Posts tonen met het label Verboden boeken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verboden boeken. Alle posts tonen

vrijdag 3 mei 2024

Het gewraakte verbeterblad


Mijn laatste bezoekje aan de vrijdagse boekenmarkt op het Amsterdamse Spui, eind april, leverde niets op. Meestal maak ik daarna nog even een boekenrondje. Eerst langs de Athenaeumboekhandel op het Spui, dan snuffelen tussen de ramsj bij Scheltema op het Rokin, wat eten bij De Hapjeshoek op Metrostation Waterlooplein, ff langs De Slegte in de Vijzelstraat en - alvorens daar de metro naar huis te nemen - koekeloeren bij de stadsboekwinkel in het Amsterdamse stadsarchief. Ditmaal begon ik echter bij antiquariaat Brinkman. Daar gluurde ik eerst wat door de zijruiten in de Raamsteeg naar de uitgaven voor de ramen en vervolgens keek ik wie er achter het bureautje zat.


Ik ontwaarde ditmaal Joanna Rozendaal, Frank's charmante en ijverige compagnon, met wie ik voor het laatst in oktober vorig jaar sprak tijdens de Amsterdam International Antiquarian Book Fair, in de sfeervolle Zuiderkerk. Ik besloot daarom even bij te kletsen en meteen te vragen naar wat er in de tussentijd vers was binnengekomen.
Het daaropvolgende half uurtje vulde zich dus met een geanimeerd gesprek over onze boekenpassie terwijl ik hier en daar boeken van de plank trok, bepotelde, en tussen stapeltjes en in dozen snuffelde. De achterwand c.q. showwand bevatte ditmaal veel Nederlandse literatuur, met name poëzie uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw in diverse banden. Vondel, Poot, Van Winter en Van Merken, Bilderdijk en ook... Jan Fredrik Helmers (1767-1813).


Zodoende vond ik andermaal diens klassieker uit de Nederlandse letterkunde: "De Hollandsche Natie" (Den Haag, 1812). Een eerste druk, gebonden in een laat negentiende eeuwse bruine halflinnen band met groen/zwart gemarmerde kartonnen platten.
Trouwe lezers van mijn blog weten dat ik hier een kleine Helmers-collectie heb staan met als parel op de kroon een eerste druk met het zeldzame (tweede) verbeterblad waarop een voetnoot staat (zie de illustratie hieronder). Ik schreef er uitvoerig over in: "Daarvan kon BB alleen maar dromen".


Zoals bekend doorstond Helmers' oorspronkelijke magnum opus - waaraan hij tien jaar had gewerkt - niet de politieke censuur van de Franse bezetter. Zelfs nadat drie censors het manuscript hadden doorgevlooid en de uitgave eindelijk in december 1812 in een oplage van 1300 stuks verscheen, ontdekte het hoofd van de 'Direction générale de la police en Hollande', P.E. Devilliers du Terrage (1774-1858) nog enkele ontoelaatbare dichtregels. Alleen door het wegsnijden van het oorspronkelijke blad 55/56 en het plaatsen van een verbeterblad met toelichting kon de uitgave door de beugel.
De opdracht daartoe kwam bij de Haagse uitgever rijkelijk (te) laat binnen; begin maart 1813. Helmers was net ter ziele en van de 1300 exemplaren in het magazijn van Johannes Allart waren er inmiddels 1032 naar diverse boekhandels in het land geëxpedieerd en 18 aan particulieren verkocht. Het verbeterblad kon zodoende alleen aan de resterende 250 exemplaren worden toegevoegd.
De uitgever protesteerde, de auteur was overleden, en daarom voegde hij aan het verbeterblad op eigen initiatief een verantwoording toe in de vorm van een 'NB' met de tekst: "Deze Nota is na het overlijden van den Schrijver, op last van de Generale Directie over den Boekhandel te Parijs, geplaatst. De Lieutt. Colonel Inspecteur van den Boekhandel C. von Römer.". Eigenlijk was dit 'NB' nog gevaarlijker dan de versregels waar het om draaide.
Een handvol exemplaren moet met deze - voor de Franse overheid compromitterende - voetnoot zijn verspreid alvorens het werd opgemerkt en verboden. Opnieuw werd een verbeterblad gedrukt met dezelfde toelichting maar ditmaal zonder het 'NB'.

Het exemplaar dat ik bij Brinkman in de hand hield bevatte het eerste gewraakte verbeterblad met het 'NB'! Met een triomfantelijk glimlachje schoot mij de conversatie te binnen die ik rond 2016 voerde op de Spui boekenmarkt met Marinus van Hattum. Van Hattum promoveerde in 1994 op Helmers en geldt als kenner en fervent verzamelaar van zijn werk.
Toen ik hem destijds trots vertelde over mijn bijzondere aanwinst en dat ik uiteraard bleef zoeken naar een exemplaar met de nog wat zeldzamere 'NB' verantwoording wenste hij mij volharding en veel succes. "Ik heb er zelf ook maar één!", grijnsde hij... 


In 2015 betaalde ik voor mijn bijzondere aanwinst bij het Zwolse antiquariaat de Zilveren Eeuw van Rob de Bree - met vriendenkorting - honderdveertig euro.
De aanwezigheid van een verbeterblad is bepalend voor de waarde van de eerste druk die in het antiquariaat - hoewel steeds schaarser geworden - afhankelijk van de staat en de band voor enkele tientjes kan worden gekocht.

Met het Helmers-boekje in de hand ontspon zich een discussie met Joanna over diens 'Hollandse Natie'. Joanna had mij erop gewezen dat de allegorische titelgravure in dit exemplaar weliswaar aanwezig was maar dat de zes platen, voor elke zang één, ontbraken.
Ik vertelde haar dat die 'ontbrekende' platen helemaal niet in de eerste druk horen zaten.
Die verschenen namelijk pas in 1815 en konden door de bezitters van een van de eerste drie drukken in hun exemplaar worden bijgebonden. Het exemplaar bij Brinkman was dus zoals uitgegeven en wel degelijk compleet. Wist zij van de geschiedenis rond het verbeterblad dan met die zeldzame voetnoot? Tja... dat was niet opgemerkt en daarom ook niet in de catalogusbeschrijving opgenomen... Maar over de prijsjes in de boeken bij Brinkman kan in principe niet worden gesoebat (ook niet door de uitbater...) en dus kon ik het voor het potloodprijsje aanschaffen. En zo, beste lezers, verliet ik een klein uurtje later de winkel met Helmers in mijn jaszak voor - geloof het of niet - twintig euro...


