Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen

zondag 1 december 2024

Van 1e druk naar beste editie & meest complete uitgave

Als verzamelaar in spé, ruim veertig jaar geleden, zag ik in het Amsterdamse antiquariaat regelmatig de uitgaven van de Amsterdamse stadshistoricus Jan Wagenaar (1709-1773) voor forse bedragen te koop staan. Kon ik er destijds alleen maar van dromen, tegenwoordig is zijn werk voor mij betaalbaar geworden. 

Dat bleek eens te meer toen ik op de novemberveiling van Bubb Kuyper Wagenaar's "Vaderlandsche Historie vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van Holland, van de vroegste tyden af" (Amsterdam 1749-1759) kon bemachtigen voor driehonderdvijftig euro (exclusief veilingkosten). Het gaat om de eerste druk, 21 delen (incl. register) compleet met 5 kaarten (van Nederland), 1 plattegrond (de belegering van Leiden in 1573/1574), 41 historieplaten en 82 portretten. Als extraatje - en ongenoemd in de beschrijving van dit kavel (3196) - zit achterin deel 21 (het register): "De Vaderlandsche historie verkort; en by vraagen en antwoorden voorgesteld" (Amsterdam, 1759). Daarvan bezit ik overigens al de geïllustreerde editie uit 1770 (zie mijn aanwinsten van juni 2018, nr. 4). Alle 21 delen zijn gebonden in uniforme contemporaine perkamenten spitselbanden met blindgestempelde platten. Een zeer fraaie set dus voor relatief weinig geld! Saillant detail. In deel 21 trof ik een vergeelde enveloppe aan van A.J. van Huffels antiquariaat in Utrecht met in potlood de opmerking dat deze serie in 1939 voor negenendertig gulden was ge-/verkocht.


Wagenaar's "Vaderlandsche Historie" wordt regelmatig op veilingen en in het (online) antiquariaat aangeboden. Wie op zoek daarnaar rondsnuffelt zal het direct opvallen dat deze titel niet alleen in diverse 'verpakkingen' wordt verkocht zoals (sier)papieren omslagen, leer, perkament of (modern) linnen maar ook dat het aantal aanwezige kaarten, illustraties en portretten enorm kan verschillen. En dan heb ik het verder maar niet over de talrijke vervolgdelen geschreven door andere historici, zoals Hendrik van Wijn, Petrus Loosjes en (het zogenaamde 'keezenvervolg' door) Johannes Munniks.


Wie zich verdiept in de bibliografische verschillen tussen de diverse edities van Wagenaar's eenentwintigdelige magnum opus (of de vervolgdelen) kan niet om het artikel heen van Th.J.I. Arnold in: "Bibliographische adversaria" ('s Gravenhage, 1876-77, deel III, blz. 123-139 en 159-189). 
Arnold, die zich overigens vergist in het aantal portretten in de eerste editie (81 i.p.v. 82) schrijft dat een paar jaar na het verschijnen van de eerste uitgave in 1761 een serie van twaalf nagekomen portretten verscheen bij uitgever en boekhandelaar Isaak Tirion (1705-1765). Het gaat om de afbeeldingen van: Maarten van Rossum, Kenau Simon Hasselaer,
J. de Moor, C.P. Hooft, A. Bicker, J. Huydekoper, J. de Witt, A. Bankert, C. Evertsen,
J. Verheye, C. van Citters en W. van Citters.
Een tweede serie van twaalf volgde bij het verschijnen van de derde editie. Ditmaal betrof het de portretten van: Karel V, Alva, Filips II, Maria van Reigersbergen, Albertus van Oostenrijk, Ambrosius Spinola, Isabella Clara Eugenia, Filips IV, Pieter Florisz., Aert van Nes, Abraham van der Hulst en Izaak Zweers (alle portretten werden gegraveerd door Jacob Houbraken).


De derde - tevens laatste druk - uitgegeven tussen 1790-1796 door Johannes Allart (1754-1816) was daarom volgens boekengoeroe Piet Buijnsters (1933-2022) de beste editie van de "Vaderlandsche Historie" (in: "Het verzamelen van boeken. Een handleiding" (Utrecht, 1992, blz. 196).
Voor wat betreft de illustraties is dat wel duidelijk, 106 tegen 82 portretten in de eerste druk (Het aantal kaarten en historieplaten bleef overigens hetzelfde). Maar hoe zit het met de tekstuele informatie?
Het is interessant om te lezen wat Wagenaar's historiograaf L.H.M. Wessels daarover schreef in: "Bron, waarheid en de verandering der tijden. Jan Wagenaar (1709-1773), een historiografische studie" (Den Haag, 1997).
Hij constateerde namelijk op basis van een uitgebreide steekproef dat de wijzigingen in de tweede uitgave (die vanaf 1770 verscheen) zeer miniem waren. De bladspiegel was vrijwel onveranderd en het voor de eerste druk opgestelde uitvoerige register (deel 21) kon daarom inclusief de paginaverwijzingen ongewijzigd worden herdrukt!


Toch waren er wel degelijk ingrepen van meer substantiële aard die door Wagenaar werden toegelicht in een voor deel 21 van de tweede editie geplaatst 'Berigt'. Het ging vooral om de verwerking van monumentale bronnenuitgaven die bij het samenstellen van de eerste druk nog niet konden worden geraadpleegd (zoals bijvoorbeeld het "Groot Charterboek" van Frans van Mieris) maar ook om het verwijderen van negentig verwijzingen naar de kroniek van Klaas Kolijn die een falsificatie bleek te zijn. Echter, zo schreef Arnold: "Nauwgezet als de schrijver was als geschiedschrijver, was hij ook mensch. Hij kon niet dulden dat de koopers van den eersten druk van zijn werk zouden ondervinden, dat deze door het verschijnen van een tweede, verbeterde uitgave in waarde verminderde". Daarom verschenen Wagenaar's verbeteringen, op- en aanmerking ook apart onder de titel: "Berigt wegens de byvoegsels en verbeteringen in de eerste uitgaaven der Vaderlandsche Historie, door Jan Wagenaar" (z.p. [Amsterdam?], z.j. [1770]). Deze uitgave kon op eenvoudige wijze worden losgesneden om vervolgens achterin de desbetreffende delen te worden ingevoegd. Over de derde druk kunnen we kort zijn. Die is namelijk wat zetsel betreft identiek aan de tweede uitgave.


