Posts tonen met het label Bonaventura Kruitwagen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bonaventura Kruitwagen. Alle posts tonen

vrijdag 10 juli 2026

De Dordtse boekenmarkt en wat ik daar vond...


Ruim vijftien jaar geleden, op zondag 3 juli 2011 bezocht ik voor het eerst en voor het laatst de boekenmarkt in Dordrecht... Tijd om weer eens te gaan kijken dus, temeer omdat ik dit jaar hoogstwaarschijnlijk niet in de gelegenheid ben om naar de Deventer boekenmarkt te gaan (zoals in 2024 en 2025).

En dus stapte ik zondag 5 juli - na het uitlaten van Flynn, de hond - om half acht 's ochtends met koffie en appelflappen in de auto. Ruim een uur later, rond half negen, parkeer ik in het centrum in parkeergarage Achterom, direct naast de boekenmarkt. Het weer is prima. Bewolkt maar niet koud, prima boekenmarktweer en naarmate de dag vordert wordt het ook steeds warmer en drukker.

Eenmaal buiten komen de eerste kraampjes al gauw in zicht. Ik ben niet ruimschoots op tijd, maar veel te vroeg! Anders dan op de Deventer boekenmarkt - waar iedereen ruim voor de officiële opening klaar staat - zijn hier de meeste tafels nog 'woest en ledig' en talrijke verkopers zijn druk bezig met het inrichten van hun kraam. Langzaam wandel ik via de Sarisgang naar het Statenplein in de hoop op wat meer drukte en vertier.


Ik maak een praatje met Jos en Ria Grimbergen (Grimbergen Boeken Antiquariaat) en begroet Axe van Maanen (antiquariaat Klikspaan) en Eric Klee (antiquariaat De Uilenspiegel), die ik beiden ook al op de vrijdagse boekenmarkt op het Amsterdamse Spui zag. Bij Eric kom ik rond tien uur een potentiële concurrent verzamelaar tegen; Frank Martinet. We begroeten elkaar kort en ik vervolg mijn weg door de nog stille Nieuwstraat en Museumstraat. Daar ontwaar ik de kraam van de onvolprezen stichting Desiderata met Peter IJsenbrant en Martin Hulsenboom. Maar... boeken gaan voor, de dag is nog lang en dus besluit ik om anoniem voorbij te schuifelen om later op de dag terug te komen. Op de hoek bij de Steegoversloot zit een mij bekend echtpaar in het zonnetje aan de koffie. Het zijn de Goudse bibliofiel Paul Abels en zijn vrouw Christa. Maar.... boeken gaan voor, de dag is nog lang en wellicht kom ik ze later op de dag weer tegen.


Ondertussen is het elf uur geworden en terwijl ik in de Steegoversloot langs de kramen met uitgestald platenvinyl sjok bekruipt mij het gevoel dat ik in Dordrecht waarschijnlijk niks van mijn gading zal vinden. Te weinig oud interessant drukwerk. Ik voel inmiddels ook dat ik mijn ochtendkoffie moet lozen, evenals de appelflappen... Op de Statenmarkt staat een toiletwagen maar ik heb geen losse euro bij de hand en ze zullen wel geen pinapparaat hebben. Zodoende sjok ik voort op zoek naar een café of iets dergelijks met schoon sanitair.
De aandrang wordt langzaamaan groter als ik afbuig naar de Voorstraat, maar de verlossing is nabij! De deuren van de Augustijnenkerk staan wijd open en er klinkt gezang. Zondag natuurlijk... Een vriendelijke jongeman bij de kerkdeur informeert mij dat er een doopdienst plaats vindt en ik besluit het (brandschone) toilet te bezoeken; 'Gods water over Gods akker'.

