttel bedrag kocht.
Dat pamflet wordt wel gezien als het meest fameuze schotschrift tegen ons Koningshuis, meer specifiek tegen onze toenmalige vorst Koning Willem III (1817-1890). Er bestaan verschillende edities van en in totaal zijn er vermoedelijk zo'n 100.000 exemplaren van verspreid! Regelmatig worden exemplaren door antiquaren en veilinghuizen aangeboden en heel zeldzaam is het dus niet.
Zeldzamer is een brochure met los uitgegeven spotprent vol majesteitsschennis tegen Koning Willem I der Nederlanden (1772-1843). De brochure vond ik in een antiquariaat maar voor die losse prent moest ik achter het net vissen...!

Dit bibliofiele avontuurtje begon allemaal een paar weken geleden met het besnuffelen van de laatst toegevoegde items op Boekwinkeltjes van antiquariaat Boek en Glas in Amsterdam.
Ik geloof dat ik mijzelf een vaste klant mag noemen van dit antiquariaat. Veel van antiquaar Louis Putman (1923-2013) kwam destijds bij Boek en Glas terecht en regelmatig bieden de eigenaren Conchita en Peter leuke boekjes, brochures en ander bijzonder drukwerk aan voor schappelijke prijzen.
Al snuffelend viel mijn oog op een raadselachtige titel: "Brief aan een inwoner van Vetweidenland, bij gelegenheid van het huwelijk van Willem Kaaskooper en Jetje Dondermond" (Amsterdam, z.j. [1841]).


Nieuwsgierig geworden begon ik mijn zoektocht naar achtergrondinformatie op internet en in mijn bibliotheek.
Blijkens het titelblad verscheen deze publicatie anoniem 'voor eigene rekening' te Amsterdam ("In de Kerkstraat, bij de Leidschestraat, No. 264"). Het is één van de schotschriften die destijds verscheen ter gelegenheid van het zeer omstreden tweede huwelijk (in 1841) van de inmiddels afgetreden Koning Willem I der Nederlanden met zijn katholieke hofdame Henriette d'Oultremont de Wégimont (1792-1864). Het in hun nieuwe woonplaats Berlijn gesloten morganatische huwelijk leidde tot een schandaal in Nederland. Henriette was rooms-katholiek (en moest daarom aan de Paus dispensatie vragen) maar bovendien geen prinses. In hofkringen was het daarnaast een publiek geheim dat Willem al vele jaren een andere hofdame tot minnares had, de gouvernante van zijn jonggestorven dochter Paulina (1800-1806), baronesse Julie von der Goltz (1780-1841). Hij had bij haar al vier onwettige kinderen verwekt!

Onze anonieme briefschrijver gaf - zoals u zelf kunt lezen - een vrolijke beschrijving van de bruiloft waar enkele schunnige liedjes ten gehore werden gebracht en besloot zijn bericht geschreven 'op den huize Spotlust' met een veelzeggend postscriptum:

"PS. Zoodra wij hier den kaneelstok roeren, zal ik het u ten spoedigsten melden, Wim heeft beloofd zijn best te zullen doen. - Jet heeft reeds mijn dochtertje belast met het breijen van vaderliefjes (een driehoekig babymutsje) en mijne vrouw heeft de toezegging der levering van de luijermand".

Bijzonder interessant is de informatie over deze brochure die ik vond in Jeroen Koch's biografie: "Koning Willem I, 1772-1843" (Amsterdam, 2013). Daarin schreef hij dat zelfs de republikeinse en revolutionair gezinde journalist Eillert Meeter (1818-1862) het maar een vunzig drukwerkje vond, een pamflet vol vulgaire satire van 'beginselloze pamflettisten en rijmelaars'. "Maar de samensteller was wél goed geïnformeerd zoals de redacteur van de 'Tolk der Vrijheid' wist. De schrijver van het schotschrift was hoogstwaarschijnlijk of Van Andringa de Kempenaer (1804-1854) of Van den Biessen (1797-1845). Mogelijk hadden zij de gefingeerde brief samen gecomponeerd. En zij ontleenden hun kennis over de perikelen aan het hof aan niemand minder dan de toenmalige prins van Oranje, inmiddels Koning Willem II, die hun voor zijn lastercampagne tegen zijn vader in maart 1840 de nodige details had toegespeeld" (blz. 550/551)!