Nadat ik op een regenachtige maandag mijn aanwinst had afgehaald bij Bubb Kuyper in Haarlem reed ik door naar antiquariaat Goltzius in Lisse. In het verleden heb ik regelmatig met hen contact gehad (en met name portretgravures gekocht), maar ik was er nog nooit op bezoek geweest. Behalve persoonlijk kennismaken met Ard van der Steur, zijn assistente Janneke Verdijk en gezellig theedrinken kwam ik daar ook iets afhalen. Al geruime tijd geleden namelijk had ik gezien dat zij Wagenaar's "Berigt wegens de byvoegsels en verbeteringen..." voor vijfenveertig euro te koop aanboden! Thuisgekomen heb ik mijn "Vaderlandsche Historie" natuurlijk meteen daarmee verrijkt! Met deze update maakte ik mijn eerste druk, net als de kopers daarvan destijds, informatief gelijk met de tweede (verbeterde) editie! 

Vervolgens besloot ik te kijken of het mogelijk was om ook die 24 extra portretten te bemachtigen die in de illustratief meest volledige editie zitten. Via Boekwinkeltjes vond ik bij antiquariaat Schot in Hendrik-Ido-Ambacht een incompleet en beduimeld sloopexemplaar van de derde editie. Daaraan ontbraken twee delen en alle kaarten waren er al uit. Daarmee won ik twintig van de vierentwintig portretten. Ook separeerde ik het illustratieoverzicht (dat ik achter het illustratieoverzicht in mijn editie plakte) en bewaar ik de interessante "Naamlyst der inteekenaren" (op de derde editie).


De resterende vier portretten verwierf ik grotendeels via Marktplaats bij particuliere aanbieders. Bij elkaar was ik een kleine tweehonderd euro lichter (inclusief verzendkosten), gemiddeld € 8,33 euro per portret. Wellicht dat ik deze kosten kan terugverdienen met de vele resterende portretten en talrijke historieplaten uit mijn sloopexemplaar...
Inmiddels zitten alle vierentwintig extra portretten naadloos in mijn nieuwe aanwinst. Daarmee is mijn eerste druk nu ook wat betreft afbeeldingen up-to-date met de laatst verschenen - meest volledige - editie! Hoewel... 
Het stond de liefhebbers destijds (en tegenwoordig) natuurlijk vrij om naar eigen smaak en portemonnaie nog meer illustraties toe te voegen.

En nu? De vervolgdelen natuurlijk, maar dat gaat me wat meer tijd (en geld) kosten...

vrijdag 17 mei 2019

Een heerlijk stapeltje 'ouderwetsche' armoede

De eind achttiende eeuw gestarte industriële revolutie leidde er toe dat Nederland in de negentiende eeuw sterk industrialiseerde. Vooral in de grote steden werd de ene na de andere fabriek gebouwd en groeide de werkgelegenheid explosief. Het gevolg was dat vele arbeidskrachten, mannen en vrouwen, jong en oud, het platteland verlieten en naar de stad trokken. De verstedelijking (urbanisatie) nam daardoor in relatief korte tijd sterk toe en dat veroorzaakte grote problemen zoals slechte woon- werkomstandigheden, hongerlonen, kinderarbeid, werkloosheid en groeiende armoede (de sociale kwestie). De gevolgen waren voor talrijke Nederlanders ingrijpend. Van verfijnde sociale wetgeving zoals nu was geen sprake laat staan van moderniteiten als een bijstandsuitkering. Lange tijd, eigenlijk tot de Tweede Wereldoorlog, was de behoeftige of armoedige Nederlander aangewezen op de kerkelijke of particuliere liefdadigheid; een enorm labyrint dat vele duizenden grote en kleine instellingen telde.

Die diepe armoede van toen, onvergelijkbaar met de armoede van nu, is gelukkig totaal verdwenen uit onze maatschappij. Met haar verdwenen ook de (hand)boeken daarover.
Ik ben er een groot liefhebber van en heb in de afgelopen jaren een heerlijk stapeltje 'ouderwetsche' armoede verzameld. Dat was vooral een kwestie van geduld, toeval en snuffelen (in combinatie met een snufje geluk) want de hierna besproken uitgaven worden antiquarisch vrijwel nooit te koop aangeboden.


Ik bezat al een aantal folders & brochures over dit thema toen ik in 2017 het boekje kocht van N.S. Calisch: "Liefdadigheid te Amsterdam. Overzicht van al hetgeen er in Amsterdam wordt verrigt ter bevordering van de stoffelijke, zedelijke en godsdienstige belangen, voornamelijk der minvermogenden en behoeftigen" (Amsterdam, 1851). Ik beschreef hier hoe ik de band van deze uitgave renoveerde.
De uitgave van Calisch (ook op Google Books) is een fantastische en smakelijk leesbare bron omdat hij bij tal van inmiddels verdwenen en vergeten instellingen historische en vaak gedetailleerde informatie gaf. Waar anders vind je zo gauw iets over het 'Naaischooltje in de Plantaadje' (blz. 321), de 'Brei-inrigting' (blz. 349), de 'Amsterdamsche turfuitdeling' (blz. 369), het 'Begrafenisfonds voor boekverkoopers-bedienden onder de zinspreuk 'De Vriendschap' (blz. 432), de 'Vereniging tot opbeuring van boetvaardige gevallene vrouwen te Amsterdam' (blz. 439) of de 'Ragged school', voor haveloze, onreine en afzichtelijke kinderen (blz. 312)?


Calisch beoogde met zijn boek (490 bladzijden exclusief register) een schets te geven van "Amsterdam als de stad 'der liefdadigheid', op welken naam, verdiend als hij is, gewis ieder Amsterdammer, ieder Nederlander prijs stelt" (blz. VI). Toegegeven, die liefdadigheid was indrukwekkend, maar tegelijkertijd onoverzichtelijk en totaal versplinterd. En dan te bedenken dat hij zich beperkte tot de hoofdstad... Wat zou het beeld landelijk wel niet zijn?
De allereerste poging om op die vraag een antwoord te geven verscheen aan het einde van de negentiende eeuw in de vorm van een lijvige uitgave; de "Gids der Nederlandsche weldadigheid" (Amsterdam, 1899).

