woensdag 31 juli 2024

Een vroeg achttiende eeuws exemplaarboek


Na lange tijd had ik het genoegen om weer eens te lunchen in Amsterdam met mijn 'blogredacteur' Reinder Storm. Uiteraard op een vrijdag want dan is er ook de bekende Spui boekenmarkt en zo combineren we het nuttige (werken en boeken zoeken) met het aangename (lunchen en kletsen). Nog voordat we elkaar zouden ontmoeten was ik daar al aanwezig. Ik start het liefst rond half tien 's morgens, als velen nog hun handel aan het uitpakken en uitstallen zijn. Net even voordat andere kapers op de kust verschijnen zoals Sander Kok (antiquariaat Kok) en Frank Rutten (antiquariaat Brinkman). Van Sander heb ik niet veel te duchten. Die zie ik eigenlijk alleen nog maar moderne uitgaven kopen. Frank en ik daarentegen vissen nog wel eens in dezelfde vijver (zoals u hier kunt lezen). Ook nu was hij aanwezig, maar te laat...


Bij de kraam van kAdeBoeken (Ralf de Jong) zag ik - enigszins verscholen onder wat andere uitgaven - een vlekkerig handschrift (dacht ik) liggen dat mijn aandacht trok. Mijn eerste indruk was dat ging om vroeg achttiende eeuwse kalligrafie van iemand die daarvoor duidelijk talent had, wellicht een schrijfmeester. Het waren vijftien ongesigneerde bladen met spreuken en dergelijke in het Nederlands en Frans bijeengebonden met een simpele cahiersteek, zonder bladnummering of titelpagina. Ook al was het geen echt boek, het was me de gevraagde vijfenveertig euro wel waard, zeker omdat ik een leuke speurtocht met een verhaal voor de boeg dacht te hebben. Waren het originele spreuken of waren ze overgeschreven uit een bestaand voorbeeldboek, en door wie en/of uit welk boek?


Nog voordat Reinder arriveerde liep ik even naar de firma Vlieger om een blad groen handmarmer te kopen met het voornemen er een fraaie cassette voor te laten maken door mijn vaste handboekbinder en boekrestaurator Hans Pieterse (zie hieronder!). 


Ondertussen moest ik natuurlijk denken aan Ton Croiset van Uchelen die ik nog wel eens zie op bibliofiele bijeenkomsten van ons Genootschap. Als er iemand verstand heeft van dergelijke kalligrafische producten, dan hij wel. Van zijn hand verschenen daarover verschillende artikelen en uitgaven zoals: "Vive la Plume. Schrijfmeesters en pennekunst in de Republiek" (Amsterdam, 2005), een uitgave die destijds verscheen bij de tentoonstelling: "Pennekunst. Vier eeuwen schoonschrijven in Nederland" in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam.


Daarin kunt u lezen dat de bloeitijd van dergelijk voorbeelduitgaven in schoonschrift (zogenaamde 'Exempel-' of 'Exemplaarboeken') aan het begin van de zeventiende eeuw lag. De zeventiende - en achttiende eeuwse schrijfmeesters - in de regel schoolmeesters - waren toen vooral afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden zoals Felix van Sambix (1553-1642), de vermoedelijk uit Antwerpen afkomstige Abraham van Overbeke (overl. 1638) en Jan van den Velde I (1568-1623). Vooral de laatste is door zijn: “Spieghel der Schrijfkonste” (Rotterdam, 1605) de belangrijkste schrijfmeester uit onze geschiedenis geworden.


Exemplaarboeken uit de eerste helft van de zeventiende eeuw zijn uitbundiger in hun versiering (met vaak fraaie titelpagina's en sierkaders) en de kalligrafische voorbeelden zijn meestal in meerdere talen (Nederlands, Frans, Duits, Engels, Italiaans en Latijn) en lettertypen, zowel in romein als italiek. De aan het eind van die eeuw verschenen exemplaarboeken en die van begin achttiende eeuw zijn vergeleken daarmee sober, zowel in uitvoering als in voorbeelden. De vijftien bladen die ik kocht zijn allemaal schrijfvoorbeelden in zwierig Italiaans/Florentijns schrift, het zogenaamde 'zwelschrift' (dunne en dikke/gezwollen lijnen al naar gelang de druk op de ganzeveer/pen). Het graveren op koperplaten van de handgeschreven exempelen was een secuur, tijdrovend en dus kostbaar karwei. Bovendien waren er maar weinig goede graveurs die dat konden en een paar schrijfmeesters bekwaamden zich daarom zelf in deze kunst. De bladen werden vaak ook zelf gedrukt met een plaatpers en in eigen beheer uitgegeven en los verkocht. 
Dergelijke uitgaven werden vooral gebruikt op Franse scholen waar men vakken volgden nodig voor de handel (Frans lezen, spreken, schrijven en rekenen). Bij het schrijven ging het dan - behalve om de techniek - ook over het juiste schrift en de vereiste stijl.