NB. Mijn Helmerscollectie bevat nu v.l.n.r. (bovenste rij): de eerste druk (1812) met het eerste verbeterblad, de eerste druk (1812) met het tweede verbeterblad, de vierde druk (1817) in originele blauw kartonnen uitgeversband (dit is de eerste editie die standaard verscheen 'met platen'). V.l.n.r. (onderste rij): de zesde druk (1822) in originele geel kartonnen uitgeversband (de zogenaamde 'pocketeditie'), de eerste (verkorte) schooluitgave voor het middelbaar en lager onderwijs (1897), in originele papieren uitgeversomslag, en de laatst verschenen moderne uitgave (2009).

vrijdag 25 maart 2022

Dilemma en illusie


Mijn laatste blog verscheen alweer wat langer geleden dan u normaal van mij gewend bent. Na 455 (!) blogs in 13 jaar zal de inspiratie wel iets zijn afgenomen denkt u, en dat is natuurlijk ook een beetje waar. Toch staat hier nog genoeg om over te schrijven. Zoals u wel weet bezit en beheert Perkamentus verschillende deelcollecties en over een aantal heb ik al eens eerder geschreven.
Zodoende weet u (of kunt u weten, door op de hiernavolgende hyperlinks te klikken) dat het gaat om heel diverse onderwerpen zoals: (Lof der) jenever, Helmer's Hollandsche Natie, obscure uitgaven over blanke slavinnen, margedrukwerk van De Ammoniet, oude Hollandse polderreglementen, zeldzame anticonceptiebrochures, theologische discussies over het vloeken, de Amsterdamse stadshistoricus Jan Wagenaar, vuilnis, vuilverwerking en verzamelen, stadswijk Buitenveldert, 19de eeuwse gemeentelijke aanplakbiljetten, Irma Boom, bibliomanische uitgaven in mijn bibliotheek en de (anti)trekhonden(bond).

Afgelopen week ontving ik een aanvulling op het laatstgenoemde onderwerp. Bij het Antwerpse filiaal van De Slegte kocht ik een zeldzame brochure geschreven door mevrouw W. Wynaendts Francken-Dyserinck en C. Buysse: "Voor de kar en aan de ketting" (Arnhem, 1926). Een uitgave van de "Geldersche Vereeniging voor Dierenbescherming 'Niels Holgersson'" tegen het houden van trek- en kettinghonden. Hierin zit o.a. het korte verhaal: "Dukske", van de Vlaams naturalistische schrijver Cyriel Buysse (1859-1932), dat oorspronkelijk verscheen in zijn bundel: "Uit Vlaanderen" (1899). Wat deze aanwinst extra bijzonder maakt is dat de auteur op de voorzijde schreef: "Aan een hondenvriend. v.d.S (van de Schrijver) Aug. 1926".


Met de ontvangst daarvan drong plotseling weer het besef door dat het een illusie is om te denken dat de kous af is als je eenmaal een bepaald onderwerp aan de hand van je bezit (deelcollectie) hebt besproken. 'De kous', in dit geval het verzamelen is immers nooit af! Verzamelen gaat gewoon door en regelmatig arriveren in huize Perkamentus aanvullingen op verschillende collecties.
Maar wat dan? Weer opnieuw over het hetzelfde onderwerp publiceren? Een addendum schrijven (zoals deze), een voetnoot onder bestaande artikelen (zoals hier), onzichtbaar blijven aanvullen zoals hier of zichtbaar (zie opmerking onderaan) hier? Een terugkerend dilemma dat vooralsnog een magere oplossing kent door elke aanwinst te vermelden in mijn maandelijkse overzicht met een verwijzing naar het desbetreffende blog. Inmiddels zit deze brochure bij zijn soortgenoten in één van de ruim twintig zuurvrije archiefdozen die niet ver van mijn bureau staan. Deze - bijna anderhalve meter hoge - stapel dozen bevat kwetsbaar en antiquarisch schaars drukwerk uit verschillende eeuwen over diverse interessante onderwerpen.


Een goed voorbeeld is de doos met brochures over 'de Index, Boekcensuur en Kath.(olieke) boekenwetten'. Over die religieus opgelegde censuur heb ik lang geleden al eens wat geschreven in: "Verboden boeken" (2010) en "Komrij's roomse poolster" (2013). Ruim een jaar geleden besloot ik om er een overzicht van te maken voor een blog. Daarmee was ik bijna klaar toen ik enkele aanwinsten op dit gebied ontving. Die waren weliswaar uiterst welkom maar ontnamen mij de lust om mijn blog af te ronden. Als ik toch bleef verzamelen, waarom dan erover schrijven in de wetenschap dat het nooit echt af is? Soms kunnen aanwinsten verlammend werken...

'Des Pudels kern' ben ik natuurlijk zelf! Boeken (en series) moeten bij mij compleet zijn en datzelfde geldt onbewust ook voor mijn deelcollecties en blogs daarover. In de wetenschap dat dat alles een illusie is geef ik u hierbij dan toch maar een (chronologisch) overzicht van de inhoud van deze doos met niet geïllustreerde uitgaven, alsmede enkele kenmerkende en opmerkelijke citaten daaruit.

1. J.H. van Franckenberg (1726-1804): "Herderlyk sermoen tegen het leezen der kwaede boeken door zyne Eminentie den Kardinael Van Franckenberg en Schellendorff, aertbisschop van Mechelen, primaet der Nederlanden enz, enz." (Brugge, 1822). Een vurig pleidooi van deze Prins der Kerk tegen alle goddeloze boeken met name vergiftigende 'minneboeken' (romans) die door hun slechte voorbeelden de goede zeden van hun jonge lezers (mannen en vrouwen) bederven.
"Wee u, ô ongelukkige schryvers der zelve! gy verdient van alle menschen vervloekt en verfoeid te worden. Wee u, drukkers, boekverkoopers en kraemers, die ze durft verkoopen!" (Blz. 23).


2. A. van Alphen (1748-1831): "Antonius van Alphen Vicarius Generaal Apostoliek van het bisdom van 's Bosch aan de onderhorigen van dit bisdom zaligheid in den Heere" ('s Hertogenbosch, 1822). 
Vastenbrief van Van Alphen tegen de zedenverwildering veroorzaakt door "bederfelijke boeken en schriften welke de goddeloosheid door de Leesgezelschappen en langs andere wegen, ook onder onze geloofs genoten tracht te verspreiden". Bevat tevens een ernstige waarschuwing voor de onzedelijke en gevaarlijke geneugten van: "Vastenavond huizen: Kwansels: Labaijen: Gaansdagen: Comedien: Ballen: Danspartijen: of diergelijke..." (Blz. 3). De tekst staat ook in: "Roomsch-Catholyke bibliotheek voor het Koninkrijk der Nederlanden" (deel 2, no. 2., titel van de rubriek: 'Kerkelijke geschiedenis'). Geen ander exemplaar van gevonden in WorldCat.


