Posts tonen met het label Abraham Rademaker. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Abraham Rademaker. Alle posts tonen

vrijdag 9 januari 2026

300 plaatjes, met en zonder praatjes

Zoals ik wel eens eerder heb verteld begon ik ruim veertig jaar geleden met het verzamelen van 'oud papier'. Het waren vooral losse afbeeldingen uit topografische of geschiedkundige uitgaven uit 17de en 18de eeuw, veelal gemaakt door toen in deze genres populaire graveurs zoals Reinier Vinkeles (1741-1816) en Abraham Rademaker (1676/77-1735). Tegenwoordig koop ik eigenlijk alleen nog maar losse portretgravures (waarom kunt u hier lezen). Dat komt omdat ik me nu de complete uitgaven kan veroorloven waarin mijn losse prentjes van toen zitten. Enerzijds heeft dat natuurlijk te maken met een hoger inkomen, anderzijds met het feit dat de prijzen in het antiquariaat de afgelopen decennia enorm zijn gedaald. Dat laatste is - zoals bekend - dankzij internet, waardoor ook de wereld van het (oude) boek en daarmee het bibliofiele speelveld (zeker vanaf 2000) enorm veranderde. Bovendien - zo mailde mijn blogredacteur Reinder Storm - lijken nieuwe generaties veel minder geïnteresseerd te zijn in antiquarische boeken.

Eerdergenoemde Abraham Rademaker was één van de meeste productieve en populaire graveurs die Nederland heeft gekend. Vele honderden gravures van zijn hand (met name van kastelen/ruïnes, kerken, landhuizen, dorpen en landschappen) zijn gebruikt ter illustratie in diverse achttiende eeuwse uitgaven. In: "Als in een sprookje" heb ik al eens - lang geleden - een gravure van het huis Kostverloren besproken.


De afbeelding daarbij (hierboven) was afkomstig uit: "Kabinet van Nederlandsche Outheden en gezichten..." (Amsterdam, 1725) dat bij boekverkoper Willem Barents verscheen. Dit is verreweg de bekendste uitgave met werk van Rademaker en een van de eerste prentwerken met topografische gezichten van (grote delen van) Nederland. Over de totstandkoming van deze tweedelige uitgave met 300 gravures worden we uitvoerig geïnformeerd dankzij een akte opgemaakt door notaris C. van Loon (d.d. 21 juli 1724). Daaruit blijkt onder meer dat alle 300 afbeeldingen afkomstig waren uit de collectie cq. het (kunst) kabinet van de Londense kunsthandelaar, verzamelaar en koopman Salomon Gautier (overleden 1725).
De totale oplage bestond uit 800 exemplaren gedrukt op diverse papierformaten (In: M.M. Kleerkooper en W.P. van Stockum: "De boekhandel te Amsterdam voornamelijk in de 17de eeuw" ('s-Gravenhage, 1914-1916), blz. 1144). Van de in 1725 verschenen publicatie bezit ik al heel lang de facsimile-uitgave die in 1966 werd uitgegeven door de Europese bibliotheek te Zaltbommel.


De 300 gravures zijn bovenaan genummerd en onderaan voorzien van een titel soms met een jaartal dat betrekking heeft op het voorbeeld waarnaar Rademaker zijn gravure vervaardigde. Bovendien staat daaronder in drie talen; Nederlands (Nederduits!), Frans en Engels een korte toelichting. 


Dezelfde serie van 300 genummerde afbeeldingen werd 25 jaar later nogmaals uitgegeven onder de titel: "Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche outheden" (Amsterdam, 1750) bij de Amsterdamse boekdrukker/-verkoper Isaak Tirion. Ditmaal echter zonder de drietalige toelichting en de afbeeldingen telkens twee op één bladzijde.


