Posts tonen met het label Bijbel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bijbel. Alle posts tonen

donderdag 29 oktober 2020

Een beroemd letterstaafje


In 2011 kocht ik in Weimar een miniatuurboekje met het 'Onze Vader'. Ik schreef erover in "Bibliofiel Weimar" en maakte aan het eind van mijn verhaaltje melding van een ander miniatuur 'Onze Vader', gemaakt begin jaren vijftig van de vorige eeuw door de N.V. Lettergieterij 'Amsterdam' voorheen N. Tetterode.
Een week geleden trof ik op Marktplaats aan, waar ik destijds naar verwees. Het 'Onze Vader' van Tetterode met het befaamde letterstaafje in origineel transparant pergamijn zakje. Onmiddellijk bood ik de gevraagde € 25,- euro en werd de koop gesloten. Een bibliofiel mazzeltje want dit curiosum wordt maar zelden aangeboden en haalt dan meestal vrij hoge bedragen; zoals bijvoorbeeld in 2015 bij veilingsite Catawiki (€ 110,- euro, exclusief veilingkosten). 


Op het 10-punts (3,76 mm. in het vierkant), 2,5 cm. lange letterstaafje staat het complete 'Onze Vader', 380 lettertekens, slechts 0,145 mm. hoog. Een knap staaltje graveer- en gietkunst, gemaakt in 1951 als relatiegeschenk bij het honderdjarig bestaan van N.V. Lettergieterij 'Amsterdam', voorheen N. Tetterode. Het verhaal wil dat de vaklieden van Tetterode in het bedrijfspand pas in de late uurtjes met de graveermachine aan het matrijs voor het letterstaafje hadden kunnen werken, omdat er 's nachts "geen trams reden, zodat hun werk niet door trillingen werd verstoord".


De Lettergieterij Amsterdam - in 1851 gesticht door Nicolaas Tetterode (1816-1894) en destijds de grootste lettergieterij van Europa - bestaat al lang niet meer maar haar bibliotheek (en archivalia) bleven bewaard en bevinden zich thans in het Allard Pierson/collecties UvA (UBA54). Het honderdjarig bestaan op1 juni 1951 werd uitbundig gevierd. Behalve het letterstaafje verschenen er twee uitgaven. Gerard Knuttel Wzn. (1889-1968) schreef: "De letter als kunstwerk. Beschouwingen en confrontaties met andere gelijktijdige kunstuitingen van de Romeinse tijd tot op heden" (Amsterdam, 1951) en G.W. Ovink (1912-1984) tekende voor een thans vrij schaarse, rijk geïllustreerde bedrijfsgeschiedenis: "Honderd jaren lettergieterij in Amsterdam" (Amsterdam, 1951) 


Daarnaast verscheen er een nieuw lettertype ('Reiner Script'), ontworpen door Imre Reiner (1900-1987) en werd 'De Roos Romein' gepresenteerd, ontworpen door S. H. de Roos (1877-1962), die al in 1948 was gebruikt voor de speciale uitgave van de Grondwet waarop H.M. Koningin Juliana (1909-2004) de eed had afgelegd. Bovendien was er - speciaal voor relaties en vakgenoten - van 4 t/m 15 juni een jubileumtentoonstelling in het fabriekscomplex aan de Bilderdijkstraat 163 in Amsterdam, met een ontwikkelingsoverzicht van drukletters, grafische instrumenten en machines. De officiële opening, enige dagen daarvoor op 1 juni, door de Amsterdamse burgemeester A.J. d'Ailly (1902-1967) werd bijgewoond door ongeveer driehonderd genodigden. 
"Bij het verlaten van de tentoonstelling werd aan alle genodigden als geschenk een fraaie reproductie van het ''Melkmeisje" van Vermeer uitgereikt, gedrukt op een originele Heidelberger-cilinderautomaat, alsmede een staaltje van technisch kunnen in de vorm van een letterstaafje met het hele ,,Onze Vader" op een oppervlakte van 4 x 4 mm."
(Uit: "Grafisch weekblad; orgaan van den Algemeenen Nederlandschen Typografenbond", jrg 44, 1951, no 23).


Achterin de jubileumuitgave van Ovink zit een lijst met namen van personen die toen al 25 of meer jaren in dienst waren (of waren geweest) van de lettergieterij. Onder hen ook één van de zeven procuratiehouders, mr. J.E. van Eyndhoven. Onlangs kon ik bij antiquariaat Boek & Glas zijn persoonlijke invitatie voor het jubileumdiner (op 1 juni, vanaf acht uur 's avonds) in het Amstel Hotel bemachtigen, vergezeld van een menukaart & tafelschikking (beiden gedeeltelijk gedrukt in het nieuwe 'Reiner Script'), (naam)tafelkaartje, een informatiefolder voor bezoekers van de Lettergieterij Amsterdam en 'De Meisjes'; een letterproefje van de Lichte Open Serie (die bijna een eeuw daarvoor was verschenen in 'De Calcoen' aan de Bloemgracht nr. 3026 (134) in Amsterdam, waar Tetterode ooit was begonnen).


Voor vele kranten was het jubileum van Tetterode nieuws, met speciale aandacht voor het bijzondere letterstaafje als voorbeeld van technisch kunnen en vakmanschap binnen dit bedrijf. Hoeveel letterstaafjes er in totaal zijn gemaakt is mij niet bekend.
Opvallend is wel dat dit relatiegeschenk destijds op diverse manieren werd verpakt en verspreid. Ik kwam op zoek naar meer informatie drie verschillende vormen tegen en het leek mij daarom zinvol deze hier te beschrijven zodat de naar informatie zoekende bibliofiel of verkopende antiquaar er zijn voordeel mee kan doen.

1. Letterstaafje, afdruk van het 'Onze Vader' op papier binnen een zwart nagenoeg vierkant kader (4,2 x 3,7 cm.), met boven het zwarte kader '(Logo) Tetterode-Nederland' en onder het kader (links): 'Nederlands'. 


Verpakking: transparant pergamijn zakje bedrukt met (in) rode letters: "Het 10 punts letterstaafje dat u in dit zakje vindt, vertoont als beeld het 'Onze Vader'. Een afdruk van de tekst vindt u in dit zakje. Met een sterk vergrootglas is de tekst te lezen. Hieruit blijkt dat onze graveermachines in staat zijn ongeveer 340 letters (incl. leestekens en spaties) op een vlak van 30 punten of 3,76 mm. in het vierkant onder te brengen, en dat onze gietmachines de fijnste details van de matrijs onberispelijk doen uitkomen. Het letterbeeld is 0,145 mm. hoog". Onderaan: '(Logo) Tetterode-Nederland'.


