Er is in de loop der eeuwen heel wat geknoeid met handschriften en drukwerk en talrijk zijn de literaire vervalsingen en mystificaties. Sommige werden al vrij snel na hun ontdekking ontmaskerd, bij enkelen duurde dat jaren en soms eeuwen. De geschiedenis achter de vervalsing en het bedrog is niet zelden smakelijke en spannende lectuur.
Een bekend voorbeeld daarvan is de roemruchte prachtuitgave van Gerard van Loon (1683-1758): “Geschicht-historiaal rym, of Rymchronyk van den heer Klaas Kolyn, benedictiner monik der abtdye te Egmont…”, (’s-Gravenhage, 1745).
De rijmkroniek van Klaas Kolyn is een zeventiende eeuwse vervalsing van een 12de eeuwse kroniek die voor het eerst door de Deventer historicus Gerhard Dumbar (1680-1744) in zijn verzamelwerk “Analecta seu vetera aliqiuot scripta inedita, ab ipso publici juris facta” (Deventer, 1719-1722) werd gepubliceerd. Over het auteurschap bestond (en bestaat) onduidelijkheid. Sommige houden het op de Haarlemse kunstgraveur Reinier de Graaf jr. (1674-1717), anderen op Petrus Scriverius (1576-1660). Gerard van Loon was ervan overtuigd dat het om een originele middeleeuwse kroniek ging, geschreven door de monnik Klaas Kolyn, in het Noord-Hollandse klooster te Egmond. In 1772 toonde taalhistoricus Balthazar Huydecoper (1695-1778) aan dat het om een falsificatie ging en dat Kolyn nimmer had bestaan. De ontmaskering veroorzaakte destijds een groot schandaal waarover sindsdien vele studies en theorieën zijn geschreven.De valse kroniek van Kolyn is antiquarisch wijd en zijd bekend maar boekenbedrog kan subtieler zijn. Op Marktplaats werd een half jaar geleden een exemplaar te koop aangeboden van Joost van den Vondel’s: “Gysbrecht van Aemstel, d’Ondergangk van zijne Stadt, en zijn ballingschap” (Amsterdam, 1659). Een zeventiende eeuwse ‘putjesdruk’ uitgegeven “By de Weduwe van Abraham de Wees, op den Middeldam”.
Weliswaar kocht ik begin 2011 al een mooi exemplaar van Vondel’s treurspel uit 1655, zoals u hier kunt lezen, maar een leuke aanbieding heeft altijd mijn interesse.
De drukgeschiedenis van de ‘Gysbreght’ is goed uitgezocht en wie kennis neemt van de informatie komt er al gauw achter dat van deze uitgever drie verschillende edities met het jaartal 1659 bestaan. Eén daarvan blijkt op basis van ondermeer onderlinge tekst- en rolvergelijking niet in dat jaar te zijn gedrukt, zoals het titelblad aangeeft, maar veel later zo rond 1699. Deze uitgave is goed herkenbaar aan een in het oog springende zetfout op de titelpagina. Daar staat: “Urbs antique ruit” in plaats van “Urbs antiqua ruit” (‘De oude stad gaat ten onder’). Een duidelijk antwoord op de vraag waarom dit antedateren plaatsvond is er overigens niet.
Omdat ik de goede gewoonte heb om dit soort uitzoekwerk te doen alvorens tot eventuele aanschaf over te gaan wist ik al vrij snel dat de verkoper een exemplaar aanbood van deze geantedateerde uitgave (hij wist dat overigens ook, maar liet dat in de advertentie niet blijken!). Alleen boekenliefhebbers die beschikken over enige antiquarische boekhandel- en veilingervaring kunnen vervolgens beoordelen of de vijfentwintig euro die hij vroeg en ik betaalde reëel is, of dat één van ons tweeën zich ‘bedrogen’ mag voelen…