Opgelucht verlaat ik de kerk en struin verder. Al gauw sta ik voor de boekenkraam van EmporiumCS waar ik wat babbel met Laurent Chavagne. Ik ken hem en zijn handel van de Deventer boekenmarkt. In de bakjes met klein los drukwerk vind ik het mij zeer bekende "Hoe men vroeger drukfouten bij het publiek aandiende" (z.p. [Amsterdam], z.j. [1925]), geschreven door pater Bonaventura Kruitwagen. Het bestaat in drie verschillende varianten en de vroegste daarvan die 'niet in den handel' verscheen (op de foto geheel links), had ik nog niet. 


In hetzelfde bakje vind ik iets heel curieus. Een brochure met de titel: "Lijst van geschriften, welke als aanstotelijk voor de eerbaarheid zijn te beschouwen (artikel 240 Wetboek van Strafrecht)". Een smakelijke uitgave ('vertrouwelijk') samengesteld door de Onderafdeling Opsporingsbijstand, Bureau Bijzondere Delicten van het Ministerie van Justitie, directie Politie ('s-Gravenhage, z.j. [1959?]). Het gaat om een lijst met 508 titels (schrijver en uitgever) van uitgaven, groot en klein, die meestal onder de toonbank werden verkocht. Daarnaast zijn vele via particuliere netwerken verspreid, want in de kolom 'uitgever' staat regelmatig 'getypt' of 'gestencild'. Ik vermoed dat het gros voorgoed verloren is gegaan en dat de informatie in dit boekje het enige is wat aan hun vluchtig bestaan herinnert.


Ik reken beide boekjes af en wil weglopen maar zie vanuit mijn ooghoek nog een leuke uitgave liggen. Het is: "For Bob de Graaf, Antiquarian Bookseller, Publisher, Bibliographer. Festschrift on the occasion of his 65th birthday" (Amsterdam, 1992). Bob heb ik helaas nooit gekend maar bij zijn weduwe Emmie de Graaf-Bierbrauwer kocht ik alweer vijftien jaren geleden mijn eerste "Gysbreght" (zoals u hier kunt lezen). In mijn bibliotheek staan verschillende van dergelijke hulde-uitgaven, waaronder het persoonlijk exemplaar dat de vader van de boekwetenschap, Herman de la Fontaine Verwey (1903-1989), ontving bij zijn zilveren jubileum als bibliothecaris (directeur) van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam.
Ik schreef erover in: "Herinnering aan 't vooronder".
Mijn eerste drie aanwinsten voor vandaag zijn binnen, maar het allermooiste moet nog komen...


Ik loop iets verder en zie een soort antiekzaakje (Kunsthandel De Kool) met voor de winkelpui een tafel waarop een bescheiden hoeveelheid moderne boeken ligt uitgestald.
Er ligt niets interessants voor mij bij en dus tuur ik naar wat middeleeuws steengoed uit de 13de eeuw in de etalage (ik bezit een kleine collectie middeleeuws steengoed).
De vermoeid ogende uitbater, op een stoel naast de deur, nodigt mij vriendelijk uit om ook binnen een kijkje te nemen. Dat doe ik en zowaar tref ik daar weer Frank Martinet aan.
Wij zijn geïnteresseerd in dezelfde dingen, zoveel is wel duidelijk. Ik bewonder enkele zeventiende eeuwse zilveren paplepels en Frank praat met de eigenaar en schept op over een zilvervondst die hij ooit deed. Ondertussen kijk ik wat rond en wil ik tegelijk met Frank weer de winkel uitlopen. "Boven is ook nog, kijk rustig rond", zegt de winkelier.
Inderdaad is er nog een bovenkamer, waar we een jongedame ontwaren achter een bureautje verdiept in haar mobieltje. Achteraf blijkt dit een beslissend moment...
Anders dan Frank maak ik godzijdank de juiste keuze om toch even te gaan kijken. 


Ik klim het trappetje omhoog en kom in een ruimte waar mijn ogen dwalen over de aan de muur hangende prenten en diverse uitgestalde antiquiteiten uit vervlogen eeuwen. Als ik mij omdraai naar de tafel achter mij vallen plotseling twee koperplaatjes op. De grootste van de twee vertoont een madonna. De eigenaar is inmiddels ook naar boven geklommen en ziet mij kijken. Terwijl we wat praten over deze twee bijzondere objecten, loopt hij naar het bureautje en pakt wat documentatie die hij mij overhandigt. Daaruit blijkt dat het plaatje met de madonna gemaakt is door de in Antwerpen werkzame Vlaamse graveur en schilder Abraham van Merlen (1579-1660).