2. Letterstaafje, afdruk van het 'Onze Vader' op papier binnen een langwerpig zwart kader, met onderaan: 'Lettergieterij << Amsterdam >>'. Verpakking: groen papieren zakje.


Voorzijde: Sierornament in de vorm van twee naar elkaar gewende zwanen met daartussen '1851 LA 1951' (bekroond met een takje) waaronder in een vierkant tekstvlak het 'Onze Vader'. Onderaan in kapitaal 'N.V. Lettergieterij ,,Amsterdam" voorheen N. Tetterode'. Achterzijde: Op het sluitingsflapje een takje gelijk aan de voorzijde bovenaan. Daaronder op het zakje een vierkant tekstvlak met beschrijving van de inhoud (tekst als bij 1). Opmerkelijk genoeg is er in de tekst sprake van twee letterstaafjes! Eén met het 'Onze Vader' en één met het L.A. jubileum-embleem (foto's van het zakje dat in 2015 bij Catawiki werd verkocht).


3. Het 'Onze Vader' gebonden in rood marokijn leer met verguld kruis op het voorplat (6 x 5 x 3 mm.). Miniatuurboekje goud op snee met alleen drie blaadjes bedrukt, de rest onbedrukt in een andere papierkwaliteit. Hierbij drie letterstaafjes (met op de zijkant in reliëf: 'Lettergieterij << Amsterdam >>)!


Eén staafje met een kruisteken en de titel, één staafje met het 'Onze Vader' (zoals bij 1 en 2) en één staafje met het 'colophon':
"De tekst van dit boek - vermoedelijk het kleinste ter wereld - is op een 10-punts letterstaafje gegraveerd door de N.V. Lettergieterij ,Amsterdam' voorheen N. Tetterode en omvat 400 letters, leestekens en spaties. Uitgegeven door Waldmann & Pfitzner, te München". 
Het geheel is voor zover bekend niet uitgegeven in een specifieke verpakking (met dank aan antiquariaat B.M. Israël B.V. voor de aanvullende informatie en foto's). 


Het letterstaafje "een wonder van vakkennis en nauwkeurigheid" werd overigens ook via de Belgische vestiging van Tetterode verspreid (De “N.V. Etablissementen Plantin / Etablissements Plantin S.A.” (Brussel), opgericht op 29 april 1911). "Dit zal U van de volmaaktheid van onze graveerkunst en de zuiverheid van onze letterbeelden overtuigen".


Na de Nederlandse versie zijn er ook boekjes gedrukt in andere talen zoals het Duits, Engels, Frans, Spaans, Zweeds. Alleen van de oplage van het kleinste boekje ter wereld met het 'Onze Vader' in het Duits (meerdere bladzijden, maar alleen de eerste pagina bedrukt met 'Onze Vader') is de oplage bekend: 10.000 exemplaren. Het ‘Onze Vader’ in miniatuur is nog steeds verkrijgbaar bij de Gutenberg-Shop in Mainz (Duitsland) voor € 32,- euro (exclusief verzendkosten). Een klein prijsje voor een klein boekje, al kan het altijd nog kleiner...

zaterdag 25 maart 2017

Catechismus


Ik zal het maar opbiechten; ik ben niet Rooms-katholiek.
Ik ben ook geen lid van een kerkgenootschap en ga niet regelmatig naar de kerk. In een grijs verleden ben ik Nederlands-hervormd gedoopt (door dominee H.J. Kater), en het bewijsje daarvan bewaar ik nog steeds tussen mijn genealogische paperassen.
Gelovig noch vroom, en toch bezit ik naast een gewoon bijbeltje een Rooms-katholieke en Protestantse (Heidelbergse) catechismus.
Een catechismus bevat 'de regels van het spel' een soort 'roadmap' voor het geloof, zo lees ik bij Wikipedia; "Een catechismus (van het Griekse: Κατήχησις, katechesis = onderricht) is een opsomming van de leer van een bepaald kerkgenootschap waarin al zijn dogma's systematisch en voor leken begrijpelijk worden gegeven en uitgelegd".


Anders dan bij bijbels ken ik geen specifieke verzamelaars van catechismussen. Dat je ook daarvan een enorme collectie kunt aanleggen moge duidelijk zijn. Net als bij bijbels is de diversiteit, zowel in druk als uitvoering enorm en sommigen, zoals de 'Goudse catechismus' uit 1607, zijn zeer zeldzaam.

Mijn laatste catechismus trof ik aan op de vrijdagse boekenmarkt op het Amsterdamse spui. Twintig euro betaalde ik voor een prachtige "Catechismus met platen opgeluisterd" (Paris, 1912). Het is een smetteloos groot exemplaar (26 cm. breed en 36 cm. hoog) met zeventig prachtige houtgravures van diverse kunstenaars.
Ik raakte vooral gefascineerd door die paginagrote platen met hun gedetailleerde Rooms-katholieke klassieke verbeelding van een vurige hel, een stralende hemel, duivels (met hoornen en vlerken) en engelen met lange lokken (in lange rokken). De afbeeldingen zijn zoals op de titelpagina staat "de herleiding der 70 kleurensteendrukken van den Grooten Catechismus met platen (48 x 66 cm.)". Die chromolithografieën treft u hier aan en de zwart-wit afbeeldingen hier (waar u tevens voor een paar euro een moderne herdruk kunt kopen). Antiquarisch vond ik overigens maar één origineel exemplaar ('Zeldzame Nederlandse uitgave!'), te koop voor ruim zestig euro.


De doelgroep van dit stukje aanschouwelijk geloofsonderwijs in boekvorm betrof de voornamelijk jeugdige catechisanten. Deze krakkemikkige Nederlandse vertaling van een in Frankrijk gedrukte catechismus was niet bedoeld voor de Nederlandse markt, maar voor de Belgische/Vlaamse. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de voor ons soms zonderlinge woordkeus zoals bijvoorbeeld 'Sinksen' voor Pinksteren!
Geen wonder dus dat ik in Delpher nergens een reclame advertentie vond. Met wat zoekwerk kwam ik er achter dat mijn aanwinst bij "Maison de la bonne presse" verkrijgbaar was in het Frans (gepubliceerd in 1908) en Nederlands (gepubliceerd in 1909 en 1912). De Nederlandstalige uitgave kende in ieder geval twee uitvoeringen. Een luxe gebonden in linnen met goudopdruk en een eenvoudige gebonden in papieren omslag. Ik bezit de laatste, maar mijn exemplaar werd destijds wél ingebonden, zij het in een eenvoudige maar doelmatige band waarop de originele titel en achterflap werden geplakt.