3. A. Haans S.J.: "Slechte lectuur" (z.p. 1904/1905). Uitgegeven door de Sint Willebrordusvereeniging ter verspreiding van goedkoope Katholieke volkslectuur (jaargang 9, nr. 2 (98).
"Wat een prikkelende aankondigingen, wat een luid klinkende reclames overal! Wat een schandelijke titels allerwege ten toon gesteld! Wat een aanplakbiljetten, en platen, en prenten verontreinigen de stadsmuren en verleiden tot op het platteland zoowel de argelooze als de ziekelijke nieuwsgierigheid de voorbijgangers! Slechte boeken, liberale dagbladen, zedelooze romans bewerken de lezers tot in de binnenkamers toe, om toch maar hunne vaste geloofsovertuiging te schokken en hunne deugden te bederven" (Blz. 2/3).


4. S.D. van Veen: "De Index en de Boekencensuur in de Roomsch-Katholieke Kerk" ([z.p.] Baarn, 1905). Uit de serie "Kerk en Secte", Serie I, No. 5, No XI.
"Of echter de boekcensuur, in praeventieven zin beschouwd, niet de vrijheid van wetenschappelijk onderzoek belemmert, is een andere vraag. Wie weet, dat hij de resultaten van zijn studie, vóór zij het licht mogen zien, moet onderwerpen aan het oordeel van den censor, en bedenkt, dat deze resultaten niet gedrukt mogen worden, indien zij ook maar in eenig opzicht afwijken van of in strijd zijn met de leer der Kerk, moet zich bij zijn onderzoek vooraf reeds gebonden voelen. Want van tweeën één; òf hij kan zijn werk niet uitgeven als het heterodox blijkt te zijn òf hij moet orthodox blijven, wil hij zijn studie in het licht zenden. Voor wie van harte tot de Roomsch-Katholieke Kerk behoort blijkt echter hierin geen moeilijkheid te liggen. Immers, komt hij tengevolge zijner onderzoekingen tot afwijkende gevoelens, dan vertrouwt hij, dat de Kerk, die hij erkent als de onfeilbare draagster der waarheid, gevaren ziet ook waar zijn oog die niet ontdekt, en de liefde tot de Kerk die gebiedt zijne gevoelens te verzwijgen, is sterk genoeg om aan de liefde tot de wetenschap, die lust heeft ze te publiceren, het zwijgen op te leggen" (Blz. 41/42).


5. B.Th. Stoverinck: "De Index en de boekcensuur in de Roomsch-Katholieke Kerk" (Nijmegen-'s-Hertogenbosch-Antwerpen, 1920). Nummer I (serie XIV) uit de reeks "Geloof en wetenschap. Studiën voor onze tijd" onder redactie van R. Bouman S.J. en dr. J. van Vessem S.J.
"Boekhandelaren, vooral Katholieken, mogen boeken die in bovengenoemde zin over obscene zaken handelen, in geen geval verkoopen, uitleenen of bewaren. De overige verboden boeken mogen door hen slechts verkocht worden wanneer zij van den Ordinarius of van de Congregatie van den Index daarvoor vergunning hebben gekregen. En ook dan is hun slechts toegestaan, deze slechts aan degenen te verkoopen, van wie ze redelijk kunnen veronderstellen, dat zij de bevoegdheid bezitten om zulk boek te lezen" (Blz. 40).


6. L. Kauling MSC: "Het kerkelijk boekenverbod" (Tilburg, 1920).
"De mensch heeft het vermogen om te redeneeren gekregen; maar dat beteekent niet, dat al zijn opvattingen eerst door de logica gecensureerd worden. Zelfs iemand die veel nadenkt, neemt een groot deel van zijn inzichten zonder critiek over van zijn omgeving, van de geestes-atmosfeer, waarin hij leeft. En als die geestelijke atmosfeer nu eens grootendeels bestaat uit onjuiste of minder juiste idees, die hem voortdurend mondeling of schriftelijk bereiken? Dan zal nog in gunstige gevallen in zijn hoofd een vreemde mengeling ontstaan van gezonde en ongezonde opvattingen, die den vollen opbloei van zijn Katholiek denken en Katholiek leven benadeelen" (Blz. 6).


7. P. Potters: "De boekenwet" ('s-Hertogenbosch, 1921). Een overdruk uit verklaring van den katechismus der Nederlandsche bisdommen (vierde deel). 
"In onze dagen wordt de wereld overstroomd met slechte boeken en kranten. Deze geloofsbedervers en zedenverpesters verrichten hun werk niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen en afgelegen gehuchten. Ze wachten u op in winkels, leeszalen, koffiehuizen, stations en spoorwagens. Men ontmoet ze op de sierlijke leestafels der rijken, op de vensterbanken der armen" (Blz. 3), aldus Potters.


8. J. Salsmans S.J.: "De index en de kerkelijke boekenwetten" (Antwerpen-Brussel-Gent-Leuven, 1938).
"De kerkelijke boekenwetgeving verbiedt (buiten rechtmatig verlof om) niet alleen het lezen der slechte boeken en bladen, maar ook het bewaren, vertalen, uitgeven, verkoopen of op gelijk welke wijze aan anderen mededeelen (Ca. 1398)" (Blz. 72).


9. C.A. Bouman: "Index en boekenwet" (Heemstede, 1940). Uitgave van het Katholiek Comité van actie 'Voor God' (Heemstede). 
"Als we vaststellen dat er in het algemeen van 'opzettelijke vervalschingen' geen sprake is (bepalen ons hier tot Bijbel-vertalingen) dan blijft wel staan, dat de tendentieuze (wat iets anders is dan 'vervalschte') vertaling van een bepaalde term of tekst - vooral in den heetsten tijd van de theologische disputen - zonder twijfel als bijkomstige reden voor het algemeen verbod heeft gegolden. Wanneer in den Statenbijbel de Griekse woorden 'ekklesia' of 'presbuteros' door 'gemeente' en 'oudste' worden vertaald, behoeft men niet aanstonds te zeggen dat deze termen in beteekenis niet kunnen komen met de meer traditioneele vertaling 'kerk' en 'priester'. Maar als het duidelijk is, dat de nieuwe vertaling opzettelijk gekozen werd om stelling te nemen tegenover de oude kerkleer, als deze nieuwe termen in de hitte van het gevecht tot strijdleuzen worden gepromoveerd, krijgen zij een beteekenis welke een strikt verbod van dergelijke Bijbelvertalingen zeker rechtvaardigt".


