zaterdag 12 september 2026

Over een Amsterdams begijntje en haar boek


Enige tijd geleden ontving ik een e-mail van 'De vrolijke kluizenaar' (die voor kooplustigen ook een online antiquariaat via Ebay bestiert). Bij het Franse veilinghuis Drouot had ze een kavel gekocht met daarin een boekje met een opmerkelijke Amsterdamse provenance. Wellicht wilde ik dat wel, als liefhebber van de geschiedenis van Amsterdam, voor een vriendenprijsje van haar overnemen?
Het gaat om een in leer gebonden (niet geïllustreerde) uitgave getiteld: "De historie van het Aude en Nieuw Testament, met christelyke en stichtbaere bemerkingen, getrocken uyt de Heylige Vaders, en andere geestelyke leeraers..." (blz. 7 t/m 394) en: "De historie of geschiedenissen van de geborte, het leven, lyden en doodt van Jesus Christus, Ondermengelt met vele Christelyke Bemerkingen en Verklaeringen" (Blz. 395 t/m 638).
Beide delen verschenen volgens de afzonderlijke titelpagina's in 1727 in Gent bij Petrus de Goesin/Pieter-François I (1671-1740), maar de approbatie (kerkelijke goedkeuring), onderaan op blz. 638, is gedateerd 19 april 1728.


De familie De Goesin behoorde in de 18de eeuw tot de bekendste drukkersgeslachten van Gent. Deze tweedelige Goesin-uitgave is een soort volksbijbel: een klassiek religieus boekje dat de Bijbelse geschiedenis behandelt, verrijkt met commentaren van vroege kerkvaders en geestelijke leraren. Het is een compacte bewerking die teruggaat op een Franse uitgave: "Histoire du vieux et du nouveau testament représentés par des figures et des explications édifiantes tirées des saints Pères, pour régler les mœurs dans toutes sortes de conditions" (Paris, 1669), beter bekend als "Le Bible de Royaumont", geschreven door de Franse theologen en schrijvers Nicolas Fontaine (1625-1709) en Louis-Isaac Lemaistre de Sacy (1613-1684), twee prominente figuren binnen het jansenisme.

Over de (druk)geschiedenis van deze uitgave heeft L. Le Clercq een interessant artikel geschreven (met bibliografie): "Een tweehonderdjarige Vlaamsche volksbijbel", in: "Collectanea Mechliniensia" (Mechelen, 1935, blz. 24 t/m 43). Helaas niet online, maar Steven van Impe, conservator van de erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience was zo vriendelijk me hiervan een PDF te sturen. Daaruit blijkt dat het boek uitermate populair was. Na de eerste Vlaamse druk in 1718 brachten verschillende drukkers en uitgevers in de toenmalige Zuidelijke Nederlanden nog tientallen edities uit: twintig in de achttiende eeuw en nog eens dertien in de negentiende eeuw (de laatste in 1845). Van alle edities die in Gent verschenen is die van De Goesin uit 1727 de eerste. Het boekje is vrij schaars.
Online vond ik nog twee exemplaren: één in de Universiteitsbibliotheek van Nijmegen (signatuur: OD TBI 206 c 1) en een ander in de Universiteitsbibliotheek Antwerpen / Ruusbroecgenootschap (signatuur: RG 3075 C 4). Ze zijn alle twee op de titelpagina voorzien van een handgeschreven ex-libris dat - opvallend genoeg - wijst op een lezerspubliek binnen vrouwelijke kloosterorden. In het eerste exemplaar staat "Carmeliterse tot Boxmeer 1753", en in het andere "Ick diene de religieusen Capucinessen tot Brugge".


De vroege achttiende eeuw kende in de Nederlanden een bloeiende cultuur van vrouwelijke religieuze gemeenschappen. Zowel kloosterzusters als kloppen en begijnen (die als vrome lekenvrouwen buiten het klooster leefden) hadden een grote behoefte aan Nederlandstalige literatuur voor het verdiepen van hun religieuze spiritualiteit, naast gebed, meditatie en liturgie. Omdat velen onder hen geen Latijn lazen, waren boeken in de volkstaal met "christelyke en stichtbaere bemerkingen" belangrijk voor geestelijke  vorming en verdieping, en bijgevolg erg populair.

Hoewel ik normaal gesproken niet geïnteresseerd ben in dergelijke Zuid-Nederlandse religieuze uitgaven, trok dit exemplaar door zijn bijzondere provenance meteen mijn aandacht. Het gaat niet om een klassiek ex-libris maar om een persoonlijke tekst op een blad vóór de titelpagina. Die vormde voor mij reden genoeg om dit boekje direct te kopen.


De paar regels voorin zijn een handgeschreven 'memorie', ter herinnering aan de dag dat Maria Keijser een begijntje werd, en wel te Amsterdam.

"Anno 1734

15 Iunii

Op de darde Pinxterdag

is

MARIA KEYSER

Beggyntie geworde

Ick ben gekomen op dat sij het leve
soude hebben, en overvloediger hebbe Jois 10.10.

Bid voor

                                                                                                F.C. Dieroùt"

Hoogstwaarschijnlijk werd dit geschreven door één van haar geestelijke zusters. Franciscus Cornelius Dierout (1675-1745), was sinds 1712 pastoor van het Begijnhof in Amsterdam. Tijdens zijn pastoorschap werden zo'n 45 vrouwen begijn.