Volgens een rapport van Dr. Mr. Daniël Jacob van Ewijck van Oostbroek van de Bilt (1786-1858), gouverneur van Noord-Holland, veroorzaakte het huwelijk in Amsterdam in verschillende sociëteiten relletjes waarbij vooral de daar aanwezige portretbustes van de voormalige Koning het moesten ontgelden. Van één werd de neus afgeslagen en een ander werd als bewijs van minachting bij afslag geveild voor vijfentwintig cent. Bij dit rapport was een pamflet gevoegd, dat in Amsterdam veel werd verkocht en gelezen: "Brief aan een inwoner van Vetweidenland, bij gelegenheid van het huwelijk van Willem Kaaskooper en Jetje Dondermond"!
De oplage moet dus vrij aanzienlijk zijn geweest maar ongenoemd en kennelijk minder bekend is de hierbij uitgegeven litho "Het huishouden van Willem Kaaskooper" (ca. 41 cm. hoog en 36 cm. breed). Deze vertoont zes afbeeldingen, elk met eenregelig onderschrift;
Op de eerste afbeelding zien we het schip 'Nederlanden' dat overstag gaat en Willem I die hard wegloopt van het schip. Onder deze afbeelding staat: "Wim redt zijn g...". Op de tweede afbeelding staat Willem I in een kaaswinkel, leunt tegen een toonbank en staat op de grondwet. De koning zegt tegen de kaasverkoper: "Daar kan nog wel wat af". Onder de afbeelding staat: "Wim doet de affaire over". Op de derde afbeelding zit Willem I in een grote stoel in een kamer bij de open haard. Uit zijn mond komen de woorden: "Waar blijft Jet Dondermond". In de deuropening staat een vrouw in een lange japon met een kapje op haar hoofd die tegen Willem zegt: "Hier lieve Kaaskooper". Onder deze afbeelding staat: "Wat zit ik hier warmpjes". De vierde afbeelding toont Willem I incognito met hoge hoed en cape als hij per trein aankomt in 'Zwart Adelaar' (Duitsland) en welkom wordt geheten: "Welkom, welkom met jou duitjes".  In zijn gevolg lopen mannen te sjouwen met grote kisten. Deze afbeelding draagt de titel: "Wim komt in zwart adelaars land".
Op de vijfde afbeelding lopen Willem I en Jet gearmd weg van de kerk, omringd door belangstellenden. Onder deze afbeelding staat: "Wim en Jet zijn getrouwd".
De zesde en laatste afbeelding toont Willem I en Jet tegenover elkaar gezeten in een kamer met op de achtergrond een hemelbed. Onder de afbeelding staat: "Jetje in gezegende omstandigheden". Uit de mond van Willem I komen de woorden: "Wat is dat Jetje, nu al?" En Jet zegt: "C' est l'amour, l'amour, l'amour Wimpje". Geheel onderaan staat het uitgeversadres (dat hetzelfde is als op de titelpagina van de brochure).


Beide, brochure en litho, worden genoemd in het standaardwerk van Frederik Muller: "Nederlandse Historieplaten" (onder nummer 7038). 'Zeldzaam' schreef Muller in zijn beschrijving en een dergelijke kwalificatie van hem (toen al!) mogen we gerust overnemen. Desondanks is er momenteel één antiquariaat die beide aanbied! Bij Van der Steur kunt u de litho samen met de brochure kopen voor honderdeenentachtig euro.
Boek en Glas bood de brochure aan voor vijftien euro. Ik aarzelde even met mijn besluit om tot aanschaf over te gaan. Mijn lichte aarzeling betrof niet de vraagprijs want die was beslist niet hoog, maar ja.... die brochure is maar de helft van het verhaal en hoe groot is de kans om die litho nog eens los tegen te komen en te kopen?