10. G. van Gestel S.J.: "Lectuur en censuur" (Bussum, [z.j.] 1948). Uit de serie "waarheid en leven" (Katholieke levenswijsheid), Psychosophische verhandelingen onder redactie van prof. J.P. Verhaar.
"Een bizonder soort letterkundig werk vormt de romanlectuur en we vermelden ze daarom onder een speciale en laatste categorie. Er is hier heel veel kaf onder het koren en wie in zijn boeken waarlijk levensverheffing, levensveredeling, levensverrijking zoekt, zal de wan geducht ter hand moeten nemen. Elk nieuw leesseizoen komen er stapels romans op de boekenmarkt. Er zijn uitgeversfirma's, die er een sport van schijnen te maken, maar zoveel leesvoer aan te slepen. En zijn de vaderlandse jachtgebieden afgestroopt, dan schaffen ze zich een buitenlandse, liefst een Engelse of Amerikaanse jachtakte aan en houden daar klopjacht. Dat de verhollandsing vaak beneden peil is, hindert weinig. Dat het van vreemde bodem komt, wordt allicht aanvaard als een goede noot; ten slotte een pikante titel en een min of meer zinnenlokkend bandtekeningetje en..... de zaak marcheert wel weer - d.w.z. finantieel. Als dit soort boeken iets met cultuur, met levensverrijking heeft uit te staan, dan is het in negatieve zin: dat ze nl. onbeschaafder en geestelijk armer maakt.
Een geestigaard typeerde de huidige roman aldus: Een duitse roman is een boek, waarin twee mensen elkaar al in het eerste hoofdstuk dringend nodig hebben, maar elkaar niet krijgen vóór de laatste letter van het laatste hoofdstuk; een franse roman is een boek, waarin twee mensen elkaar reeds in het eerste hoofdstuk krijgen en vanaf dat moment tot het laatste hoofdstuk elkaar niet meer nodig hebben en in de weg lopen; een russische roman is een boek, waarin twee mensen elkaar noch nodig hebben noch krijgen, over welke aangelegenheid 400 diep-zwaarwichtige bladzijden worden volgeschreven" (Blz. 87/88).


11. M. Custers: "Kerkelijke boekenwetgeving" (Antwerpen-Amsterdam, 1960).
"Het is heel goed mogelijk dat een boek niet valt onder de bepalingen van de Index, dat het dus niet door de Kerk als een verboden boek wordt beschouwd, en toch niet mag worden gelezen, omdat dit bepaald geschrift gevaarlijk is voor die bepaalde persoon. Wanneer iemand een boek begint te lezen en hij merkt op een bepaalde plaats dat hem dit niet past, dan is hij volgens de natuurwet verplicht de lezing te staken" (Blz. 8).


12. E.A. de Boulogne: "Herderlijk onderrigt over het drukken van slechte boeken" (Driehuis, z.j. [1995]). Een marge-uitgave van de Augustijn pers, waarvan zestig genummerde exemplaren bestaan (ik bezit een 'HC' exemplaar). De inhoud evenals de titelpagina - met verschillende bibliotheekstempels - komen uit deze uitgave. Dit (uittreksel van het) herderlijk onderricht van de bisschop van Troyes tegen 'slechte boeken' verscheen naar aanleiding van het opnieuw uitbrengen van de volledige werken van Voltaire (1694-1778) en Rousseau (1712-1778). 
"De letterkunde is evenzeer als de zedenleer ontaard. Hoedt u voor dien nieuwen vloed van boeken, die weldra de geheele verdelging van den menschelijke geest zal voltooien. Vrienden der goede zeden, wacht u voor de werken diens vuilen dichters, die van een meesterstuk van vuilheid het meesterstuk van zijn kunst maakt. Wacht u voor de werken van dien volslagen bedorven romanschrijver, die de slechte zeden wil verbeteren door middel van een boek, hetwelk hij zelf bekent dat de zeden moet bederven. Groote God! Waar gaan wij heen, en met welk een naam moeten wij deze eeuw bestempelen?".


Anno 2022 is lezen iets dat actief ‘bevorderd’ moet worden. Wie op de website van de Stichting Lezen kijkt en dan klikt op ‘Leesbevordering en literatuureducatie’ wordt van daaruit verder verwezen naar BoekStart en de Bibliotheek op school, Campagnes, Publicaties, Onderzoek en Congressen en trainingen. En er is nog veel meer. Het contrast met de tijd dat werd gewaarschuwd voor de gevaren van het lezen van bepaalde lectuur of publicaties geschreven of uitgegeven door personen met een andere geloofsovertuiging kon niet groter zijn. De bezorgde zedenprekers van toen zullen zich dit in hun stoutste dromen niet hebben kunnen voorstellen.
 
Inmiddels is het een aardige verzameling, al zeg ik het zelf, maar onbeperkt houdbaar is mijn overzicht natuurlijk niet want het verzamelen gaat door. De kous is nooit af en als er weer aanwinsten bijkomen sta ik opnieuw voor het eerder omschreven dilemma.
Zo is de cirkel rond...

vrijdag 17 februari 2017

Op zijn Frans Baltensz.

Wat hebben uitgaven als het “Handbook on Hanging” (London, 1928) van Charles Duff (1894-1966), de “Historische beschryvinge van de reformatie der stadt Amsterdam…” (Amsterdam, 1729) van Isaac le Long (1683-1762) en “Besmettelijke Zielsziekten, voorheen en thans” (Baarn, 1931) van Evart van Dieren (1861-1940) met elkaar gemeen?

Het antwoord is; ze zijn ofwel bizar om de inhoud, curieus om het verhaal er achter of geschreven door een interessante gek auteur. Sommige zijn zeldzaam andere minder maar alle drie zijn het ‘boeken met een verhaal’ en daarom gewild bij verzamelaars en aantrekkelijk voor antiquaren.

Wie mijn blog leest weet dat ik wel pap lust van dergelijke boeken, brochures en efemere uitgaven. Daarom ben ik ook in navolging van "Bizarre Books, a compendium of classic oddities" (1985) van Russell Ash & Brian Lake op Twitter gestart met "50 Bizarre Brochures" (dat tevens een ode is aan de Amsterdamse antiquaar Louis Putman (1923-2013).

Dat constant zoeken naar ‘boeken met een verhaal’ heeft onlangs een bijzondere uitgave opgeleverd die tot de hoogtepunten in dit genre mag worden gerekend. In een achttiende eeuws halfleren bandje met gemarmerde platten zit een curieuze tekst uit de zeventiende eeuw verborgen.
De auteur was een religieuze gek, het boekje werd verboden door de Classis van Zuid-Holland, evenals de burgemeester en kerkenraad van Dordrecht en de tekst is bovendien onleesbaar.
Ik heb het natuurlijk over de ‘Samaritane’ of zoals de titel volledig luidt: “Samaritane; ofte spieghel der Godtsvreesentheyt en eerbaerheyt” (Dordrecht, 1648).
De auteur ‘F.B.’, drukker en boekverkoper zijn één en dezelfde persoon; Frans Baltensz. (geboren rond 1610-overleden na 1648).


Al in 1635 gaf deze aanhanger van de wederdoper en ketter David Joris (1501-1556) bij drukker Nicolaas Centen een boekje uit dat de wenkbrauwen bij de Dordtse kerkenraad ernstig deed fronsen. Nadat hij door hen was ontboden om een verklaring af te leggen kwamen ze al gauw tot de conclusie dat de man geestelijk niet helemaal in orde was en volstrekt koeterwaals sprak.