Aan 'De Gids', een monsterproductie van 1120 bladzijden, was drie jaar lang gewerkt door: J.F.L. Blankenberg (1852-1927), dr. H.J. de Dompierre de Chaufepié (1861-1911) en Jhr. Mr. H. Smissaert (1866-1934). Ze droegen hun werk op aan de kersverse Koningin Wilhelmina (1880-1962) en Mr. N.G. Pierson (1839-1909), de toenmalige minister van Financiën tevens leider van het 'kabinet van sociale rechtvaardigheid', schreef het voorwoord.
Auteurs, uitgave en inhoud werden jubelend ontvangen.
 "Die mannen zullen ondervinden, dat zij krachtdadig gearbeid hebben aan de verbetering van sociale misstanden en dat zij de schoonste bladzijden geleverd hebben voor onze vaderlandsche geschiedenis; de geschiedenis van de edelen, die den krijg aangegaan hebben tegen het honderdhoofdig monster, welker naam is armoede.
Armoede, hopelooze armoede, omdat zij in 99 van de 100 gevallen voortkomt uit zwakheid, uit onverschilligheid naar ziel of naar lichaam, waartegen zelfs het meest uitgebreide socialisme of communisme niets vermag. 't Is dus een belangrijk en uitmuntend boek, een zon aan 't uitspansel van onze boekenwereld" (Apeldoornsche Courant, 18 november 1899).

Deze lovende woorden zijn van Catharina Louisa Maria Alberdingk Thijm (1848-1908).
Ze had recht van spreken, want eind negentiende eeuw stond zij aan het hoofd van de "Inrichting van Mejufvrouw Catharina Alberdingk Thijm" in Amsterdam. Eén van de 7500 adressen in dit landelijke overzichtswerk van kerkelijke en niet kerkelijke charitatieve instellingen die zich in welke vorm dan ook bezighielden met weldadigheid/liefdadigheid aan armen, daklozen, wezen, bejaarden, onbehuisden etc. etc.
De zorg voor behoeftige 'medelanders' was ook landelijk gigantisch maar idem dito radicaal en totaal versnipperd. Met deze uitgave hoopte men niet alleen de naar hulp zoekende wegwijs te maken maar ook om de versnippering gedetailleerd in kaart te brengen zodat de talrijke instellingen op elkaar opmerkzaam werden gemaakt en de onderlinge samenwerking kon worden bevorderd.


De 'zon aan het uitspansel van onze boekenwereld' (hier online) is antiquarisch onvindbaar maar afgelopen week had ik geluk en kwam ik 'De Gids' tegen bij antiquariaat Max van Til op de Amsterdamse Spui boekenmarkt; vakkundig ingebonden in (kunst)leer met marmeren schutbladen en met behoud van de originele kartonnen omslag. Enkele oude inktstempels maken duidelijk dat dit exemplaar ooit toebehoorde aan het archief van de Armenraad Leeuwarden. Het geheel, twee kloeke delen, zit in een smaakvolle bijpassende cassette. Deze blije bibliofiel betaalde er met veel liefde dertig euro voor.

Voor de lezer anno 2019 maakt deze uitgave op onderhoudende wijze duidelijk hoe groot de 'ouderwetsche' vooroorlogse armoede in Nederland moet zijn geweest. Ik heb er al vele uren in zitten bladeren en lezen. Alleen al het hoofdstuk met: "Instellingen welker hoofddoel is het uitdeelen van brandstoffen en warme spijzen aan behoeftigen" (Eerste deel, hoofdstuk 1, III, blz. 473) is uiterst boeiend leesvoer! Talrijke verdwenen gaarkeukens, 'Oeconomische' of 'Rumfordsche' soep- en spijskokerijen (een portie boekweitgort gekookt in zout water met siroop), koffie- en brooduitdelingen, passeren de revue.
Ook hier vaak gedetailleerde informatie voor wie, wanneer en wat. Bijvoorbeeld in Zutphen waar kindervoeding werd gegeven, als het weer 'te bar' was of als er weinig werk was, aan kinderen die geregeld de lagere school bezochten (onverschillig of het een openbare of bijzondere school was) of in Nijmegen waar brood en koffie werden verstrekt 'aan allen, grooten en kleinen, mannen, vrouwen, jongens, meisjes, die komen'. De uitreiking geschiedde alleen bij hevige koude, bij werkelijke noodzakelijkheid en zolang als nodig geacht werd. Voorwaarden werden niet gesteld; "zij, die komen krijgen ruim 2 ons prima tarwebrood en een flinke kop koffie met melk"! (blz. 476). Suiker was te luxe duur!


De opvolger van dit standaardwerk verscheen twee decennia later. De "Gids voor armenzorg en maatschappelijke steun in Nederland" (Rotterdam, 1919) is een stuk handzamer, beknopter (alle instellingen van plaatselijke betekenis werden weggelaten) en daardoor goedkoper dan zijn relatief dure voorganger. Een keurig ingebonden exemplaar vond ik een jaar geleden bij mijn kringloop voor slechts tweeënhalve euro. Een antiquarisch schaarse uitgave die werd samengesteld in opdracht van de Algemene Armencommissie, met een inleiding van J. Everts (1882-1954). Blijkens de handtekening en stempels behoorde mijn exemplaar toe aan de heer A.C. la Rooij die destijds chef was van de afdeling onderzoek van de armenraad in Amsterdam. De boekomslag, waarvan de voorzijde op de linnen band werd geplakt, is onderaan gesigneerd door de ontwerper. Het gaat om de tekenaar en grafisch vormgever Elie Smalhout (1889-1939).


Ook deze uitgave leest als een boeiende roman. Waar anders word je geïnformeerd over de 'Stichting weduwe Hoffman-Boudewijns' met als doel: "Het verschaffen van steun aan oude dames, die als winkeljuffrouw in betrekking zijn geweest, ouder dan 60 jaren zijn en in behoeftige omstandigheden verkeren"? (blz. B24). En wat te denken van de 'Vereeniging tot uitzending van ziek-zwakke en prae-tuberculeuze kinderen onder de kenspreuk: 'Trein 8.28 H.IJ.S.M' (blz. B141) of het exclusieve 'Veldzicht' in Gorssel waar twaalf krankzinnige dames voor minstens honderd gulden per maand (een destijds even krankzinnig maandbedrag!) werden verpleegd (B107).

'De Gids' en zijn opvolger(s) waren echte naslagwerken die thuishoorden in bibliotheken en op de kantoren van diverse grote charitatieve instellingen (en dat blijkt ook wel uit de inktstempels op mijn exemplaren). Voor de veldwerkers, de zogenaamde armbezoekers, bestonden meer praktische, specifiek voor hen geschreven, uitgaven. Het "Handboek voor het armbezoek te Amsterdam" (Amsterdam, 1912, 3de druk) kocht ik voor enkele euro's eind 2016 bij antiquariaat 'De Friedesche Molen' in de Rosmarijnsteeg, vlak voordat het daar definitief zijn deuren sloot.