Toen ik vervolgens in Google naar afbeeldingen van de spotprent zocht wachtte mij een verrassing. Ergens tussen alle afbeelding vond ik een heel klein plaatje dat verwees naar een advertentie op Marktplaats waarin de litho werd aangeboden!
De advertentie was echter al geruime tijd geleden geplaatst en bestond inmiddels niet meer.
Met veel moeite kon ik echter de oude advertentietekst en naam van de verkoper achterhalen. Die bleek verder geen advertenties op Marktplaats te hebben geplaatst.
Perkamentus viste achter het net...
Desondanks besloot ik om mijn hengel achter het net uit te gooien en stuurde ik via Marktplaats een berichtje naar het oude emailadres van destijds met de vraag of de litho nog te koop was (ik bood vijftien euro). De kans op antwoord schatte ik niet al te hoog in....
Groot was mijn blijdschap toen ik slechts enkele dagen later een positief antwoord ontving. Inmiddels werd de litho verenigd met de brochure. Weer een zeldzaam object voor mijn collectie 'old & rare' en compleet dankzij vissen achter het net!

vrijdag 28 oktober 2016

Vier onbekende proefdrukken


Mijn vierdelige uniform in perkament gebonden beschrijving van Amsterdam (in folio) door Jan Wagenaar (1709-1773), waarover ik al eerder schreef, is één van mijn favoriete topstukken in mijn ‘private library’.

Toen ik deze set van een particulier kon kopen verkocht ik mijn driedelige uitgave gebonden in half leer (in folio), maar behield ik een los vierde deel (groot folio, in half leer) dat ik ooit separaat had gekocht. Het vierde deel verscheen anoniem, vele jaren na de dood van Jan Wagenaar, maar tegenwoordig wordt algemeen aangenomen dat de auteurs Jan Fokke (1742-1812), zoon van de bekende tekenaar en graveur Simon Fokke (1712-1784), en Jacobus Kok (1734-1788) zijn.
Beiden waren ook al verantwoordelijk voor een ander ‘allernoodzaaklykst werk’; het “Vaderlandsch Woordenboek”.

Ik bewaarde dit losse deel niet alleen omdat de daarin gebruikelijk aanwezige stadsgezichten uitzonderlijk schoon en fraai bewaard zijn gebleven maar ook omdat er diverse grote portretten en interessante historieprenten extra zijn bijgebonden. Daarvan heb ik er al een paar eerder besproken zoals u hier en hier kunt lezen.
Toen ik onlangs daarin wat bladerde viel mijn oog op een blad (tussen blz. 226/227) met vier gravures die de tumultueuze gebeurtenissen verbeelden rond de begrafenis van de Amsterdamse Oranjegezinde Doelist Daniel Raap (1703-1754).


De vier prenten zijn op één blad afgedrukt en nog niet losgesneden van elkaar. Geheel onderaan het blad staat in cursief twee maal “proefdruk”.
De term ‘proefdruk’ kom je wel vaker tegen in de prenthandel en verdient een korte toelichting.

“Proefdruk. Druk door de kunstenaar gemaakt vóór de voltooiing van de plaat ter controle van zijn vorderingen. Zeldzaam, dus gezocht. Daarom drukte men in de 18e eeuw grote aantallen prenten met de vermelding ‘proefdruk’ voordat het opschrift of de titel op de plaat waren aangebracht” (In: “Het prenten-ABC. Termen en begrippen uit de prentkunst in het kort verklaard” (z.j./z.p. uitgave Rijksmuseum Stichting/Rijksprentenkabinet, educatieve dienst, blz. 25).