Eind vorig jaar kocht ik via eBay bij Octopus Biblio voor een vriendenprijs: "Kabinet van Nederlandsche en Kleefsche Oudheden... Geöpent, Opgeheldert en Wydlopig Beschreven in Steden, Dorpen, Sloten, Adelyke Huizen, Kloosters, Kerken, Godshuizen, Poorten, en andere voorname Stadt- en Landgebouwen … in 300 verscheide printtafereelen vertoont door Abraham Rademaker" (Dordrecht 1727-1733). Getuige het ex-libris dat in elk deel tweemaal aanwezig is (zowel voor- als achterin!) stond deze set twee eeuwen geleden in de bibliotheek van E(rnest) van Havre uit Rijsel/Lille (1819-1880).


Het is de tweede druk die door Abraham Blussé en Zoon werd uitgegeven in Dordrecht tussen 1770-1771. Ook in deze uitgave staan alle 300 genummerde afbeeldingen van Rademaker, ditmaal voorzien van een uitgebreide historische toelichting door Matthaeus Brouërius van Nidek (1677-1742) en Isaac Le Long (1683-1762).
Beide heren waren daartoe uiterst deskundig. De ziekelijke Van Nidek (hij was alleen bij de eerste delen van de zes betrokken) had zijn sporen verdiend door zijn medewerking aan verschillende historische en topografische naslagwerken waaronder Halma's: "Tooneel der Vereenigde Nederlanden..." (Leeuwarden, 1725). Le Long was antiquarius, uitgever van historische bronnen en bibliofiel, nu vooral bekend van zijn "Boek-zaal van Nederduitsche Bijbels" (Hoorn, 1764). Jaren later zou hun uitgave van het Kabinet nogmaals (tussen 1792-1805) verschijnen bij J.A. Crajenschot, bewerkt door J.H. Reisig (1749-1794) en A.B. Strabbe (1741-1805) en uitgegroeid tot acht delen. Ook in deze laatste editie zitten de genummerde gravures weer per twee op één blad, zoals eerder in de uitgave van Tirion!

Tot slot moet hier nog een vierde publicatie worden vermeld, getiteld: "Versameling van 100. Nederlantse outheden en gesigten door A. Rademaker in 't koper gebragt door I.M. Bregmagher" (Amsterdam, 17..[26?]) uitgegeven bij Ysak Greve. Noch van de graveur noch van de uitgever is wat bekend. Van deze uitgave verscheen een facsimile in 1981 bij Repro-Holland BV (Alphen aan den Rijn). In deze uitgave zijn alle 100 gravures ongenummerd en niet gesigneerd. Onder elke afbeeldingen (meestal twee, soms één op een blad) staat in cursief een korte toelichting die overeenkomt met de toelichting van de afbeelding in de drietalige uitgave van 1725, verschenen bij Willem Barents.


Kortom 300 gravures van Abraham Rademaker die in drie, soms vier verschillende uitgaven voorkomen, soms genummerd en gesigneerd, soms met toelichting of historische context, soms zonder... Dat zegt enerzijds wel iets over de populariteit van deze afbeeldingen, anderzijds verklaart het waarom thans grote hoeveelheden daarvan (los) door het antiquarisch circuit zwerven. Het betekent ook verwarring bij verzamelaars, antiquaren, musea, archieven en (universitaire) bibliotheekcollecties. Want uit welke uitgave is het prentblad nu afkomstig? Heel vaak wordt in (collectie)beschrijvingen in algemene termen verwezen naar 'Rademakers Kabinet', maar zoals ik hierbij - 'ter lering ende vermaak' - aan de hand van de gravure van de Amsterdamse Schreierstoren ('Schreiërshoek') - aanschouwelijk maak zijn er tot wel vier verschillende mogelijkheden!

Ik wens al mijn boekliefhebbende en/of bibliofiele Blog-, Twitter-, Mastodon-, dan wel Blueskylezers, een geslaagd, voorspoedig en boekrijk 2026!

zaterdag 24 januari 2015

Zomervreugd en noorderzon


Vijfhonderd gulden voor twee losse bladen met elk twee afbeeldingen van het dorp Amstelveen uit: “Spiegel van Amsterdams zomervreugd, op de dorpen Amstelveen, Slooten, en den Overtoom” (Amsterdam, z.j. ca. 1727-1730). Dat betaalde ik rond 1990 en lange tijd bezat ik ook de oblong herdruk van het boekje uit 1974.
Waarmee ik maar wil zeggen dat het destijds (te) duur goed was en dat gold zeker voor complete originele uitgaven van dergelijke ‘huisjes- & tuintjes-boeken’, die in de eerste helft van de achttiende eeuw verschenen.
Het grootste gedeelte van al die huizen en buitenplaatsen langs de rivier De Amstel, in de Watergraafs- of Diemermeer, in het ’s-Gravenland, langs de Vechtstroom, in het Kennemerland en langs de Haarlemmer trekvaart is alweer lang geleden afgebroken door speculanten en slopers.


