Posts tonen met het label Onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onderwijs. Alle posts tonen

vrijdag 14 februari 2020

'Ten eersten sal hy hebben een fraeye hantplacke'


"'t Is nu omtrent de zestig jaren,
immers van den beginne der eeuw,
dat, ten spijte van wijs geschreeuw,
Meester Plak, die het wist te klaren
met de knapen, stug en stout,
afgedankt wierd, als te-oud."
(Uit: "Plak en trommelstok", in Prudens van Duyse's 'Nazomer, Gent 1859, bl. 168).

Perkamentus is een antiquarius; liefhebber van oudheden al gaat mijn aandacht meestal uit naar bijzonder drukwerk. Dat neemt niet weg dat ik - als zich de gelegenheid voordoet - ook graag tussen antieke voorwerpen snuffel op markten en in winkels. De kans dat ik daar wat koop is overigens bijzonder klein, tenzij...

Sinds hier de metrolijn (51) wordt omgebouwd tot sneltram (Amstelveenlijn) - en mijn directe verbinding met Amsterdam centrum dus tijdelijk buiten werking is - pak ik wel eens de bus naar de Elandsgracht om zo over de grachten de stad in te lopen. Soms loop ik dan even binnen bij Antiekcentrum Amsterdam (voorheen 'De Looier'). De talloze vitrinekasten van evenzoveel handelaren (professioneel, amateurs en liefhebbers) bevatten een bonte mengeling van antiek, kitsch, bric-à-brac, brocante, vintage en curiositeiten uit alle tijden en van allerlei soort. De meeste kasten puilen uit en het kost tijd om alle voorwerpen, groot en klein, in je op te nemen. Kortom; ik ben er meestal wel een paar uurtjes zoet.


Anton Snepvangers (Anton's antiek) is een handelaar met een aparte stand die ook op de Noordermarkt staat en al lang in antiek handelt. Het was bij hem dat ik, half verscholen onder een dierenschedel, een voorwerp zag liggen dat mijn aandacht trok.
Nadat ik door mijn knieën was gezakt om het door de glasplaat van de vitrinekast nader te bekijken zag ik wat het volgens mij was. Een school- of handplak, maar dan wel een heel bijzondere!

Een hardhouten school- of handplak werd tot in de negentiende eeuw op school door de onderwijzer gebruikt als (lijf)strafmiddel. Het jeugdige slachtoffer kreeg er (vaak meerdere) rake klappen mee op de vlakke open hand, zoals u hierboven kunt zien op een schilderij van Jan Steen (1626-1679). Volgens de zestiende eeuwse schoolmeester Dirck Adriaensz. Valcoogh behoorde een 'fraeye hantplacke' tot de standaarduitrusting van elke onderwijzer en ze waren dan ook eeuwenlang overvloedig aanwezig in talloze dorps- en stadsscholen. Na de invoering van het verbeterd onderwijs, begin negentiende eeuw, en de schoolwet in 1806 verdween de plak geleidelijk uit de klaslokalen. Dat kwam ook omdat de nieuwe schoolwet voorzag in de installatie van schoolopzieners en die voerden vaak fel campagne tegen oude lijfstrafmiddelen als roede en plak. Van de Groningse schoolopziener (later hoogleraar) Theodorus van Swinderen (1784-1851) is bijvoorbeeld bekend dat hij in 1815 de schoolplakken die hij tegenkwam verbrandde. In 1820 werden lijfstraffen op scholen landelijk verboden.