En in het bekende handboek van John Carter & Nicolas Barker: “ABC for book collectors” (New Castle/London, 2004) lezen we daarover:

“A term used to describe proofs of engravings, etc., taken (sometimes on special paper) before the addition of caption, imprint, date or other matter, while the engraved design was in its freshest state.
Of the more ambitious illustrated books of the late 18th and early 19th centuries there was sometimes a special issue, at considerably advanced price, with the tekst on large or fine paper and ‘proof impressions of the plates’. These would often be proofs before letters
” (blz. 178).

Terug naar mijn boek en blad.
De vier afbeeldingen zijn Romeins genummerd. Onder de twee maal gedateerde prentjes staan drie namen. Die van de tekenaar Simon Fokke, ‘ad. viv. del. 1754’, de uitvoerder/opdrachtgever voor de prent, zijn zoon: Arend Fokke Simonsz. (1755-1812), ’exudit’ (de broer van de eerdergenoemde Jan Fokke!) en de graveur: Cornelis Brouwer (1731/1735-1803), ‘sculp. 1786’. Ze stellen voor:

I. Tumult op de Dam (Amsterdam) bij de begrafenis van Daniël Raap. De lijkbaar van Raap wordt vernield.

II. Onrust voor - en vernielingen aan het huis van de overleden Daniël Raap, voormalig voorman van de Doelisten, aan de Vijgendam in Amsterdam.

III. De kist met het stoffelijk overschot van Daniël Raap wordt ‘s nachts in het geheim naar de Oude Kerk in Amsterdam gebracht om begraven te worden. In alle haast is de kist verkeerd om gelegd, met het hoofd bij het achtereinde van het paard!

IV. Nachtelijke begrafenis (04.00 uur!) bij toortslicht van Daniël Raap in de Oude Kerk te Amsterdam (graf in de Elisabeth Gavenkapel, nr. 44).


De vier prenten zijn evenals de voortekening voor deze serie (uit de Collectie/Atlas Louis Splitgerber) terug te vinden in de beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam.

Voor historieplaten raadpleeg ik altijd het bekende naslagwerk van Frederik Muller: “Nederlandse Historieplaten”, waarvan ik de herdruk in cassette door Nico Israël bezit (Amsterdam, 1970). Muller geeft bijzonder uitvoerige informatie over deze vier prentjes (nr. 4057).

Zo weet hij te vertellen dat ze illustratiemateriaal waren voor: “De Vaderlandsche Historie in themata” (Amsterdam, 1783), waarvan de auteur ‘de geestige schrijver en vurig patriot’ Arend Fokke Simonsz. was. Deze populaire uitgave telde in ieder geval zes herdrukken (1786, 1788, 1796, 1801, 1816 en de laatste in 1825) met een telkens toenemend aantal illustraties. Ondanks de talrijke herdrukken is een compleet exemplaar van deze uitgave behoorlijk schaars.


Deze informatie was mij wel bekend maar onbekend, en belangrijker voor mijn verhaal, is zijn slotopmerking met betrekking tot de proefdrukken voor deze uitgave.

“Voorts zijn bij dit No., gevoegd 3 folio vellen, waarop 11 (nog niet van elkander gesneden) plaatjes in 12°, in allereersten proefdruk voor alle letter, allen door S. Fokke, doch waarvan slechts 6 tot deze Vaderl. Hist. in them. behooren en 5 tot eenen roman van dien tijd. Deze afdrukken zijn zóó fraai dat de latere afdrukken in de Vad. Hist. er bijna niet uit te herkennen zijn; deze 6 plaatjes zijn namelijk: die over de voorvallen op 1779 29 dec., 1780 20 mei, 1783 Afvuring voor v.d. Capellen, 1790 10 Aug. en 2 van veel vroegere jaren”.

Samen met mijn vier - voor Muller onbekende proefdrukken - zijn er nu dus tien proefdrukken bekend van illustraties voor “De Vaderlandsche Historie in themata”.
Perkamentus zoekt ondertussen gewoon verder...

maandag 27 juni 2016

Over Frederik Muller gesproken

Ik ben geen boekenblogger zoals er duizenden zijn.
Fictie koop en lees ik sowieso vrijwel niet. Ik ben ook geen ‘would be recensent’ die boekbeoordelingen schrijft of leesadviezen geeft. Bij mij dus geen plusjes, duimpjes of sterretjes (vijf voor een uitstekend boek!).
Een doodenkele keer schenk ik aandacht aan een moderne uitgave en dat heeft dan een goede reden, zoals hier, waar het niet om de inhoud maar om de vormgeving gaat.