Zij oordeelden daarom dat zijn uitgave: “Gulden kleinoodt, streckende ter verclaringhe van het XIIIe Capittel des Evangeliums Johannis” een “hers- en sinneloos geschrift was, daar uit geen verstant in ‘t alderminste kon gevat ofte geraept worden, noch van Evangeliste noch van zijne uitlegger selve, en daer geen ander vrucht van kon genoten worden, als een openbare bespottinge van christelijcke religie”.
De magistraat werd gelast om de gehele oplage in beslag te nemen en die deed dat kennelijk zo grondig dat er geen enkel exemplaar meer bekend is van het "Gulden kleinoodt".
Baltensz. die verklaard had nog meer geschriften onder zich te hebben moest de kerkenraad beloven deze niet uit te geven of te laten drukken.

Dertien jaar later brak hij zijn belofte en verscheen bij hem de ‘Samaritane’.
Honderden bladzijden lang onnavolgbare, vaak ellenlange, volzinnen met slechts hoogstzelden één begrijpelijke zin ertussen. Ook de typografie, met name indeling en opbouw, zijn verwarrend.
Het boekje bespreekt de eerste hoofdstukken (‘capittel’) van het Evangelie volgens Johannes.
Het eerste deel (51 bladzijden) gaat geheel over het vierde capittel. Dan volgt het tweede deel (315 bladzijden) met, volgens het titelblad, een “woordelijcke verklaringhe van thien capittelen in Johanne”.


Je verwacht dan capittel 1 t/m 11 (minus capittel 4 dat al in deel 1 werd behandeld, is 10).
Maar nee, een bespreking van het tiende of elfde capittel ontbreekt (!). In plaats daarvan heeft het eerste capittel een aanhangsel “Van Johanne by Mose” (blz. 59 t/m 89) en zit enigszins verborgen tussen de hoofdstukken over het tweede en derde capittel een verrassing; een nieuw hoofdstuk met een “woordelijcke verklaringhe van het derthiende Capittel in Iohanne” (bladzijde 117 t/m 136). Is dit soms de tekst van het verboden en verloren gegane “Gulden kleinoodt”?


Als verklaring voor de onbegrijpelijke inhoud ging al gauw het verhaal de ronde dat, nadat Baltensz. er lucht van had gekregen dat ook dit geschrift van hem zou worden verboden, hij het manuscript verknipt had “in kleine snippers, soms slechts drie of vier woorden bijeen, soms eenen geheelen regel aan elkander latende. Nu schudt hij alle die snippers in eenen zak of eenen mand dooreen, voegt ze allen, naar gelang zij hem in de hand kwamen, weder naast elkander en zond het in 1648 de wereld in…” (uit: A.J. van der Aa: “Biograpisch woordenboek der Nederlanden” (Haarlem, 1853, blz. 88).

Drukker en boekverkoper Frans Baltensz moet behalve de 'Samaritane' meer hebben uitgegeven zoals een "Historie van Joseph, den sone Jacobs, beschreven bij de Propheet Mose, in sijn eerste Boek" (Dordrecht, 1648) maar daarvan is geen exemplaar teruggevonden. Ook een sleutel om de raadselachtige tekst van de 'Samaritane' te ontcijferen en te begrijpen (die er volgens de geruchten moet zijn geweest) is nimmer opgedoken.


Werd de ‘Samaritane’ verboden en in beslag genomen, zoals sommigen melden?
Anders dan het “Gulden kleinoodt”, komt het niet voor in het overzicht van verboden boeken uitgegeven door dr. W.P.C. Knuttel in 1914.
Bij een verbod verwacht je ook niet dat er, zoals de STCN laat zien, maar liefst drie verschillende edities van zijn (mijn exemplaar behoort tot deze variant). Bovendien zou er volgens het in 1788 verschenen overzicht van 'Nederduitsche Boeken' door R. Arrenberg zelfs een tweede Amsterdamse druk van bestaan (die verder nooit is aangetroffen).
Hoe dan ook; volgens het verhaal dook het boekje onder en werd pas vele jaren na de dood van Baltensz. door zijn nabestaanden mondjesmaat en tegen geringe bedragen verkocht.

De hele affaire moet destijds zelfs hebben geleid tot een spreekwoord dat thans alweer vergeten is, namelijk: “Dat is op zijn Frans Baltensz.”, oftewel dat is onbegrijpelijke onzin. In die betekenis werd het al in 1697 gebruikt door de Rotterdamse stadsarts dr. Herman Lufneu (1657-1744) in een briefgewijs geschreven natuurkundig vertoog tegen zijn collega dr. Jan Schilperoort, waarin hij zijn opponent (op blz. 47) vergeleek met Frans Baltensz., “schrijver van het Dollemans boekje ‘Samaritane’”.


In de negentiende eeuw verdiepte de predikant en schrijver G.D.J. Schotel (1807-1892) zich in het verhaal en schreef er over in “Vaderlandsche Letteroefeningen” (Amsterdam, 1835) en “De Oude Tijd” (Haarlem, 1868).
Het boekje, zo herinnerde Schotel zich, was in zijn jeugd bepaald niet zeldzaam geweest. Het lag voor vier à vijf stuivers bij elk boekenstalletje te koop, “maar sedert het op een paar Catalogi van beroemde boekverzamelingen als ‘raar’ is voorgekomen, heeft men tot 5, à 6 guldens voor dit vod der vodden gegeven”. Inderdaad komt de uitgave in verschillende negentiende eeuwse veilingcatalogi voor, zoals die van de Rotterdamse politicus Adriaan Gevers Deynoot (1814), die van de medicus Matthias van Geuns (1818) en die van de Oranjegezinde predikant Jan Scharp (1828).

‘Raar’ kan verschillende betekenissen hebben; zeldzaam/schaars (zoals in het Engels ‘rare’), maar ook vreemd/curieus. De ‘Samaritane’ is beiden; een ‘boek met een verhaal’, en dus begeerd door verzamelaars en gezocht door antiquaren.
Wie na lezing hiervan hebberig is geworden en nu zelf een exemplaar wil aanschaffen kan de ‘Samaritane’ online in twee antiquariaten vinden. Beiden vragen echter iets meer dan de zeventig euro die ik betaalde!

vrijdag 3 juli 2015

Daarvan kon BB alleen maar dromen...


“Ik juich! Geen hoger heil heeft ooit mijn ziel gestreeld,
Dan dat ik, Nederland!, ben op uw’ grond geteeld”

Zo begint de eerste ‘zang’ in de “Hollandsche Natie, in zes zangen” van zakenman Jan Fredrik Helmers (1767-1813). Het is wellicht het meest nationalistische (en bombastische) lied uit de Nederlandse literatuur. De complexe verschijningsgeschiedenis is fascinerend en maakt het tot een boekhistorisch en bibliofiel icoon.

