vrijdag 20 september 2013

Prospectus

Ephemera now enliven book-fairs; even the most serious book-collector can hardly refuse a publisher’s prospectus for a book or books in which he or she is interested” (“ABC for book collectors”, New Castle, Delaware, 2010, blz. 92).

Het is in de boekenwereld gebruikelijk om het verschijnen van nieuwe uitgaven enige tijd tevoren aan te kondigen.
Bij het gewone leesvoer steeds meer en uitsluitend via de website van de desbetreffende uitgever maar vooral bij luxe - en ‘private press’ uitgaven – waarvoor men meestal moet intekenen - middels een gedrukte prospectus.
Ik ben er gek op en bewaar ze vaak in het desbetreffende boek. Een enkele keer vind ik ze verzamelwaardig en bewaar ik ze ook zonder de aangeprezen uitgave aan te schaffen. Die van de Belgische Carbolineum Pers bijvoorbeeld, gedrukt op mooi papier in fraaie typografie en soms met een illustratie.

Volgens A.J. Brongers “Boekwoorden Woordenboek” (Amersfoort, 2011) is de oudst bekende prospectus gedrukt te Straatsburg in 1469 door de Duitse boekdrukker Johannes Mentelin (ca. 1410-1478). De oudst bekende prospectus voor een Nederlandstalig boek is van de Goudse drukker Gheraert Leeu (ca.1445/1450-1492) voor zijn uitgave van “Melusine” (Antwerpen, 1491). Een reproductie daarvan met toelichting ('Men salse vinden te coope') kreeg ik onlangs cadeau van een medebibliofiel. Deze werd uitgegeven door margedrukkerij De Ammoniet in een oplage van ca. 150 exemplaren ter gelegenheid van de tentoonstelling “Gerard Leeu meesterprenter ter Goude” (december 1992 – februari 1993).


In mijn collectie bevindt zich al enige tijd een achttiende eeuwse prospectus uitgegeven door de boekverkopers Johannes Allart (1773-1811) en Willem Holtrop (1776-1805).
De aankondiging luidt als volgt: “Allart en Holtrop, boekverkoopers te Amsterdam, zyn voorneemens om by inschryving uittegeeven, het aanzienlyk werk, getyteld: Godsdienstige, burgerlyke en krygskundige gebruiken der Grieken, Romeinen, Israëliten en Hebreeuwen, Egyptenaaren, Persen, Scythen, Amazoonen, Parthers, Daciërs, Sarmaaten, en anderen, zoo oostersche als westersche volken, e.z.v.

Dergelijke boek-efemera bleef gewoonlijk niet bewaard maar van deze aankondiging vond ik nog één ander exemplaar in de collectie prospectussen, bijeengebracht door de Leeuwardense boekhandelaar G.M. Cahais (1780-1786, nr.169). Deze unieke collectie in diverse banden bijeengebonden bevindt zich in de Bibliotheek van de Koninklijke Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (Universiteitsbibliotheek Amsterdam).

De niet geïllustreerde prospectus, 4 bladzijden (quarto), lijkt inhoudelijk erg op wat thans nog steeds gebruikelijk is. Eerst een ruime aankondiging om de aspirant koper lekker te maken dan iets over de opbouw en inhoud van de uitgave en tot slot de prijs, uitvoering en voorwaarden. De intekenprijs voor de vier delen, groot quarto ‘op best fransch papier, royaal formaat’ bedroeg vijf en twintig gulden. “De uitgeevers verbinden zich op het allerplechtigst, om, na de aflevering deezes Werks, en buiten inteekening, geen Exemplaar van het zelve minder te verkoopen dan ƒ 36,-. Den inteekenaren, die verzeekerd kunnen zyn van de beste afdrukken der Plaaten, wordt verzocht om de opgave hunner naamen en kwaliteiten, ten einde dezelve in eene behoorlyke orde voor het Werk te kunnen plaatsen”.


De aantekening rechtsonder op mijn exemplaar: “Van de Wed. Terveen & Zoon”, verwijst naar de Utrechtse boekverkoper Jan Terveen. Zijn weduwe (en zoon) zat tussen 1781 en 1787 aan de Lijnmarkt in Utrecht. Zij waren ondermeer uitgever van het bekende boekje van Hiëronymus van Alphen (1746-1803): “Proeve van kleyne gedigten voor kinderen” (Utrecht, 1778). Linksonder staat in handschrift: “Omme (?) de Heer Secr. Hendriksen”. Zoeken naar een secretaris Hendriksen in de 18de eeuw leverde een mogelijke kandidaat op en wel mr. Jan Both Hendriksen (1744-1817), advocaat en procureur, tevens stadssecretaris van Amersfoort en schout van Eemnes Buitendijks. Heeft hij geïnformeerd naar de uitgave bij de boekhandel van Terveen en daar een prospectus gekregen?