Het andere, iets kleinere koperplaatje (8.4 cm. breed en 11,5 cm. hoog), intrigeert mij meer. 
Het toont een fraai gedetailleerde afbeelding van een chic gekleed paar, de man in landsknechtstijl, van rond 1600. Naast hen - achter een boompje - staat een nar met bellenkap en marot (zotskolf, narrestok of gekstok)De eigenaar weet er niets over te vertellen maar vermoed - met mij - dat het gaat om een boekillustratie; maar uit welk boek?


Het tweeregelig ingegraveerde onderschrift is moeilijk leesbaar, want in spiegelbeeld! Er is geen spiegel in de buurt, maar ik bedenk mij dat het wellicht ook kan op mijn mobiele telefoon. Inderdaad lukt het mij om een foto te spiegelen en nu lees ik duidelijk:

"D'hoechduitscher schwets en claaght sijn lijē
den narr die lacht om t'malle vrijen"

Daarmee lukt het mij vrij snel om de voorstelling te identificeren. Het gaat om nummer twintig (blz. 137) van de tweeëntwintig emblematische afbeeldingen uit: "CUPIDO'S LUSTHOF Ende Der Amoureusē Boogaert Beplant ende Verciert Meet 22. Schoone Copere figuiren ende vele nieuwe Amoureuse Liedekēs Baladen ende Sonnetten desgelickx te voren noÿt inden druck geweest ofte gesien zÿn" (Amsterdam, 1613).
Een anoniem bij Jan Evertsz. Cloppenburch verschenen leerboek voor de liefde, toegeschreven aan de uit Antwerpen afkomstige Amsterdamse boekdrukker Gerrit Hendricksz. van Breughel (1573-1635). Gerrit was - net als Joost van den Vondel (1587-1679) - lid van de Amsterdamse rederijkerskamer 'Het Wit Lavendel'. De emblematische kopergravures zijn van de hand van Nicolaes van Geelkercken (1585-1656), die vooral bekend werd als landmeter en cartograaf.

Originele zeventiende-eeuwse koperplaatjes met gegraveerde of geëtste boekillustraties zijn extreem zeldzaam. Koper was kostbaar en ze zijn vrijwel zonder uitzondering verloren gegaan omdat ze na het drukken werden omgesmolten, hergebruikt of geveild als schroot. U begrijpt wel dat ik een dergelijk museumwaardig - meer dan vier eeuwen oud boekgerelateerd - object niet heb laten liggen!


Financieel iets armer, maar een topvondst rijker, verlaat ik het winkeltje op weg naar een lunchafspraak met mijn blogredacteur Reinder Storm. Echter, nog voordat ik richting het Statenplein kan afslaan, ontwaar ik aantrekkelijk drukwerk op de tafel van BiblioBLU (Tycho Blauw) uit Haarlem.
Uit een flinke partij boeken en boekjes over met name typografie vis ik wat aardige kleine uitgaven. Vier voor vijftien euro is geen geld... maar dan valt mijn oog op een aantal mappen met origineel werk. Ik blader ze stuk voor stuk door en doe alweer een unieke vondst!

Het gaat om een albumblad (19 cm. breed en 27.3 cm. hoog). Aan de ene zijde staat in handschrift: "Op verlangen van Mejufvrouw A.C. Kooij volgt hier mijne handtekening. A.L.G. Bosboom Toussaint, Amsterdam 14 april 1868". In de 19e eeuw groeide het verzamelen van handtekeningen en autografen (filografie) uit tot een ware rage. Betere postdiensten en een bloeiende antiquiteitenhandel maakten documenten van historische figuren, schrijvers en kunstenaars zeer gewild. Intellectuelen en de gegoede burgerij verzamelden deze papieren schatten fanatiek in speciale mappen en luxueuze albums. Mejuffrouw Kooij was kennelijk een verzamelaarster van handtekeningen van bekende Nederlandse schrijvers.


