maandag 11 februari 2013

Kennen Sie Büch?


Al sinds onze zomervakantie in 2011 toen we naast Gotha en Goethe's Weimar ook Erfurt bezochten had ik een oogje op “Faust. Eine Tragödie“ van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832), uitgegeven door de Askanischen Verlag Carl Albert Kindle.
Over de uit Liechtenstein afkomstige Carl Albert Kindle en zijn Berlijnse uitgeverij (Hohenzollernstrasse 7) heb ik helaas niets op internet kunnen vinden. Volgens WorldCat verscheen deze ‘hundertjahrs-ausgabe’ van Faust: “mit einer einleitung ‘Faust und die Kunst’ von Max von Boehn” voor het eerst in 1924 en vervolgens nogmaals in 1932, 1938 (met dr. J. Goebbels als beschermheer), 1939 en 1940. Interessant is vooral het rijk geïllustreerde gedeelte over Faust in de kunst door de cultuurhistoricus Max von Boehn (1860-1932).

Aan de uitgaven van de Askanischen Verlag Carl Albert Kindle werd veel zorg besteed. Fraaie gestempelde banden in half- of heel perkament, gedrukt in twee kleuren (rood en zwart), geïllustreerde en gelimiteerde/genummerde oplagen. Ook “Das Nibelungenlied” (Berlin, 1923) en de “Edda. Götterlieder/Heldenlieder” (Berlin, 1943) werden op een dergelijke smaakvolle wijze uitgegeven.
Onlangs kon ik een exemplaar van Faust kopen uit 1939, gebonden in half perkament, voor slechts vijftig euro. Niet duur, want diverse antiquariaten bieden op internet het boek aan voor prijzen tussen de honderd en driehonderd vijftig euro. Een uitschieter, maar volgens de Amerikaanse verkoper nog altijd ‘extremely reasonable’, is de $ 2.800,- voor de Faust uit de bibliotheek van Adolf Hitler!

Faust en Hitler...
Mijn gedachten gingen weer even terug naar ons eerste bezoek aan Erfurt. Een mooie stad vol culturele bezienswaardigheden waaronder de pittoreske Krämerbrücke. Met mijn neus gedrukt tegen de etalage van Altstadtaniquariat aan de Benediktsplatz zag ik toen voor het eerst deze prachtuitgave van Faust staan en was op slag verliefd. Het was op een zondag en de meeste winkels, waaronder alle antiquariaten, waren potdicht.
Alleen in de Markstrasse was een boekhandel open die buiten een partijtje ramsj had liggen. Daartussen vond ik één exemplaar van het boek van Dietmar Arnold : “Neue Reichskanzlei und >>Führerbunker<<. Legenden und wirklichkeit” (Berlin, 2005/2006).


Biografieën over Hitler heb genoeg (Kershaw, Fest, Bullock, Toland). Boeken met diverse specifieke onderwerpen over de Tweede Wereldoorlog ook, maar nog niets over deze tot de verbeelding sprekende gebouwen waar zich in april 1945 de Götterdämmerung van het Duitse Derde Rijk voltrok.
Ik bewaar een ansichtkaart van rond 1940 van de nieuwe Duitse Rijkskanselarij in de Berlijnse Vossstrasse (ingang nr. 6). Een immense gevel met een lengte van 420 meter, ruim vier voetbalvelden.


De Rijkskanselarij was een project van Albert Speer (1905-1981), officieel geopend op 12 januari 1939, maar tot ver in 1943 werd eraan gebouwd en verbouwd. De totale kosten bedroegen ruim 90 miljoen rijksmark. Het gebouw omvatte meer dan 300 kamers die merendeels leeg stonden plus een kelder met 130, naar later bleek, vaak te kleine bergruimten.
De Rijkskanselarij was gebouwd om te imponeren. Buitenlandse gasten op staatsbezoek liepen er steevast de ‘Diplomaten-Route’ die pas na tweehonderd meter lopen door diverse galerijen en zalen eindigde in de ontvangstruimte naast de werkkamer van de Führer. Hitler was overigens maar zelden in het gebouw aanwezig zodat een werkkamer met een oppervlak van 400 vierkante meter gerust overdreven mag worden genoemd.
Wie een indruk wil krijgen van de - tot en met de fundamenten - verdwenen Rijkskanselarij, zijn lege zalen en lange gangen, moet even kijken naar al die andere ansichtkaarten en foto’s in dit filmpje.