Een berucht voorbeeld was de Amsterdamse boekverkoper en speculant Frederik Kaal (1733-1790), die vele buitenplaatsen liet slopen en het bouwmateriaal weer verkocht.
Door zijn sloopactiviteiten werd onze Nederlandse taal verrijkt met het woord ‘kaalslag’.
Kaal was één van de velen die goed verdiende aan de afbraakgolf die in het laatste kwart van de achttiende eeuw op gang kwam. Slechts enkele buitenplaatsen bleef dit lot bespaard.
In mijn directe omgeving zijn dat bijvoorbeeld Wester-Amstel, Oostermeer en, binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam, Amstelrust en Frankendael.


De antiquarische kostbaarheid van die plaatjesboeken met lusthoven vertaalde zich eind jaren zestig van de vorige eeuw in een reeks heruitgaven in een beperkte en genummerde oplage in cassette door Kruseman’s uitgeversmaatschappij N.V. te ’s-Gravenhage.
Zo staat hier in de kast nummer 553 van: “Hollands Arcadia, of de vermaarde rivier Den Amstel” (Amsterdam, 1730). Diverse goedkopere heruitgaven volgden niet lang daarna. Inmiddels is de interesse in dit genre behoorlijk teruggevallen en dat geldt dus ook voor de prijzen van met name de losse afbeeldingen op de antiquarische markt. Complete boeken zijn nog steeds vrij prijzig, want schaars, door de sloopactiviteiten en losse verkoop in het verleden.

De inhoud van deze ooit populaire uitgaven volgde altijd hetzelfde stramien. Allereerst een uitvoerig lofzang waarin de desbetreffende streek werd ‘verheerlijkt’ of een ‘zegepralende’ rivier werd bezongen. Daarna volgde dan afbeelding na afbeelding van prachtige huizen en buitenplaatsen die daar ooit in opdracht van het rijke stedelijk patriciaat waren gebouwd.


Al die afbeeldingen van hofsteden, lusthoven en buitenplaatsen (soms met hun tuinen) zijn maar saaie kost, tenzij je van de een of ander meer weet, of wil weten.
Zo heb ik al eens eerder geschreven over Kostverloren en Brantwijk aan de rivier de Amstel.
De thans meer gezochte afbeeldingen zoals vergezichten, straattaferelen en dorpsgezichten, zitten er verhoudingsgewijs wat minder in. “Spiegel van Amsterdams zomervreugd…” springt er in dat opzicht gunstig tussenuit. De titel zegt het al.
Hier gaat het niet om ‘zegepralen’ en ‘verheerlijken’ maar om het ‘spiegelen' van ouderwetse zomervreugd. Van de twintig gravures door de bekende Abraham Rademaker (1676/77-1735) zijn er maar vier die uitsluitend een ‘Hofstede’ als onderwerp hebben.
Zes zijn dorpstaferelen (vier van het dorp Amstelveen en twee van het dorp Sloten) en de overige afbeeldingen zijn vooral ‘Gezigten’ van de Overtoom.

Dit gebied, dat lange tijd behoorde tot de voormalige ambachtsheerlijkheid Amstelveen en Nieuwer-Amstel, heeft al geruime tijd mijn interesse. Om die reden heb ik alweer sinds jaren een origineel en compleet exemplaar in mijn boekenkast staan. En mijn oblong herdruk uit 1974? Die heb ik toen weer ingeleverd bij een antiquariaat.