In de tweede helft van de negentiende eeuw behoorden de plak al tot een - min of meer - grijs verleden zoals te lezen is in: "Kijkjes in de oude schoolwereld" (Leiden, z.j. [1870/1872]) geschreven door mijn boekenplankheld Jan ter Gouw (1814-1894). In het eerste deeltje over oude scholen schreef hij: "De strafmiddelen der oude scholen waren meestal van gevoeligen aard en sommige nog al kras. Het thans levende geslacht kent ze niet meer, en 't was daarom voor velen verrassend, toen zij die, vóór een tiental jaren op de Tentoonstelling voor Onderwijs te Amsterdam (1860), nog eens terugzagen" (blz. 30).
Volgens de catalogus van deze tentoonstelling waren er maar liefst elf houten plakken te zien, afkomstig van particulieren uit heel het land.
"Menigeen was er, die wel veel van het plak-systeem gehoord, en er over meê gepraat, maar nog nooit een echte plak gezien had, en er hier voor 't eerst kennis meê maakte. Elf lagen er op een rij! - dit getal elf was geheel toevallig en zonder eenige toespeling! En 't mogt zelfs verwondering baren, dat we er nog zooveel bij elkander gekregen hadden, die bij toeval moesten ontkomen zijn aan 't S. Maartensvuur dat in 't begin dezer eeuw, van al de schoolplakken die er te vinden waren, bij 't inwijdingsfeest van 't verbeterd onderwijs, gestookt is.
Elf echte oude plakken! De staven van kommando der helden die niet meer zijn, maar op wier veelbeteekenend wenken eenmaal zelfs de Trompen en De Ruyters gesidderd hebben!
Elf oude plakken! Schepters van vervallen mogendheid, even gevreesd weleer en even magteloos nu als de lelieschepter der Bourbons en de leeuw van St. Markus! 'Men moet niet denken', zegt een geestig schrijver, dat de plak maar een ruw stuk hout is, om kinderen meê te knouwen; het is een symbool; het moet een fraaije handplakke zijn. Het knikken, het neigen, het wijken, het beven, het huppelen, het draaijen, het zwieren, het rusten van dien schepter in de hand des Meesters regeert geheel het schoolorkest, en geeft de maat aan voor het leeren der kinderen; maar is tevens meer dan dirigeerstok: hij kommandeert niet slechts, hij waakt ook preventief en repressief zooveel hij kan; hij stelt ook eene bestrijding en een begin van strafoefening in". (blz. 33/34).


Talloze (gehate) schoolplakken moeten er zijn verdwenen in het vuur. Tegenwoordig is het een zeldzaam object en enkel in (school)museumcollecties bevinden zich exemplaren. Nimmer kwam ik ze tegen in de antiekhandel, tot die bewuste dag in het Antiekcentrum Amsterdam. Maar er was meer aan de hand, want de schoolplak die ik daar ontdekte was niet een ruwe 'boerenplak', gemaakt van hardhout, maar sierlijk gesmeed van geel koper!
Ik besloot om mijn gevoel te volgen en het curiosum aan te schaffen. Voor € 45,- euro werd ik de nieuwe eigenaar en dat is een spotprijsje voor een dergelijk museumstuk.


Thuisgekomen bekeek ik mijn nieuwe aanwinst nog eens goed. Mijn geel koperen hand- of schoolplak is bijna 37 centimeter lang. De platte schijf is enigszins ovaal met een diameter tussen de 9 a 10 centimeter. Het uiteinde van de steel is duidelijk gesmeed tot handvat met een sierknop die qua vorm lijkt op een gestileerde 'fleur de lis'. De schijf is aan de steel bevestigd met een soort 'rattenstaart' zoals je die ook wel ziet op de lepelbak van zeventiende en achttiende eeuwse eetlepels.

Wat zou er op internet te vinden zijn? Met wat 'Googelen' op trefwoorden deed ik vrij snel een verrassende ontdekking.
Op de website '100 jaar orthopedagogiek' trof ik onder het jaartal 1801 een aantal zwart-wit illustraties aan van antieke schoolattributen waaronder de afbeelding van een identieke schoolplak.

Die afbeelding bleek afkomstig uit een publicatie van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen: "150 jaar onderwijsverslaggeving. Herdenkingsuitgave 1966" ('s-Gravenhage, 1967). In de tekst hierbij las ik: "Schoolplak. Met deze plak kon de onderwijzer de daarvoor in aanmerking komende leerling de 'verdiende' slag op diens vlakke hand geven, waarbij de 'pedagoog' zijn eigen hand kon sparen. Het hier afgebeelde exemplaar is gemaakt van geel koper en heeft een lengte van 36 cm.". Als bron werd opgegeven: Schoolmuseum Amsterdam (foto gemaakt door het Nederlands Openluchtmuseum Arnhem).

Het schoolmuseum Amsterdam werd opgericht in 1877 en opgeheven in het midden van de jaren zestig. De boekencollectie en archivalia bleven in Amsterdam en berusten thans in het Allard Pierson (Archiefnr. UBA636). De collectie van de 'Oude School' (alle antieke objecten) ging via het schoolmuseum in Utrecht naar het Nationaal Onderwijsmuseum in Rotterdam. Dat sloot in 2012 zijn deuren en verhuisde naar Dordrecht.