Om mijn aanwinst beter te kunnen plaatsen nam ik contact op met Evelyne Verheggen.
Ik ken haar van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen. Zij is erfgoeddeskundige en cultuurhistorica voor religieus erfgoed en promoveerde op: "Beelden voor Passie en Devotie. Bid- en devotieprenten in de Noordelijke Nederlanden, 17de en 18de eeuw" (Zutphen, 2006). Zij geldt als autoriteit op het gebied van dergelijke devotionalia, gemaakt door kloppen en begijnen in de Nederlanden.

Evelyne reageerde enthousiast op mijn aanwinst en vond het een topstuk. Het was - schreef zij - niet ongebruikelijk dat vrouwen bij intrede (en andere jubilea) elkaar een boekje of devotieprentje gaven. Boekjes - zoals mijn exemplaar - zijn echter veel minder bekend of bewaard. Zo bevinden zich in particulier bezit vijf boekjes uit Aalsmeer met handgeschreven opdrachten (drie van Anna Benedicta Seli(j) uit 1744 en twee van Maria (Ambrosia) Goedhert), waarover zij in haar proefschrift schrijft (blz. 179). Er was haar echter geen ander voorbeeld van de bewoners van het Amsterdamse Begijnhof bekend. Dat maakt mijn exemplaar uniek. Wel bestaan er uit deze periode enkele prachtige devotieprentjes (in de collectie van Museum Ons' Lieve Heer op Solder), gemaakt door een Amsterdamse begijn, die ook telkens oproept tot gebed voor F.C. Dierout. Wat dat betreft; bidden voor de geestelijke vader, in dit geval pastoor F.C. Dierout, was meer regel dan uitzondering. Hij was niet alleen hun geestelijke begeleider maar onderwees de vrouwen ook als leraar in de Theologie.


Maria Keijser zal deze persoonlijke gift haar leven lang hebben gekoesterd. Anders dan nonnen legden begijnen namelijk geen gelofte van armoede af, waardoor zij in bezit bleven van hun persoonlijke eigendommen. Daartoe behoorden ongetwijfeld bijbeltjes, getijdenboekjes, religieuze traktaatjes en meer van dergelijke uitgaven.

Dat dit boekje in Gent werd gedrukt, hoeft ons niet te verbazen. Weliswaar kon het katholieke geloof in Amsterdam sinds de Alteratie (1578) uitsluitend nog in het verborgene worden beleden - zoals in schuilkerken of op het Begijnhof -, maar desondanks bestond er een bloeiende (ruil)handel tussen de katholieke boekverkopers en uitgevers in Amsterdam en hun collega's in de Zuidelijke Nederlanden. Veel boeken (en andere  devotionalia) werden in kisten verscheept van Antwerpen naar Amsterdam, bijvoorbeeld naar Theodorus Crajenschot (1716-1803).


Dit was een prominente katholieke boekverkoper, uitgever en papierverkoper in Amsterdam die een eigen drukkerij en winkel had ("In den Berg Sinaï"), op de hoek van de Herengracht en de Heisteeg. Hij stond bekend als een belangrijke importeur en uitgever van rooms-katholieke literatuur. In zijn catalogus van 1760 komt ook de - inmiddels - vierde druk van deze (tweedelige) uitgave voor: "zeer nut en stigtig voor de Gelovigen".
Er was in de toenmalige boekenwereld opmerkelijk weinig te merken van anti-katholieke repressie, concludeerde Lienke Paulina Leuven al driekwart eeuw geleden in haar proefschrift: "De boekhandel te Amsterdam door katholieken gedreven tijdens de Republiek" (Amsterdam, 1951). Overigens weten we natuurlijk niet of mijn exemplaar ook via een Amsterdamse tussenhandelaar in handen van Maria kwam.
Het boekje kan ook direct in Gent (of elders in de Zuidelijke Nederlanden) zijn gekocht.


Wat is er van Maria Keijser terug te vinden in de archieven? Een belangrijke bron is het: "Register van Begijnen, met opgaaf van jaar en datum van aanneming en overlijden (1631-1914)". Daarin staat: "1734 Maria Keijser", met daarachter in een ander handschrift 'ob.' ('obit' = overleden), zonder exacte datum. Pastoor Dierout, die op dezelfde bladzijde onderaan staat, overleed op 8 september 1745 (Stadsarchief Amsterdam. Archief van het Begijnhof. Nr. 740, inv.nr. 73).
Volgende de Amsterdamse begraafregisters overleed Maria op 28 november 1745 en kreeg ze een graf in de Engelse kerk (EK) op het Begijnhof. Haar doop in Amsterdam vond plaats op 12 februari 1703 ('Maria de Keijzer'). Ze was de jongste van de vijf kinderen van Zacharias Berghman en Maria Huijberts (de Keijzer). Opmerkelijk is dat alleen bij haar doop en die van haar zuster Esther (1699) haar moeder 'De Keijzer' als achternaam gebruikte, en dat Maria niet de achternaam van haar vader aannam.

Rest ons - tot slot - nog één prangende vraag: hoe belandde haar boekje tweehonderd jaar later op een Franse veiling? Ik zou het u dolgraag vertellen. Als ik het wist...

Geen opmerkingen:

Een reactie posten