Het draait bij deze catechismus natuurlijk vooral om de illustraties. Twee daarvan wil ik er uitlichten en wel nummer 12 (Negende artikel: 'Ik geloof een heilige Katholieke kerk') en nummer 17 (Twaalfde artikel: 'Ik geloof het eeuwige leven'). Uit de eerste afbeelding blijkt wel dat men de actualiteit niet uit het oog verloor want de rechtsonder afgebeelde Paus heeft het gezicht van Pius X (1835-1914) die toen op de Heilige Stoel in Rome zat.

De tweede is een prachtig gedetailleerde afbeelding van de hel. Anders dan de voorgaande een foto uit mijn boek omwille van de letters en tekst in de illustratie (die bij de verkrijgbare moderne herdruk zijn vertaald!). De hel werd (of is het 'wordt'?) bereikt door één van haar zeven poorten, voor elke hoofdzonde een andere poort.
V.l.n.r. zijn dat; Colere = gramschap (Leeuw), Gourmandise = gulzigheid (Varken),
Avarice = gierigheid (Pad), Orgueil = hovaardigheid (Pauw), Luxure = onkuisheid (Bok), Envie = nijd (Slang), Paresse = traagheid (Schildpad).
Dat wordt bij mij nog lastig kiezen en bij u?


Mijn andere catechismus - ooit gekocht van een mede-bibliofiel - is "De Heidelbergsche Katechismus; met de voornaamste Schriftuur-plaatsen, op iedere Vraag en Antwoord toegepast; tot stichting der Gemeente en leering der christelijke Jeugd" (Amsterdam, 1823). Het is een nieuwe en verbeterde uitgave van de editie uit 1808.
Bijzonder aan deze niet geïllustreerde pocketuitgave is dat het vooralsnog om een uniek exemplaar gaat dat niet voorkomt in L.G. Saalmink: “Nederlandse bibliografie 1801-1832” (Houten, 1993).
Alleen in de collectie van het Nederlands schoolmuseum bevind zich een ouder ongedateerd exemplaar en bij Google books kunt u bladeren in een tien jaar jonger exemplaar uit 1833.
Het boekje biedt naast de 129 vraag en antwoordlessen verdeeld over 52 zondagen ook verschillende gebeden.

De uitgevers Schalekamp en Van de Grampel waren “Boekverkoopers op den N.Z. Voorburgwal / Over de Nieuwe Kerk / In de zwarte Hen”. In dezelfde winkel zat vanaf het midden van de 18de eeuw Adam Meyer “over de Onvolmaakte Tooren. In De Zwarte Hen”. Diens impressum vermeldde ook wel eens de Stilsteeg, zodat we deze boekwinkel kunnen situeren in de tegenwoordige Paleisstraat.


Die 'onvolmaakte toren' was de voet van de kerktoren van de Nieuwe kerk naast het stadhuis (thans paleis op de Dam). De toren werd nooit afgebouwd en de stomp zien we terug als achtergrond voor de zwarte hen in het drukkersvignet. In 1783 werd het torenrestant grotendeels afgebroken en zie; ook op het latere drukkersvignet is het bouwsel verdwenen!

Overigens lijdt het geen twijfel of de benaming 'In de Zwarte Hen' gaat terug op een gevelsteen. Zou dat wellicht de gevelsteen zijn die ik ooit per toeval tegenkwam toen ik in Amsterdam/Buitenveldert door de Cuserstraat langs huisnummer 13 fietste?

vrijdag 18 oktober 2013

De steen van Veleda


Mijn oude in perkament gebonden 17de en 18de eeuwse boeken bevatten voornamelijk Nederlandse geschiedenis, met de nadruk op Holland. Enkele zijn geïllustreerd en het is opvallend hoe vaak dezelfde illustraties voorkomen in de diverse uitgaven.

Tot de meest gekopieerde illustraties behoren ongetwijfeld die van de ruïnes van de Romeinse (?) vesting Lugdunum Batavorum, beter bekend als de Brittenburg, en de diverse vondsten die men aan deze plek toeschreef. De ruïnes, in zee voor de kust bij Katwijk, die in de zestiende eeuw een aantal malen zichtbaar waren moeten destijds sterk tot de verbeelding hebben gesproken. De bekende cartograaf Abraham Ortelius (1527-1598) maakte er afbeeldingen van waarvan de kaart in Lodovico Guicciardini’s “Beschryvinghe van alle de Nederlanden” een van de meest bekende is.

Van archeologie in moderne zin was destijds nog geen sprake. Het was feitelijk schatgraven en het draaide meer om de objecten dan om de vondstomstandigheden.
Het ontbrak in die tijden aan wetenschappelijke methoden, kennis en techniek en dat werkte vergissingen, vervalsingen en fantasie in de hand. Een mooi voorbeeld trof ik aan in de folio-uitgave van het boek van Gerard van Loon (1683-1758) met de lange titel: “Aloude Hollandsche histori der Keyzeren, Koningen, Hertogen en Graaven welken, sedert de komst der Batavieren in het thans genaamde Holland tot de herstelling van ’s Graaven Florents den Eerstens Zoon aldaar het Hooggebied gehad hebben. Beweezen en bevestigd door de woordlyke getuygenissen van zoodaanige Schryvers, welke in en naast die tyden geleefd hebben, als de beschreeven zaken zyn voorgevallen en voorts nog versierd en opgehelderd met de noodige Landkaarten, Geslachtlysten, Keyzer- en Koninglyke Penningen en veelvuldig andere Gedenkstukken, in die overoude tyden gemaakt” (’s Gravenhage, 1734). Over deze uitgave heb ik al eens eerder geschreven en toen een andere historische vergissing aangestipt.


Het boek zit vol kaarten waarop ook regelmatig het ‘Huys te Britte’ figureert en de cartouches met kaarttitel en maten zijn overdadig gestoffeerd met de diverse vondsten (zoals sleutels, beelden, munten, dakpannen en keramiek) die daar zouden zijn gedaan. Een fraaie paginagrote afbeeldingen zit tussen folio 154 en 155. De eigenlijke vondst, een “Roode Gebakke Tegel”, is daar met een zwierige strik aan een forse nagel opgehangen tegen een antieke afgebrokkelde muur met een druk bevaren Noordzee op de achtergrond. Een niet te missen verwijzing naar zijn herkomst!