Dankzij de biografie van Marinus van Hattum “Jan Fredrik Helmers 1767-1813. Leven en werk van een Amsterdamse wereldburger” (Amsterdam, 1996) zijn wij goed geïnformeerd over deze vrijwel vergeten schrijver die anno 2015 vermoedelijk de meeste bekendheid geniet bij de bewoners van de 1ste, 2de en 3de Helmersstraat in Amsterdam.
Van Hattum – die ik onlangs nog tegenkwam op de boekenmarkt – heeft wel meer leuke boekjes over Helmers geschreven. “Hulde aan Helmers. Lofdichten op Jan Fredrik Helmers (1767-1813) ter gelegenheid van zijn 200ste sterfdag op 26 februari 2013” (Amstelveen, 2013) en “Helmers en France” (Amstelveen, 2014) staan hier naast zijn Helmers biografie in de kast.


Drie weken geleden kwam daar de (tot dusver) laatste editie bij van “De Hollandsche Natie” (Nijmegen, 2009). De eerste moderne heruitgave (de voorlaatste dateert van 1883!) met een uitvoerige inleiding verzorgd door Lotte Jensen in samenwerking met Van Hattum.

Helmers’ magnum opus (hij werkte er bijna tien jaar aan!) verscheen voor het eerst in 1812. Het grootste gedeelte van het huidige Nederland was toen ingelijfd bij het Eerste Franse Keizerrijk (1810-1813).
Uitgever was de Haagse Johannes Allart (1754-1816), maar het boek werd gedrukt in Amsterdamse door J. Ruys.
De oplage bedroeg 1300 exemplaren waarvan er nog 250 in het magazijn stonden toen de Franse censuurpolitie toesloeg. De drukker werd gedwongen een verbeterblad te plakken in de resterende exemplaren in het magazijn. Steen des aanstoots was een passage op bladzijde zesenvijftig die aan de Franse censor was ontsnapt. Hierin laat Helmers de dichter Joost van den Vondel (1587-1679) het volgende zeggen:

"Ja, de afgemartelde aard’ schept adem, en ’t heelal,
Herkent weêr Nederland, gelouterd door zijn’ val".

Vondel voorspelt Nederland dus een betere toekomst.
“De uitgever moet aan deze passage een noot toevoegen waarin staat dat het sinds de Franse tijd al veel beter ging met het vaderland: ‘de zon door Vondel voorspeld is opgegaan van het steeds merkwaardig ogenblik af hetwelk ons Lot met dat van het Fransche Rijk heeft verbonden’. De drukker maakt inderdaad een inplakvel met de gewenste noot, maar voegt eraan toe dat die geplaatst is op last van de Generale Directie over de boekhandel te Parijs, na het overlijden van de schrijver. Dit vel moet hij vervolgens opnieuw vervangen door een vel zonder die toevoeging” (“Boeken onder druk. Censuur en pers-onvrijheid in Nederland sinds de boekdrukkunst”, red. Marita Mathijsen, Amsterdam 2011, blz. 72).


Een eerste druk met het beruchte verbeterblad (met of zonder toevoeging) is daarom antiquarisch veel zeldzamer, duurder en meer gezocht dan een gewoon exemplaar.
Dat was trouwens eind negentiende eeuw al zo. Zo lezen we in het bekende boek van
R. van der Meulen: “Over de liefhebberij voor boeken” (Leiden, 1896):
“Toen in 1812 Helmers ‘Hollandsche natie’ ter perse gelegd werd, was het handschrift door de Napoleontische censuur zoodanig besnoeid, dat niet minder dan 150 regels uit dit gedicht geheel weggelaten en een aantal andere gewijzigd moesten worden. Bij de uitgaaf vond de regeering, dat de censuur-commissie nog te veel had laten staan, wat geen genade kon vinden; het boek werd dus terstond verboden en een keizerlijk bevel tot inhechtenisneming uitgevaardigd tegen den schrijver, die echter juist twee dagen te voren gestorven was. In de herdrukken van dit beroemde gedicht, die na 1813 verschenen, zijn de uitgelaten of gewijzigde plaatsen naar het oorspronkelijke handschrift hersteld, maar die eerste verminkte uitgave werd toen en later voor de tekstvergelijking zeer begeerd en is tegenwoordig uiterst zeldzaam” (blz. 149).


Begeerd en zeldzaam; dat gold ook voor onze nationale knuffelbibliomaan Boudewijn Büch (1948-2002) die over Helmers en de “Hollandsche natie” schreef:
“Eigenlijk houd ik van zo’n onmogelijke schreeuwlelijk als J.F. Helmers die zelfs de extreem-romantische ziel in 1812 verbaasde met De Hollandsche Natie. Helmers zou voor dit gedicht door de Fransen opgepakt zijn, ware het niet dat hij op 26 februari 1813 overleed.
Ik bezit van dit ellenlange vers een zesde druk uit 1822 (ik verlang al jaren naar een eerste druk, maar die kom ik nooit tegen) en er valt slechts één ding over dit maxi-lied te zeggen: het is niet alleen ’t zotste verzetsvers dat ooit in onze taal geschreven werd het is tevens het krankzinnigste lied dat er überhaupt aan een Nederlandse drukpers werd toevertrouwd” (Boudewijn Büch: “Boekenpest”, Amsterdam 1988).

Pas tien jaar later, op 28 maart 1998 ging de wens van BB in Steenwijk in vervulling en kocht hij een (gewone) eerste druk; “Ik houd van die zwiepende romantiek, zoals ik ook van Willem Bilderdijk houd” (Boudewijn Büch: “Een boekenkast op reis”, Amsterdam 1999). Hij las er zijn poes regelmatig uit voor. Die hield kennelijk niet (of wel?) van Helmers en zette het na het horen van de eerste zang steevast op een hartstochtelijk mauwen.


Mijn zoektocht naar de eerste druk van “De Hollandsche Natie” was dankzij internet een stuk korter. Al bijna twee jaar geleden vond ik bij antiquariaat De Zilveren Eeuw in Zwolle een heel bijzonder exemplaar.
Eigenaar Rob de Bree maakt altijd veel werk van zijn boekbeschrijvingen (wat ik persoonlijk wel zo prettig vind) en daardoor wist ik dat hij een uitgave aanbood in halfleren band met sierpapieren platten met verbeterblad en voetnoot zonder de toevoeging (Blz. 56, D4).
Bovendien zijn er wat extra’s bijgebonden zoals de uiterst zeldzame titelpagina van de zes kunstplaten, één bij elke zang, gegraveerd door Reinier Vinkeles (1741-1816) naar M.J.van Bree, die uitgever Allart in 1815 uitgaf (de platen zelf zijn niet aanwezig) en de gedrukte “Veranderingen en bijvoegselen in den derden druk van De Hollandsche Natie (....) welke onder het dwangjuk der Fransche heerschappij, niet in den eersten en tweeden druk dezes werks mogten gesteld worden”.
Afgelopen week heb ik de knoop doorgehakt, het boek gekocht en mijn bibliofiele begeerte gestild.
Voorin zit het ex-libris van Mr. W.C. Baert de Waarde. Dat moet een bibliofiel met een fraaie collectie zijn geweest want van hem heb ik nog een prachtuitgave staan, zoals u hier kunt lezen.
Tegelijkertijd kocht ik bij het Haarlemse antiquariaat Van der Steur een portret van Helmers gegraveerd door Philippus Velijn (1787-1836) dat ik toegevoegde aan mijn nieuwe aanwinst.
Van deze gravure werd rond 1890 (in de tijd dat de Amsterdamse Helmersbuurt werd gebouwd) nog een prentbriefkaart uitgegeven door het fotostudio Delboy & Baer in Den Haag (zie boven dit artikel). Die vond ik voor enkele euro's op internet en zit nu in de biografie van Van Hattum. Dat doe ik wel vaker zo met interessante prentbriefkaarten!