Bij Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam raadpleegde ik de lijst van intekenaren. Deze zit voorin het eerste deel van deze vierdelige uitgave die te Amsterdam in 1786 onder een enigszins gewijzigde titel en met wat minder afbeeldingen verscheen (“Gewoonten der aloude volken; behelzende de ...”). Helaas, noch ene Hendriksen noch de boekhandel van Terveen zijn daarin opgenomen.
De uitgave ging dus aan hun neus voorbij en de prospectus?… die belandde 228 jaar later bij mij.

woensdag 4 september 2013

'Putmannen'


Eén van de nestoren van het (Amsterdamse) antiquariaat overleed twee weken geleden.
Maar Louis Putman (1923-2013) mag dan in de boekhemel zijn en zijn rommelwinkeltje aan het Rusland opgedoekt, dood is hij voor vele boekenliefhebbers allerminst.
Integendeel, nog dagelijks zijn de bibliofiele horden op pad om te ‘putmannen’. Wat dat is?
Het is een eponiem en een werkwoord; “Ik heb geputmand, jij hebt geputmand, wij hebben geputmand…
En dat zou dan moeten staan voor met niets ontziende ijver en vasthoudendheid datgene boven de rooilijn brengen, wat anderen er zo graag onderstoppen. Want daar hebben we toch (nog) geen woord voor!
“ (Citaat van Joop van den Berg).

‘putmannen’ gaat dus verder, is intensiever, dan ‘sneupen’ dat destijds door Ayolt Brongers (de ‘boekensneuper’) werd geïntroduceerd en in de boekenwereld de betekenis heeft van het met nieuwsgierigheid iets zoeken.
Dat ‘putmannen’ gaat nu wel heel letterlijk sinds grote gedeelten van zijn handelswaar bij Jos Albers op het Waterlooplein zijn terechtgekomen. Regelmatig ‘putman’ ik daar nu door bananendozen waarvan de inhoud gedurende tientallen jaren door Putman vaak op datzelfde Waterlooplein werd ingekocht. Een soort bibliofiele kringloop dus en inmiddels heb ik bij Jos al diverse brochures ‘geputmand’ tegen gemiddeld één euro per stuk.
Zoals ik al eens eerder schreef moest je bij Putman niet zijn voor dure in marokijn leer of perkament gebonden oude 17de en 18de eeuwse boeken. Ik ben ze althans bij hem nooit tegengekomen. Nee, bij Putman kwam je voor het efemere drukwerk, met name gekke 19de en vroeg 20ste eeuwse brochures, overdrukjes en door hem zelf ‘gesepareerde’ artikelen.

Maar, eerlijk is eerlijk, ook die kocht ik toen hij nog leefde niet veel bij hem. Vaak stond ik voor een gesloten winkeldeur en zelfs als hij open was kwam je niet erg ver. Echt snuffelen bij Putman was er (althans voor mij) niet bij en als je wat specifieks zocht en het lag voor het grijpen dan was de prijs meestal aan de hoge kant.

Over de doden niets dan goeds, maar ik ben toch wel blij dat ik nu heerlijk frank en vrij door zijn dozen kan ‘putmannen’ en met plezier een paar euro uitgeef aan bibliofiele rariteiten om vervolgens met de schat naar mijn hol terug te sluipen. Wat is – zonder uitgebreid in te gaan op de vaak curieuze inhoud - het voorlopige resultaat van mijn ‘putmannen’ sinds zijn overlijden?
Voor twee euro een exemplaar van M. Reijnders: “Toen het oude kerkje van pastoor Wubbe nog bestond” (Amsterdam, 1925). Mijn tweede exemplaar! De eerste kocht ik nota bene jaren terug ook bij Putman voor dertig gulden! Bevat historische anekdotes (geïllustreerd) uit het alledaagse Amsterdamse volksleven rond 1900 van leden van de Willebrordusparochie. Erg schaarse uitgave gedrukt op belabberd papier.
Mr. A.J.J. van Rooy: “Kerkelijke architectuur” (Utrecht, 1953) met een interessant artikel over een Rijksmonument in mijn woonplaats; de Kruiskerk van Marius Frans Duintjer (1908-1983). Potloodprijsje van Putman; 25 gulden!
M.J. van Oosterzee: “Hollands eer verdedigd” (Utrecht, 1878). Behoort tot de antiquarische rariora. Bevat een vermakelijke reactie op een weinig vleiend artikel over ons land en zijn inwoners in de Hongaarse Pester Lloyd van 3 oktober 1873 (nr. 227). Inhoudelijk beslist blogwaardig, dus wordt nog eens vervolgd!