Het geeft beknopt actuele adressen en informatie zoals over de bewoningsvoorwaarden van de diverse Amsterdamse hofjes voor 'oude lieden' (en dat was men toen al vanaf 50 jaar!). Geslacht, gehuwd/ongehuwd, geloofsrichting, borgstelling, een eventueel klein eigen inkomen, goed zedelijk gedrag en een bepaalde leeftijd speelden toen allemaal een belangrijke rol bij de aanspraak op - en toewijzing van hulp. De verstrekte hulp was bovendien heel divers; toelage, kost en inwoning waren overal anders. Neem bijvoorbeeld de voorwaarden van het - door mij eerder beschreven - Corvershof, waar uitsluitend echtparen werden opgenomen.
"Aanvraag om opname aan Diaconie Ned. Herv. Gemeente. Oude lieden, de man minstens 60, de vrouw 50 jaren oud. Minstens 10 jaren lidmaat der N.H. Gemeente te Amsterdam. Zonder minderjarige kinderen. Vast inkomen ƒ 3,- per week. Genieten vrij wonen en ƒ 11,- per vier weken, 2 brooden per week, brandstof en kerstbedeeling" (blz. 39).
Geheel anders was het in het Waals hervormde Trompettershofje (Anjelierstraat 138-140).
Daar was alleen maar plaats voor (maximaal acht) oude vrouwen en genoot men buiten vrije inwoning "eene geldelijke ondersteuning, die eens per maand wordt uitgekeerd en de winterbedeeling bestaande uit kleeren, brand(stof), brood en grutterswaren" (blz. 43). Karig? Daarmee vergeleken waren de inwoners van de doopsgezinde 'Woningen de Vogel' (Kerkstraat bij de Reguliersgracht) slechter af. De enige hulp die zij, naast hun vrije inwoning, konden verwachten was: "'s Winters 2000 turven"! 

Tot slot het "Handboek voor armbezoekers" (Amsterdam, 1912) geschreven door Mr. C.W. de Vries (1882-1967). Over deze uitgave kan ik kort zijn. Ze was vooral nuttig in de opleiding tot armbezoeker en bevat vrijwel uitsluitend theoretische stof en literatuurverwijzingen. Diverse onderwerpen waarmee de armbezoeker in aanraking kon komen worden hierin voorzien van achtergrondinformatie, bijvoorbeeld over de oorzaken van armoede, sociale wetgeving, waaronder de armenwet, gezinszorg etc. Vergeleken met de andere boeken uit mijn stapeltje 'ouderwetsche' armoede bevat dit gidsje inhoudelijk helaas maar weinig sappige details en smakelijk feitenmateriaal. Daarentegen (of misschien wel daarom) is deze uitgave antiquarisch het makkelijkst verkrijgbaar.

dinsdag 20 maart 2018

Gekrenkte nationale trots


Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam (Watergraafsmeer) bevindt zich het graf van de Nederlandse schrijver E.J. Potgieter (1808-1875).
Of de gemiddelde passant een lichtje opgaat bij het passeren van zijn laatste rustplaats waag ik te betwijfelen. Voor mij blijft Potgieter de man van de roman: "Jan, Jannetje en hun jongste kind" (1842) al moet ik daar onmiddellijk aan toevoegen dat niet zozeer het verhaal mij bijstaat als wel de figuur van Jan Salie, die de negentiende eeuwse kleinburgerlijke volksgeest en nationale lamlendigheid van Nederland personifieerde. In hoeverre voldeed Potgieter's personificatie van Nederland aan de werkelijkheid?

Enkele jaren geleden kocht ik bij Jos Albers op het Waterlooplein een brochure getiteld "Hollands eer verdedigd" (Utrecht, 1878), geschreven door ene mr. M.J. van Oosterzee. Mr. Van Oosterzee was boos geworden na het lezen van een artikel in de Hongaarse Pester Lloyd van 3 oktober 1873 (nr. 227) geschreven door correspondent Max Nordau (1849-1923), 'hoogstwaarschijnlijk een Hongaarsche Jood' (inderdaad!), over zijn bezoek aan de Nederlandse afdeling op de Wener Wereldtentoonstelling.

Nordau schreef ondermeer: "Het Hollandsche volk heeft een ouwelijk, vadzig, loom voorkomen; traag en hokkende vloeit het dikke bloed door zijne aderen en geen gedachte, geen nationale drift kan zijn pols tot eenige versnelde beweging aanzetten". Holland (lees Nederland) was volgens hem een ingedutte natie; een rentenier, wiens spieren waren opgegaan in vet: "en het is voorzeker karakteristiek, dat de Nederlandse afdeeling de eenige op de Wereldtentoonstelling is, waarop alles wat 'wapenen' heet, ten eenenmale ontbreekt".
De Nederlander, schreef Nordau, bekommerde zich niet meer om de concurrentie met - of achting van anderen. Alleen de jenever was hem nog onontbeerlijk "dien nationalen drank, waarvan men den naam slechts heeft te noemen om de Vischoogen van den Hollander wakker en begeerig te doen opengaan"! De welvaart was te danken aan Nederlands koloniën concludeerde Nordau maar wat als...

"Eén  ding werd ons bij onzen omgang door deze Hollandsche Tentoonstelling duidelijk; 'Mijnheer' kan te huis in Holland gedachteloos zijne tulpen kweeken, naardien in de plantages op Java en Sumatra kaneel en kruidnagels in menigte groeijen. Heden ten dage zijn de Atchineezen opgestaan, wat zal er geschieden, als eenmaal de overige stammen der inboorlingen van de Europeesche revolutiegeest doortrokken worden en evenzoo hunne lansen werpen en hunne kris zwaaijen en de koppensnellers laten rondloopen, wat als eenmaal aan de Hollanders de heerschappij over dit verre wondereiland uit de trage en verzwakte handen genomen is? Dan, zou ik meenen, is het met de lieve idylle van het doornroosje in Holland gedaan; de Hollander zal zich het middagslaapje moeten ontwennen, van het couponknippen afstand doen, en weder hard werken, evenals de in een gelijke atmosfeer levende 'moffengezichten' in het naburige Hannover, die zich aan hem als 'Hollandgangers' voor den oogst verhuuren. En dat zou misschien niet eens zulk een groot ongeluk zijn, als het nu wel den rijken Amsterdammer toeschijnt, die zijn geheel geluk van de kostelijke Cargo zijner Oost-Indievaarders verwacht".