Toen ik deze afbeelding voor het eerst zag wekte die muurachtergrond bij mij de illusie dat het hier ging om een flinke terra sigillata plaquette van zo’n twee bij één meter. Niets is minder waar. Zoals te lezen valt in de tekst eronder ging het om een roodgebakken tegeltje met een lengte van vijf en halve duim (ca. 14 cm.) en hoogte van vier duim (ca. 10 cm.). Niet alleen vele malen kleiner dan de zandsteenblokken waarmee men in de Klassieke Oudheid muren bouwde maar zelfs kleiner dan de meeste moderne bakstenen. Volgens van Loon was het bijzondere object in het bezit van Leidse hoogleraar Sigbert, ook wel Siwart, Haverkamp (1684-1742). De tegel zou de gevangenneming van Veleda door de Romeinen afbeelden. Zij was een zieneres van een Germaanse stam (de Bructeren) en voorspelde volgens de Romeinse historicus Tacitus de overwinning van de Bataven op de Romeinen in 69 na Christus.

Vruchteloos zocht ik destijds het internet af naar meer informatie, in de verwachting en hoop dat deze bijzondere plaquette tegenwoordig ergens in een museum zou liggen. Ik vond niets en mijn belangstelling werd pas weer hernieuwd met de aanschaf van de uitgave van Hendrik van Wijn (1740-1831): “Huiszittend leeven. Bevattende eenige mengelstoffen over afzonderlijke en, voorheen, weinig of niet bewerkte onderwerpen, betreklijk tot de letter-, historie- en oudheid-kunde” (Amsterdam, 1801-1812).
Het eerste deel van Van Wijn’s publicatie bevat namelijk een kleine studie naar deze zogenaamde ‘steen van Vel(l)eda’ (blz. 517 t/m 533) inclusief een fraaie afbeelding van een soortgelijke vondst, een “Roode mopsteen. Gevonden op een zandplaat in de Rivier de Waal, beneden Nymegen”.
De frappante gelijkenis tussen de voorstelling op deze steen en die op de steen afgebeeld bij Van Loon zal u onmiddellijk opvallen.


Dat deze objecten Oud-Romeins waren werd door Van Wijn sterk betwijfeld op verschillende gronden. De afgebeelde figuren deden hem 'onromeins’ aan betreffende hun kleding, hoofddeksels en haardracht. Bijval ontving hij van de Leidse hoogleraar Jona Willem te Water (1740-1822) en de dichter en kenner van de Klassieke Oudheid Jacob Hendrik Hoeufft (1756-1843).
De eerste verhaalde van de vondst van dergelijke stenen in een zeer oude schoorsteen bij Wijk bij Duurstede, de ander had een aantal overeenkomstige stenen met Bijbelse voorstellingen gezien in de collectie van de jezuïetenpater Jozef Ghesquière (1743-1827) in Antwerpen. Daaronder zat er één met een afbeelding identiek aan de afgebeelde steen bij Van Loon.
Niet de heidense Veleda zou op de steen staan maar de kuise Susanna die valselijk beschuldigd van ontucht door de profeet Daniël werd vrijgesproken (Daniël, apocrief hoofdstuk 13). Haar belagers werden vervolgens gestenigd en we zien dan ook een klein ventje afgebeeld dat gedienstig klaarstaat met een mandje stenen. Van Wijn kwam tot de conclusie dat de stenen een Christelijke voorstelling hadden, van na 1500 moesten zijn en dat; “met hoedanige soort van steenen de Voorouders de Muuren en bijzonder de Schoorstenen (welker binnen randen men nog wel, in ouderwetsche Huizen, met gebeelde tegelen van allerleie soort gedekt ziet) zullen opgepronkt hebben”.


Van Wijn had natuurlijk gelijk. De Romeinse steen bij Van Loon is een zestiende eeuwse haardsteen (Antwerps type) die nimmer kan hebben behoord tot de strandvondsten gedaan bij de restanten van de Brittenburg. Bij archeologische opgravingen - met name in steden - worden wel vaker haardstenen gevonden. De foto hierboven toont een exemplaar identiek aan de steen afgebeeld bij Van Loon uit de ruime collectie haardstenen van het Museum Rotterdam. Een ander, eveneens identiek exemplaar, bevindt zich in de collectie van de Historische Vereniging Heemstede-Bennebroek waarover u kunt lezen op Librariana, het weblog van Hans Krol. Pikant detail; ook die werd in 1939 in eerste instantie voor Oud-Romeins aangezien.

maandag 19 december 2011

Vagevuur en aflaat

Op een van onze zomervakantiedagen bezochten we Eisenach in Thuringen.
Ik kende de stad alleen uit de verhalen van een inwoner die ik ruim twintig jaar geleden sprak.
Dat was in een andere tijd (het IJzeren Gordijn was er nog) en in een andere vakantie. Destijds was het beeld dat wij van Eisenach kregen dat van een grauwgrijs typisch Oost-Duits industriestadje. Mogelijk was dat ook ooit zo maar daar was dan in de zomer van 2011 niets meer van te merken. Integendeel. Wie zijn ogen in Eisenach de kost geeft ontdekt al gauw dat de stad aan de voet ligt van een berg met op de top een imposante burcht.

Dit is niet zomaar een kasteel maar de Wartburg, een van de best behouden en mooiste wereldlijke gebouwen in laat-romaanse stijl ten noorden van de Alpen.
Zijn bekendheid ontleend de burcht aan verschillende legendarische en historische gebeurtenissen zoals de sage van de ‘Sängerkrieg’ die later door Richard Wagner (1813-1883) werd verwerkt in zijn romantische opera “Tannhäuser” (1845).
Verreweg het meest bekend is de Wartburg als de plaats waar Maarten Luther (1483-1546), bijna een jaar, in ballingschap verbleef nadat hij in 1521 in de ban was gedaan.

Tijdens een hevige regenbui namen wij daar deel aan een rondleiding en uiteraard heb ik toen ook een foto genomen van de ‘Lutherstube’, het werkkamertje waar Luther het Nieuwe Testament in het Hoogduits vertaalde dat alle Duitsers konden lezen. Het is dus een misverstand dat Luther de Bijbel voor het eerst in het Duits vertaalde. Tenminste achttien vertalingen gingen aan de zijne vooraf, zoals de ‘Mentelin-Bibel' (1466) en de ‘Otmar-Bibel’ (1507 en 1518).

Ook voor boekengekken is de Wartburg een goede plek want ze beschikken daar over een slotwinkeltje met diverse interessante uitgaven.
Zo kocht ik onder andere een facsimile van de vijfennegentig stellingen (anoniem gedrukt rond de jaarwisseling van 1517/1518 in Leipzig, Neurenberg en Bazel) die Luther volgens de legende op 31 oktober 1517 op de deuren van de slotkapel in Wittenberg zou hebben geplakt.