J. van Vloten (1818-1883): “Vondels eenvoud” (Amsterdam, 1862). Tekst van een toespraak gehouden in Deventer in 1858 waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de oprichting van een standbeeld van Joost van den Vondel. Het beeld werd onthuld op 18 oktober 1867 en staat in het Amsterdamse Vondelpark. Schaars!
J.W. Brouwers (1831-1893) ‘curé de Bovenkerk-lez-Amsterdam’: “Le centenaire du Poëte hollandais Vondel” (Lille, 1888). Antiquarische rariora! Tekst van een toespraak voor de ‘assemblée générale des Catholiques du Nord et du Pas-de-Calais’ in Lille. Op de titelpagina staat in handschrift: “Aan Mr. Heydenrijck, lid van den Raad van Staten, enz. Uit ware hoogachting. De schr(ijver)”.
Abbé Brouwers zoals hij werd genoemd was een liefhebber van Vondel en een groot redenaar. Hij behoorde tot het invloedrijke ‘Amsterdamse ABC’ (J.A. Alberdingk Thijm en Pierre Cuypers waren respectievelijk A en C). Hij was o.m. bouwpastoor in Bovenkerk (gemeente Amstelveen). Daar verrees vanaf 1873 de door de befaamde architect Pierre Cuypers (1827-1921) ontworpen neogotische St. Urbanuskerk, thans een Rijksmonument.


Zo maar wat willekeurige voorbeelden. De lijst is beslist niet compleet en bovendien blijf ik voorlopig gewoon ‘doorputmannen’ in het 'oud papier'. Heerlijk, en vele bibliofielen zullen dat met mij eens zijn. Daarom tot slot in koor en met elkander; “Putman is dood, leve het putmannen”.

maandag 19 augustus 2013

Komrij's roomse poolster

Voor de erotomaan is de katholiek van onschatbaar nut. Hij die het pad der zonde zoekt oriënteert zich op de roomse poolster het best. (-) Nooit ben ik, in mijn eerste nieuwsgierige jaren, op het spoor van zoveel ‘interessante werken’ betreffende geest en lichaam gebracht als door de Standaard Catalogus van het R.K. Centraal bureau voor Lectuur onder leiding van A.B.H. Gielen sj.
Het was een goudmijn van modieuze, anarchistische, ontuchtige, verkeerde, hoerige, opwindende en polemische boeken, kortom van alle boeken die ik wou lezen
” (Gerrit Komrij in: “Over het nut van het katholicisme”, in “Verzonken boeken” (Amsterdam, 1986).

Welke nieuwsgierige bibliofiel hunkert na het lezen van Komrij niet naar A.B.H. Gielen (1871-1929): “Standaard Catalogus van het R.K. Centraal bureau voor Lectuur” (Amsterdam, 1925)?
De catalogus verscheen oorspronkelijk bij de Amsterdamse uitgeverij Joost van den Vondel en wordt antiquarisch voor bedragen rond de vijftien euro aangeboden. Zeer schaars zijn de daaropvolgende twee supplementen die in 1926 en 1927 (de laatste o.l.v. J. van Heugten sj) verschenen bij de uitgeverij ‘Foreholte’ in Voorhout.
Een complete set zie je daarom niet vaak maar een paar jaar geleden trof ik er een aan bij antiquariaat “De Friedesche Molen”. De vraagprijs bedroeg zestig euro. In de winkel vertelde ik Hein over wat de catalogus van jezuïetenpater Gielen voor Komrij had betekend (‘zijn roomse poolster’). De waarschuwingen van pater Gielen voor bepaalde boeken zijn - anno nu - vervat in termen die vooral op de lachspieren werken; ‘ontredderde lectuur’, ‘een heel smerig ding; voor niemand’, ‘een lasterroman, die te vuil is om aan te pakken’, 'Pornografie. Afgekeurd' of ‘een wanhopig meedogenloos bijna ziekmakend boek, met socialistische strekking. Niets voor ons’.
Menig boek belandde bij Gielen zo op de symbolische brandstapel. Voor Komrij echter waren zijn woorden hartelijke aanmoedigingen en Koninklijke aanbevelingen om de desbetreffende uitgave onmiddellijk na te jagen, te kopen en te lezen. Kennelijk had ik er wat al te enthousiasmerend over gesproken want Hein besloot de boeken toch maar zelf te houden. Geduld, geduld….