Nordau's beeld komt - mijns inziens - aardig overeen met wat Potgieter voor ogen stond bij Jan Salie. Waarom vertel ik u dit allemaal?
Enerzijds omdat ik destijds over deze brochure in "Putmannen", schreef: "Inhoudelijk beslist blogwaardig, dus wordt nog eens vervolgd!", en hiermee mijn belofte vervul, anderzijds omdat ik kortgeleden een tweede uitgave kocht - ruim een eeuw ouder - waaruit eenzelfde gevoel spreekt van gekrenkte nationale trots.

Die nieuwe aanwinst vond ik begin maart op één van de koudste dagen van het jaar toen ik een mager bezette Amsterdamse Spui boekenmarkt bezocht. Met half bevroren vingers bepotelde ik de voorraad in de kraam van antiquariaat De Boekerij v.o.f. van Paul Gaemers.


Daartussen trof ik een begeerlijk exemplaar aan van: "Verdediging van de eer der Hollandsche Natie" (Amsterdam, 1776). De auteur, die zich niet op het titelblad bekend maakt, is de Hoornse dominee E.M. Engelberts (1731-1807) wiens naam prijkt onder de inleiding.
Het bleek te gaan om de 'tweede, veel vermeerderde' druk met het door R(einier). Vinkeles (wie anders?) gegraveerde portret van de auteur, gebonden in een eenvoudige rood gespikkelde kartonnen omslag.
Aan de binnenzijde van het voorplat trof ik twee provenance kenmerken aan; bovenaan, in oud handschrift, de naam van de Utrechtse kantonrechter C.G. de Balbian van Doorn (1809-1888) en in het midden het ex-libris van C.H.A. Kruyskamp (1911-1990), redacteur van het 'Woordenboek der Nederlandsche Taal' (WNT) wiens omvangrijke bibliotheek werd geveild bij Burgersdijk & Niermans in Leiden.

Paul vroeg er vijftien euro voor maar omdat ik drie doubletten uit mijn bibliotheek inleverde bleef daarvan slechts tien euro over. Een koopje, want de vraagprijs voor het enige exemplaar dat momenteel te koop wordt aangeboden door antiquariaat Boek & Glas (ingebonden maar zonder het portret) bedraagt honderd euro! Pas bij het lezen en collationeren thuis ontdekte ik dat de binder zich vergist heeft in het laatste katern waardoor de paginanummers verspringen maar het boekje is geheel compleet.

Engelberts, die uitvoerige aandacht krijgt in het boek van Eveline Koolhaas-Grossfeld "De ontdekking van de Nederlander in boeken en prenten rond 1800" (Zutphen, 2010), behoorde destijds tot de verlichte predikanten (zoals ook bijvoorbeeld J.F. Martinet) die in hun geschriften vaak wat feller van leer trokken dan op de kansel mogelijk was.
Zijn verdediging van de Hollandse Natie, waaronder hij de Republiek der zeven verenigde Nederlanden verstond, verscheen voor het eerst in 1763 naar aanleiding van de verschijning van: "The Modern part of an universal history from the earliest account of time", geschreven door diverse auteurs. Daarin stond onder andere een stukje over het algemeen karakter der 'Nederlanderen'.
De bevolking hier was volgens de Engelse auteurs koel, flegmatisch, geestloos en onbeschoft. Op het gebied van de kunsten hadden zij alleen door eindeloos geduld 'enige vorderingen' gemaakt en ze kenden geen andere hartstocht dan de 'zucht tot winst'. Ruzie maakten ze alleen in dronkenschap en liefde kenden ze niet.
Deze 'hatelyke schets' joeg onze trotse Hollandse dominee in de gordijnen!
Engelberts deed echter meer dan het weerleggen van de malicieuze beweringen. Hij benadrukte gelijktijdig ook het belang van de ondersteuning van de eigen economie (koop vooral 'Hollandse' waren!) en stond daarmee aan de wieg van het economisch patriotisme. Daarnaast behoorde hij met dit betoog tot de 18de eeuwse wegbereiders van de opkomende (culturele) natievorming die hier vooral in de 19e eeuw zijn beslag zou krijgen.

De publicaties van Engelberts en van Van Oosterzee zijn nog steeds interessant voor historici. Het zijn vroege voorbeelden van een discussie die tegenwoordig regelmatig onderwerp is van onderzoek en heftig debat, namelijk die rond de Hollandse Nederlandse identiteit. Wat maakt Nederland tot wat het is en ons Nederlanders tot wie wij zijn? Wat is typisch Nederland(s) en wat niet?

vrijdag 16 juni 2017

Kozakkendag bracht 'De Verlossing'


Van de boekenmarkten die in de zomer door de Kan worden georganiseerd bezoek ik bij voorkeur de Amstellocatie naast de Stopera. Op de Dam is mij iets te toeristisch en bovendien zijn er handelaren die daar liever niet (meer) komen omdat het hen te weinig oplevert.
Jammer, want daardoor neemt niet alleen de aangeboden boekenhoeveelheid af maar ook de kwaliteit. Natuurlijk hangt een en ander ook af van je interesse(s). Bij mij zijn dat toch vooral de wat oudere antiquarische uitgaven. Helaas zijn er steeds minder kramen die daarvan wat hebben liggen maar afgelopen zondag had ik geluk en weer eens beet!


Ik was die zonnige dag al vroeg op pad gegaan en toen ik rond tien uur op de markt naast de Amstel verscheen waren vele handelaren nog druk bezig met uitpakken.
Bij kraam nummer zeven werd mijn aandacht getrokken door een bundeltje met gelegenheidsgedichten uit het jaar 1813. Het einde van de Franse bezetting zorgde toen voor een welhaast onafzienbare stroom 'jubelpoëzie', en uit het stapeltje trok ik twee pamfletten die voor tien euro per stuk mijn eigendom werden.
Hoe ik tot mijn keuze voor deze twee kwam zal u gauw duidelijk worden.