Het zijn echter niet deze paar regels die mij doen besluiten om het blad te kopen. Dat doet de andere andere kant die nog vele malen interessanter is! Hier staat namelijk een gedicht met handtekening en portretfoto van Nicolaas Beets (1814-1903).

"Na 't vroeger schrift een later blad
Op uwer wensch door mij beschreven!...
Welaan, ik wil u meer dan dat
'k wil u mijn later beeltnis geven.
Gij ziet 'k verander al zoo wat
Toch klopt er in mijn borst een leven,
Dat niet verandert. Kent gij dat?

Utrecht 21 febr. 1868, Nicolaas Beets"


De opgeplakte portretfoto van Beets is gemaakt door H(endrik)/Henrij Pronk (1813-1893), kunstschilder, koopman, reizend daguerreotypist en fotograaf, die in 1868 een atelier had in Utrecht. Nicolaas Beets die onder het pseudoniem Hildebrand de welbekende "Camera Obscura" (1839) schreef, was tijdens zijn leven een zeer bekende Nederlander. Toen hij 75 werd kregen alle schoolkinderen in ons land een vrije dag. Zodoende is hij - naast Willem Bilderdijk (1756-1831) - een van de meest geportretteerde schrijvers van zijn tijd (vooral op latere leeftijd). In 1838 werd Beets' (gegraveerd) portret voor het eerst afgedrukt in de "Nederlandsche Muzen-Almanak".

Fotografie werd later in de negentiende eeuw uitgevonden. De oudste bekende portretfoto (een daguerreotypie van Henri Vriesedorp) is gemaakt op 28 juli 1842. Pas vanaf 1850 komen portretfoto's in toenemende mate voor. Beets deelde vaker dergelijke portretten uit. Rick HoningsScaliger-hoogleraar in Leiden, die onlangs een alom geprezen Beets biografie publiceerde: "God, gezin en vaderland. De eeuw van Nicolaas Beets 1814-1903" (Amsterdam, 2026), schreef mij dat hij een vergelijkbaar blad met portret bezit uit 1878, tien jaar later. Mijn exemplaar behoort tot de eerste portretfoto's van Nicolaas Beets... 


Voldaan met mijn unieke aanwinsten heb ik eindelijk tijd voor een smakelijke lunch met mijn blogredacteur Reinder Storm. Wij praten over boekenmarkten, uitgever Evert Maaskamp (1769-1834), de onlangs overleden Nop Maas (1949-2026), Jan Greshoff (1888-1971), Argus en mijn werk. Tot slot drinken we koffie en na het betalen van de rekening wandelen we nog even voor een praatje naar de kraam van Desiderata, waar we ook Büchmania(k) Frans Mouws en boekhandelaar David Appolonius Coppoolse treffen. David - eveneens verzamelaar van uitgaven van De Carbolineum Pers - feliciteert mij met mijn laatste aanwinst; Trithemius: "De Laude Scriptorum" (Kalmthout, 2009).
Met Peter IJsenbrant praat ik over zijn Desideratum-Pers en het volgende project (een 18de eeuws gedicht van 'de vieze Boddaert' of 'vieze Pieter') en uiteraard schep ik tegenover iedereen op over mijn bijzondere Dordtse vondsten.
Tot slot loop ik samen met Reinder nog even over de markt op zoek naar enkele door hem gesignaleerde interessante items. Helaas, met lichte spijt constateren wij dat ze inmiddels zijn verkocht. Dan nemen wij afscheid en niet veel later, om half drie 's middags, rijd ik de parkeergarage weer uit, op weg naar huis. Het was al met al een prachtige dag daar in Dordt.