Tja… en toen ontbrak er eigenlijk nog maar één ding; een tweede druk van de “Hollandsche Natie”. Die kwam uit na de Franse tijd in 1814 en was feitelijk de eerste ongecensureerde druk van dit vaderlands (of nationaal) epos zoals Helmers het oorspronkelijk had bedoeld. Een uitgave die niet alleen ruim honderd versregels meer telt (en ook tien minder die wel in de eerste maar niet in de tweede druk staan!), maar ook tal van woord- en zinsveranderingen. Neem de eerste regels bovenaan dit stuk. Vanaf de tweede druk lezen we:

“Ik juich! Schoon thans geen zon van welvaart ons meer streelt,
Dat ik,o Nederland!, ben op uw’ grond geteeld”


Helmers is antiquarisch tegenwoordig onvoorstelbaar goedkoop maar een tweede druk kocht ik toch maar niet.
In plaats daarvan kocht ik een mooi bewaard gebleven vierde druk (‘s-Gravenhage, 1817) in origineel kartonnen blauwe uitgeversband. Die is namelijk identiek aan de tweede of derde druk (beiden verschenen in 1814), maar – zoals het titelblad vermeldt “met Platen”. Het is de eerste geïllustreerde uitgave waarin naast de titelplaat ook de eerdergenoemde zes kunstplaten van Vinkeles standaard zijn meegebonden.

Al met al bezit ik nu een kleine, maar fijne collectie met betrekking tot Jan Fredrik (en dus niet 'Frederik'!) Helmers en zijn “Hollandsche Natie”, nietwaar?
Daarvan kon BB alleen maar dromen...


NB. Lees het vervolg; "Een addendum".


maandag 19 augustus 2013

Komrij's roomse poolster

“Voor de erotomaan is de katholiek van onschatbaar nut. Hij die het pad der zonde zoekt oriënteert zich op de roomse poolster het best. (-) Nooit ben ik, in mijn eerste nieuwsgierige jaren, op het spoor van zoveel ‘interessante werken’ betreffende geest en lichaam gebracht als door de Standaard Catalogus van het R.K. Centraal bureau voor Lectuur onder leiding van A.B.H. Gielen sj.
Het was een goudmijn van modieuze, anarchistische, ontuchtige, verkeerde, hoerige, opwindende en polemische boeken, kortom van alle boeken die ik wou lezen
” (Gerrit Komrij in: “Over het nut van het katholicisme”, in “Verzonken boeken” (Amsterdam, 1986).

Welke nieuwsgierige bibliofiel hunkert na het lezen van Komrij niet naar A.B.H. Gielen (1871-1929): “Standaard Catalogus van het R.K. Centraal bureau voor Lectuur” (Amsterdam, 1925)?
De catalogus verscheen oorspronkelijk bij de Amsterdamse uitgeverij Joost van den Vondel en wordt antiquarisch voor bedragen rond de vijftien euro aangeboden. Zeer schaars zijn de daaropvolgende twee supplementen die in 1926 en 1927 (de laatste o.l.v. J. van Heugten sj) verschenen bij de uitgeverij ‘Foreholte’ in Voorhout.
Een complete set zie je daarom niet vaak maar een paar jaar geleden trof ik er een aan bij antiquariaat “De Friedesche Molen”. De vraagprijs bedroeg zestig euro. In de winkel vertelde ik Hein over wat de catalogus van jezuïetenpater Gielen voor Komrij had betekend (‘zijn roomse poolster’). De waarschuwingen van pater Gielen voor bepaalde boeken zijn - anno nu - vervat in termen die vooral op de lachspieren werken; ‘ontredderde lectuur’, ‘een heel smerig ding; voor niemand’, ‘een lasterroman, die te vuil is om aan te pakken’, 'Pornografie. Afgekeurd' of ‘een wanhopig meedogenloos bijna ziekmakend boek, met socialistische strekking. Niets voor ons’.
Menig boek belandde bij Gielen zo op de symbolische brandstapel. Voor Komrij echter waren zijn woorden hartelijke aanmoedigingen en Koninklijke aanbevelingen om de desbetreffende uitgave onmiddellijk na te jagen, te kopen en te lezen. Kennelijk had ik er wat al te enthousiasmerend over gesproken want Hein besloot de boeken toch maar zelf te houden. Geduld, geduld….


Uiteindelijk vond ik een paar weken geleden weer een complete set (uit een voormalige kloosterbibliotheek) bij antiquariaat “Boek en Glas” en nu voor maar vijf en twintig euro! Meteen gekocht natuurlijk.

De catalogus begint met een uitvoerige inleiding waarin staat met welke drie factoren Katholieken te maken hebben als het gaat om de zorgvuldige keuze van hun lectuur.
A. De natuurwet. “Wat ik voel of weet dat mij schade brengt, ook al zou het anderen niet deren, late ik ongelezen, anders breng ik mijn geestelijk leven in gevaar en pleeg vergrijp tegen mijne ziel”. Voor iedere Katholiek lag dit natuurlijk anders, afhankelijk van zijn opleiding, gevoeligheid, ontwikkeling etc. Bij twijfel; raadpleeg uw biechtvader.
B. De kerkelijke boekenwet. Welke boeken verboden zijn om hun antikatholieke opvattingen, onzedelijkheid, goddeloosheid etc.
C. De Index. De officiële lijst van verboden boeken opgesteld door het Vaticaan.

Wat wilde pater Gielen (tussen 1912 en 1929 hoofdredacteur van de ‘Boekenschouw’) bereiken met deze standaarduitgave? “Een practische gids zijn om schadelijke boeken van onschuldige, en gevaarlijke van twijfelachtige te helpen onderscheiden. Of een boek kunstwaarde heeft of niet, lijkt ons naast de ethische waarde van zoo'n ondergeschikt belang, dat wij er niet veel woorden aan zullen besteden. Wij hebben een hartgrondigen hekel aan de tegenwoordige opfokking tot aestheten in plaats van tot oprechte en beginselvaste Christenen, die plichts- boven schoonheidsgevoel stellen. Door kunst is waarschijnlijk nog nooit iemand in den hemel gekomen, tenzij hij er God mee diende. Hetgeen dan weer den ethischen kant van het vraagstuk naar ons toekeert. Het is er ons derhalve allerminst om te doen ‘letterkundigheid’ te gaan bewonderen, die overigens niet langer pleegt te duren dan een vrouwenmode”.