Maar nu is er dan een nieuwe biografie verschenen over Frederik Muller, geschreven door Chris Schriks: “Frederik Muller. Baanbreker in de wereld van het boek (1817-1881)” (Zutphen, 2016).
Al toen ik de aankondiging las van de Walburg Pers vroeg ik mij af of het boek van Chris Schriks veel meer zou bieden dan wat er al bekend is over deze zwaargewicht uit de boekhistorie.

In de loop der tijd is er namelijk al vrij veel geschreven over Frederik Muller, zijn omgeving en de boek- en antiquariaatshandel. Niet alleen in de vorm van artikelen die al dan niet behoren tot een grotere publicatie, zoals het hoofdstuk (3) dat P. Buijnsters aan hem wijdt in: “Geschiedenis van het Nederlandse Antiquariaat” (Nijmegen, 2007), maar ook in de vorm van een handvol los verschenen uitgaven.


Als ik in mijn eigen bibliotheek kijk dan is daar natuurlijk allereerst het boekje van zijn tijdgenoot en vakbroeder A.C. Kruseman (1818-1894): “Frederik Muller 1817-1881. In memoriam. Voor vrienden overgedrukt uit de Levensberichten der afgestorven Leden van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde”, (Haarlem, 1881).
Een antiquarische uitgave die ik destijds in een bijzondere band liet zetten want als rasbibliofiel en antiquarius heb ik Frederik Muller heel hoog zitten.


De – chronologisch – tweede uitgave is een brochure tot stand gekomen in opdracht van de Frederik Muller Academie (Amsterdam, 1977). Het bevat – naast een korte inleiding van Kees Fens (1929-2008) - fragmenten uit het eerdergenoemde levensbericht van Kruseman, bijeengebracht door M. Bertina. Kortom, geen nieuws.


De eerste geïllustreerde korte biografische schets verscheen in 1994.
Een klein boekje van zesenveertig bladzijden geschreven door Marja Keyser (1944), destijds bibliothecaris van de Bibliotheek van de Koninklijke Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels (de bibliotheek waarvan Frederik Muller ‘founding father’ was).
De titel luidt: “Frederik Muller en de oude boekhandel (of hoe maakt een antiquaar tijd om te genieten.)”, (Amsterdam, 1994). In mijn recensie-exemplaar zit nog het originele getypte aanbiedingsbriefje van antiquaar Frank Rutten want het verscheen destijds ter gelegenheid van het veertigjarig jubileum van antiquariaat Brinkman.


De meest volledige uitgave over Frederik Muller is en blijft echter de uitgave die verscheen onder de titel: “Frederik Muller 1817 – 1881. Leven en werken”, (Zutphen 1996).
Een fraai geïllustreerd boek (nr. 2 in de nieuwe reeks bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse Boekhandel) door diverse auteurs uit de wereld van het (oude) boek, waaronder eerdergenoemde Chris Schriks en Marja Keyser.


Deze uitgave verscheen naar aanleiding van het 150-jarig bestaan van de Bibliotheek van de Koninklijke Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels.
Het jubileum van deze bibliotheek van ‘de vereniging met de lange naam’ werd destijds ook gevierd met een tentoonstelling in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam, samengesteld door Marja Keyser. Daarbij verscheen een kleine catalogus getiteld: “Frederik Muller 1817 – 1881. Pionier in het boekenvak” (Amsterdam, 1996).


Daarnaast staan hier uiteraard verschillende werken uitgegeven door Frederik Muller zelf zoals zijn ‘Nederlandse historieplaten’ (reprint door N. Israel in 1970) en ‘Beschrijvende catalogus van 7000 Portretten’ (reprint door Davaco Publishers in 1972).