Ik besloot contact op te nemen met het Nationaal Onderwijsmuseum om beide exemplaren eens goed te vergelijken. In Dordrecht had men echter alleen enkele houten schoolplakken in de collectie... Waar was dit bijzondere object gebleven? De oud conservator werd benaderd en opperde de gedachte dat mijn exemplaar wellicht hun exemplaar was, ontvreemd uit de collectie ergens tussen alle verhuizingen door. Tevens meende hij zich te herinneren dat het Noordbrabants museum ooit een metalen plak had uitgeleend voor een tentoonstelling over straffen en belonen...

Zijn eerste gedachte kon ik eenvoudig weerleggen. Mijn exemplaar verschilt zichtbaar op diverse punten met het exemplaar op de zwart-wit foto. Het meest opvallende verschil is de aanhechting van de schijf op de steel. Bij het exemplaar op de foto lijkt de schijf (met een opvallend kruis!) direct op de sierknop te zitten. Bij mijn exemplaar zit daar meer ruimte tussen. Mijn aanwinst is ook wat langer, net geen 37 centimeter.


Wat zijn tweede gedachte betreft. Het Noordbrabants museum heeft geen metalen schoolplak in de collectie (en ook nooit gehad), maar verwees mij naar een tentoonstelling bij hen in 1997 en de daarbij verschenen catalogus waarin twee schoolplakken staan afgebeeld, waaronder één van metaal. Meteen bestelde ik via Boekwinkeltjes de catalogus samengesteld door Ch. de Mooij en B. Kruijsen: "Kinderen van alle tijden. Kindercultuur in de Nederlanden vanaf de middeleeuwen tot heden" (Zwolle, 1997). Inderdaad, op bladzijde 157 vond ik wat ik zocht (afbeelding 172, 'schoolklap' i.p.v. schoolplak).
De zwart-wit foto was volgens mij identiek aan de dertig jaar eerder verschenen foto in de publicatie van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. De verwijzing daarbij: 'Arnhem, Nederlands Openluchtmuseum' leek mij daarom correct, maar ik twijfelde....
Wat had nou precies deel uitgemaakt van die tentoonstelling? Die foto of toch de schoolplak zelf? Dat laatste leek mij niet logisch, anders had men toch wel een moderne kleurenfoto geplaatst?
Ik stuurde een informatieverzoek naar het Nederlands Openluchtmuseum en kreeg tot mijn verbazing het bericht terug dat het object (onder nr. NOM.7317-47) in hun collectie zat!


Behalve een kleurenfoto van hun exemplaar ontving ik ook een scan van de originele inventariskaart waaruit onomstotelijk bleek dat zij deze 'schoolklap' al in 1947 hadden gekocht van een particulier uit Soest (provincie Utrecht).
De verwijzing in de publicatie van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen uit 1967 naar het Amsterdamse schoolmuseum waarmee mijn zoektocht begon (b)leek een geslaagde mystificatie. Zij hadden ten behoeve van die uitgave destijds kennelijk een zwart-wit foto geleverd gemaakt door het Nederlands Openluchtmuseum, maar het object zelf nooit in hun bezit gehad. Daarmee was het raadsel van de 'verdwenen' schoolplak opgelost.


Wat kunnen we - tot slot - over deze bijzondere voorwerpen zelf zeggen?
Wat de ouderdom betreft; de barokke stijl van het handvat en de steel met knopen doen mij denken aan de stam van koperen kandelaars eind zeventiende-, begin achttiende eeuw. Het lijkt mij duidelijk dat beiden door dezelfde koperslager moeten zijn gemaakt. Dat er thans twee exemplaren bekend zijn is naar mijn mening ook veelzeggend. Dat sluit uit dat het gaat om een uniek object gemaakt voor een bepaalde gelegenheid (bijvoorbeeld als ereteken of t.g.v. een jubileum) of met een specifiek doel (bijvoorbeeld als uithangteken voor een onderwijzer of school; zoals de gevelsteen met gekruiste plak en gard uit de Amsterdamse Gravenstraat). Meerdere identieke exemplaren suggereert niet alleen een werkelijk gebruik als schoolplak, maar bovendien één gebruiker/opdrachtgever. Dat zal gezien de luxe uitvoering in duur materiaal, geel koper in plaats van hardhout, geen armlastig dorpsschooltje in de provincie zijn geweest. Ik denk dan eerder aan een bijzondere (Hollandse) grootstedelijke onderwijsinstelling, zoals bijvoorbeeld de Amsterdamse Latijnse school op het Singel. Veel meer valt er niet te zeggen. De precieze historische herkomst blijft voorlopig in nevelen gehuld...