's Avonds ontvang ik via Bluesky een berichtje van Frank Martinet: "Ik hoop dat je een leuke dag hebt gehad! De 'buitwas om 08.30 al binnen. Ik zal geen titels, foto's of financiële zaken delen. De leden van ons een paar maanden geleden opgericht genootschap #RealBibliophiles zwijgen daar liever over. (intern natuurlijk niet)". Ik kan een glimlach niet onderdrukken. De buit? Die ligt hier, I call your bluff...!

maandag 28 juli 2025

Frater Elephas en zijn beste kettertje


'Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen'. Maar ook al waren ze niet met elkaar getrouwd hun persoonlijke relatie en wetenschappelijke samenwerking was uitstekend. En wat zouden ze een mooi echtpaar zijn geweest, dacht ik, terwijl ik de jongste uitgave van de stichting Desiderata doorbladerde. Ik moest denken aan Franciscus Josephus Bonaventura Kruitwagen (1874-1954) en Maria Elisabeth Kronenberg (1881-1970).

Met "Het verloren lezen van Bonaventura Kruitwagen" (Tilburg, MMXXV) is opnieuw een Desiderata-uitgave verschenen die als glansrijk voorbeeld mag dienen voor auteurs en uitgevers. Fraai vormgegeven; in linnen gebonden met stofomslag en leeslint, gedrukt op stevig papier en overdadig geïllustreerd in kleur. Bijgevoegd werd (in envelop op naam) een losse facsimile van Bonaventura's 'Encycliek', het verslag van het verlies van zijn omvangrijke bibliotheek op 14 mei 1940 tijdens het bombardement van Rotterdam. De uitgave wordt afgesloten met een bronnenoverzicht, register op namen en een duidelijk colofon (boekproductie). Ik weet werkelijk niet hoe de directeuren van Desiderata (Ed Schilders, Peter IJsenbrant en Martin Hulsenboom), het telkens weer flikken maar deze bibliofiel - en naar ik vermoed elke boekenliefhebber - betaalt daar met liefde € 27,50 euro voor (excl. verzendkosten). Dan heb ik het nog niet eens gehad over de interessante en bijzonder boeiend geschreven inhoud.
De biblio-beschouwingen van Bonaventura Kruitwagen O.F.M. met inleidingen en uitweidingen van Ed Schilders vormen bij elkaar niets minder dan een tweede huldeboek voor deze sympathieke muggenziftende bibliograaf met zijn karakteristieke kuif.


Het eerste huldeboek verscheen ruim vijfenzeventig jaar geleden en werd uitgereikt op Sint-Bonaventura, 14 juli 1949, ter gelegenheid van zijn gouden priesterfeest en zijn vijfenzeventigste verjaardag aan 'pater Elephas' (in de nieuwe Desiderata-uitgave kunt u lezen wat Kruitwagen met olifanten had). Een dikke pil van bijna 500 bladzijden met los ingevoegde 'tabula gratulatoria', in blauwlinnen band uitgegeven bij Martinus Nijhoff in
's-Gravenhage. Onlangs kocht ik daarvan voor een paar euro een tweede exemplaar! Daarin zat namelijk los (maar niet los te koop): "Een wonderbare genezing bij het H. Sacrament van Mirakel te Amsterdam in het jaar 1472" (een overdruk uit het Eucharistisch Congresboek. Amsterdam, 1922 blz. 64-80). Het is nr. 203 in de lijst met geschriften van pater dr. B. Kruitwagen O.F.M. in het huldeboek. Niet zo maar een overdruk maar - in de beeldende taal van Ed Schilders - "een exemplaar met het DNA van de grootste kenner van de vroegste drukken en middeleeuwse handschriften". 


Zoals op de afbeelding te zien is staat rechtsboven met pen 'v.d.S' (van de schrijver) en rechtsonder in potlood 'B.K' (Bonaventura Kruitwagen) Leiden, 5 Oct. 1953 (Hij verbleef daar in de pastorie van de Hartebrugkerk, Haarlemmerstraat 106, zoals het inktstempel op de laatste bladzijde laat zien). Onderaan in potlood schreef hij: "Dit was nog vergeten. De proef was niet door mij gecorrigeerd" en links in de hoek: "Dit ex. kunt u houden (si placet)". Ik kan niet voor de onbekend gebleven ontvanger spreken maar mij behaagt het thans zeer zeker!