In Luther’s befaamde stellingen draait het om vergeving en met name de praktijken rond de aflaat waarin een levendige handel bestond en waaraan de Rooms-katholieke kerk grof geld verdiende. Met een gedeeltelijke of volle aflaat werd de koper zondaar gedeeltelijk of geheel verlost van zijn tijdelijke straffen en zonden die hij in het vagevuur moest uitzitten.
Aflaten worden nu nog steeds verstrekt al bestaan daarvoor allerlei regelingen en voorwaarden. Aangezien geen mens zonder zonde is, zelfs Perkamentus niet, besloot ik enige tijd geleden om eens op zoek te gaan naar iets wat mijn tijd in het vagevuur kan bekorten.


Weliswaar ben ik niet echt religieus (wel gedoopt) maar ook geen volslagen atheïst en je weet maar nooit… Voor dergelijke zaken moet je zoeken ‘beneden de grote rivieren’, in Brabant bijvoorbeeld of Limburg, maar Marktplaats werkt ook goed.
Na enig gesnuffel kocht ik voor een paar euri een officieel ‘ootmoedig verzoek aan de voeten van de Heilige Vader’ om een volle aflaat.
“Niet duur”, hoor ik u zeggen maar het is dan ook een ‘tweedehandsje’. Mogelijk dus niet meer zo krachtig, maar er staat geen houdbaarheidsdatum op dus ik gok het maar.

Het fraai gekalligrafeerde blad werd uitgegeven door het Vaticaan in 1924 onder het pontificaat van Paus Pius XI (1857-1939) die in volle glorie staat afgebeeld en inmiddels, voor wat betreft het hiernamaals, zelf ervaringsdeskundige is.
De handgeschreven tekst eronder bevestigd dat het verzoek genadelijk door de heilige Vader wordt erkend (“Sanctissimus Dominus benigne annuit precibus. Dat. ex aedibus Vaticanis die 15 sept.1924”). Het geheel is voorzien van het pauselijke zegel in preegdruk en officieel ondertekend door Carolus Cremonesie, aartsbisschop van Nicomedia.

Zorgvuldig is de naam (een zondaar die het vagevuur al enige tijd geleden heeft verlaten) verwijderd zodat ik te zijner tijd op de lege plaats mijn eigen naam kan invullen. Daarmee wacht ik nog even want volgens de gebruiksaanwijzing wordt de volle aflaat pas verleend “in het stervensuur, mits tot biechten of communiceeren niet meer in staat zijnde…”.
Nog even geduld dus, maar deze zondaar is tenminste voorbereid!

donderdag 15 september 2011

Bibliofiel Weimar

Bij antiquariaat Zwiebelfisch (Scherfgasse 1) in het Duitse Weimar kocht ik twee kleine bibliofiele uitgaven. Eén daarvan heb ik al besproken in ‘Boekennar en boekenwurm’. De ander is “Lob der edlen Kunst Buch-Druckerey” (Praag, 1933).

Het is een met de handgezette uitgave “Für den Verlag Herbert Reichner gesetzt von der Privatpresse Jaroslav Picka und gedruckt von der Industrie Druckerei in Prag” met twee houtsneden van de Tjechische illustrator František (Igor) Vik (1895-1957).

Het bibliofiele drukwerkje was een cadeautje voor de leden van het bekende boekenblad: “Philobiblon, Eine Zeitschrift für Bücher-liebhaber”, uitgegeven door Herbert Reichnerverlag, die het bij de zevende jaargang (1934, tweede deel), kregen toegestuurd. Aangezien het dubbel in een exemplaar werd aangetroffen kon ik het los kopen.
De tekst van dit oorspronkelijk (met een wat langere titel) in 1640 verschenen lofdicht op de boekdrukkunst is van Christian Gueintz (1592-1650).
Het eerste couplet luidt:

“Lost auff vnd höret zu,
was ich euch singen thu,
von der Kunst Druckereye,
die heist gar billich Freye,
denn jhr kein Kunst auff Erden
kan vnd mag vergliechen werden
”

Vijf jaar later zou; Joost van den Vondel (1587-1679) zijn lofdicht "De Druckkunst" publiceren; opgedragen aan de drukker Balthasar Moerentorf (1574-1641). Maar waar Vondel vooral dicht over de 'Zoo nutte en onvergeltbre Kunst' en de 'geleerde' boeken van Moerentorf, prees Gueintz de volgens hem door God gegeven uitvinding voornamelijk om zijn grote maatschappelijke invloed en gevolgen. Gods woord kon goedkoop, dus bereikbaar voor iedereen, op grote schaal worden verspreid.

“Ach wers ohn Druckerey
Wo wolt ein jeder Ley,
Bibel vnd Postil kriegen?
”

En:

“O Gott wo wolt so weit,
Seyn worden ausgebreit,
Die Evangelische Lehre,
Wenn Druckery nicht wehre,
Oder so hell vnnd klare,
Seyn worden offenbahre.
”

Gueintz zag het goed. Tot het midden van de zestiende eeuw bestond tweederde van het drukwerk in Nederland (en dat zal elders niet veel anders zijn geweest) uit religieuze boeken. Bijbeluitgaven vormden zelfs één vijfde van het totale productievolume. De snelle verspreiding van nieuwe ideeën en revolutionair gedachtengoed, Luthers evangelische leer en het succes van de Reformatie, zijn niet in de laatste plaats te danken aan de boekdrukkunst!

In mijn nopjes met dit curiosum wandelde ik naar de Schillerstrasse maar daar wachtte mij een teleurstelling. Antiquariaat Suleika bleek inmiddels opgeheven. Tijd over, wat nu?
Mijn oog viel op ‘Hoffmann's Buchhandlung’ aan de overkant (één van de oudste boekenwinkels in Duitsland), waar ik wat snuffelde aan de boekenvoorraad tot dochterlief mij kwam halen.

Met dreigende blikken en zachte dwang werd ik uit de boekenrekken langs de kassa getrokken toen ik een bijzonder miniatuurboekje gewaar werd. Het bleek te gaan om het 'Onze Vader' in zeven talen (Duits, Frans, Engels, Amerikaans (!), Spaans, Hollands en Zweeds). De schriftspiegel meet 3.5 x 3.5 mm. Het boekje is met de hand gebonden in rood leer en met goud bedrukt.

Het miniatuurtje ligt opgeborgen in een plexiglas doosje (met ingebouwde loep) en werd blijkens het opschrift op de kartonnen cassette vervaardigd bij ‘Miniatur Buch Verlag Leipzig’, de enige Duitse uitgeverij gespecialiseerd in miniatuurboekjes.
Voor nog geen vijfentwintig euro kocht ik natuurlijk ook dit bibliofiele curiosum dat volgens het informatieblaadje in het doosje “das kleinste Buch der Welt” is.
Ja, ja… Als trouwe lezer van mijn blog weet u natuurlijk wel beter, het kan nog kleiner!