Een vorige eigenaar heeft de tweetalige titelpagina (Nederlands/Frans), de drie bladen met een 'Poeëtise' beschrijving door de Amsterdammer Gysbert Tysens (1693-1732) en de tien folio bladen met twintig afbeeldingen door de boekbinder in een moderne maar fraaie halfleren band met ribben laten zetten. Die beplakte de platten met grillig gekamd marmerpapier, bracht nieuwe schutbladen aan en vergulde het afgesneden boekblok aan alle kanten. Overigens bestaat er van deze uitgave ook een (latere?) variant  in oblong formaat zonder lofzang met afwijkende titelpagina (zie onderstaande illustratie) en telkens één prent per bladzijde.


De Overtoom was ooit de naam van een dam, later sluis, die in de veertiende eeuw in het riviertje de Schinkel werd gelegd. Kleine schepen werden over die dam getrokken, getoomd, zoals dat toen heette. Later ging de naam over op de gehele vaart (gedempt in 1902/1903) met de weg die net buiten de Amsterdamse stadsmuren lag en direct aansloot op de Heiligeweg.


Dankzij die weg was er aan de zuidoostelijke zijde al vroeg bebouwing. De overkant behield haar landelijke karakter langer. In de 17de en 18de eeuw kwamen er buskruitmolens, grote katoendrukkerijen, talloze kleine bedrijfjes en vele herbergen. Kortom; ook toen was het er al een drukte van belang. Tysens rijmelt er in zijn lofdicht het volgende over:

“Men rend met sjees en koets, en wagen en met paard,
Elk op het yv’rigst', langs onze Overtoomse vaart,
Om ’t lugtig Amstelveen en Slooten te begroeten.
En in het landgebouw een veiligheid te ontmoeten,
Die ons de stad ontzegt, tot onbesproke vreugd,
Dewyl daar de agterklap steeds toelegt om de jeugd
Te last’ren, te bespiên en alles kwaad te keuren,
Wyl haar door eigen wrok nooit blydschap mag gebeuren.
‘k Kies dan, ô Amsteljeugd! Met u de ruime lugt
ô Overtoomse weg! Ik zie u, als een vrugt”.


Behalve door een ontploffing van de buskruitmolen Sollenburg, op 14 augustus 1758, werd de zomervreugd zelden ernstig verstoord. Bepaald spraakmakend aan het eind van die eeuw was 'het wonder van de Overtoom', een spektakel waaraan de noorderzon een einde maakte...

Ik kwam deze curieuze gebeurtenis voor het eerst tegen in de “Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver” (1793-1801, Amsterdam) van Lieve van Ollefen (1749-1816) en (vanaf deel V) R. Bakker. Onder de ‘bijzonderheden’ van deze buurt (‘onder de banne van Amstelveen’), schreef Van Ollefen:

“Voor weinige jaaren was er in deeze buurt eene zeer aanmerkelijke bijzonderheid voorhanden; bij zekeren smid, aldaar woonachtig, was naamlijk, zeide men, een afbeeldzel van den Zaligmaaker, door den Evangelist Lucas geschilderd te zien; groote beweeging maakte deeze zeldzaamheid, zo dat duizenden, vooral Amsteldammers, derwaards vloeiden om die bijzonderheid, (tegen een zestehalf de persoon,) in oogenschouw te neemen; doch naauwlijks hadden de deskundigen ernstig hunne aandacht er op gevestigd, of zij verklaarden de zeldzaamheid voor een louter bedrog, het geen de smid met zijne schilderij en ontvangene penningen, zonder afscheid te neemen, deed vertrekken”.

Zoiets maakt nieuwsgierig maar hoe ik ook zocht; lange tijd kon ik van deze 'groote beweeging' nergens een bevestiging vinden.
Pas onlang stuitte ik in de STCN op de titel van een zeer zeldzame brochure waarvan slechts één exemplaar in Nederland bekend is bij bijzondere collecties van De Bibliotheek Rotterdam. Uit een foto van de titelpagina, met een primitieve afbeelding van het wonderbaarlijk schilderij, blijkt dat het bedrog speelde in 1783 en dat een zekere
J. Warnick de smid was die met de noorderzon vertrok!

woensdag 8 juni 2011

Al wat rest


‘Antiquarius met een voorliefde voor het bibliofiele, zeldzame en in perkament gebonden boek’, maar ik heb er natuurlijk geen bezwaar tegen als oud perkament niet als kaftmateriaal werd gebruikt maar als schrijfmateriaal.