Naschrift

In december 2021 dook er in Amsterdam bij Zwiggelaar Auctions (veiling 26, lot 1856) een derde geelkoperen schoolplak op. Een ander model dan de hierboven beschreven exemplaren, met een vergelijkbare lengte van 37,5 centimeter en een platte schijf met een diameter van 9 centimeter. Een vermoedelijk wat jonger exemplaar gezien de minder barokke uitvoering van de greep (tweede helft 18de eeuw?). Deze unieke plak bracht € 220,- euro op (excl. veilingkosten) en werd gekocht door het streekmuseum Jan Anderson in Vlaardingen.


Drie jaar later - in december 2024 - veilde Zwiggelaar wederom een achttiende eeuwse geelkoperen schoolplak (veiling 32, lot 1501, met een richtprijs van € 100,-/ € 200,- euro), vergelijkbaar met het voorgaande exemplaar. Deze werd afgehamerd voor slecht € 110,- euro.


Begin 2026 ontving ik van L. Kuipers bericht over een derde metalen schoolplak van brons (lengte 41 centimeter. breedte 8.5 cm.) in particulier bezit. Vooral de geknoopte steel en het gestileerde uiteinde doen denken aan mijn exemplaar.

vrijdag 22 juni 2018

Een vergeten geschiedenis


Ik kan dit stukje natuurlijk op de klassieke wijze beginnen met het voorstellen van een nieuwe bijzondere aanwinst in mijn bibliotheek. Vervolgens vertel ik u dan wat over de inhoud, de interessante achtergrond en andere vermeldenswaardige aspecten. Maar ditmaal zit er ook een persoonlijke kant aan mijn verhaal en daarom begin ik met mijn vader.

Rudolf Frits werd op 10 november 1935 geboren in het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (NB. in dezelfde locatie en op dezelfde dag zou ik zesentwintig jaar later het levenslicht zien). Baby Rudy bleek een zorgenkindje want hij had een schisis, beter bekend als een hazenlip. Ik vermoed dat de medische - en chirurgische problematiek daaromtrent tegenwoordig vergelijkbaar is met die van een fietsenmaker die een band moet plakken maar toen waren dergelijke lichamelijke defecten nog een hele uitdaging. Pas na de oorlog, in 1948, werd mijn vader hieraan definitief geopereerd door de keel- neus- en oorarts, prof. dr. B. van Ommen; een ingreep die toen maar liefst acht uur duurde!

Als oorlogskind, dertien jaar oud met een spraakgebrek en onvoldoende goed onderwijs veranderde er iets in zijn leven toen hij op een dag bij de apotheek een receptje voor zijn moeder ging halen. Uit zijn 'Jeugdherinneringen' citeer ik:
"De vrouw achter de toonbank vroeg mijn naam en adres en in een van de volgende dagen werden mijn ouders benaderd door de directeur van de Prof. H. Burgerschool aan de Plantage Muidergracht (nr. 30). Deze school was gespecialiseerd in onderwijs aan kinderen met gehoor of spraakgebreken. De vrouw in de apotheek bleek een familielid van één der onderwijzers.
Kort daarna zat ik op deze school in de klas van juffrouw J.M. Janssonius. Eindelijk zat ik op een school waar ik mij prettig voelde. Te midden van kinderen met dezelfde problemen. Ik denk daaraan nog steeds met veel plezier terug. Eén voorval uit die tijd wil ik noemen. Met nog een aantal kinderen werd ik uitgekozen voor een documentaire over de logopedie op deze school. In de bioscoop zag ik mijzelf op het witte doek. Dat was minder interessant dan de rit naar de studio, waar de auditie werd gehouden. In een grote zwarte auto werden we opgehaald en voor het eerst van mijn leven reed ik met een snelheid van 120 kilometer per uur over de oude weg naar Den Haag".
Ik kan u alvast verklappen dat ik begin 2000 het desbetreffende Polygoonjournaal filmpje uit 1949 terugvond bij het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum (inventarisnr. VP3076). Het was een heel bijzonder moment toen ik daar een halve eeuw later mijn vader zag figureren en hem samen met wat klasgenoten een liedje hoorde zingen.

