dinsdag 1 januari 2013

Komma,

De afgelopen kerstvakantie kocht ik in mijn kringloop voor € 1,75 een leuk pocketboekje van Lynne Truss: “Eat, Shoots & Leaves. The Zero Tolerance Approach to Punctuation” (New York, 2006).
In eerste instantie kon ik niet veel met de afbeelding van panda’s op de voorkant maar toen ik de achterzijde las werd het me duidelijk:
A panda walks into a café. He orders a sandwich, eats it, then draws a gun and fires two shots in the air.
Why?’ asks the confused waiter, as the panda makes towards the exit. The panda produces a badly punctuated wildlife manual and tosses it over his shoulder. ‘I’ am a panda,’ he says at the door. ‘Look it up’.’The waiter turns to the relevant entry and, sure enough, finds an explanation. 'Panda. Large black-and-white bear-like mammal, native to China. Eats, shoots and leaves.

Erg origineel vond ik de ‘punctuation repair kit’ voor- en achterin. Stickervellen met leestekens; vooral komma’s en punten.
Mijn belangstelling voor taal is redelijk groot (in een grijs verleden studeerde ik Nederlands als bijvak) maar de belangrijkste reden voor deze aanschaf was omdat ik moest denken aan mijn gesigneerde exemplaar van het boekje van Wim Daniëls: “De geschiedenis van de komma” ( De Haag, 1994).

Geen gekke gedachte natuurlijk en toen ik thuis internet raadpleegde bleek bovendien dat Daniëls het boekje van Truss heeft vertaald (“Eten, vuren en beuken. Keiharde regels voor interpunctie” (Amsterdam, 2004). Op de voorkant daarvan geen panda’s maar een (hout)worm en uit de titelbeschrijving blijkt waarom:
Twee houtwormen eten een broodje. Ineens pakken ze een revolver, schieten in de lucht, en tuigen onderweg naar de deur een argeloze cafébezoeker af. Terwijl de houtwormen met gierende banden wegscheuren, leest de ober in de gids die ze hem hebben toegeworpen: 'Houtwormen: algemeen voorkomende bruingele insectenlarven. Eten, vuren en beuken.


Het veranderen van dierlijke eigenschappen lijkt mij biologisch onmogelijk maar taalkundig is het blijkbaar een fluitje van een cent. Allemaal dankzij het onjuist gebruik van zoiets simpels als een komma. Het belang van zo'n leesteken wordt nog eens onderstreept door dit raadselachtige oud-Hollandse versje:
Al de meisjes in ons land
Hebben tien vingers aan elke hand
Vijf en twintig aan handen en voeten:
Hoe zal men dit begrijpen moeten?
Antwoord: door goedgeplaatste komma’s want dan staat er:
Al de meisjes in ons land
Hebben tien vingers, aan elke hand
Vijf, en twintig aan handen en voeten”.

Zelfs de betekenis van een zin kan door een komma veranderen.
Perkamentus verzocht, ons niet alles te vertellen.
Perkamentus verzocht ons, niet alles te vertellen.
Perkamentus verzocht ons niet, alles te vertellen.

Regelmatig wordt in het nieuws aandacht besteed aan interpunctie.
Denk bijvoorbeeld aan vorig jaar toen het geheel verbouwde Rijksmuseum zijn nieuwe logo 'RIJKS MUSEUM' onthulde (een ontwerp van Irma Boom). Er bestaat zelfs een website SOS (maar nog geen SOK!).

Vlot geschreven artikelen en populaire boekjes over interpunctie zijn een modern verschijnsel maar het is niet de eerste keer in onze geschiedenis dat aan interpunctie aandacht wordt besteed.
Al vroeg in de 19de eeuw verschenen daarover publicaties zoals van Nicolaas Anslijn (1777-1838): Aanleiding tot het plaatsen der schei- en zinteekens” (Leiden, 1827).
Er is zelfs een
proefschrift over verschenen, geschreven door Johanna Greidanus (1887-1930): “Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie, in 't biezonder in de Nederlanden” (Zeist, 1926). Een ook voor niet klassiek geschoolde lezers interessante en lezenswaardige dissertatie (ja die bestaan!) waarvan een exemplaar in mijn bibliotheek staat. Interpunctie, schreef Johanna, is langzaam historisch gegroeid. Het speelt een rol in gesproken, geschreven en gedrukte taal en is dus van belang voor lezers, schrijvers en boekdrukkers.