Thuisgekomen begon ik eerst maar eens met het uitgummen van het prijsje en enkele potloodkrabbels. Vervolgens typte ik bij Google enkele willekeurige zinnen in van een paar spreuken. Dat leverde tot mijn verbazing direct resultaat op! Ik werd verwezen naar de website van de Rijksstudio van het Rijksmuseum.
Daar bewaren ze een ongedateerd album met 37 kalligrafische schrijfvoorbeelden van Bastiaan de Boer/Boers (1650-1715), die in Warmond een Franse jongeheren kostschool hield met zijn zoon Maarten Boers (1683-1751). Eén van Bastiaan's leerlingen was de mij welbekende Sir Matthew Decker (1679-1749), die in 1748 een reis door Nederland maakte (en een reisdagboek bijhield). Blijkbaar had hij goede herinneringen aan zijn schooltijd want op 25 juli 1748 bezocht hij (de brouwer) Maarten Boers en zijn gezin. Maar dit terzijde.


Nu pas werd mij duidelijk dat ik geen origineel handschrift had, maar vijftien bladen van dit gedrukte exemplaarboek. Mijn aanwinst bevat de volgende bladen (NB. tussen haakjes noteerde ik de bladnummers van het album in het Rijksmuseum, terwijl de 'titels' hyperlinks zijn naar de betreffende afbeeldingen).

4. (6) O Menschen, schuw 't vergift der Logen...
5. (7) 's Herten oog, Steets om hoog (titel op object)
6. (8) Welzalig is de Man die met zijn Lot te vreeden...
8. (11) Monsieur...
12. (26) Monsieur Hieronimus vander Burg gelieft te... (gedateerd: Leijden den 1 Junij 1696)
15. (36) Une Voix de triomphe et de delivrance se...



Volgens eerdergenoemde uitgave: "Vive la Plume..." zijn van het album Boers nog verschillende  exemplaren bekend. Ze bevinden zich thans in de collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam, het Allard Pierson (3 x), de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, de Stadsbibliotheek Haarlem en de Newberry Library in Chicago. Al deze exemplaren zijn compleet (op twee exemplaren na in het Allard Pierson die elk een blad missen) en zorgvuldig ingebonden. Ze zijn ongebruikt - gekoesterd - en dat wijst erop dat ze ooit zijn gekocht en in bezit waren van liefhebbers c.q. verzamelaars. Mijn bundeltje daarentegen is een uniek voorbeeld van een ‘selfmade’ gebruiksexemplaar, met een willekeurig aantal gekochte bladen bijgesneden tot oblong formaat (hoogte 20 cm., breedte ca 31.5 cm.), waardoor de kenmerkende drukmoet van de koperplaten grotendeels is verdwenen.
De inktvlekken op enkele bladen zijn een aanwijzing dat er met mijn aanwinst destijds werd geoefend.
In het antiquarisch circuit zullen deze uitgaven niet vaak opduiken, op een boekenmarkt is een dergelijke vondst (al dan niet compleet) uitzonderlijk.


Bastiaan Boers - tot slot - was niet alleen een bekwaam schrijfmeester maar ook een uitstekende glasgraveur. Er worden van hem verschillende glazen en flessen bewaard in diverse musea. Zijn Leidse collega Mathieu Petit deed hetzelfde en wie daarover meer wil weten raad ik aan om het artikel te lezen geschreven door P.C. Ritsema van Eck: "Bastiaan Boers en Mathieu Petit, schrijfmeesters, schoonschrijvers en glasgraveurs", in "Bulletin van het Rijksmuseum" (Jaargang 30 (1982), nr. 2).

vrijdag 12 juli 2024

Het jaar geboekt, juni 2024

In 'Het jaar geboekt, [maand en jaar]' houd ik bij wat ik gedurende een maand bij elkaar verzamel inclusief 'de cijfers', soms met toelichting en/of opmerkingen. Ik begon hiermee in 2018, aanvankelijk als aparte rubriek (onder een eigen tabblad). Met ingang van 2024 publiceer ik mijn maandoverzichten direct op de 'homepage'. Na afloop van het jaar geef ik een totaaloverzicht in '[Jaar] geboekt. Een jaar in feiten en cijfers'.

Juni 2024 de cijfers...