Deze oude handgeschreven koopakte op perkament van de hofstede Brantwijk uit 1778 met uithangende complete waszegels van de Nieuwer-Amstelse schepenen Jan de Bruijn en Pieter van der Honte behoort alweer twintig jaar tot mijn bescheiden collectie lokale archivalia. Het stuk werd destijds eerst aangeboden aan het toen nog bestaande Amstelveense gemeentearchief maar de archivaris beschikte niet over de financiële middelen voor aankoop en maakte mij erop attent. Inmiddels zijn beiden, archivaris en oud archief, wegbezuinigd en moet de lokale geschiedenis worden opgezocht in het Amsterdamse stadsarchief.

Brantwijk was een van de talloze buitenplaatsen langs de rivier de Amstel. Terwijl de meesten aan de drukke westzijde lagen, bevond Brantwijk zich aan de stille oostzijde van de rivier, pal tegenover het voormalige raadhuis van Nieuwer-Amstel (waarin tussen 1914 en 2007 het Amsterdamse Gemeentearchief zat). Dergelijke buitenplaatsen, door tijdgenoten ook wel aangeduid als ‘lusthof’, ‘maison de campagne’ en ‘maison de plaisance’ werden vooral vanaf de tweede helft van de 17de ‘Gouden’ eeuw gebouwd.
De eigenaren waren Amsterdamse patriciërs die door de bloeiende handel rijk waren geworden. In de winter verbleven ze in de stad en in de zomer trok de hele familie naar de buitenplaats waar het, mede dankzij de aanwezigheid van prachtige siertuinen, voor menig rijke Amsterdammer aangenaam vertoeven was.


Op kunstzinnige tijdgenoten heeft de rijkdom en grandeur langs de Amsteloever(s) grote indruk gemaakt. Vele landhuizen zijn in schilderijen, tekeningen en prenten afgebeeld of beschreven en bezongen.
Een bekend ‘onroerend goed’ boek uit die tijd is: “Hollands Arcadia of de vermaarde Rivier Den Amstel…” (Amsterdam, 1730) waarvan ik een luxe facsimile uitgave bezit, die door Kruseman’s uitgeversmaatschappij N.V. in Den Haag in 1968 werd uitgegeven in een gelimiteerde oplage (mijn exemplaar is nr. 553). Het boek begint met een lofzang van
G. Tysens op de buitenplaatsen die men toen, al varende over de rivier van Amsterdam naar Ouderkerk aan den Amstel, passeerde.
Over Brantwijk, rond 1730 bewoond door de heer Daniel Marsenier, lezen we:

“‘k Zie Brantwyk reeds van verre, en nader ’t schoon gestigt;
Het voerd zyn brede kruin vol luister in het ligt,
En steekt drie spitsen op, die ons naauwkeurig tonen,
Waar heen Eölus vliegt met zyn gezwinde zonen…”

En even verder:

“De Zomerhuisjes zyn aan myn gezigt meêr waardig,
Die langs den ryweg, op den hoek des hofs, zo aardig,
Vierkant zyn opgebouwd, zig spieg’lende in de vliet,
Waar door heer Marssenier vaak zynen lust geniet.
Vaar wel! Ô Brandwyk! ‘k ga, om meer vermaak te aanschouwen”.

Bijna een halve eeuw later, op 6 april 1778, werd mijn koopakte opgemaakt.
De tekst bleef ook bewaard bij de notaris wiens protocollen thans berustten in het Noord-Hollands Archief in Haarlem. De originele oorkonde was voor de huiseigenaar en behoorde tot het huisarchief.