Kort en goed; ik vond niet veel nieuws in de (helaas niet geïllustreerde) biografie van Chris Schriks. De eerste hoofdstukken lezen redelijk vlot maar met de laatste vier had ik erg veel moeite. Daarin gaat het over Muller’s positie en rol (naast die van vele andere boekhandelaren) in de destijds oeverloze discussie over nadruk, kopijrecht, illegale vertalingen, wetgeving enz.
Stof die Chris Schriks volledig beheerst en vermoedelijk zeer interesseert (hij schreef een dikke pil over het kopijrecht van de 16de tot 19de eeuw), maar mij kon het allemaal niet bijzonder boeien.

Overigens is zijn slotpleidooi mij recht uit het hart gegrepen. Het zou inderdaad fantastisch zijn en zeer terecht als Frederik Muller eindelijk zou worden geëerd met een borstbeeld in de hal van Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam (BC/UVA).

De nieuwe biografie van Chris Schriks kost vijfentwintig euro. Ik kreeg ‘m tijdens de presentatie (gesigneerd) in BC/UVA op woensdagmiddag 15 juni jl. cadeau van een goede vriendin.
Toch mijn eerlijke mening en advies?
Koop het antiquarisch goed verkrijgbare en zeer lezenswaardige boek: “Frederik Muller 1817 – 1881. Leven en werken”, (Zutphen 1996).
Kost u bovendien minder dan vijfentwintig euro…

zaterdag 27 maart 2010

Een vreemde eend

Ik had al heel wat exemplaren door mijn handen laten gaan van: “De Amstelstroom, in zes zangen” (Amsterdam, 1755), door Nicolaas Simon van Winter (1718-1795). Uiteindelijk viel mijn keuze op een fraai in contemporain perkament gebonden uitgave met blindgestempelde platten en ribben. Het is geen zeldzaam noch zeer kostbaar boek en in vele openbare en bijzondere collecties berust een exemplaar. Het is fraai geïllustreerd met een mooie allegorische titelprent, een uitvouwbare “Nieuwe Kaart van den Amstel Stroom” en prachtige vignetten (‘tailpieces’) aan het einde van elke zang.

De auteur was tweemaal gehuwd. Eerst met Johanna Muhl (1718-1768), met wiens broer Jacob Muhl (1715-1787) hij een handel in verfstoffen (indigo) voerde. Na haar overlijden vroeg hij nog in hetzelfde jaar en geheel in stijl, met een gedicht, haar zeer goede vriendin de classicistische dichteres Lucretia Wilhelmina Van Merken (1721-1789) ten huwelijk.
Zij beantwoordde zijn aanzoek, eveneens met een gedicht, positief. Eén van de drempeldichten in ‘de Amstelstroom’ is van haar hand.

Ik bezit mijn exemplaar inmiddels meer dan tien jaar en toch is het pas een week geleden dat mij iets opviel. Direct na de allegorische titelprent (‘frontispice’) en de titelpagina zit nog een paginagrote gravure van en door S. (Simon) Fokke (1712-1784).
Even dacht ik dat dit een tweede titelprent was voor de direct daarna volgende opdracht van de auteur aan zijn zwager “Toewying aan mynen schoonbroeder den heere Jacob Muhl”, maar ik kon me eigenlijk niet herinneren dat ik deze prent vroeger ook in andere mij bekende exemplaren van het boek was tegengekomen.
Na enig vergelijkend onderzoek bleek mijn herinnering juist te zijn. Een tweede titelpagina hoort niet in dit boek thuis. Een vreemde eend in de bijt dus, of liever gezegd een vreemde eend in de Amstelstroom.