Totaal aantal objecten: 2.

Gekocht: 2.

Totaal uitgegeven: € 47,50 euro (incl. verzendkosten).
Gedeeld door 2 is gemiddeld: € 23,75  euro per object.

Via kringloopwinkel: 1 (1).
Via boekenmarkt: 1 (2).

Modern: 1 (1).
Old & rare: 1 (2).

Juni 2024: de aanwinsten...

1. L.B.J. Dros: "Langs de Amstel in vroeger tijden" (Oostvoorne, 1999). Het derde deel van een serie fotoboekjes waarvan ik deel 1 en 2 al had voor mijn collectie lokale geschiedenis Amstelveen/Amstelland. Kringloopvondstvoor € 2,50 euro.


2. Exemplaarboek Bastiaan en Maarten Boers (z.p. [Warmond/Leiden?], z.j. [ca. 1700]. Vijftien met een cahiersteek bijeengebonden gegraveerde bladen uit dit (in totaal 37 bladen tellende) zeldzame exemplaarboek (met spreuken in zwierige kalligrafie). Hiervan zijn zes complete exemplaren bekend, o.a. in de collectie van het Allard Pierson en het Rijksmuseum. Gekocht voor € 45,- euro op de Amsterdamse Spui boekenmarkt.
Ik laat er een fraaie cassette voor maken bekleed met groen handmarmer door mijn vaste handboekbinder en boekrestaurator Hans Pieterse. Binnenkort kunt u hierover meer lezen in: "Een vroeg achttiende eeuws exemplaarboek".

vrijdag 28 juni 2024

Wie waren 'de Controleur' en 'schele Trijn'?


Ik bezit alweer een aantal jaren een presentexemplaar van de "Komische gedichten van den controleur" (L.F.J. Hassels, Amsterdam 1884). Dat het een presentexemplaar is blijkt ten eerste uit de handgeschreven opdracht voorin aan de toenmalige minister van Financiën, Willem Johan Lucas Grobbée (1822-1907), die (niet onbelangrijk voor mijn verhaal!) - voordat hij de ministerspost kortstondig zou vervullen - ook werkzaam was geweest als inspecteur der directe belastingen.
Ten tweede is mijn exemplaar (ca. 13 x 20.5 cm., 78 blz. plus een blad met aantekeningen en inhoudsopgave) gebonden in een luxe roodleren band met titel en sierkaders in reliëfdruk en is het boekblok aan alle zijden met goud verguld. De uitgave (waarop men al vanaf 1884 kon intekenen) verscheen "ten voordeele van Weduwen van Ambtenaren" en was verkrijgbaar in een linnen band (in diverse kleuren) met dezelfde reliëfdruk als mijn luxe presentje (en kostte dan ƒ 1,75 gulden) of als goedkope uitgave in papieren omslag met illustratie, rechtsonder gesigneerd 'Tresling & Co. Amst.' (voor ƒ 1,25 gulden).
Het is overigens antiquarisch geen zeldzaam boekje. Op Boekwinkeltjes kunt u voor bedragen rond de vijftien euro zelf een exemplaar aanschaffen.


Het moet een destijds populaire uitgave zijn geweest en vooral geschikt voor luimige voordrachten want in maart 1886 verscheen een tweede vermeerderde druk, bij uitgever A.L. Land te Heerenveen, voor zestig cent. "De man die ze in de kleeren stak is dood, en daar ze met eenige nieuwelingen een frisch gewaad noodig hadden heeft de heer A.L. Land te Heerenveen de zorg daarvoor op zich genomen" (In: "Het Dagblad van Friesland", 27 maart 1886). Uitgever Hassels was inderdaad dood maar de auteur nog allerminst, zoals we later zullen zien.


Het vriendelijke voorwoord werd geschreven door niemand minder dan de bekende kunstcriticus Joseph A. Alberdingk Thijm (1820-1889). Die prees het loffelijke doel van de uitgave met zijn 'onschadelijke' en vermakelijke vlot gerijmde opstellen; "al komen er, hier en daar, vergrijpen tegen de kunstregels in voor". De uitgave bevat de volgende twaalf gedichten: 1. "Hoe ik het dansen geleerd heb", 2. "De Massematte", 3. "Schele Trijn", 4. "Op het kantoor van een Amsterdamsch ontvanger", 5. " De Amsterdamsche effectenhoek", 6. "Bij den Redacteur van 'De Praetvaar'", 7. "Dito", 8. "Practijk", 9. "Altijd komiek", 10. "De Uitdaging", 11. "Het Mirakel", en 12. "Bismarcks politiek". In vrijwel alle gedichten fungeert Amsterdam als decor en ook in de spaarzame aantekeningen bij een zevental gedichten wordt de hoofdstad meermalen genoemd als plaats van gebeurtenis.