Het anonieme gedicht: "Aan het volk van Nederland" (Amsterdam, 1813) trok mijn aandacht omwille van zijn titel. Die is natuurlijk expres gekozen en refereert aan het bekende pamflet uit 1781 van Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784). Daarnaast bevat het een soort toegift in de vorm van een extra gedicht getiteld:
"Aan mijne stadsgenooten. Op den 24ste November 1813".


Er zijn niet veel Amsterdammers meer die weten dat er op vierentwintig november 1813 een einde kwam aan de Franse overheersing van de hoofdstad.
Op die dag - rond zeven uur in de ochtend - arriveerde hier tweehonderd Kozakken voor de Muiderpoort. Hun komst was beslissend.
Na het vertrek van de Franse bezettingsmacht op 14 november had het neutraal georiënteerde provisioneel stadsbestuur besluiteloos doorgemodderd. Pas op 'Kozakkendag' dorsten ze de macht uit handen te geven en kwam er een definitief einde aan achtentwintig jaar Franse tijd in Amsterdam.
Een maand later, op 2 december 1813, reed de toekomstige Koning Willem I onder gejuich van duizenden mensen via de Haarlemmerdijk de stad binnen waar hij op 30 maart 1814 met veel pracht en praal zou worden gekroond.


Zoals bij de meeste pamfletten die ik in de loop der jaren ben tegengekomen zit er geen (sierpapieren)omslag om. Met uitzondering van de titelpagina waar enige typografische variatie is betracht is het verder een weinig spectaculaire (octavo)uitgave die terug te vinden is in de pamflettencatalogus van Knuttel (nr. 23559) en digitaal hier.

Dat is geheel anders bij het tweede pamflet (Knuttel 23584) dat ik uit het stapeltje trok.
Het viel meteen op door zijn fraaie en zorgvuldig bedrukte omslag. Een blanco vel met sierkaders voor en achter met in het midden voorop de titel "Bij de verlossing van mijn dierbaar vaderland" en achterop een bloem.
Toen ik het opensloeg viel mijn oog direct op de in Gotische letters gedrukte auteursnaam Petronella Moens (1762-1843). Deze blinde domineesdochter, 'De Vriendin van 't Vaderland', is in de Nederlandse geschiedenis en literatuur geen onbekende, maar dit verhaal wordt te lang om daar uitvoerig bij stil te staan.
Links van het titelblad (de achterzijde van de omslag) las ik: "Geene exemplaren worden voor echt erkend, die niet door de uitgeefster eigenhandig zijn ondertekend" met daaronder in zwierige handschrift 'F.D. Zimmerman'. 
Interessant, een vrouw!


Thuis begon het uitpluizen.
Geen van de brochures wordt momenteel antiquarisch aangeboden. Wel zijn ze in openbare collecties te vinden. Van het gedicht van Petronella Moens vond ik al gauw een digitale versie van de tweede druk uit 1814 ( (Knuttel 23759) die u hier kunt bekijken.
Bij dat exemplaar ontbreekt overigens die omslag en het zou me niet verbazen als die alleen om de eerste druk zat. Juist die sieromslag met autorisatie op de versozijde maakt deze uitgave extra interessant! Alleen daar staat expliciet dat F.D. Zimmerman een ‘uitgeefster’ is!

Toen ik mij in haar verdiepte ontdekte ik al gauw dat mevrouw Zimmerman eigenlijk Fortmeijer heette!
Deze Frederica Dorothea Fortmeijer (1780-1850) huwde op 16 juni 1808 Johannes Decker Zimmerman (1785-1867).

Hij was predikant te Utrecht en zoon van David Zimmerman die terug uit Patriotse ballingschap in 1801 een drukkerij startte met meerdere persen. Hier leerde Johannes letterzetten en al gauw werd hij ook met correctiewerk belast. De stap naar zelf schrijven en publiceren was zo gauw gezet.



Johannes Decker Zimmerman (zijn moeders naam Decker voegde hij in 1806 toe aan zijn achternaam) schreef onder meer diverse gedichten gewijd aan politieke gebeurtenissen zoals over Napoleon en de Belgische opstand (1830). Toen hij in 1812 in financiële moeilijkheden raakte stichtte hij in Utrecht, in de Lange Nieuwstraat 330, een boek-, papier-, muziekhandel en leesbibliotheek op naam van zijn vrouw, F.D. Zimmerman (geboren Fortmeijer).
Een van de eerste publicaties die daar - voor enkele stuivers te koop - verscheen was 'Bij de Verlossing...' van Petronella Moens.
De samenwerking moet bij Moens in de smaak zijn gevallen want tussen 1814 en 1829 schreef zij nog diverse stukken in het weekblad 'Euphonia' dat eveneens bij deze 'uitgeefster' verscheen en waarvan hij redacteur was.

'Bij de Verlossing' stond aan het prille begin van een langdurige vriendschap.
Toen hij op 29 december 1837, vijfentwintig jaar later, een bijdrage schreef in haar vriendenrol richtte hij zich tot haar met 'Lieve Pietje' (naar haar bijnaam 'Pietje potentaat!). Zes jaar later, in 1843, overleed Petronella Moens en memoreerde hij haar met een uitgebreide gedachtenisrede.
Waartoe een mooi verzorgde uitgave die bol staat van de: "taal van eene vrouw, die eenen man eer zoude aandoen..." al niet kan leiden!

maandag 22 april 2013

Gevonden: Dracula!


De vijftiende eeuwse vorst van Walachije, Vlad III (1431-1476) had de onaangename gewoonte zijn verslagen Turkse vijanden aan lange palen te spietsen. Niet enkele tientallen maar, zoals bij zijn beruchte 'Nachtaanval' in 1462, ruim 20.000 tegelijk. Dat bezorgde hem al gauw de bijnaam ‘Vlad Țepeș’ (Vlad de Spietser). U (en vele anderen met u) weet het waarschijnlijk niet maar u kent hem ook, zij het onder zijn andere bijnaam die hij als zoon van Vlad II, ridder in de Orde van de Draak, voerde; Vlad Dracula.

En bij Dracula moet ik natuurlijk altijd denken aan de filmacteur Christopher Lee die er beroemd mee werd in de Britse Hammer Film Productions in de vorige eeuw. Uiteraard heb ik destijds als tiener met horripilatie alle delen gezien maar het gelijknamige boek van Bram Stoker (1847-1912) had (ook) ik nog nooit gelezen.