Over de oorsprong schreef zij voorts:
Als uitvinder van dit interpunctiesisteem is lange tijd op het voetspoor van Salmasius, een 17e-eeuws theoloog en handschriftenkenner, genoemd Aristophanes van Byzantium, die ± 200 voor Chr. in Alexandrië werkzaam was, de bekende uitgever van Homerus en andere teksten. Volgens Salmasius zou hij ook een werkje geschreven hebben over de scheiding der woorden πεϱὶ λξεων διαστολς. Dat hem de eer van de uitvinding toegekend wordt, berust op een verward stuk, getieteld πεϱὶ τς τν τνων εϱέσεως ϰα τν σχημτων ατν ϰα πεϱὶ χϱόνων ϰα πνευμτων. Het staat op naam van Arcadius en komt zgn. als 20e hoofdstuk voor in een van de vijf hss. van een uittreksel uit de Καϑολϰη πϱοσδα van Heriodianus (2e e. na Chr.), en ook, gedeeltelik, in enkele hss. achter de Ars grammatica van Dionysius Thrax, een Alexandrijns geleerde tussen 170 en 90 voor Chr. Van een plotseling ‘uitvinden’ kan immers geen sprake zijn. Er bestond al lang een onderscheiding van de stof die aangeduid werd door een open ruimte, al of niet met paragraphos”.

Ik neem aan dat Johanna haar proefschrift destijds goed heeft nagelezen op interpunctiefouten. Vermoedelijk zal dat de moderne lezer verder worst wezen. Wat hem of haar meer zal opvallen is de toen gebruikelijke, voor ons ‘dikwels wonderlike’, Nederlandse spelling!
Enfin, daarover zijn weer talrijke andere boeken verschenen.

Ik wensch u een voorspoedig 2013!

vrijdag 21 december 2012

Naamsverwarring

De antiquair, een handelaar in oude kunst, sier- of gebruiksvoorwerpen, wordt menigmaal verward met de antiquaar wiens handel zich beperkt tot min of meer oud drukwerk, vooral boeken.

De verwarring is begrijpelijk.
Zeker als je bedenkt dat menig antiquair ook wel eens een oud prentje of boekje verhandeld. Andersom, een antiquaar die bijvoorbeeld antiek zilver of meubels verkoopt, komt vrijwel niet voor.
Als antiquair lid worden van de ‘Nederlandse Vereeniging van Antiquaren’ (NVvA) is niet mogelijk maar antiquaren kunnen wel lid zijn van de club van antiquairs; ‘De Vereeniging van Handelaren in Oude Kunst’ (VHOK).
Zowel de VHOK als de NVvA bestaan al geruime tijd, de eerste sinds 1911 en de tweede sinds 1935. Van beide bezit ik het (van harte aanbevolen) jubileumboek met een overzicht van de geschiedenis en de ontwikkeling van de desbetreffende ‘vereeniging’.


Als het gaat om boeken over deze beroepsgroepen, hun handel en klanten, dan heeft de bibliofiel meer geluk dan de liefhebber van oude kunst en antieke voorwerpen. Over boekhandel en antiquariaat zijn namelijk – hoe kan het ook anders - meer boeken verschenen dan over de wereld van de antiquair. Alleen als het gaat het om verhalen over het persoonlijke wel en wee van deze figuren is er een overeenkomst te bespeuren. Noch de antiquaar noch de antiquair geven graag hun memoires prijs aan het papier. Van de eerste ken ik maar een handvol uitgaven en van de laatste slechts één, het boekje van Saam Nijstad (1922-2011): “Van antiquair tot kunsthandelaar. Leven en werk van Saam Nijstad en zijn ontmoeting met de Nieuwe Wereld” (Zwolle, 2004).