Wanneer dit Duitse miniatuurboekje werd gedrukt is onduidelijk. Lettergieterij 'Amsterdam', voorheen N. Tetterode heeft begin jaren vijftig van de vorige eeuw ook al eens een miniatuur 'Onze Vader' gedrukt (6 x 5 x 3 mm.) maar die is, anders dan dit exemplaar, uitsluitend nog antiquarisch verkrijgbaar en inmiddels zo’n tien keer duurder.

maandag 11 juli 2011

Teloorgang

In zekere zin is het verhaal van de heruitgave van de Delftse Bijbel van 1477 het verhaal van talloze andere boeken.

Gepresenteerd in 1977 ter gelegenheid van haar 500ste geboortejaar was de facsimile uitgave van deze Bijbel (twee delen in cassette met een inleiding door Prof.dr. C.C. de Bruin) een evenement waaraan de nodige media aandacht werd besteed.
De bij de Delftse drukkers Jacob Jacobszoen van der Meer en Mauricius Yemantszoen van Middelborch verschenen Bijbel (alleen het Oude Testament en zonder de psalmen) was immers het eerste boek in de Nederlandse taal dat met losse metalen letters was gezet en gedrukt (en derhalve ook flink wat zetfouten bevatte).
Van de vermoedelijke oplage van rond de tweehonderd vijftig exemplaren overleefden zo’n vijftig exemplaren de tand des tijds.
In de eerste tien maanden van 1977 werd er voor de heruitgave druk geadverteerd (“deze kostbare facsimile-uitgave is van groot historisch en cultureel belang”) en werden er zo’n 1500 liefhebbers genoteerd. Deel twee bevat de namenlijst van alle intekenaren. Zij ontvingen de facsimile met vijftig gulden korting voor ‘slechts’ tweehonderd vijftig gulden. De uiteindelijke verkoopprijs na verschijning bedroeg dus driehonderd gulden, desgewenst te betalen in zes maandelijkse termijnen.
In koopkracht is dat bedrag vergelijkbaar met ruim driehonderd acht euro nu.
Alle intekenaren ontvingen iets extra’s; een door de PTT verstrekte oorkonde met speciale herdenkingszegel (55 cent in een oplage van 200.000 vel, 5 x 10) met informatietab afgestempeld op de dag van uitgifte en een fraai gekalligrafeerde bladwijzer met microfiche waarop alle 1284 pagina’s verkleind waren afgebeeld.

Het overzetten van tekst - in dit geval een compleet boek - op microfiche was typisch voor de stand van de techniek toen en met enige trots werd dan ook gemeld dat deze ‘Photochromic Micro Image (PCMI)’ techniek was ontwikkeld in het research laboratorium van NCR Corporation in de Verenigde Staten.

Vijfentwintig jaar later is alles veranderd.


Op Boekwinkeltjes, Antiqbook en noem ze maar op worden nu diverse exemplaren van de Delftse Bijbel aangeboden. Prijzen variëren van vijftig tot vijfenzeventig euro met enkele uitschieters naar beneden en boven. Zo begeerlijk als deze veelgeprezen uitgave was bij zijn verschijning en de jaren vlak daarna, zo welhaast onverkoopbaar is deze set thans. Saai, niet geïllustreerd en overvloedig aangeboden. Kortom zonde van het papier.
Daar komt bij dat de Delftse Bijbel sinds 18 juli 2008 voor iedereen online beschikbaar is. Op elke boekenmarkt kom ik ze - vaak meerdere keren - tegen, gedegradeerd tot boekensteun voor wankele rijtjes. Uiteindelijk heb ik de knoop doorgehakt en gisteren - in het zicht van de papiermolen - zo’n ‘boekensteun’ gered. Compleet in fraaie cassette met tekstboekje, oorkonde en bladwijzer (die laatste twee ontbreken vaak). Gesjouw voor twintig euro. Dat is omgerekend naar 1977 in koopkracht nog geen twintig gulden!

Hoe diep kun je als boek zakken…

zaterdag 23 april 2011

De zes ontbrekende pagina's

Zoals iedereen wel weet is de Bijbel het meest gedrukte boek ter wereld.
Er zijn talloze edities en vele uitvoeringen en antiquarisch zijn ze over het algemeen goed verkrijgbaar.
In Buijnsters “Bibliografie van het Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800” (Zwolle, 1997) lezen we op bladzijde 127 dat er in die periode, voor ouders die het konden betalen, ook al fraai geïllustreerde kinderbijbels verkrijgbaar waren. “Maar”, zo schreef hij, “het leukste op dit gebied was zonder twijfel De kleine Print-bybel (1720), een naar Duits voorbeeld bewerkt rebusboekje, dat tussen 1720 en 1793 minstens negen drukken beleefde”.

Onlangs kon ik daarvan een exemplaar, gebonden in perkament, bemachtigen.
Het is de vierde editie uit 1736 en de derde en laatste die door Gerrit Bouman in Amsterdam werd uitgegeven. De volledige titel luidt: “De kleine print-bybel, Waar in door verscheide afbeeldingen een meenigte van Bybelsche spreuken verklaart werden. Tot vermaak van de Jeugd, en om te leeren elken zaak naaukeurig af te schetzen, en by haar regte naam te noemen, ook de spreuken der H. Schrift by na zonder moeite in de geheugenis te brengen”.
Interessant is dat er van deze uitgave in 1736 twee verschillende edities bij Gerrit Bouman verschenen. Eén met op het titelblad een afbeelding van een schaal vruchten geflankeerd door twee vogels (Buijnsters 955) en één, zoals mijn exemplaar, met op het titelblad een ploegtrekkende os (Buijnsters 956).

Anders dan de titel doet vermoeden is het feitelijk geen kinderbijbel maar een verzameling van honderd vijftig Bijbelse spreuken in rebusvorm. Bovenaan de bladzijde met afbeeldingen staat steeds een verwijzing naar de vindplaats in de bijbel, onderaan een tweeregelig rijmpje dat de Bijbeltekst kort samenvat.
Achterin meegebonden zit een ‘sleutel’ die van elke rebus de juiste tekst geeft.
We kunnen veilig vaststellen dat deze uitgave voor de jeugd mateloos populair moet zijn geweest. Dat valt af te leiden uit de talloze herdrukken die alleen al in de 18de eeuw verschenen maar ook uit het aantal daarvan bewaard gebleven exemplaren dat in de Short Title Catalogue Netherlands (STCN) wordt vermeld. Opvallend is echter dat ze vaak incompleet zijn. Ook de 18de eeuwse exemplaren die momenteel via (internet)antiquariaten worden aangeboden vertonen uiteenlopende gebreken.
Opmerkelijk is ook dat wie denkt op de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) een mooi ‘inkijk’ exemplaar te vinden, bedrogen uitkomt. De PDF-scans van het ‘gebruikt exemplaar’ uit de stadsbibliotheek Haarlem tonen een beduimeld kartonnen bandje en ruim de helft van het boekje ontbreekt. Stukgelezen? Een goed compleet exemplaar is kennelijk schaars.