De erfgenamen van Ester Senior Coronel, weduwe van Jacob Saportas dragen dan de buitenplaats over aan Sara Eastwood, huisvrouw van Anthony Fothergill voor 11.000 gulden. Uitvoerig werd beschreven wat voor moois zij daarvoor kreeg: “Een Buijtenplaats genaamt Brandwijk, met zijn huijzinge, Koetshuijs, Stallingen, Coepels, en verdere getimmertens, mitsgaders Kassen, Broeikassen met derzelver Lessenaars, Krebben, glasen, matten, thuijnbanken, een marmere tafel met eenige Stoelen, Staande in de Agterkoepel, een Schuijt met zijn Toebehooren en de tuijnmansgereedschappen”.

Eind achttiende eeuw stonden er nog tientallen kleine en grote buitenplaatsen tussen Amsterdam en het dorp Ouderkerk aan den Amstel maar vooral begin 19de eeuw raakten ze door de toenemende economische recessie steeds meer in verval. Bij bosjes vielen ze in handen van slopers die de huizen afbraken en het bruikbare bouwmateriaal doorverkochten. Op de vrijgekomen plekken keerde vaak het boerenbedrijf terug. Uiteindelijk zijn slechts drie buitenplaatsen langs de Amstel bewaard gebleven; Amstelrust (gemeente Amsterdam), Wester-Amstel en Oostermeer (gemeente Amstelveen).


Brantwijk werd tussen 14 juli en 27 oktober 1796 gesloopt en is uit het geheugen verdwenen. Een dikke vijftig jaar geleden, op 29 april 1957, nam de toenmalige gemeente Nieuwer-Amstel (thans Amstelveen) een raadsbesluit om ‘Brantwijk’ op te nemen in de straatnaamgeving.
Wat archiefstukken, mijn perkamenten koopakte en een straatnaambordje.
Dat is al wat rest.

zaterdag 14 mei 2011

Als in een sprookje...


Pieck en Pfann in ‘de Poort’ schreef ik in december 2010. Als ik mijn blog statistieken moet geloven is de kans dat ik ooit nog een populairder bericht zal schrijven vrijwel nihil.

Waarom was uitgerekend dit bericht, in een snel half uurtje geschreven, zo immens populair? Was het de geromantiseerde afbeelding die Pieck tekende van het boekwinkeltje van Pfann in de Oudemanhuispoort? De sprookjesachtige sfeer die bij velen gevoelens van nostalgie opriep? Of ging het om de inhoud, een vlot geschreven artikel dat de teloorgang van het oude winkelantiquariaat, waaronder Pfann, in een notendop weergaf? Een combinatie misschien van beiden? Het tijdstip van publicatie? Het feit dat de afbeelding ook werd gebruikt bij mijn eerste guest editorial voor de Private Library?


Ben benieuwd hoe dit artikel gaat scoren want wederom is hier een kerst- annex nieuwjaarskaart met een afbeelding van Anton Pieck (1895-1987) uitgangspunt voor een klein exposé.
Ditmaal tekende Pieck een romantisch wintertafereeltje van schaatsende figuurtjes op de gracht rond een sprookjesachtige kasteelruïne. Net als bij zijn tekening van het boekwinkeltje van Pfann gaat het om een inmiddels vergane werkelijkheid, gezien door het oog van de kunstenaar.

We kunnen een en ander zelf constateren aan de hand van het voorbeeld, de tweede gravure uit: “Kabinet van Nederlandsche outheden en gezichten: Vervat in 300 konstplaaten, verzamelt, getekent en in ’t koper gebragt door den Konst-ryken Abraham Rademaker” (Amsterdam, 1725). Het onderschrift bij de afbeelding meldt dat het gaat om “’T Huis Kostverloren, zo als het zich vertoonde in den jare 1650, door brant verdelgt, en te voren door ’t wechzakken van den gront verscheiden malen buiten staet geraekt, waer uit de naem gesproten is van Kostverloren”.