De school uit zijn herinneringen droeg pas sinds 1948 - nadat zij in gemeentelijke handen was overgegaan - de naam van de medicus Hendrik Burger (1864-1957).
De Prof. H. Burgerschool bestaat nog steeds en zit thans in Amsterdam-West, aan de Jan Sluijterstraat 5.
Ik heb u wel eens verteld dat ik lange tijd genealogisch onderzoek heb gedaan naar mijn familie en uit het voorgaande blijkt dat ook wel. Op zoek naar meer informatie nam ik destijds ook contact op met deze school. Vaag herinner ik me een bezoek op een warme dag in de zomervakantie en wat gesnuffel in dozen met oud materiaal maar ik vond toen eigenlijk niets bijzonders met uitzondering van een restant jubileumboekjes, jaren daarvoor uitgegeven toen de school vijfenzeventig jaar bestond. Ik mocht een exemplaar meenemen van: "Omzien met het oog op morgen 1914-1989" (Amsterdam, 1989), geschreven door het toenmalige hoofd van de school, de heer M.A. Keyman.


Hoofdstuk 1 'Omzien' begint als volgt: "Er resten ons uit de periode voor de oprichting van de school slechts enkele boekjes". Eén daarvan, de oudste, is een: "Handleiding tot stemvorming en vloeiend spreken, op practische ervaring gegrond" (Deventer, 1898) van A. Kuijpers. Het mag duidelijk zijn dat door dit enorme gebrek aan (archivalische) bronnen Keyman ons helaas niets weet te vertellen over de ontstaansgeschiedenis van het onderwijs aan kinderen met spraakproblemen veroorzaakt door een lichamelijk gebrek, zoals een verminderd gehoor of gehemelte defect.
De oorsprong van deze vorm van buitengewoon onderwijs is ook niet terug te vinden in verschillende moderne geschiedschrijvingen van Amsterdam. Daarin wordt vaak alleen de oprichting in 1808 van het Instituut voor Blindenonderwijs genoemd. Al met al leek het mij hoog tijd om deze vergeten geschiedenis te onthullen aan de hand van een nieuwe zeldzame aanwinst in mijn collectie.


In maart 2018 kocht ik bij antiquariaat Brinkman in Amsterdam diverse schaarse brochures (zie hier) waaronder: "Eenige bescheiden aangaande de Inrichting voor Spraakgebrekkige en daardoor Achterlijke Kinderen, te Amsterdam" (Amsterdam, z.j. [ca. 1875]). Deze eenvoudige publicatie zit nog in zijn originele gele uitgeversomslag met bibliotheekstempels op de voorzijde (en titelpagina) van de bibliotheek van het Departement van Defensie. Los ingevoegd zit een gedrukte aanbiedingsbrief van de directie van deze inrichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (teneinde subsidie te verkrijgen) met een alfabetische lijst van notabelen 'zoo professoren en doctoren als particulieren die hunne adhesie aan deze stichting schenken'.
De inhoud bevat diverse onderdelen. Na de titelpagina volgt een stukje tekst over de 'belangrijkheid van het onderwerp'. De daaropvolgende 19 bladzijden zijn verdeeld in de volgende hoofdstukken:
1. Toeneming van het getal belangstellenden voor deze Inrichting,
2. Spraakgebrekkigen en daardoor Achterlijken,
3. De Methode,
4. Verwijzingen van H.H.  Med. Doctoren naar deze Inrichting (met een ingevoegde dubbele pagina 14/15 waarop de tekst staat van twee brieven: (32) "Brief van een rijks-ambtenaar, tot betoog kunnende dienen, dat het doofstommen-onderwijs tot Rotterdam minder geschikt is voor het genezen van Spraakgebreken" en (33) "Brief van een Openbaar Hoofdonderwijzer, die gaarne kosteloos bekend wenschte te worden met de geneeswijze van spraakgebreken; doch wiens wensch door de directie moeielijk kan worden vervuld, zonder zoogenaamd een muis in eigen berg te halen, tenzij het Rijk met subsidie tusschenbeide komt".
5. Eenige Belangrijke Herstellingen en Openbare Dankbetuigingen (1868-1874).
Tot slot volgen (7 bladzijden) met de "Statuten voor de Inrichting voor Spraakgebrekkige en daardoor Achterlijke Kinderen te Amsterdam" (bij ministeriële beschikking d.d. 18 april 1867, nr. 228 namens de Koning, onder de instellingen van Middelbaar Onderwijs opgenomen), waarover later meer.