Het idee achter deze rebus-Bijbel, dat kinderen makkelijker zouden leren en onthouden door middel van plaatjes, stoelt op de denkbeelden van de Tsjechische filosoof, theoloog en pedagoog Jan Amos Comenius (1592-1670). In zijn in 1658 verschenen ‘Orbis sensualium pictus’ (De zichtbare wereld in beeld), ook wel de stamvader van alle kinderboeken genoemd, komt dit duidelijk naar voren.
De daarin opgenomen afbeeldingen toonden genummerde voorwerpen.
Bij de corresponderende nummers werd de naam genoemd en een verklaring in het Latijn en de landstaal. Elk kind kon zich hiermee, zonder al te veel hulp, zelf ontwikkelen en dat was ook de bedoeling. Didactisch werkte het uitstekend. Alle elementen waren immers aanwezig: het aanschouwelijke, het zelf lezen en het zelf doen, het inductieve en het deductieve, het geheel en het detail.


Zoals gezegd was de kleine ‘Print-bybel’ zeer populair. Ook in de negentiende en twintigste eeuw verschenen heruitgaven. Een interessant voorbeeld dat al zeer lang in mijn collectie zit en wonderlijk genoeg zeldzamer is dan zijn achttiende eeuwse voorganger is: “De kleine beeldenbijbel. Woorden in beelden uit de H. Schrift en de apocriefe boeken” (Voorburg, 1895). Het boekje kostte destijds één gulden en was een heruitgave van de eerste editie van de kleine ‘Print-bybel’ uit 1720.

Meest opmerkelijk is het voorwoord door de gereformeerde predikant Johannes Cornelis Sikkel (1855-1920): “Scheen mij dit boekje bij den eersten blik minder geschikt voor onzen tijd, na nauwkeuriger beschouwing meen ik, dat het aan de jeugd en den huiselijken kring nuttige bezigheid en oefening biedt, waardoor de kennis van des Heeren Woord ongemerkt bevorderd wordt, en iets van den geestelijken inhoud van Gods getuigenis wordt geleerd. Mocht de Heere het daartoe nog zegenen! Enkele bladzijden, als minder geschikt voor de jeugd in beeld of woord, liet ik vervallen, en de rijmpjes, die al te kreupel en onverstaanbaar waren, verbeterde ik”.
Sikkel moderniseerde de spelling en enkele plaatjes werden aangepast, zoals pagina’s 36 en 122 uit Bouman, waar respectievelijk een lint met ‘De Heere’ en de figuur van Jezus, werd weggelaten. Maar u bent waarschijnlijk, net als ik, veel nieuwsgieriger naar de ‘vervallen’ pagina’s; ‘minder geschikt voor de jeugd’.
Het blijkt om pagina 54, 129, 131, 138, 140 en 143 uit de Bouman uitgave te gaan. Het spreekt voor zich dat ik juist deze zes ontbrekende pagina’s hier als illustratiemateriaal toon zodat u zelf kunt oordelen.

Voor diegene die graag een exemplaar van deze ‘all time’ kinderbijbel willen bemachtigen, maar niet bereid zijn daar meer dan tien euro voor te betalen, zijn er nog de verschillende goed verkrijgbare facsimile uitgaven.
Zo bezat ik van de Bouman editie uit 1736 al een facsimile verzorgd door John Landwehr (Leiden, 1965). Ook van de Sikkel uitgave uit 1895 bestaat een facsimile.
Speciaal aanbevolen voor hen die genoegen nemen met zes pagina’s minder!

maandag 21 juni 2010

Pokke(n)tijd


Op een antiekveiling in mijn woonplaats, alweer zo’n twintig jaar geleden, kocht ik een klein keurig in leer gebonden boekje: “De bijbel uit het Grieksch door IJ. Van Hamelsveld.
Het Nieuwe Testament”, met bijgebonden: “Het boek der psalmen nevens de gezangen bij de Hervormde Kerk van Nederland in gebruik. Door last van de Hoog Mogende Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden, uit drie berymingen, in den jare 1773, gekooren, met de noodige daar in gemaakte veranderingen” (Amsterdam, 1806).
Behalve een obligaat eenvoudig zilver slotje zit op de voorkant ook een fraai zilveren appliqué met het wapen van Amsterdam. De zilvermerken laten zien dat ze er pas later zijn opgezet, de appliqué in 1843 en het slotje in 1852. Toen ik het boekje doorbladerde zag ik dat in een keurig handschrift op de voorste en achterste schutbladen aantekeningen waren gemaakt met betrekking tot een familie Brouwer.

De aantekeningen gaan, zoals meestal in Bijbels, over huwelijk, geboorte en overlijden van familieleden, in dit geval van Harmen Brouwer (geboren 2 mei 1797) en Hendrina Anna Bosch (geboren 27 juli 1805) die op 29 mei 1824 in Nieuwer-Amstel trouwden.
Het echtpaar woonde aan de Overtoom, destijds nog een buurtschap in de gemeente Nieuwer-Amstel, maar in 1896 door de almaar groeiende gemeente Amsterdam geannexeerd. Op 22 juni 1826 werd daar hun eerste kind geboren, Gerrit Brouwer jr.
De kindervreugde was van korte duur. Op 15 oktober werd de zuigeling al begraven in de Nieuwe Kerk, “bezijden het koor, na de Gravenstraat N. 118 te Amsterdam”.



Kindersterfte…, een typisch negentiende eeuws thema, speelt in de aantekeningen een hoofdrol. Van de negen kinderen die Harmen en Hendrina zouden krijgen (zeven jongens en twee meisjes) stierven er vier in hun eerste levensjaar, allemaal jongens. Blijkens één van de aantekeningen werd hun laatste kind, Willem Walland Brouwer, op 11 maart 1843 geboren en door Harmen zelf ten doop gehouden in de Amsterdamse Noorderkerk. De bevalling moet voor Hendrina zwaar zijn geweest. Zozeer dat Harmen al drie maanden later zijn volgende trieste aantekening kon maken: “den 4 Junij 1843 mijne Waarde Vrouw Hendrina Anna Bosch in den ouderdom van 37 Jaren 10/2 d: overleden, na eene gelukkige Echt van 19 Jaren 5/d. mij nalatende zes Kinderen. Den 8 junij begraven in de Nieuwe Kerk”.
Begraven in de kerk was weliswaar sinds 1829 verboden maar zou in Amsterdam nog tot 1866 plaatsvinden. Pas in 1869 zou de Wet op de Lijkbezorging hieraan een definitief einde maken.