De historicus prof. dr. L.J. Rogier (1894-1974) hield tijdens de uitreiking van het Huldeboek een feestrede die volgens Ed Schilders "een schoolvoorbeeld van welbespraaktheid is" (blz. 76). Dat mag ons niet verbazen want van huis uit was Rogier Neerlandicus met een grote aandacht voor het zorgvuldig en correct gebruiken van de Nederlandse taal.


Van die feestrede bezit ik alweer lange tijd de schaarse uitgave die in 1949 'pro manuscripto' werd gedrukt in het Minderbroedersklooster te Alverna (Wychen). Dit "Huldewoord uitgesproken in de bijeenkomst ter ere van Pater Dr. Bonaventura Kruitwagen O.F.M. in de Grote Zaal van de Kamer van Koophandel te Rotterdam op 14 juli 1949 door L.J. Rogier", kocht ik destijds in de boekenkraam van Jos Albers (1954-2021) op het Waterlooplein.
Er zat/zit een briefkaart in van Maria Kronenberg gedateerd 19 augustus 1954 met een boodschap aan Rogier die goed leesbaar is, ondanks dat zij vond dat in vergelijking met Kruitwagens keurige en duidelijke handschrift dat van haar bestond uit vaak onleesbare krabbels: “Mijn hart.(elijke) dank voor de gezonden rede, die mij bij lezing weer evenzeer getroffen heeft als op die middag te Rotterdam. Ten overvloede heb ik nog even naar Alverna geschreven om te vernemen of men ons toestemming tot de herdruk geeft”.
En op de verso zijde “Ook de medewerkers van Het Boek verheugen zich over uw bereidwilligheid ons deze voortreffelijke rede af te staan”. Inderdaad werd Rogiers’ toespraak later afgedrukt in het tijdschrift ‘Het Boek’ (1912-1966).


Kronenberg was Kruitwagens leerling en vrouwelijke evenknie. Hij noemde haar zijn 'Haeretica mi' ('mijn beste kettertje'). Net als 'De Kruit' was zij een zeer begaafd bibliografisch onderzoeker van Nederlandse (post)incunabelen. Zij werd vooral bekend en geroemd door of om haar: "Nederlandsche bibliographie van 1500-1540", een driedelige uitgave (plus aanvullingen) samengesteld samen met de Haagse uitgever en antiquaar Wouter Nijhoff (1866-1947). Voor haar boekwetenschappelijke verdiensten ontving zij - evenals Kruitwagen- diverse onderscheidingen waaronder in 1951 een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam. Bij die gelegenheid verscheen: "Redevoeringen gehouden bij de verlening van het ere-doctoraat in de Letteren en Wijsbegeerte aan Maria Elisabeth Kronenberg op 17 September 1951" (Amsterdam, 1951). Een antiquarisch weinig voorkomende uitgave waarvan een exemplaar in mijn bibliotheek staat met opdracht: "Aan Lieselotte & Henri, ter herinnering aan 17 Sept. '51 van Maria Elisabeth Kronenberg" (haar broer Hendrik Kronenberg en zijn tweede vrouw Liselotte Käthe Birnbaum). Deze uitgave bevat twee toespraken. Van haar promotor prof. dr. W.G. Hellinga en van haarzelf waarin zij ondermeer zei: "Het verheugt mij, dat ook mijn hooggeachte promotor hier beiden met ere heeft genoemd: Wouter Nijhoff, de man van de grote lijn, het frisse initiatief: Pater Bon. Kruitwagen, de grootmeester van het detail. Een brief van de mij toen nog onbekende pater, na publicatie van mijn eerste tijdschriftartikel in 1912, opende de relatie. En pater Kruitwagen is het weer geweest, die mij enige jaren later met Nijhoff in verbinding bracht". Uitgebreid beschreef zij haar relatie met Kruitwagen en welke belangrijke rol hij in haar leven had gespeeld in juli 1954 in: "Het Boek" (serie 2, jrg. 32): "Na de dood van Pater dr. Bonaventura Kruitwagen".