Eén naam komt in deze brochure prominent naar voren. Die van de 'founding father' van dit speciale onderwijs in Nederland; de Friese onderwijzer Fokke IJntes Kingma (1814-1883).
Deze thans vergeten onderwijspionier verplaatste in mei 1861 zijn enkele jaren daarvoor begonnen Suplementaire School in Utrecht, waar hij zijn door hemzelf ontwikkelde onderwijsmethode met succes in praktijk bracht, naar de Binnen-Amstel in Amsterdam. De naam luidde voortaan 'Inrichting voor spraakgebrekkigen' (ook doofstomme en achterlijke kinderen).













Over de wenselijkheid van zijn specifieke onderwijs lezen we in de brochure: "Inrichtingen voor spraaklijders, even als die voor ooglijders, zijn toch geheel onderscheiden van doofstommen- en blinden-instituten: in de eerste worden de lijders hersteld, in de laatste verpleegd, opgevoed en onderwezen. Daar de spraak ons de dingen, hunnen kenmerken en betrekkingen vertegenwoordigt, hebben alle spraaklijders naar mate van hun spraakgebrek een meer of minder verlies van denkbeelden, dat hen achterlijk doet zijn, maar ook geheel weder doet onderscheiden van de idioten".






















De eerste drie artikelen van de bovengenoemde Statuten informeren ons over het doel, de methode en de inhoud van het gegeven onderwijs. Uit de overige artikelen blijkt ondermeer dat de school van IJntes Kingma openstond voor alle kinderen en meerderjarigen met een spraakgebrek ongeacht hun afkomst, religie (ook 'Israëlieten' hadden toegang!), of de financiële draagkracht van de ouders. Het schoolgeld per kwartaal varieerde van 300 gulden (1ste klasse) tot 80 gulden (zesde klasse). Daarbij werd opgemerkt: "Het meerdere in de klassen vindt zijnen grond in meer gedistingueerde spijzen naar de patiënt gewoon is in het ouderlijke huis te gebruiken; in meerdere zorg vereischende oppassing, in meerdere bijzondere persoonlijke hulp, en ter afscheiding van de overige klassen, in een meerder gebruik van vertrekken en andere behoeften; terwijl allen een liefderijke en voorkomende behandeling door personen wien de zaak zelve aangaat, genieten". Armen waren onder bepaalde voorwaarde vrijgesteld van schoolgeld. Leerlingen (intern of extern) werden al dan niet op doktersverwijzing elke veertien dagen aangenomen en moesten o.a. in het bezit zijn van een vaccinatiebewijs. Er werd les gegeven van 10.00 uur tot 16.00 uur (en aan internen ook nog 's avonds van 18.00 uur tot 20.00 uur). Vakanties waren er niet. Het onderwijs duurde net zo lang totdat de leerling bekwaam was om gewoon lager onderwijs te volgen of tot het spraakgebrek was hersteld en zij zich in de maatschappij konden redden. Elk half jaar werden de ouders door de directeur geïnformeerd over de toestand en voortgang van hun kind.






















De school van IJntes Kingma werd niet door de overheid gesubsidieerd maar was afhankelijk van haar leden (die jaarlijks vijf gulden contributie betaalden), donaties en giften. Over de inkomsten staat in artikel 27 van de Statuten: "De ingekomen subsidie, legaten, schenkingen en bijdragen der leden worden uitsluitend besteed in 't belang van behoeftige spraaklijders, als: voor het gebouw en zijn toebehooren voor apparaten bij het onderwijs benoodigd; voor vuur en licht; voor drukloon voor onderwijs, voeding en verpleging van behoeftige spraaklijders; voor het bezoldigen van het daarbij en bij de Administratie dienstdoende personeel". Eind negentiende eeuw kwam de school van IJntes Kingma (voortgezet door zijn zoon) onder de hoede van de 'Vereeniging voor Spraakgebrekkige en Achterlijke kinderen'. Constante publiciteit was belangrijk en het verwondert daarom niet dat wij in de kranten uit die tijd regelmatig berichtjes zien opduiken over zijn inrichting, het aantal leerlingen (jaarlijks enkele tientallen) en de bereikte resultaten. Talrijk waren ook de aanbevelingen en bedankjes zoals die van de predikant A.C. Kamerman uit Oud-Gestel en zijn zoontje.