De gravure is weliswaar niet gekleurd maar toch is er sprake van een totaal andere sfeer. Kijkt u even mee?
De bomen hebben blad, de blauwe lucht gaat niet geheel schuil achter de witte wolkenpartij en het blauwgrijze water rond de ruïne is niet bevroren. De twee minieme figuurtjes op de brug staan niet naast de restanten van een spookkasteel, maar bezoeken gewoon als nieuwsgierige toeristen een interessante ruïne op een frisse lentedag.
Wie nu denkt dat Abraham Rademaker (1676/77-1735) origineel was moet ik teleurstellen. Ook hij creëerde zijn eigen verbeelding van de werkelijkheid door een bestaande afbeelding als uitgangspunt te gebruiken.


Kostverloren was een van de oudste buitenplaatsen langs de rivier de Amstel en leek door zijn woontoren, ommuring en ringgracht wel wat op een kasteel of stins.
De buitenplaats is talloze malen afgebeeld en er is veel over geschreven. Voor het laatst uitgebreid door Architectenbureau P.L. van Gent B.V. in “Kostverloren revisited. Een onderzoek naar de (bouw-) historie van het huis Kostverloren” (z.p. 1995).
Deze onderzoekspublicatie diende destijds als uitgangspunt bij de plannen om de buitenplaats te herbouwen op de oorspronkelijk locatie. Die herbouw ging niet door, de huidige locatie is nog steeds een weiland, en wat restte was deze aardige publicatie die een goed en beknopt overzicht geeft van de beschikbare gegevens over Kostverloren in woord en beeld.
De voorkant van het boekje laat één van de twee schilderijen zien die de befaamde 17de eeuwse kunstschilder Jacob Isaacksz. van Ruisdael (ca. 1628-1682) maakte van de sloop van ruïne van Kostverloren, na 1659. Met dit prachtige schilderij, uit de collectie van het Amsterdams Historisch Museum, zijn we aan de basis van de beeldvorming door Rademaker en Pieck beland.


Ruisdael gaf Kostverloren minutieus weer zoals het gebouw zich in zijn tijd vertoonde (al zijn de naaktzwemmers in de ringgracht waarschijnlijk aan zijn fantasie ontsproten).
Ook andere beroemde 17de eeuwse schilders deden dat, waaronder Rembrandt van Rijn (1606/1607-1669), Meindert Hobbema (1638-1709) en Jan van Kessel sr. (1626-1679).
Van Rademaker zijn nog meer afbeeldingen bekend. Behalve de ruïne is er zijn prent van de buitenplaats zoals die er in volle glorie, rond 1630, moet hebben uitgezien (gravure 1 uit zijn “Kabinet van Nederlandsche Oudheden…”). Tot slot is er nog zijn afbeelding van de nieuwe buitenplaats die, na sloop van het vervallen gebouw, op dezelfde locatie begin 18de eeuw werd gebouwd (gravure 46 in: "Hollands arcadia, of de vermaarde Rivier Den Amstel…” (Amsterdam 1730). Niets doet dan meer herinneren aan de desolate 17de eeuwse ruïne. 'Ruisschenstein’, het lusthof van de heer Manuel Ximenes Baron de Bellemonte (1688-1729), is een op en top voorbeeld uit een rijk gevuld patriciersleven in het eerste kwart van de 18de eeuw.


Terug naar Pieck en zijn verbeelding van de werkelijkheid.
De gravure van de sfeervolle 17de eeuwse ruïne met zijn holle vensterogen, tekende hij vrijwel ongewijzigd na. Op de gracht fantaseerde hij wat schaatsende dames en heren getooid met hoge hoed en kap en rechts vooraan een ouderwetse slee. Door zijn fantasie worden we teruggevoerd naar een andere eeuw; een willekeurige winter honderd vijftig jaar geleden. Het gekozen jaargetijde zorgt er voor dat de kille eenzaamheid van de ruïne wordt versterkt. Pieck's grootste verdienste lag echter in het creëren van een sprookjesachtige enigszins spookachtige sfeer. Dat effect werd bereikt door rond de torentop wat rondcirkelende kraaien of vleermuizen te tekenen en het dreigende bos met zijn klauwende kale takken. Het geheel werd vervolgens gezet in een mysterieus licht; de grijsgele gloed van een lucht vol sneeuw.
Zo ziet het Huis Kostverloren er uit in het universum van Pieck; als in een sprookje...