De antiquair en antiquaar zijn familie van elkaar. Aan beide woorden ligt het Latijnse antiquarius ten grondslag. Een oude term waarmee de liefhebber van oudheden wordt bedoeld, zoals ikzelf.
Tot de ‘antiquariï’ behoorden veel bekende bibliofielen. Naast boeken en manuscripten ging hun interesse ook uit naar de vaderlandse geschiedenis, archeologie, sfragistiek en numismatiek. Ze verzamelden antieke (gebruiks)voorwerpen, munten en penningen en publiceerden daarover zoals mr. Gerard van Loon (1683-1758). Met hem maakten we al eerder kennis. Anderen, zoals Cornelis van Alkemade (1654-1737) en zijn schoonzoon mr. Pieter van der Schelling (1691-1750), waren vooral geïnteresseerd in oude gebruiken en gewoonten.


Zowel de handel in antiek als oud drukwerk kent een lange traditie. Van beiden zijn al vroeg de ‘pareltjes’ verhandeld en verzameld. In de loop der tijd zijn de meeste topstukken wel in een museum of bibliotheek terechtgekomen. Een schilderij van Rembrandt of de Gutenbergbijbel worden nog maar zeer zelden op de open markt aangeboden.
Veel antiek, zoals deze lege wijnfles en roemer uit de achttiende eeuw, was vroeger gewoon veelvoorkomend gebruiksgoed en werd niet bewaard maar weggegooid. Archeologen vinden daarvan veel terug. Met papier is dat anders. Juist van het in grote hoeveelheden uitgegeven populair drukwerk, zoals almanakjes, nieuwstijdingen en liedjes is vaak bar weinig overgebleven.

De antiquaar en antiquair kennen een select publiek van liefhebbers. Zowel boeken (oud of nieuw) als antiek (kunst of gebruiksvoorwerp) zijn tegenwoordig niet echt ‘hot’, te oordelen naar de wooninrichting- en huisstylingprogramma’s op TV.
Ik vermoed dat er desondanks meer (winkel)antiquariaten verdwijnen dan antiquairs. Ik ken ook (nog) geen verzendantiquairs, wel verzendantiquariaten.

Een wezenlijk verschil tussen antieke voorwerpen en boeken is dat het bij de eerste vooral draait om esthetische waarden en bij de laatste vooral om de informatieve waarde. Het boek is in de eerste plaats informatiedrager. Maar om alleen kennis te nemen van de tekst hoef je tegenwoordig veel boeken niet meer te kopen en heb je dus ook geen antiquaar meer nodig.

Een ander verschil is dat vooral antiek last heeft van moderne vervalsingen die veel op internet worden aangeboden. Geknoei met oude boeken kom je daar ook wel tegen maar een moderne vervalsingen van een zeventiende of achttiende eeuws boek nooit. Het zal wel niet lonend zijn en lijkt mij ook een stuk moeilijker al was het maar omdat elke rechtgeaarde bibliofiel zijn neus gebruikt!

Want of ik nou mijn middeleeuwse Pingsdorf beker of vroeg negentiende eeuws koperen scheerbekken besnuffel (en beide zijn echt!).
Ik ruikt helemaal niks. Maar de geur van boeken, (lompen)papier, drukinkt, oud leer of perkament is onmiskenbaar en onvervalsbaar.




Waar ben ik met mijn pijl en boog
Op uit? Is het de boekengeur?
Ik ruik aan stapels, torenhoog,
Tot ik daartussen iets bespeur
Wat ruikt naar poeder, eeuwenoud,
Door boekenwurmen opgewoeld,
Of naar een bordje havermout –
Er is geen geur die me bekoelt.
Al stinkt een boek naar zalf of teer,
Er is nog altijd plaats voor meer. 