Mag ik daaraan, met een vertraging van anderhalve eeuw, ook mijn waardering toevoegen? Mede namens mijn vader dus veel dank aan de alfa en de omega van het onderwijs aan kinderen met een spraakgebrek; Fokke IJntes Kingma en de Prof. H. Burgerschool in Amsterdam.

vrijdag 18 september 2015

Een 'Naamlijst der inteekenaren'

Gerrit Engelberts Gerrits (1795-1881) was een leraar geschiedenis die een flinke hoeveelheid boekjes heeft geschreven, vooral voor het onderwijs. Niet lang geleden kocht ik de tweedelige derde ’verbeterde en vermeerderde’ uitgave in originele luxe uitgeversbanden van zijn: “Keur van Gedenkwaardige tafereelen uit de geschiedenis der Nederlanden, van de vroegste dagen tot op den tegenwoordigen tijd” (Amsterdam, z.j.).
Goedkoop, want slechts voor de helft van de prijs die er doorgaans voor wordt betaald.


À propos! Bij de antiquarisch aangeboden exemplaren die ik vond telt deel twee telkens 266 bladzijden en bij mij 308! Toen ik vervolgens de inhoudsopgave erop nasloeg kwam ik tot de ontdekking dat hoofdstuk XVIII (5 februari 1831-1836) het laatste hoofdstuk zou moeten zijn maar mijn uitgave telt er toch echt drie meer!
Hoofdstuk XIX (1833-27 november 1840), XX (28 november 1840-1848) en het laatste hoofdstuk XXI (1849-1855) worden niet in de inhoudsopgave vermeld!

Volgens de informatie op internet is die derde druk van 1835 maar in mijn uitgave gaat de laatste alinea over de langdurige en zware winter van 1855; “die de liefdadigheid van het Nederlandsche volk op eene harde proef stelde, vooral toen in de maand Maart ijsgang en overstrooming duizenden onzer landgenooten, in Noord-Brabant, Gelderland en Utrecht, eenklaps van al hunne have en goed beroofden” (Deel II, blz. 307).


De oplossing vond ik in het ‘Nieuwsblad voor den Boekhandel’ (jaargang 22, 1855) waarin melding wordt gemaakt van de aanvulling op de uitgave van 1835. Daarvoor werd de tekst op de laatste pagina van de uitgave (bladzijde 265) tekstueel aangepast, opnieuw gezet en gelijk met de aanvullende laatste drie hoofdstukken (t/m bladzijde 308) gedrukt en bijgebonden.
Ik heb kortom een verbeterde, vermeerderde en aangevulde uitgave uit 1855 die niet als zodanig is terug te vinden in Worldcat! Uit de advertentie blijkt tevens dat mijn set in linnen band met vergulde stempels destijds vier gulden vijfentwintig kostte.

Die vergulde stempels op beide voorplatten laten een stapel zien van in en over elkaar vervlochten attributen zoals een anker, musket, zwaard, kanon op een rolpaard, verrekijker, (lof)trompet en lauwertakken. Allemaal symbolische verwijzingen naar Nederlands heldhaftige en roemrijke verleden.


Dat herdrukken en aanvullen (de eerste druk verscheen in 1825) zegt wel iets over de populariteit van dit geschiedenisboek voor het onderwijs in de negentiende eeuw. Overigens was deze uitgave niet bedoeld voor de leerlingen.
Uit het voorwoord blijkt dat Gerrits ze had geschreven voor de onderwijzer om stof te bieden voor zijn geschiedenislessen en om uit voor te lezen.