Het was natuurlijk onmogelijk om alle verschenen en te verschijnen boeken te beoordelen. Volgens Gielen bleek uit ervaring en onderzoek dat vooral de nieuwste “kersversche” boeken werden gelezen. Om nader te bepalen welke titels dat waren werden de catalogi van diverse grote leesbibliotheken bestudeerd. “Die zijn als graadmeters van de waardeering van het publiek en van de veelgelezenheid van een boek. Daaruit maakten wij onze keuze van titels in dezer voege, dat wij ter bespreking allereerst noteerden wat gelijkelijk in alle of de meeste catalogi voorkwam”.
Het ging natuurlijk vooral om Nederlandse en vertaalde romans (waaronder vele thans min of meer vergeten auteurs en spoorloos verdwenen uitgaven); “omdat deze in hoofdzaak de verspreiders zijn van goed en kwaad; zij richten zich tot de groote massa, zij speculeeren op de sensatielust van het publiek, zij behoeven niet te voldoen aan voorwaarden van waarheid, wetenschap of logica, maar brengen het gedachtentuig van elk willekeurig individu onder het bereik van allen”.


Een enkele keer komen we Nederlandse klassiekers tegen zoals Couperus (1863-1923): “Een dandy met de taal en een dandy met het leven. Een verfijnd artist, als men wil, ofschoon wij het zelf niet gelooven, maar een heilloos schrijver om zijn bar sensualisme, zijn amoraliteit en immoraliteit en zijn theosofische gevoelens. Een criticus in ‘Onze Eeuw’- zegt, dat men Couperus-werken later precies zoo zal lezen en vinden, als men tegenwoordig leest en vindt ‘Julia' van Rhynvis Feith” en over diezelfde Rhynvis Feith (1753-1824): “Zijn beide romans Julia (1792) en Ferdinand en Constantia, zijn huilerig sentimenteel en om hun boekentaal ongenietbaar”. Een mild oordeel naar Gieliaanse maatstaven en duidelijk voor elke Katholiek, Couperus- en/of Rhynvis Feith-fan.

woensdag 13 januari 2010

Verboden boeken


Wat is er leuker dan het lezen van verboden boeken? Het lezen van boeken over verboden boeken natuurlijk!

Het eerste wat ik op dat gebied kocht (uit de nalatenschap van Boudewijn Büch) was de driedelige: “Bibliography of Prohibited Books” (New York, 1962) door Pisanus Fraxi, een pseudoniem voor Henry Spencer Ashbee (1834-1900).
Een imposante verzameling verboden internationale erotica (geen illustraties!). Enige tijd terug kreeg ik: “Verboden boeken in de republiek der Vereenigde Nederlanden. Beredeneerde catalogus” (“s-Gravenhage, 1914) door dr. W.P.C. Knuttel. Een schaars boekje dat een overzicht geeft van vooral Nederlandstalige verboden politieke en theologische geschriften gepubliceerd tussen 1583 en 1794. Het zal weinig verbazing wekken dat erotiek, politiek of theologie tot de meest gevaarlijke onderwerpen behoorden en het vaakst werden verboden.


Als klap op de vuurpijl kocht ik onlangs een exemplaar van hét boek der verboden boeken, de “Index Librorum Prohibitorum” (Typis polyglottis Vaticanis, 1948). Deze door het Vaticaan opgestelde lijst bestaat al zo’n 500 jaar. Opmerkelijk is dat de eerste uitgaven in de Nederlanden (1529) verschenen.
De laatst gepubliceerde uitgave is van 1948 en “omvatte ongeveer 4000 titels die geacht werden ofwel ketterij te bevatten, ofwel moreel verwerpelijk ofwel te expliciet seksueel te zijn, waarvan 1344 sinds de 17de, 1191 sinds de 18de, 1358 sinds de 19de en 298 uit de 20e eeuw”. Veel bekende namen dus; Voltaire, Kant. Spinoza, Bayle, Larousse, Casanova etc. In 1966 maakte Paus Paulus de VI een einde aan de index.

Staan er ook Nederlandstalige titels in deze index? Jazeker. Ik telde er ruim twintig. De helft daarvan uit de 17de eeuw en met een theologisch karakter. Uit de achttiende - en negentiende eeuw trof ik respectievelijk vijf en drie titels aan. De twintigste eeuw wordt vertegenwoordigd door: “Er is geene tegenstelling tusschen de beginselen van de fransche revolutie en die van het evangelie” (Den Haag, 1913), van H.A. van Dalsum. Volgens Ed Schilders ‘waarschijnlijk de enige Nederlander uit de twintigste eeuw die zo’n eer te beurt is gevallen’ (Volkskrant 1994, column ‘Losbandig’). Dat is niet zo. Ook het boek van de bekende Haarlemse gynaecoloog Th.H. van de Velde (1873-1937): “Het volkomen huwelijk” (Leiden,1926) staat op de lijst. Het werd als te expliciet en te pornografisch ervaren en Menno ter Braak typeerde Van de Velde als 'een kruising tussen een sexuoloog en een gymnastiekleraar'.

Tot slot nog twee leuke titels die ik al bladerend tegenkwam.
Van de eerwaarde Tobias Swinden (1659-1719): “An enquiry into the nature and place of hell” (Londen, 1714). Swinden kwam tot de conclusie dat de meest waarschijnlijke locatie voor de hel, de zon was. Met zijn vermoeden dat sterren andere zonnen waren en leven op andere planeten niet uitgesloten mocht worden, was hij zijn tijd (te) ver vooruit.


De bekende auteur van Robinson Crusoe, Daniel Defoe (1661-1731) staat erin met zijn: “political history of the devil, as well ancient as modern” (Londen, 1726). Defoe schreef in zijn voorwoord dat hij zich afvroeg aan wie hij dit tweedelig werk zou opdragen. Aan God leek hem niet juist. De Duivel lag meer voor de hand maar omdat hij niet zeker was of die het zou waarderen droeg hij het maar op aan niemand!

Tevergeefs zocht ik in de index naar Charles Darwin (1809-1882): “On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life” (London, 1859).
Het idee, dat al het leven evolutionair verliep, er een gemeenschappelijke voorouder was en het mogelijk moest zijn een stamboom te maken van het leven op aarde, had Charles van zijn grootvader Erasmus Darwin (1731-1802). Die had hierover al een halve eeuw daarvoor gepubliceerd in: ”Zoonomia or the laws of organic life” (London, 1794-1796) en belandde daarmee wél in de Index Librorum Prohibitorum!