 

Er was ook een bibliotheek met naar schatting tienduizend boeken die in mei 1945 werd buitgemaakt door een trofeeënbrigade van de Sovjets en verzonden naar Moskou. Hitler mag je gerust een bibliofiel noemen. Hij las graag en veel en wie daarover meer wil weten kan ik het boek aanraden van Timothy W. Ryback: “Hitlers privébibliotheek” (Amsterdam, 2008).

Terug naar Erfurt, waar ik een paar dagen later op een doordeweekse dag het Altstadantiquariat aan de Benediktsplatz binnenliep. Mooie winkel, fraaie boeken maar Faust oversteeg mijn vakantiebudget.
Terwijl ik het boek bewonderde en er wat in bladerde luisterde ik met een half oor naar de antiquaar.
"Ach, aus Holland?".
Weemoedig verhaalde hij over die ene goeie klant uit Nederland 'Boidewein' die Goethe verzamelde, regelmatig langskwam en helaas te vroeg was overleden.
Kennen Sie Büch?”.
Nog half in Faust verdiept keek ik op, glimlachte, en antwoordde: “Büch? Ja naturlich, und viele andere Bücher…

maandag 28 januari 2013

Bouvetøya; eenzaamheid & bibliofilie


Op tweede kerstdag begon ik aan een Singel pocket van tachtig cent.
Niet dat uitgever en prijs ertoe doen want het boekje was, zoals een andere boekenliefhebber mij verzekerde, ‘in welke uitvoering dan ook een heerlijk boek’.

"Eilanden"  (Amsterdam, 1994) van Boudewijn Büch (1948-2002), in een nieuwe, uitgebreide en geactualiseerde editie, leest inderdaad lekker vlot weg. Desondanks is de kans dat ik binnenkort ook de andere delen van zijn eilandenreeks ga lezen (“Eenzaam”, “Het ijspaleis”, “Blauwzee” en "Leeg en Kaal") niet zo groot want ik ben, anders dan Büch, geen fervente islomaan (of ‘nesomaan’).

Als ik Büch lees ben ik altijd een beetje op mijn hoede.
Het mag dan zo zijn dat de balans na zijn dood teveel is doorgeslagen naar Büch als pathologische leugenaar, het valt niet te ontkennen dat hij (vaak verstrikt in zijn enthousiasme voor het onderwerp) hier en daar regelmatig onjuiste informatie geeft. Bij “Eilanden” jeukten mijn vingers om zijn verhaaltjes nader uit te pluizen en te onderzoeken. Bij elke beschrijving, elk historisch detail, dacht ik; klopt dit wel? Wat schreef die en die daarover? Waar in mijn kast staat dat en dat boekje ook alweer? Eens even op internet kijken, enz,.

Het kookpunt werd bereikt na het lezen van het hoofdstuk over het eiland Bouvet, dat zijn naam kreeg van de Franse ontdekkingsreiziger Jean-Baptiste Charles Bouvet de Lozier (1705-1786). Het begon met Büch’s bewering dat de ligging en omvang van Bouvet (één of meer eilanden?) in diverse oude en nieuwe atlassen onduidelijk is. Pas sinds 1970, zo schreef hij, is dankzij het fameuze op luchtfoto’s gebaseerde Karta Mira project duidelijk dat het om één, bijna cirkelvormig, eiland gaat.
Die bewering leek mij twijfelachtig, temeer omdat Büch ook de Duitse Valdivia-Tiefsee-Expedition van 1898/1899 noemt. Nou ben ik net zo min als u op de hoogte van de resultaten van deze expeditie maar één ding weet ik wel zeker; Duitsers waren en zijn altijd erg ‘gründlich’. Ik kon mij niet voorstellen dat de expeditie daar destijds geen aandacht aan had geschonken.
En dus ging ik de trap op naar mijn bibliotheek. Niet om daar het expeditieverslag te raadplegen van Carl Friedrich Chun (1852-1914): "Aus den Tiefen des Weltmeeres"
(Jena, 1900), want dat bezit ik niet. Nee, gewoon, om mijn Stielers Hand-Atlas (Gotha, 1906) te bestuderen. Die bleek niet alleen een overzichtskaart te bevatten van het ‘Süd-Polar’ gebied, met daarop in stippellijn de koers van de Valdivia, maar zelfs een detailkaartje – ja, u leest het goed - van Bouvet (1: 1.000.000).