Ik gokte erop dat ik via mijn kringloop vroeg of laat wel een exemplaar zou tegenkomen en dat bleek - ongeveer een maand geleden - een juiste gok te zijn geweest.
Voor anderhalve euro werd ik eigenaar van een fraai gebonden “Dracula” met stofomslag, vertaald door Else Hoog, en uitgegeven in 1980 door de Nederlandse boekenclub.


Ik begon met lezen en was gevorderd tot het moment dat de hulp wordt ingeroepen van de Amsterdamse dr. Abraham van Helsing, in de eerdergenoemde films gespeeld door Peter Cushing (1913-1994), toen ik mij iets begon af te vragen. Wanneer heeft deze klassieker uit het literaire horrorgenre eigenlijk voet aan de grond gekregen in Nederland?

Op internet hoefde ik niet lang naar de gewenste informatie te zoeken. Sander Bink heeft daarover al iets geschreven in; “Count Dracula in de polder”, op ‘rond1900’.
Zo las ik dat Bram Stoker zijn inspiratie vermoedelijk haalde uit eerder verschenen vampiervertellingen als "Carmilla" van de Ier Sheridan Le Fanu (1814-1873), uit de bundel: “In a Glass Darkly” (London, 1872).
Stoker, die beweerde dat zijn verhaal hem werd ingegeven door een nachtmerrie die hij had na het eten van teveel krab, heeft met zijn gothic novel ons klassieke beeld van vampiers gevormd. Verhalen erover bestonden echter al veel langer en hebben hun oorsprong in het zestiende eeuwse Roemenië en Hongarije. Het woord vampier gaat terug op het Servisch en kwam tot 1730 niet voor in West-Europese talen.

Stokers “Dracula verscheen in Londen in 1897. Over de eerste poging om het te vertalen in het Nederlands worden we geïnformeerd door het Nieuwsblad voor den Boekhandel (Jrg. 91, 1924, nr. 55). Het was - opmerkelijk genoeg - de uitgeverij van de N.V. De Vrij Religieuse Tempel die als eerste het vertalingsrecht aanvroeg en ook toegekend kreeg.
Deze Amsterdamse uitgeverij (Valeriusplein 20) behoorde bij de gelijknamige theosofische groepering onder leiding van de heer K.H. Noest jr. die het in deze jaren vooral druk had met de bouwperikelen rond een nieuwe tempel. Uiteindelijk verrees dit gebouw op het Amsterdamse Daniël Willinkplein nr. 8-24 (na 1945 Victorieplein) en op 23 oktober 1926 opende zij haar deuren. Bij de uitgeverij is er dan nog steeds geen vertaling verschenen.
In datzelfde jaar volgde een tweede aanvraag, ditmaal door Van Holkema & Warendorf, en met meer succes. Voor de vertaling benaderden zij de dichter en prozaïst J. Wink-Nijhuis (1874-1938). Haar “Dracula” verscheen begin 1928 als deel in de ‘Society Reeks’, een serie populaire vertalingen die al sinds 1925 liep. Het boek (320 blz.), gebonden in een crèmewit linnen band, kostte in Nederland twee gulden vijftig en in Nederlands-Indië (in een donkerrode boekband) vijftig cent meer. In 1933 werd het restant verramsjt voor de helft van de prijs.


Voor een originele eerste Engelse druk worden bedragen gevraagd waarvoor u al gauw een flinke auto kunt kopen. Nou ben ik weliswaar geen verzamelaar van ‘modern firsts’, maar een ‘next best’ eerste Nederlandse vertaling van “Dracula” uit 1928 leek mij wel wat voor mijn collectie. Wat mag dat kosten?

Een antwoord op die vraag bleek er simpelweg niet te zijn want op géén van de bekende antiquarische boekensites wordt een exemplaar aangeboden. Dat feit op zich is niet zo bijzonder (en wel vaker het geval bij boeken die ik zoek), maar pas echt onwerkelijk werd het toen ik constateerde dat de eerste Nederlandse vertaling ook niet voorkomt in de gigadatabase van WorldCat of in een openbare collectie als die van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en de Universiteitsbibliotheek in Amsterdam.
Het was dus puur toeval toen ik, ‘je weet maar nooit’, op Marktplaats zocht en daar een exemplaar aantrof dat sinds een week werd aangeboden voor welgeteld zeven euro en vijftig cent. Mag het dat kosten? Voor een kennelijk ‘totaal onvindbaar’ boek, vond ik van wel en dus hapte ik (net op tijd) toe (*).


Sander schreef, in zijn eerder aangehaalde stukje, welgeteld één contemporaine - weinig positieve - reactie te kennen op het verschijnen van het boek. Her en der vond ik er meer, maar uit alle stukjes blijkt wel dat Stokers klassieke horrorverhaal in ons nuchtere Nederland bepaald niet werd gewaardeerd.
De kritiek in de 'Boekenschouw. Geïllustreerd Letterkundig Maandblad' (22ste jrg. 1928/1929) mag exemplarisch heten: "Guttapercha! .... Wat 'n boek. Ik vermoed dat de titel niet geheel zonder bijbedoeling is gekozen, want er is nauwelijks eene blad te vinden, die geheel vrij is van drakerigheid. Op het prospectus kan men lezen dat het is 'het ongelooflijkste van alle ongelooflijke verhalen'. En een geleerde moet hebben uitgeroepen 'bah, wat een opeenstapeling van griezeligheden' , maar den volgenden Zondag moet hij heel den Godgewijden dag hebben doorgebracht om het boek uit te lezen. Ja, die professoren ....
En dan vertelt de uitgever er nog bij dat de menschen in de bioscoop, die deze roman verfilmd zagen, elkaar vastgrepen van angst. Ik ben er alles behalve van overtuigd of dit een gezonde sensatie is? 't Is werkelijk onnatuurlijke griezellectuur. Navertellen kan ik het niet; dan wordt ik hoogstwaarschijnlijk krankzinnig. Menschen, die gemakkelijk droomen, zullen de eerste weken hun nachten bevolkt vinden met 'Vampiers' , geheimzinnige menschen, die eeuwen oud kunnen worden, als ze maar in de gelegenheid zijn zich te voeden met het bloed van levende wezens; zij verschijnen in de gedaante van hagedissen, vleermuizen en dergelijke aantrekkelijke dieren. Als je eenmaal met zulke verbeeldingen begint, is er geen grens meer. Behalve het geduld van de lezers, en ik vermoed dat dat niet onbegrensd is als 'chewing-gum'
".
De diverse recensies die direct na het verschijnen van het boek in de krant stonden heb ik verwerkt in bovenstaande collage. Ik vermoed dat Dracula destijds beter werd geapprecieerd (en verkocht) in Nederlands-Indië wat een verklaring zou kunnen zijn voor het flinke aantal reclameadvertenties in de Sumatra Post.
In Nederland verdween Dracula geheel uit beeld om pas begin jaren zestig weer op te duiken als pocket(her)uitgave (nr. 168/169) in de Mimosa-reeks (Maastricht (z.j.), 1963).