Dat de prent ook niets te maken heeft met de ‘Toewying’ aan zwager Jacob Muhl ontdekte ik door in Frederik Muller’s: ‘Nederlandse Historieplaten...’ alle beschrijvingen van prenten door Simon Fokke na te lopen. De enige beschrijving die van toepassing leek was nr. 3885 (a).
Het ging om een allegorische prent op de verheffing in 1747 van Willem IV tot stadhouder en kapitein-generaal; “de Maagd van Nederland houdt het portret van Willem IV in medaillon op haren schoot. Naar en door S. Fokke. 4˚, Titelprent? Voor het heldendicht: Willem IV?”.
Was dit dezelfde prent als in mijn exemplaar van ‘De Amstelstroom’ (?) en zo ja was deze inderdaad als titelprent gebruikt in het Oranje-epos: “Willem de IV.” geschreven door Margareta Geertruid de Cambon-van der Werken (1734-na 1796)?

Voor het beantwoorden van die vragen ging ik afgelopen donderdag, op de fiets, naar Amsterdam om een bezoekje te brengen aan het Rijksprentenkabinet (waar de verzameling historieprenten van Frederik Muller sinds 1881 berust) en vervolgens naar de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, die over een exemplaar van “Willem de IV.” beschikken.
In het Rijksprentenkabinet bleek dat nr. 3885 (a) inderdaad identiek was aan mijn prent.
In hun collectie zit ook nog een variant in rood gedrukt, nr. 3885 (b), en een variant waarbij de signatuur linksonder de afbeelding ontbreekt (nr. 3885 (c). De laatste wordt vermeld in het supplement op Muller’s catalogus. De catalogusbeschrijving voor alle drie luidt: “Allegorie ter ere van Willem V, 1755. Minerva met lans en vrijheidshoed en een portret van de stadhouder, op de voorgrond de Nederlandse Maagd, De Waarheid helpt de Geschiedenis met het schrijven in een boek dat rust op de schouders van de Tijd. In de wolken de Faam en engeltjes”.

Vervolgens ging ik naar Bijzondere Collecties, waar ik een exemplaar inzag van “Willem de IV.” (Leiden, 1756. In 1762 verscheen een 2de druk). Inderdaad, ingebonden voor de titelpagina zit mijn prent c.q. nr. 3885 (a). Daarmee is de vraag van Frederik Muller, na bijna anderhalve eeuw, positief beantwoord, maar blijf ik met nog een prangende vraag zitten. Waarom werd juist deze prent extra ingebonden in mijn exemplaar van ‘De Amstelstroom’?

vrijdag 18 december 2009

Het jaar 1868

1868 was een bijzonder jaar.
In Arnhem nam de jonge Paulus Gouda Quint (1835-1915) de boekhandel van Nijhoff over. Quint zou de decennia daarop uitgroeien tot de bekendste antiquaar-veilinghouder van Gelderland. In Amsterdam stierf dat jaar Isaac Meulman (1807-1868). Deze (Lutherse) verzamelaar en bibliofiel, liet een prachtige collectie boeken na die door Frederik Muller in 1869 zou worden geveild. Meulman bezat bovendien een beroemde pamflettenverzameling van ca. 19.000 stuks.

In 1868 verscheen ook het laatste deel van de driedelige: ‎”Catalogus van de tractaten, pamfletten, enz. over de geschiedenis van Nederland, aanwezig in de bibliotheek van Isaac Meulman” (Amsterdam, 1866-1868), bewerkt door J.K. van der Wulp die, voordat hij deel drie kon afmaken, overleed.‎
Van der Wulp beschreef hierin uitsluitend de 9000 pamfletten die niet voorkwamen in de enkele jaren daarvoor verschenen pamflettenbibliografie van de verzameling van Frederik Muller. Meulman's zeer zeldzame pamflettencatalogus werd gedrukt in een beperkte oplage en verscheen niet in de handel. Het is een onmisbaar supplement op het bekende werk van W.P.C. Knuttel, waarover ik in mijn vorige blog schreef. De collectie Meulman berust thans in zijn geheel in de bibliotheek van de Gentse Rijksuniversiteit in België.
Ik prijs mij gelukkig met een bijzonder exemplaar van deze catalogus.
Bijzonder want in een keurig handschrift op de pagina tegenover de titelpagina van het eerste deel staat: “(No. 129) Den heer P. Gouda Quint. Aangeboden door den Verzamelaar”. Of Gouda Quint en Meulman elkaar in 1868 nog hebben ontmoet is onzeker, maar in ieder geval was er een band tussen beiden zoals blijkt uit dit geschenk van een groot verzamelaar aan een groot antiquaar.