Een interessant onderdeel in deel twee vind ik de ‘Naamlijst der inteekenaren’.
Die kom ik wel vaker tegen in mijn 18de en 19de eeuwse boeken. Het fenomeen intekenlijst dateert uit het einde van de 17de eeuw.
Volgens Marjan Ligtelijn die hierover schreef in: “‘Namen der Heren intekenaren’ als historisch bronnenmateriaal” (In: “Bladeren in andermans hoofd: over lezers en leescultuur”, Nijmegen, 1996) is (voor zover bekend) in de Republiek de eerste uitgave waarop kon worden ingetekend in 1661 verschenen
Verkoop door intekening had voor de uitgever zo zijn voordelen. Aanbetaling, gespreide productiekosten, een indicatie van de benodigde oplage en een min of meer verzekerde afname waren de meest voor de hand liggende.

Intekenlijsten zijn vaak alfabetisch op naam en geven soms meer informatie zoals beroep/functie, woonplaats en het aantal boeken waarop men intekende.
Intekenaren zijn niet altijd lezers! In de lijsten komen ook veel boekhandelaren voor die in opdracht van klanten handelden of het boek als handelswaar kochten. Het is dus moeilijk om conclusies te trekken over de leescultuur destijds op basis van dergelijke lijsten.
Zo komen er bijvoorbeeld opvallend weinig vrouwen voor in de vroegste lijsten.

Bijzonder is daarom de intekenlijst in mijn: ”Spiegel Historiaal of Rym-Spiegel; zynde de Nederlandsche Rym-Chronyk van Lodewyk van Velthem…” (Amsterdam, 1727), een uitgave van Isaac Le Long (1683-1762).
In de ‘Naamlyst der heeren inteekenaars van dit werk’ komen we twee dames tegen:
‘Susanna Lups’ en ‘Juffrouw Radys’. Het is een vroege vermelding van twee vrouwen die zeer waarschijnlijk intekenden uit interesse en om het boek ook werkelijk te lezen.


Terug naar de intekenlijst in Gerrits.
Die bevat de namen van 324 inschrijvingen op de uitgave van 1835 waarvan bijna de helft (147) boekhandelaren. Ze zaten door heel Nederland en tekenden bovendien vaak in op meerdere exemplaren. Topbestellers waren: J.B. van Loghem in Haarlem (20 exemplaren) en J. Groot en Co. in Zaandam (14 exemplaren) terwijl acht andere boekhandelaren (in de steden Rotterdam, Middelburg, Den Haag Coevorden, Leeuwarden en Amsterdam) goed waren voor ieder dertien exemplaren.

Daarnaast treffen we in de lijst zes leesgezelschappen aan en één bibliotheek:
- Leesgezelschap ‘Het Onderwijzend’ uit Rotterdam,
- G.H. Broekman, voor het leesgezelschap ‘Tot Nut en Uitspanning’ te Vianen,
- C.S. Ruring, voor het leesgezelschap ‘De Cirkel’ te Amsterdam,
- A.H. Witsenborg, voor het leesgezelschap ‘Tot Nut en Uitspanning’ te Hoogeveen,
- P.J. Zaalberg, voor het leesgezelschap ‘Lust tot Onderzoek’ in Nieuw-Beijerland,
- V.D.M. van Leeuwen voor het leesgezelschap te Berg Ambacht en
- De algemene bibliotheek in Zwolle.
De overige inschrijvingen zijn vooral van middenstanders, waaronder natuurlijk onderwijzers en kostschoolhouders.

Totaal werd er ingetekend op bijna 700 exemplaren. 220 intekenaren bestelden er ieder één de overige 104 wilden er twee of meer en waren goed voor totaal 476 exemplaren.

Tegenwoordig kun je nieuwe boeken vaak tegen een gereduceerde voorverkoopprijs bestellen. Intekenen komt nog maar een enkele keer voor en intekenlijsten voor- of achterin nieuwe boeken zijn een uitzondering geworden.
Het heeft wel wat – vind ik - om je naam terug te vinden in zo’n lijst. Alsof je een persoonlijke bijdrage aan de uitgave hebt geleverd (wat in financiële zin vaak zo is).
Het is het eerste waar je naar kijkt als je de uitgave eindelijk ontvangt. ‘Kijk, daar sta ik’.
Een trots gevoel bekruipt me dan, behalve die ene keer toen ik mijn naam onjuist gespeld terugvond.
Ik heb dat boek sindsdien nauwelijks meer aangeraakt.