In: "Het verloren lezen van Bonaventura Kruitwagen" zijn enkele door hem geschreven stukjes (zijn publicatielijst telt 376 nummers!) integraal overgenomen. De meest bekende daaronder is wellicht "Het zetfoutenduiveltje" dat in 1948 verscheen als tweede deeltje in de tiendelige serie 'Typografische Kruidtuin' bij de Haagse uitgeverij Trio. Het is feitelijk een vermeerderde en verbeterde heruitgave van het eerder verschenen artikel "Hoe men vroeger drukfouten bij het publiek aandiende" uit 'Het Tarief', uitgegeven door de 'Federatie Der Werkgeversorganisatie in Het Boekdrukkersbedrijf' (Kerstnummer 1925, blz. 14 t/m 19).
Van dat artikel verscheen in 1925 ook een losse overdruk ('Niet in de handel'). In 1954 werd het door Trio in een andere vormgeving opnieuw uitgegeven. Achterin wordt Kruitwagen gememoreerd. "De drukproef van de onderhavige herdruk van dit boekje was juist aan Pater Kruitwagen afgezonden toen bericht van zijn overlijden alle belangstellenden in de typografie, die hem gekend hebben, met oprecht leedwezen vervulde".


Behalve een integrale tekstweergave schreef Ed Schilders hierbij ook een hoofdstuk met "Het levensbericht van het zetfoutenduiveltje" (blz. 83) en een hoofdstuk "Gerenommeerde 'zetduivels'" (blz. 105). De laatste bevat zijn persoonlijke top tien met enkele hilarische voorbeelden. Een befaamde zetfout die ik in dit hoofdstuk miste - en waaraan zelfs een bibliofiele uitgave werd gewijd - zit in het zeldzaamste en wellicht kostbaarste boek van de twintigste eeuwse Nederlandse literatuur “Naenia”. Dit door Jan Toorop (1858-1928) geïllustreerde (lijk)dicht van P.C. Boutens (1870-1943) uit 1903 (er werden ca. 14 exemplaren van gemaakt) bevatte volgens de auteur 'een ondragelijke drukfout'.
In de laatste regel van de derde strofe staat ‘U’! 
De ingevoegde U moet een kleine u zijn en geen hoofdletter. Als U de letters nog gezet hebt staan, zag ik dit nog graag veranderd”, schreef Boutens destijds aan drukker Enschede.
Die moest de schrijver teleurstellen. Het zetsel was al uit elkaar genomen en het benodigde papier was op vanwege de vele drukproeven die Boutens had verlangd. Twintig jaar geleden beschreef Marco Goud dit smakelijk in: “Een ondraaglijke drukfout” (Woubrugge, 2005). Een uitgave van de Avalon Pers (oplage: 300 exemplaren) “uitgereikt aan de aanwezigen bij de overdracht van het Naenia-exemplaar van Karel Nijkerk aan de directeur van het Museum Meermanno en (-) toegezonden aan de patroons en begunstigers van het Museum”.


Met het verdwijnen van de letterzetters en het digitaal opmaken van teksten zijn tekstfoutjes echter allerminst verdwenen. Schrijven (en drukken) blijft nou eenmaal mensenwerk zoals Perkamentus maar al te goed weet en mijn 'blogredacteur' Reinder Storm 'ontspijkert' daarom - zo goed mogelijk - al mijn teksten alvorens ik ze online plaats. 
Ook deze zeer verzorgde uitgave van de stichting Desiderata ontkomt er niet aan, al doet de locatie - in één zin met het woord - kwade opzet (met een knipoog van Ed Schilders?) vermoeden...

"In de Gazet van Limburg verscheen het overlijdensbericht op de voopagina, waar het zetduiveltje zijn oude tegenstander alsnog parten wilde spelen" (blz. 133).