Uiteindelijk vond ik een paar weken geleden weer een complete set (uit een voormalige kloosterbibliotheek) bij antiquariaat “Boek en Glas” en nu voor maar vijf en twintig euro! Meteen gekocht natuurlijk.

De catalogus begint met een uitvoerige inleiding waarin staat met welke drie factoren Katholieken te maken hebben als het gaat om de zorgvuldige keuze van hun lectuur.
A. De natuurwet. “Wat ik voel of weet dat mij schade brengt, ook al zou het anderen niet deren, late ik ongelezen, anders breng ik mijn geestelijk leven in gevaar en pleeg vergrijp tegen mijne ziel”. Voor iedere Katholiek lag dit natuurlijk anders, afhankelijk van zijn opleiding, gevoeligheid, ontwikkeling etc. Bij twijfel; raadpleeg uw biechtvader.
B. De kerkelijke boekenwet. Welke boeken verboden zijn om hun antikatholieke opvattingen, onzedelijkheid, goddeloosheid etc.
C. De Index. De officiële lijst van verboden boeken opgesteld door het Vaticaan.

Wat wilde pater Gielen (tussen 1912 en 1929 hoofdredacteur van de ‘Boekenschouw’) bereiken met deze standaarduitgave? “Een practische gids zijn om schadelijke boeken van onschuldige, en gevaarlijke van twijfelachtige te helpen onderscheiden. Of een boek kunstwaarde heeft of niet, lijkt ons naast de ethische waarde van zoo'n ondergeschikt belang, dat wij er niet veel woorden aan zullen besteden. Wij hebben een hartgrondigen hekel aan de tegenwoordige opfokking tot aestheten in plaats van tot oprechte en beginselvaste Christenen, die plichts- boven schoonheidsgevoel stellen. Door kunst is waarschijnlijk nog nooit iemand in den hemel gekomen, tenzij hij er God mee diende. Hetgeen dan weer den ethischen kant van het vraagstuk naar ons toekeert. Het is er ons derhalve allerminst om te doen ‘letterkundigheid’ te gaan bewonderen, die overigens niet langer pleegt te duren dan een vrouwenmode”.


Het was natuurlijk onmogelijk om alle verschenen en te verschijnen boeken te beoordelen. Volgens Gielen bleek uit ervaring en onderzoek dat vooral de nieuwste “kersversche” boeken werden gelezen. Om nader te bepalen welke titels dat waren werden de catalogi van diverse grote leesbibliotheken bestudeerd. “Die zijn als graadmeters van de waardeering van het publiek en van de veelgelezenheid van een boek. Daaruit maakten wij onze keuze van titels in dezer voege, dat wij ter bespreking allereerst noteerden wat gelijkelijk in alle of de meeste catalogi voorkwam”.
Het ging natuurlijk vooral om Nederlandse en vertaalde romans (waaronder vele thans min of meer vergeten auteurs en spoorloos verdwenen uitgaven); “omdat deze in hoofdzaak de verspreiders zijn van goed en kwaad; zij richten zich tot de groote massa, zij speculeeren op de sensatielust van het publiek, zij behoeven niet te voldoen aan voorwaarden van waarheid, wetenschap of logica, maar brengen het gedachtentuig van elk willekeurig individu onder het bereik van allen”.


Een enkele keer komen we Nederlandse klassiekers tegen zoals Couperus (1863-1923): “Een dandy met de taal en een dandy met het leven. Een verfijnd artist, als men wil, ofschoon wij het zelf niet gelooven, maar een heilloos schrijver om zijn bar sensualisme, zijn amoraliteit en immoraliteit en zijn theosofische gevoelens. Een criticus in ‘Onze Eeuw’- zegt, dat men Couperus-werken later precies zoo zal lezen en vinden, als men tegenwoordig leest en vindt ‘Julia' van Rhynvis Feith” en over diezelfde Rhynvis Feith (1753-1824): “Zijn beide romans Julia (1792) en Ferdinand en Constantia, zijn huilerig sentimenteel en om hun boekentaal ongenietbaar”. Een mild oordeel naar Gieliaanse maatstaven en duidelijk voor elke Katholiek, Couperus- en/of Rhynvis Feith-fan.