Uit de afbeelding blijkt wel dat men destijds al heeft vastgesteld dat het om één vulkanisch eiland ging (en Büch zou dat later in: "Het IJspaleis", blz. 56, ook schrijven). De expeditie, die het eiland op 25 november 1898, in zicht kreeg was ook verantwoordelijk voor de naamgeving van de hoogste bergtop; de ‘Kaiser Wilhelm Pik’. Na de annexatie door Noorwegen in 1927, werd dit veranderd in ‘Olavtoppen’ en  Bouvet werd Bouvetøya ('øya' is Noors voor 'eiland').


Nieuwsgierig geworden bezocht ik op internet Google Earth. Daarmee vlieg je nu virtueel naar elke plek op aarde, ook naar Bouvetøya. Het eiland heeft zelfs op Facebook een eigen pagina waar ik las dat de Noren er een weerstation bouwden.
Maar toen Büch in "Eilanden" over Bouvetøya schreef (en later in "Het ijspaleis" nog eens vijftig pagina's) was het World Wide Web nog niet zover. Voor hem bleef het eiland even onbereikbaar als ongrijpbaar.
Misschien bestaat Bouvet toch wel niet. En als het bestaat is het het eenzaamste plekje op deze aardbol. Men kan er geen post heen sturen, het heeft geen telefoonnummer, het ligt op alle moderne kaarten steeds ergens anders. Het is dus één groot vraagteken”.

Is het verhaal daarmee uit? Bijna.
Er wachtte mij op internet nog een verrassing. Er bleek namelijk een bibliofiele uitgave te bestaan over ‘het eenzaamste plekje op deze aardbol’ geschreven door Büchkenner Frans Mouws.


Van zijn: “Bouvetøya 54˚26’S 3˚24’E” (Helmond, 2009) verschenen destijds negenennegentig genummerde en gesigneerde exemplaren voor de handel en zesentwintig geletterden voor auteur, uitgever en medewerkers.
Een fraaie uitgave die bovendien interessant is door het interview met Gerrit Jan Zwier, de eerste (maar niet de enige) Nederlander die in 2006 op Bouvetøya voet aan wal heeft gezet.

"'Heb je ook een souvenir van Bouvet-eiland meegenomen?'
'Nou ik heb wat foto's gemaakt en een heel klein stukje steen meegenomen.'
'Een stukje van Bouvet! Je hebt gewoon hier in huis een stukje Bouvet liggen? Weet je wel dat het makkelijker is om een stukje van de maan te bemachtigen dan een stukje van Bouvet! (-)
'Mag ik het even vasthouden?'

'Dat steentje? Ga vooral je gang.'
'Maar waarom heb je er maar één van meegenomen?'
'Ik neem meestal maar één steentje of schelpje mee van de plaatsen waar ik geweest ben. Je moet ook niet te veel meenemen. Wat zeldzaam is, moet zeldzaam blijven...'"

Het boekje (24 blz.) is natuurlijk allang niet meer verkrijgbaar maar hoopvol stuurde ik een mailtje naar Frans, die ik ken van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen (NGB).
U begrijpt het al. Voor Perkamentus bleek er inderdaad nog een exemplaartje (92/99) beschikbaar te zijn. Gesigneerd, met opdracht en inclusief het originele buikbandje.

Dankjewel Frans!

vrijdag 11 januari 2013

Herinneringen kopen

 
Ik kom ze overal tegen.
Op boeken-, antiek- en vlooienmarkten. Op verzamelaarsbeurzen en in de kringloop. In winkels, op markten en natuurlijk op Koninginnedag. Vele laat ik liggen, sommige koop ik na verloop van tijd en andere direct als ik ze tegenkom.
Het zijn mijn herinneringen en dat zijn lang niet altijd boeken.

Zoals vorig jaar op een warme zomerse dag in Nieuwkoop. In de lokale Blokker kocht ik: “De ultieme Thunderbirds collectie”, acht Dvd’s, alle 32 afleveringen (36 uur) plus extra’s voor – ik meen – vijftien euro. Een sciencefiction serie, bedacht door Gerry Anderson (1929-2012), waarmee ik ben opgegroeid en dus puur jeugdsentiment.