Overigens zou 'die andere' horrorklassieker: "Frankenstein: or, The Modern Prometheus" (3 vol. London, 1818) van Mary Shelley (1797-1851) pas in 1968 in Nederland verschijnen, eveneens vertaald door Else Hoog, als pocket nr. 1192 in de Zwarte Beertjesreeks. Een eerste Engelse druk daarvan kost u zo'n € 130.000,- euro, de eerste Nederlandse vertaling op Boekwinkeltjes.nl tussen de één en vijftien euro.

Voorlopig lik ik mijn tanden af bij mijn nieuwe aanwinst en daag ik u uit een tweede exemplaar te vinden of net als ik in vier jaar tijd tweehonderd stukjes op uw weblog te publiceren!

Naschrift

Het Haarlemse veilinghuis Bubb Kuyper veilde in november 2020 (73/1024) een identiek exemplaar voor € 325,- euro (excl. veilingkosten). In april 2023 heb ik mijn exemplaar verkocht! U kunt hierover meer lezen in: "Wat een gek mij er voor gaf...".

vrijdag 29 april 2011

Typisch Nederland(s)


The character of the Dutch is identical with that of the English and Americans.
The Dutchman loves sport, commerce a fair fight, and a glass of something good.
He is a homely, domestic creature, devoted to his wife and children. Abroad the idea is prevalent that the Dutch are ‘queer people’; this is not the case; the Dutch are people to be respected and honoured for a glorious past, a glorious present, and a glorious future
”.

Deze woorden zijn van de Amerikaan S.S. Abrahamson, correspondent van de “New York Herald”, van wie honderd jaar geleden een boekje verscheen: “Holland and our friends the Dutch by one living amongst them” (Amsterdam, 1910).

Abrahamson die van 1905 tot 1910 in Nederland verbleef was niet de eerste en niet de enige buitenlander die over Holland, waarmee in het buitenland vaak Nederland wordt bedoeld, schreef. Al eeuwen geleden verschenen er beschrijvingen.
Een van de eerste en bekendste is die van Lodovico Guicciardini (1521-1589): "Descrittione di tutti i Paesi Bassi, altrimenti detti Germania inferiore" (Antwerpen, 1567).
Het fraai geïllustreerde boek werd diverse malen herdrukt en verscheen in diverse talen. Een ander voorbeeld is de uitgave van Jean Nicolas de Parival (1605-1669). Deze geboren Fransman leefde vanaf 1624 in Leiden en schreef: “Les Délices de la Hollande, contenant une Description Exacte du Païs, des Mœurs & des Coutumes des Habitans“ (Leiden, 1651). Wat deze en de meeste andere beschrijvingen van voor 1800 gemeen hebben is dat ze nog voornamelijk gaan over regeringswijze, topografie, vorsten en steden.

In de 19de eeuw veranderde dit.
De welvaart nam toe evenals, dankzij treinen en stoomschepen, de mobiliteit. De eerste editie van de toeristische gids over ‘Holland’ door de bekende Karl Baedeker (1801-1859) verscheen in 1839. Ze zijn een verzamelobject op zich. Naast deze handzame reisgidsjes, vol met gedetailleerde informatie over hotels en restaurants, vervoer en vertrektijden, topografische kaartjes, tips en bezienswaardigheden verschenen er vanaf de tweede helft van de 19de eeuw ook beschrijvingen die meer bedoeld waren voor de ‘thuisblijvers’ en als voorbereiding voor een reis naar Nederland dan als handzame reisgids voor in de koffer.


Eén van de meest bekende is de uitgave van Edmondo de Amicis (1846-1908); “Ollanda” (Firenze, 1876), dat in vele talen en oplagen verscheen.
Er werd nu ook ruim aandacht besteed aan de Nederlander zelf, zijn gewoonte, zeden en (voor buitenlanders soms typische) gebruiken. Dat zien we ook terug in de illustraties van grotere plaatwerken op A4 formaat zoals de boeken van Friedrich von Hellwald en Richard Oberländer: “Nordland-Fahrten. Vierte Abteilung. Malerische Wanderungen durch Holland und Dänemark. Land und Leute, mit besonderer Berücksichtigung von Sage und Geschichte, Literatur und Kunst” (Leipzig, ca. 1882) en Richard Lovett: “Pictures from Holland, drawn with pen and pencil” (Londen, 1887).


Behalve fraaie houtgravures van gebouwen tonen ze vooral dorps- en straattaferelen en afbeeldingen van het ‘gewone’ volk in verschillende klederdrachten. Naast kanalen, dijken en polders werd er overvloedig aandacht geschonken aan typisch Nederlandse onderwerpen; zoals schaatsen, molens, klompen, Hollandse kaasmarkten en bloembollenvelden
(De Keukenhof is tegenwoordig één van de populairste toeristische bestemmingen). Maar er was ook aandacht voor minder toeristische onderwerpen zoals “pile driving” (heien) en de Nederlandse properheid; “dutch cleanliness”.
Allemaal typisch dingen die nog steeds deel uitmaken van de Nederlandse identiteit, dachten we...


In 2007 presenteerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) het rapport “Identificatie met Nederland”. Het deed verslag van een onderzoek naar de Nederlandse identiteit.
Tijdens de presentatie hield onze Prinses Máxima een korte toespraak waarin ze ondermeer zei: “Maar dé Nederlandse identiteit? Nee, die heb ik niet gevonden. Nederland is: grote ramen zonder gordijnen, zodat iedereen goed naar binnen kan kijken. Maar ook: hechten aan privacy en gezelligheid. Nederland is: één koekje bij de thee. Maar ook: enorme gastvrijheid en warmte. Nederland is: nuchterheid en beheersing. Pragmatisme. Maar ook: samen intense emoties beleven”.


Heftige emoties en discussies waren het gevolg maar al gauw bedaarde de gemoederen en dat is niet verwonderlijk want de innige band die de Nederlanders hebben met Oranje en het Koningshuis is ook al zo typisch Nederlands!