Ben benieuwd of 2010 ook een bijzonder jaar wordt! In ieder geval wens ik u allen prettige feestdagen.

zaterdag 17 oktober 2009

Nieuw maatpak voor Frederik Muller


Het ideale boek is als een mooie intelligente vrouw. Inhoud en verpakking zijn even belangrijk en van beiden moet ik kunnen genieten. Net als ieder ander heb ik inhoudelijk wel mijn voorkeuren. De muze Clio voert de boventoon. En wat uiterlijk betreft verkeren mijn boeken, oud (liefst in perkament!) of nieuw, zoveel mogelijk in onberispelijke staat. Het boek is voor mij ook een esthetisch object.

Geruime tijd terug kocht ik A.C. Kruseman's: “Frederik Muller 1817-1881. In memoriam. Voor vrienden overgedrukt uit de Levensberichten der afgestorven Leden van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde” (Haarlem, 1881).
Een boekje van 96 pagina’s, gedrukt op niet afgesneden geschept papier met een portret van Frederik Muller. Het is geen kostbare noch zeer schaarse publicatie. Via internet vond ik verschillende exemplaren voor prijzen rond de veertig euro.


Bij het noemen van Muller's naam hoort het hart van elke rechtgeaarde bibliofiel sneller te gaan kloppen. Zijn verdienste voor de wereld van het boek als boekhandelaar, uitgever, antiquaar, veilinghouder, bibliograaf, historicus, verzamelaar en bibliothecaris zijn immers groot.
Wie daarvan uitvoerig kennis wil nemen kan ik het boek aanbevelen van Marja Keyser en anderen: “Frederik Muller (1817-1881). Leven en werken” (Zutphen, 1996).
Het verscheen ter gelegenheid van het honderdvijftigjarig bestaan van de Bibliotheek van de Koninklijke Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels waarvan Frederik Muller medeoprichter was.
‘In memoriam’ is een inhoudelijk interessant boekje maar werd helaas gebonden in een zeer eenvoudig stofomslagje. Al een tijd liep ik rond met het plan het te laten binden in een mooie leren band en dan niet een moderne band die uiterlijk representatief is voor het einde van de 19de eeuw, maar een smaakvol, kunstzinnig en eigentijds ontwerp. Zeg maar Frederik Muller in een 21ste eeuws maatpak.


Sándor Schouten jr. van boekbinderij Bibliopegus in Amsterdam heeft deze klus op zich genomen en op bijzondere wijze geklaard. Allereerst werd het gebrocheerde boek losgehaald. Een schutbladconstructie met linnen binnenscharnier en handmarmerpapier van Eva Clifford Kocq van Breugel zijn vervaardigd en aangezet. Het boekblok is machinaal genaaid, gekapitaald overlijmd met een strook handmarmer. De originele omslag en stofomslag zijn meegebonden.


De boekband werd toegesneden, de inlegrug is voorzien van valse ribben, die kunstzinnig zijn doorgetrokken over de platten. De band is gerond, het boekblok bandgezet en ingehangen. Het boek werd omtrokken met heel, vol, geitenleer en tussen de inslagen opgevuld. Sluitlinten van chroom gelooid schapenleer zijn aangebracht aan de voorzijde van de boekband. Reepjes van dit leer zijn ook aangebracht over het scharnier van de boekband als valse spitsels. Het voorplat werd blind bestempeld met ‘Frederik Muller’ en ‘In Memoriam’ in het hetzelfde lettertype als gebruikt voor de titelpagina. Het resultaat, u ziet het, mag er wezen en ik ben erg tevreden met mijn eerste ‘custom made’ boekband. Dat smaakt naar meer!