Wat eveneens werd bijgehouden, zij het niet bij alle kinderen, was de vaccinatie.
Zo ontving zoon Jan Dirk Brouwer (geboren op 20 december 1835) vaccinatie tegen de mazelen (1837), kinkhoest (1838), waterpokken (1840) en roodvonk (1843). Bij zijn broer Herman Matthijs (geboren op 13 maart 1841) werd dit waslijstje vervangen door de opmerking “Gefaccineerd den 24 junij 1841 door W. Beumer. 2 Pokjes opgekomen welke door onvoorzigtigheit mijner Kindermeid zijn gebroken”.


Vaccinatie was in Nederland in de eerste helft van de 19de eeuw een betrekkelijk nieuw fenomeen.
Pas rond 1800 werd het voor het eerst hier uitgevoerd, een paar jaar nadat de Engelse plattelandsarts Edward Jenner (1749-1823) zijn bevindingen over zijn experimenten met ‘cow pox’ (koepokken) had gepubliceerd. De vaccinatiegraad bleef echter erg laag, ook na wat vroege wet- en regelgeving op dat gebied. Pas vanaf 1823 moesten kinderen die naar school gingen bewijzen dat ze ingeënt waren tegen pokken, voordat ze werden toegelaten. De dokter schreef daartoe het zogenaamde ‘pokkenbriefje’ uit, voorloper van het inentingsbewijs.


Dat werd in 1857 weer ingetrokken onder druk vanuit protestants-christelijke hoek. 
De vaccinatiegraad daalde en de pokken eiste weer veel slachtoffers. Tijdens de epidemie van 1871-1873 stierven maar liefst 23.000 mensen aan deze ziekte. Direct gevolg hiervan was dat in 1872 de Wet op de Besmettelijke Ziekten werd ingevoerd met opnieuw het ‘pokkenbriefje’. Het resultaat bleef desondanks gering, omdat onderwijs niet verplicht was. Pas na de invoering van de Leerplichtwet in 1900 was er sprake van indirecte vaccinatiedwang.

Terug naar weduwnaar Harmen Brouwer en zijn kinderen. Zijn aantekeningen stoppen in 1843. Niet na 4 juni toen zijn vrouw overleed maar tien dagen later toen hij wederom aan de rand van het graf stond. “Den 11 Junij 1843. Mijn Zoon Willem heden avond ten 10 uren in den ouderdom van 13 weeken overleden. Den 14 junij 1843 begraven op het Karthuizer Kerkhof”. Niks ‘goeie ouwe tijd’…….

Pokke(n)tijd!

vrijdag 26 februari 2010

Gootjesbijbel


In de Bijbelkamer van het Bijbels Museum te Amsterdam zag ik ze onlangs allemaal bij elkaar: de ‘Deux Aes’ bijbel, de Liesveldse bijbel, de Lutherbijbel, de Moerentorfbijbel, de Keurbijbel, de Statenbijbel, de Mortierbijbel, de Rembrandtbijbel, de Julianabijbel enz., enz.
Eén van mijn laatste bibliofiele aanwinsten echter ontbrak. Ooit wel eens van de Gootjesbijbel gehoord?

Theo Gootjes, geboren in 1942 in Rotterdam, geniet vooral bekendheid als politiek tekenaar van de krant Het Vrije Volk, waar hij van 1973 tot 2005 in dienst was. In de eerste helft van de jaren ’90 begon Gootjes echter ook aan een privéproject. Aan de keukentafel werkte hij minstens vier uur per dag aan zijn eigen geschreven en getekende vormgeving van de bijbel, om precies te zijn: van het Oude Testament. Een reusachtig project, want Gootjes schreef de Bijbeltekst minutieus over op twee pagina’s naast elkaar en maakte bij elk ‘duo’ een tekening. Zijn drijfveer: "Het is zonde dat de Bijbel in de jaren zeventig overboord is gegooid, terwijl het een deel van onze cultuur is. Ik vrees wel eens dat eerst de religie verdwijnt en daarna de kunst. Dat er alleen nog maar aandacht zal zijn voor materiële zaken".


Na lange voorbereiding was het op 29 maart 2009 zover. In de markante Hofzaal van museum Het Markiezenhof (Bergen op Zoom) presenteerde De Althaea Pers de omvangrijke cassette in twee delen van de handgeschreven en geïllustreerde Bijbel van Theo Gootjes. De Althaea Pers werkt niet met een drukpers, maar met computer en laserprinter. Soms wordt de hulp van een graficus ingeroepen en altijd komt er een vormgever en een boekbinder aan te pas.
De cassette bevat in twee delen het facsimile met 97 katernen van elk twee bladen handgeschreven Bijbeltekst. In elk katern is een bijbehorende tekening toegevoegd. Daaraan vooraf beschreven in zeven katernen Johanna Jacobs, Frans Duister, Koos van Weringh en Jos Swiers met inleidingen en verantwoording het belang van dit werk van Gootjes. Voor de presentatie werd een bijzondere uitnodiging vervaardigd. Theo Gootjes maakte daarvoor een tekening en Gerard Post van der Molen (van drukkerij De Ammoniet) gaf de uitnodiging vorm en drukte de teksten in lood en de tekening van clichés.

Net als de meeste uitgaven van De Althaea Pers is ook deze uitgave (in een oplage van zestig genummerde exemplaren) formeel niet in de verkoop geweest. Alleen de twintig aan het museum Het Markiezenhof geschonken exemplaren zijn verkocht en waren al voor de officiële presentatie weg.
Na afloop van de presentatie zijn vier ongenummerde HC exemplaren beschikbaar gekomen (HC = ‘hors commerce’, oftewel niet in de handel). Deze werden samengesteld uit de zogenaamde uitschotexemplaren, bedoeld om mogelijke gebreken of misdrukken in de oorspronkelijke oplage op te vangen. Dat bleek dus mee te vallen. Voor deze vier exemplaren zijn naderhand extra foedralen en cassettes gemaakt door Frans den Breejen. Ze zijn direct verkocht aan kopers die teleurgesteld geen exemplaar meer bij het museum konden bemachtigen. Eén koper haakte uiteindelijk af.


Toen ik onlangs de kans kreeg dit allerlaatste exemplaar over te nemen heb ik mij niet lang bedacht en het persoonlijk bij Jos Swiers afgehaald. Ik ben heel gelukkig met deze fraaie aanwinst en kan intens genieten van zo’n onbeschrijfelijk mooi stukje bibliofiel vakmanschap. Die margedrukkers maken toch maar prachtige dingen.