Wie de paar boekbesprekingen leest die er destijds in de krant verschenen zal tot de conclusie komen dat "Schele Trijn" het meest populaire gedicht was van de bundel. Over de hoofdpersoon in dit gedicht werd aangetekend: "Historisch; eene algemeen bekende Amsterdamsche vischvrouw, in 1867 in den ouderdom van 88 jaar overleden". De controleur schetst Trijn, haar handel en wandel in de straten van Amsterdam, in beeldende en kleurrijke poëzie;

"Toen ik nog een jongen was, leefde schele Trijn;
Vischvrouw was ze van beroep, en bij groot en klein
Was zij algemeen bekend door haar flink postuur:
Niet te groot, maar vrij gezet, aardige figuur;
Als ze zat, dan stond haar borst loodrecht op haar knie;
Doch het schoonste lag in Trijns physionomie;
Bijna was de onderkant van haar neus zoo breed
Als hij lang was, wijl haar mond ieder denken deed
Dat moeder onzer Trijn op een zekeren tijd
Was geschrokken van een beer, die werd rondgeleid;
En haar kijkers, welk een pracht! Zag ze u in 't gezicht,
Dan was tevens 't rechteroog op uw rug gericht;
Vingers als een roggestaart had zij aan haar hand,
een paar beenen onder 't lijf van een olifant.
En hoe lief was zij gekleed! 't Pimpelpaarsche jak
Prijkte sierlijk op een rok als een beddezak,
En een muts, kapot genaamd, van fatsoen en maat
Als een helm in d'ouden tijd van een landsoldaat,
Zóó, met manden aan een juk, liep ze wat ze kon
Door het groote Amsterdam van de dag begon,
Schreeuwende langs straat en gracht met gespannen long;
'Ael braed ael of kabeljauw, schellevie of tong!'
Rijke klanten had ze niet; meiden van fatsoen
Hadden met dit 'zeegedrocht' liefst maar niet van doen;
Slechts de kleine burgerij nam de visch van haar;
Want voor weinig geld wou die 'levendige waar.'
Maar wie was er in de kunst uitgeleerd als Trijn?
Wie kon beter met wat bloed kieuwenverfster zijn?
Wie kon blazen in de visch, zooals zij dat deed,
Waardoor schelvisch bovenal versch en levend heet?
Wie kon schelpjes, zooals zij, strooien met verstand,
Waardoor elk dacht dat de visch levend kwam van 't strand?
Ook mijn moeder nam haar visch, wel niet extra goed,
Maar van eene qualiteit, waar men het toch meê doet;
Daarom kende Trijn mij goed, en verscheiden keer
Gaf zij met haar roggehand mij een lekk're peer.


Trijn werd ouder - en altijd had ze 't niet te breed;
Zij ging zitten in de Nes, waar zij zaken deed;
's Avonds was 't een lust, te zien hoe zij d' ouden paai
Schelvisch, tong of bot verkocht smaakloos als een haai.
Zie, daar komt een flinken meid vragen: 'Zeg eens, vrouw,
Zeg, wat kost dat zoodje bot in den roes, bij jou?'
Waarop Trijn zegt: 'Lieve kind, achttien Stuivers maar!' -
''k Geef je daarvoor dertig Cent.' - Nu roept Trijn: 'Verhaar!
Denk je, dat ik deze visch heb gestolen, del?
Bot is voor je mond geen kost, dat versta je wel!'
Daarop komt Jan Spillebeen, kleêrmakersknecht,
En die denkt: 'Bij schele Trijn kom ik 't best terecht.'
'Zeg eens, vrouw, die schelvisch daar, wat kost die het stuk?'
'Negen stuivers', antwoord Trijn, en op goed geluk
Biedt Jan vijftien Centen. Doch nu wordt Trijn recht kwaad:
'Vijftien Centen, spinnekop? Als je niet gauw gaat
Geef ik met die schelvisch jou voor je bleeken snoet
Een rababel; wie niet al schelvisch eten moet!
Man, die visch bederft je maag, dat 's niet goed voor jou,
Eet wanneer je smullen wilt, snijerskabeljauw!' (volksbenaming voor panharing)
Haastig komt monsieur Carbeau, kapper in de buurt,
Die door zijne huisvoogdes wordt naar Trijn gestuurd
Om te zien of hij geen aal bij die dikke vrouw
Kan bekomen voor de soep, die zij koken wou,
En voor dertig Centen krijgt hij een pierenzoô,
Trijn is heden in haar schik; en monsieur Carbeau
Hoort haar lachend zeggen, dat hij alleen die visch
Zoo goedkoop bekwam, omdat hij haar landsman is.
,Watte!' zegt monsieur Carbeau, 'een Française kij,
Ah! dat kan niet ware zijn, dat is mallerij.'
'Mallerij!' zegt Trijn, 'mijn baas! dat je dat niet vat,
Ik ben wel niet uit Parijs, maar van 't Franschenpad.'
En zoo sukkelt Trijn al voort, nu eens goed, dan kwaad,
't Blijft altijd een zuur stuk brood, dat ze vindt op straat."