Thuis meteen even kijken natuurlijk samen met dochterlief, maar na deel één had ze het wel gezien; te popperig, te traag, teveel touwtjes…
In mijn herinnering was het destijds heel wat.
Als jochie van tien was ik een echte fan en dat gold ook voor andere televisieseries als ‘Captain Scarlet' en natuurlijk ‘Batman'.
Het Thunderbirds speelgoed, de strips, ansichtkaarten en plaatjes, ik had het allemaal. Maar u weet wel hoe dat gaat. Het speelgoed ging kapot, de strips werden uitgeleend en keerden niet weer, de kaarten werden geruild en de plaatjes belandde gescheurd en verfrommeld in de vuilnisbak. Je groeit op, je wordt ouder en andere interesses dienen zich aan. Pas veel later toen ik studeerde en ik iemand leerde kennen die toevallig alles verzamelde wat te maken had met Gerry Anderson werden mijn herinneringen omgezet in begeerte. Begeerte naar de verloren schatten uit mijn jeugd. Op vlooienmarkten en Koninginnedagen kocht ik de ansichtkaarten en strips terug.

Niet toevallig maar heel bewust ben ik op zoek geweest naar een paar herinneringen aan mijn lagere schooltijd. Uiteindelijk vond ik wat ik zocht op Marktplaats. Het gaat om het befaamde verbeterde leesplankje (met letterdoosje) van Mattheus Bernard Hoogeveen (1863-1941) en de zes leesboekjes, geschreven door Jan Ligthart (1859-1916) en geïllustreerd door Cornelis Jetses (1873-1955). Mijn dochter, thans in groep zeven, heeft bijkans elk jaar een andere lesmethode maar in mijn tijd gingen de leermiddelen van Hoogeveen al vele decennia lang mee.
Telkens als ik nu door die boekjes blader (4de druk, Groningen 1968/1969), verbaas ik me over die ouderwetse vooroorlogse illustraties en brave houterige verhaaltjes uit een wereld die mijn grootouders nog hadden gekend. Eind jaren zestig kon het mij, een schoolkind van acht, ook nog boeien. 'Aap, noot, mies' paste kennelijk ook nog moeiteloos in mijn tijd.


Aan het eind van de lagere schoolperiode was ik een buitenbeentje. Buiten spelen? Voetballen? Ik las liever een geschiedenisboek of tekende kastelen en ridders. Dat laatste deed ik vaak samen met een vriendje. Bij hem thuis liet zijn vader ons een keer twee fraaie plaatjesalbums zien om als tekenvoorbeeld te gebruiken.
Het waren: “Der Vaderen Erf” (Zaandam, 1952) en “Neerlands Vlag aan Vreemde Kust” (Zaandam, 1955), geschreven door de onderwijzer Job Jan Moerman (1880-1954) en geïllustreerd door Johan Willem Heijting (1915-1995). Vooral “Der Vaderen Erf”, met stoere kleurige ridders op de voorkant, maakte diepe indruk. We mochten er voorzichtig in bladeren en ik herinner me nog de begeerte die opborrelde en het verlangen ze te mogen meenemen naar huis. Ik ben ze sindsdien talloze malen tegengekomen op boekenmarkten en altijd moest ik er even in bladeren.
Toen ik beide onlangs in onberispelijke staat voor vijf euro per stuk bij mijn kringloop zag liggen heb ik niet lang geaarzeld.


De bonnen waarmee de plaatjes uit deze verzamelalbums konden worden besteld zaten verpakt bij alle Hille koek- en beschuit artikelen. Maar veel huishoudens tijdens de wederopbouw konden zich de producten van Hille nog niet veroorloven. Gelukkig gaven ze destijds bij de meer betaalbare Blue Band margarine ook een verzamelalbum uit.
"Ik weet het" (1954) was een soort eenvoudige jeugdencyclopedie, die ook bij mijn grootouders lag. Toen na hun overlijden het grootouderlijk huis moest worden ontruimd was het een van de weinige zaken die ik meenam. Voor de vele grote en kleine gebruiksgoederen zoals de kolenkit, het petroleumstelletje en het ouderwetse Douwe Egberts lepeldoosje van oma, had ik geen belangstelling. Blijmoedig heb ik hun huisraad klaar voor de vuilnisman aan de straatkant gezet, inclusief zes originele Gispen fauteuils (model 414). Daar lig ik nu nog wel eens wakker van!


Enkele jaren later wist ik het wel en heb ik ook "Ik weet het" weggedaan. Daarvan heb ik nooit spijt gehad, maar toch... Toen ik vorig jaar een exemplaar zag liggen, compleet in schuifdoos voor één euro...
Ook grootmoeders lepeldoosje staat weer bij mij in de vensterbank, maar de Gispen fauteuils zijn me te kostbaar geworden. En de kolenkit en het petroleumstelletje?

... Ik denk dat ik het maar bij de herinneringen daaraan laat...