(Gerrit Komrij: “Ballade van de boekenjager”, Eindhoven 2008)

maandag 10 december 2012

Echt egt-reglement


Op Marktplaats werd voor slechts drie tientjes aangeboden het: “Echt-Reglement. Over de Steden, ende ten Platten Lande, in de Heerlijckheden, ende Dorpen staende onder de Generaliteyt” (Den Haag, 1664). Ruim driehonderd jaar oud drukwerk verkrijgbaar voor de prijs van een modern boek vind ik nog altijd iets verbazingwekkends.
Natuurlijk weet ik ook wel dat dergelijk drukwerk antiquarisch goed verkrijgbaar is. Er zijn in de 17de eeuw talloze overheidsbepalingen gedrukt en slechts enkele zijn bijzonder. Ook dit reglement is volop terug te vinden in de Short Title Catalogue Netherlands (STCN), zowel onder ‘Egt-‘ als ‘Echt-Reglement’. Wat het ‘Echt-Reglement’ speciaal maakt is dat, eeuwen later, de weerslag ervan nog steeds belangrijk is voor iedereen die onderzoek doet naar zijn familiegeschiedenis in het Limburgse gebied voor 1800.


Dat uitpluizen van je familiegeschiedenis, ‘stamboomonderzoek’ oftewel genealogie lijkt typisch een bezigheid voor na je pensionering (als je die tenminste haalt!) maar voor mij ligt het alweer enig tijd achter me.Vooral tussen 1989 en 2002 was ik erg actief en wist ik al gauw door te dringen tot het midden van de 17de eeuw alwaar ik belandde in het Limburgse dorp Schinveld (thans gemeente Onderbanken).
Ter illustratie van al die dorre geboorte-, doop-, huwelijk- en overlijdensdata was ik ook een verwoed verzamelaar van ‘Limburgensia', boeken over de geschiedenis van Limburg, m.n. de oostelijke mijnstreek (Heerlen, Brunssum, Nieuwenhagen, Schinveld) en het grensgebied met Duitsland (Heinsberg, Gangelt, Aken). Onmisbaar was het door Régis de La Haye geschreven boek: “Limburgse voorouders. Handleiding voor genealogisch onderzoek in Limburg” (Maastricht 2005). Uiteraard komt daarin (blz. 121 t/m 125) ook dit ‘Echt-Reglement’ ter sprake maar waar ging dat nou precies over?


De huidige provincie Limburg bestaat pas sinds 1839. Voor die tijd was het Limburgse land lange tijd een politieke lappendeken. In de zeventiende eeuw behoorde bepaalde gedeelten dankzij veroveringen in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) tot de ‘Generaliteitslanden', viel onder ‘Staats’ bestuur, omdat ze direct werden geregeerd door de Staten-Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het Katholieke geloof werd daar onderdrukt en vele pastoors moesten zelfs uitwijken of onderduiken.

In deze delen gold sinds 18 maart 1656 het ‘Echt-Reglement’ waarbij bepaald werd dat eenieder wettelijk moest trouwen, ofwel ten overstaan van de gereformeerde predikant, ofwel te overstaan van de schepenbank (-). Deze verordening leidde ertoe dat veel huwelijken in die periode tweemaal zijn geregistreerd. Illegaal voor ‘mijnheer pastoor’ en legaal, want verplicht, voor de predikant. Juist die laatste inschrijvingen zijn genealogisch heel interessant. Ze bevatten vaak (veel) meer informatie om de eenvoudige reden dat ‘Hollandse’ predikant, anders dan de lokale pastoor, zijn trouwlustigen niet kende. Kortom elke familievorser checkt in deze periode zowel de Rooms-katholieke als Protestantse huwelijksregisters.


In de vijfennegentig artikelen van dit reglement wordt verder tot in detail uitgelegd hoe de formaliteiten rond het huwelijk moesten plaatsvinden. Verder lezen we over het verbod van huwelijken tussen familieleden, met minderjarigen of ongedoopten.
Over het verbod om te trouwen met ‘Melaetsche’, Joden, heidenen en ‘Mahumetanen’. Over valse huwelijksgeloften, scheiding van tafel en bed en hertrouwen, over het ontvoeren van bruiden, het defloreren van ‘eerbare’ dochters, bijslaap, concubinaat, koppelarij, overspel en het weren van ‘Bordeelen, Hoer-huysen Mot-ende Ravot-huysen’. En hoe zat het met hertrouwen omdat je echtgenoot, op zakenreis, wat al te lang wegbleef? Lees artikel negentig.