U zult zich inmiddels afvragen wie nou eigenlijk die 'controleur' was? Heel vaak wordt Alberdingk Thijm genoemd als de vermoedelijke auteur die schuilgaat achter dit pseudoniem. Niets is minder waar... 
Zoals ik schreef bezit ik een luxe presentexemplaar met een handgeschreven opdracht van ene J. Goossens.


Zoals u kunt lezen noemt Goossens zichzelf niet 'de auteur' of 'de schrijver', maar wellicht was hij van beroep 'controleur', zoals men destijds ambtenaren bij de belastingdienst noemde? 
Ik raadpleegde: "Het jaarboekje voor de ambtenaren der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, van het kadaster, den waarborg enz. in Nederland" (Gorinchem, 1886) en trof daarin inderdaad ene Johannes Goossens aan (geboren 19 april 1817 Amsterdam, overleden 2 februari 1887 Wiesbaden/Dld.), die in 1879 was opgeklommen tot Provinciaal inspecteur der directe belastingen, tevens voorzitter in Amsterdam. Een via Delpher gevonden krantenartikel van 3 juni 1886 maakte vervolgens aan alle twijfel een einde. Goossens was niet alleen betrokken bij de oprichting van het: "Uitkeeringsfonds bij overlijden van ambtenaren der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen" (1885), hij steunde de club ook financieel met o.a. de opbrengsten van zijn dichtbundel.


Ik heb nu voldoende aangetoond wie de auteur was van deze komische dichtbundel geschreven onder het pseudoniem van 'de controleur' (KB, bibliotheken, Worldcat. en antiquaren doe er u voordeel mee en pas uw auteursgegevens aan...), maar hierna doemt  onmiddellijk de vraag op wie er schuil gaat achter de historische figuur 'schele Trijn'?


Dat uitvinden leek mij geen gemakkelijke klus. Ik ken slechts één uitgave die specifiek handelt over Amsterdamse volksfiguren uit de eerste helft van de twintigste eeuw, maar (natuurlijk) allesbehalve volledig is: "Had je me maar. Amsterdams straatleven en straatfiguren tussen 1900 en 1940" (Amsterdam, 1979). Een overzicht met negentiende eeuwse Amsterdamse straattypen en hun bijzonderheden bestaat helaas (nog) niet. Overigens bevolkten verschillende onder hen, zoals de Japaneesjes, Joedele Saar, de blikken dominee, Haantje pik enz. enz., de sfeervolle verhalen van Justus van Maurik (1846-1904) en/of zijn zoals Isaac (Jitschak haLevi) Gerrit Betel (1818-1886), alias Isaäk de schoenpoetser op de Dam, afgebeeld door Johan Braakensiek (1858-1940). In veel gevallen echter is hun ware naam c.q. identiteit onduidelijk.

Ik besloot om naar het Amsterdamse stadsarchief te gaan in de hoop om daar met wat hulp 'Trijns' ware identiteit te achterhalen. Mijn onderzoeksvraag was duidelijk en simpel. Welke (vis)vrouw met de naam Catharina (roepnaam 'Trijn') overleed in 1867 op achtentachtigjarige leeftijd en was afkomstig uit de Jordaan (Fransche pad)? 
En zo vond ik na een paar uurtjes zoeken via 'Transkribus' de overlijdensakte van een Rooms-katholieke Amsterdamse weduwe (van Joseph Scheepmaker en Piet Groen) die in de Willemstraat (Jordaan) op de gezegende leeftijd van 88 jaar overleed (zij werd geboren/gedoopt in Amsterdam op 1 november 1778). De leeftijd klopte en het oudste Amsterdamse bevolkingsregister gaf de bevestiging. Zij woonde rond 1850 aan de Goudsbloemgracht, alias het Fransche pad, in de Beerengang. Geen twijfel meer mogelijk; 'schele Trijn' (dochter van Antonie Stoffels en Hendrina Nijdeken) was Catharina Stoffels.